vv

 

De tachtigjarige oorlog

In 1572 bereikten de watergeuzen Friesland, waar zij in Franeker een opstandige regering oprichtten onder leiding van Joost van Schauenberg. De watergeuzen en hun spaanse tegenstanders onder leiding van Caspar de Robles voerden strooptochten uit in Friesland, waar de bevolking veel van te lijden had. Daar bij moesten de boeren in opdracht van de lokale overheden ook nog meehelpen bij het oprichten van schansen en andere versterkingen.

De watergeuzen werden in eerste instantie verdreven, maar nadat in 1579 de Unie van Utrecht tot stand was gekomen, kozen een jaar later de Staten van Friesland de zijde van de opstandelingen en toen brandde in Friesland de strijd pas goed los. In 1580 werd Steenwijk aangevallen door de Spanjaard Rennenberg. vDe verdediging was in handen van Johan van den Kornput. Hiernaast ziet u het standbeeld van Johan van den Kornput in Steenwijk dat in 2003 gemaakt is door de kunstenaar Hans Kuyper. Rennenberg moest in februari 1581 het beleg afbreken. In 1582 werd Steenwijk bij verrassing alsnog ingenomen, toen Van den Kornput alweer vertrokken was. Nadat de val van Steenwijk een feit was werden vanuit deze vesting verschillende strooptochten ondernomen. Er is in 1581 een pamflet gedrukt, waarin de bevolking voor de aktiviteiten van de spaanse soldaten werd gewaarschuwd. Ook in de Stellingwerven had men van de oorlogshandelingen rond Steenwijk te lijden. In 1582 verscheen de spaanse legeraanvoerder Verdugo voor de Tolbrugschans bij Oudehorne, waar hij werd tegengehouden. In 1585 was hij in Oldeberkoop, waar de kerktoren werd ondergraven en vanwaar strooptochten in Friesland werden uitgevoerd.

In deze tijd lag er een versterking op het punt waar Linde en Tjonger samenkomen. Deze versterking, die Slijkenburg werd genoemd, lag in het dorpsgebied van Spanga. Ook deze vesting werd door de Spanjaarden bij hun plundertochten als uitvals- poort gebruikt. In feite konden vele dorpen in de omgeving van Slijkenburg door de Spanjaarden worden beheerst. Dit betekende, dat de hervorming hier geen doorgang kon vinden. Toen de Friese Staten in 1580 overliepen naar de opstandelingen waren de katholieke priesters veelal op de vlucht geslagen, Bij de katholieken, die in 1580 naar Groningen moesten vluchten waren Dominicus Joannes Jacobi Gelder, Pastoor in Spangia en Philippus Jasperus bij Con. Mat's excijsmeester van Slijckenborg ofte Schoterzijel. Maar na de inname van Steenwijk waren zij weer op hun post teruggekeerd. Ook in de dorpen die vlakbij Slijkenburg lagen, nl Scherpenzeel, Spanga en Munnekeburen was dit het geval. De troepen van de Republiek maakten het overigens even bont als de Spanjaarden, ook in de streken die zij beheersten sloegen de soldaten aan het plunderen, terwijl de katholieken geen godsdienstige bijeenkomsten meer konden houden. Kuinre was na 1580 enige tijd in handen van de Staatse troepen, en ook hier werden de katholieken zwaar achtervolgd. De bezetting van Slijkenburg door de Spanjaarden bood de katholieken in Kuinre nu de mogelijkheid, onder bescherming van de Spanjaarden godsdienstige bijeenkomsten te houden. Daartoe werd in de boerderij de Blauwhof een schuilkerk ingericht, die door de katholieken uit het aangrenzende Overijssel werd bezocht.

v

Hierboven ziet u een afbeelding van de schans Slijkenburg die oorspronkelijk afkomstig is uit een boek van Van Reyd. (1) Op 9 mei 1585 werd de schans Slijkenburg belegerd door graaf Willem Lodewijk, die men de bijnaam "Us Heit" had gegeven. De overgave van Slijkenburg en van andere militaire akties door Graaf Willem Lodewijk worden uitvoerig beschreven door de historicus Reyd. De graaf verzamelde in eerste instantie 700 man in de buurt van Sloten en trok met vier stukken geschuts over water naar Slijkenburg. Daar voegde de overste Sonoy zich bij hem, die met 500 man uit Noord-Holland was overgekomen. De schans werd op dat moment verdedigd door een spaanse kapitein met vier vaandels knechten. De bezetters beschikten over twee gotelingen, een licht geschut, dat men wel op schepen gebruikte. Graaf Willem Lodewijk gaf opdracht de vier kannonnen in stel ling te brengen en de schans te beschieten, maar deze werkwijze sorteerde weinig effect. Daarop besloot hij twee kannonnen naar een vervallen hofstede vlakbij de schans te brengen. Bij het krieken van de dag werden deze kannnonnen afgevuurd, en een van de kogels ging door de muur naast het bed van de kapitein. Deze was hier blijkbaar zo van geschrokken, dfat hij zich tegenover de aanvallers bereid toonde de schans op te geven, wanneer de spanjaarden een vrijgeleide zouden krijgen en wapens en andere bezittingen mochten meenemen. Willem Lodewijk stemde hierin toe en de kapitein vertrok daarop met zijn vendels naar Steenwijk. Na dit succes trok "Us Heit" verder naar Oldemarkt, dat door een bezetting van 40 walen werd verdedigd. Ook deze plaats werd veroverd, waarbij een grote stenen kerk werd vernield.

De belegering van Slijkenburg en andere versterkingen in de omgeving van Steenwijk stonden in het teken van pogingen, de vesting zelf te veroveren. Veroveraars trachtten in de vele oorlogen die in de 16e en 17e eeuw werden gevoerd steeds weer de vesting Steenwijk te veroveren. De stad wisselde vele malen van bezetter. Het was de toegangspoort tot de plattelandsgebieden van Friesland, Drente en Overijssel, en als zodanig van groot strategisch belang. Daarbij had de boerenbevolking in de omgeving veel te lijden van de oorlogen te lijden door de pluderingen en rooftochten van de soldaten. Soms was men zelfs gedwongen de wijk te nemen naar veiliger oorden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een brief, die Willem Lodewijk in 1592 schreef en waarin hij de bevolking meedeeelt dat men weer naar zijn woonplaats kan terugkeren, omdat het gevaar geweken is. Na de belegering van Steenwijk door prins Maurits moesten de spanjaarden de stad tenslotte opgeven.

Voor het twaalfjarig bestand zou Verdugo nog eenmaal een aanval op Friesland ondernemen. Vanuit Vlagtwedde trok hij naar Friesland, waar hij de dorpen Bergum, Garijp en Suameer in brand stak. Men zou in Friesland hierna weinig meer van de tachtigjarige oorlog bemerken. Na het twaalfjarig bestand ondernamen de spanjaarden nog eenmaal een tocht naar Friesland. Kapitein Donia op de schans te Oudeschoot slaagde uiteindelijk op het nippertje erin, de aanval af te slaan. Er werden in 1602 in Schoterland wachten geregeld, om de bevolking bij eventueel onraad te waarschuwen. Dit zal ook in andere plaatsen wel het geval geweest zijn. Dat de boeren de bescherming van de oogst belangrijker vonden dan de verdediging van de Staatse macht in Friesland blijkt bijvoorbeeld wanneer tijdens de zoeven genoemde aanval van Verdugo uit 1622 de boeren de dijkjes die door de Staatse troepen waren aangelegd om land onder water te zetten en een soort waterlinie te formeren, doorstaken om het water weg te laten lopen, zodat de weilanden weer droog kwamen te liggen en de beschadigingen werden beperkt. Ook bij de krijgshandelingen in 1672 zullen we zien, dat de bevolking zich aan de verdediging weinig gelegen liet liggen en vaak tegenwerkte.

Noten

(1) Everhard van Reyd-Oorspronck ende voortganck vande Nederlantsche oorloghen. Ofte, waerachtighe historie vande voornaemste geschiedenissen, inde Nederlanden ende elders, voorgevallen, zedert den jare 1566 tot het jaer 1601, verdeylt in achthien boecken.Arnhem 1633. Amsterdam 1644. Dit boek is in verschillende versies en herdrukken verschenen.

samenstelling tekst en lay out pagina: Piet van der Lende