Het verloop van de kolonisatie

De vraag is, wat de verschillende theorieŽn zijn over de ontginning van de Westhoek, het gebied van de latere Groote Veenpolder. Het verloop van de kolonisatie daar kan ook informatie verschaffen over de gang van zaken bij de kololnisatie elders.

Bouwer veronderstelt dat de Binnenwegen - in de latere grote Veenpolder het Voetpad - de oorspronkelijke occupatieassen zijn, en dat daar de eerste boerderijen werden gebouwd. Vervolgens werd het gebied in de vorm van opstrekkende kavels vanuit de binnenweg ontgonnen.

Deze theorie wordt echter bestreden door Mol.[2] Hij veronderstelt dat de dorpen aanvankelijk meer op de waterwegen Linde en Tjonger en minder op landwegen gericht waren. De buurten bij Langelille en de Blauwhof zouden dan niet vanuit Spanga en Munnekeburen/Scherpenzeel zijn gesticht, nee, het zou andersom kunnen zijn: deze buurtjes vormen een rest van de eerste nederzettingen die dicht langs Linde en Tjonger lagen. Toen het maaiveld daar zakte, zouden de nederzettingen verder van het water af zijn komen te liggen: langs de binnen en buitenweg, de huidige lokatie. Daar waar het veld niet sterk daalde omdat er klei en zand aan de oppervlakte lagen, zouden de oorspronkelijke woningen - dicht bij het water - zich hebben gehandhaafd. Dit was bij Langelille en de Blauwhof het geval.

Mol weerlegt ook de theorie van Bouwer dat het bijvoeglijk naamwoord nije in de dorpsnamen zou duiden op een zich zijwaarts uitbreidende bewoning langs een binnenweg of occupatie-as vanuit oudere dorpen (Olde- en Nije≠ber≠koop, Olde- en Nije≠lamer, Olde- en Nijetrijne etc.). Hij meent dat oude of nije alleen duidt op de ouderdom van de middeleeuwse parochie en dus een kerkelijke aanduiding is.

In het geval van Spanga geldt dit echter niet. In oorkonden is soms sprake van de Nije Spange in de buurt van de Lindedijk.[3] Zowel in oorkonden waarin de Monnikenkamp voorkomt als die waarin het Kinderland ter sprake komt, blijkt dat deze stukken land tot de Nije Spange behoorden. Hier kan nog een oorkonde uit 1519 aan worden toegevoegd: in dat jaar oorkondt Bene Johansz, stelling in de Spange, dat Vrouke Peter jansz weduwe, met Claes Petersz haar zoon en momber, verkocht heeft aan Elysabeth van den Vene 15 gouden rijnsgulden per jaar uit hun derde deel van een sate land met huis en hof, gelegen in de Nye Spange, belend ten Oosten Idze Hansz, ten westen het Kynderland, strekkende van de Oldemadesloet tot in de Lende.[4] Bij de Nije Spange ging het dus om land dat aan de Linde en de Tussenlinde lag. Daarbij is van een zelfstan≠dige parochie geen spra≠ke, zodat het geen kerkelijke aanduiding kan zijn maar moet slaan op nieuw ontgonnen land.

Ook de benamingen Olde≠dijkcstersland en Oldedijck≠sloot in de dorpsgebieden van Spanga en Nijetrijne duiden er volgens mij op dat de Lindedijk oorspronkelijk meer landinwaarts lag, en dat pas later de landerijen langs de huidige oever binnendijks kwamen te liggen. Dit wordt ook gesteld door Oosten: 'in Spanga en Nijetrijne heeft men de dijk langs de Linde vroeger op veel groter afstand van de rivier gehad en zijn de boerderijen langs een jongere Linde≠dijk gebouwd, dus op oude zogenaamde 'uiterdijken'. Kerkelijk bleven de woningen langs de Tjonger (de Langelille) en langs de Linde onder de vier dorpen welke reeds waren ontstaan.'[5]

Deze theorie van Oosten wordt bevestigd door de bevindingen van informant D.R. Brouwer bij zijn onderzoek naar veldnamen. In Nijetrijne en Spanga vinden we op enige afstand van de huidige Lindedijk de Dijkstallen (dijk-staal), overblijfselen van oude Lindedijken. Brouwer herinnerde zich nog verschillende van die dijkstallen, die nu afgegraven zijn. Een voorbeeld daarvan is de in Nijetrijne gelegen Diekstal, gelegen op het Karke≠meentien, ook wel Karkeweitje genoemd. Deze Diekstal liep parallel aan de huidige Lindedijk, niet altijd op gelijke afstand.[6] Een van Brouwers zegslieden, R. van der Sluis, vertelde hem dat in Spanga een stuk land 't Dijkstal genoemd werd en dat hier in vroeger tijden de Lindedijk langs liep.

Brouwer maakt zelfs een onderscheid tussen verschillende dijksystemen, waarvan op verschillende afstanden van de Linde≠dijk gelegen dijkstallen de overblijfselen zijn. Het oudste dijksysteem dat Brouwer vond en dat hij de eerste kering tegen het Lindewater noemt, liep over 5 kavels. Hij veronderstelt dat deze Diekstallen over nog meer stukken land hebben gelopen. Na de aanleg van dit eerste systeem schoof men de Lindedijken steeds meer in de richting van de rivier. Brouwer is dat op vijf plaatsen tegengekomen.[7] De conclusie kan dus luiden dat de Lindedijken oorspronkelijk op grotere afstand van de rivier lagen.

Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de kolonisatie drie fasen heeft doorlopen. Eerst was er bewoning langs Linde en Tjonger en toen dat door wateroverlast niet meer mogelijk was, zijn de wegdorpen verder landinwaarts ontstaan. Tenslotte zijn in de late Middeleeuwen, toen de dijkenbouw verbeterde, de oevers van Linde en Tjonger opnieuw ontgonnen.

De geschiedenis van de Gracht past ook in het patroon dat de kolonisatie drie fasen heeft doorlopen. Na de kolonisatie langs de Binnenweg (het Voetpad) ontstond een nieuwe rij boerderijen langs de Tjonger en de Linde. De percelen land zijn hier korter en breder dan de weren die vanuit de Binnenweg werden aangelegd. Men moest bij de ontginning van het land langs de rivieren een scheiding zoeken met de hoeven langs het Voetpad. Daarvoor werd in Munnekeburen en Scherpenzeel een onregelmatige scheidingsvaart gegraven op de plaats waar al een zijarm van de Scheene liep, een oud veenstroompje. Deze scheidingsvaart wordt in de Beneficiaal≠boeken aangeduid als Grift. Later is men ook wel van Oude Gracht gaan spreken. De Grift liep tot de Bielemenning en kwam slechts gedeeltelijk voor in het dorpsgebied van Munnekeburen. In de tijd van de veenderijen is deze Grift de brede, rechte Gracht in de Groote Veenpolder geworden.[8] Bij de aanleg van de Grote Veenpolder is de Gracht verder uitgegraven en verlengd tot aan de Heloma≠vaart.

In Spanga maakt de Gracht een bocht in de richting van de Spangahoekweg, waar in de tijd van de veenderijen een haventje was, dat nu nauwelijks meer in het landschap herkenbaar is. Het stuk Gracht na de bocht noemde men de Opgrachte. Het voorzetsel op lijkt hier dezelfde betekenis te hebben als in opdijk en opvaart, nl. 'loodrecht op'. Een opdijk en een opvaart liepen haaks op de hoofdrichting van de dijk, resp. de richting van de hoofdvaart; de Opgrachte loopt haaks op de hoofdrichting van de Gracht.

Piet van der Lende. Laatst gewijzigd 22-05-2011

 



[1]. Ten Hove, blz. 27

[2]. Mol 1989, blz. 21-23

    [3]. Zie de oorkonde over het Hannemakerscamp hierboven; noot 43.

    [4]. Don, deel I, R 1083

    [5]. Oosten, blz. 44

    [6] V.A.S., Nt 139 en 22, D.R. Brouwer.

    [7] V.A.S., Nt no 140, D.R. Brouwer.

    [8]. Oosten, blz. 43