Poltieke ontwikkelingen in de twaalfde eeuw

Bij de eerste kolonisatie hebben we gezien, dat in de loop van de twaalfde eeuw grote gebieden worden gekoloniseerd, zoals ook de moerasgebieden aan de monding van Linde, Tjonger en Steenwijker Aa. Op lokaal niveau ontstonden daarbij coalities tussen boeren en handelaren enerzijds en plaatselijke potentaten cq miniserialen van de bisschop anderzijds. De ministerialen moesten het gezag van de bisschop verdedigen, maar ze gingen hun eigen weg en ontwikkelden zich zoals de Heren van Kuinre en de Heren van Coevorden tot geduchte tegenstanders van hun oorspronkelijke leenheer, de bisschop van Utrecht.

Na 1100 hebben de bisschoppen hun wereldlijke macht aan de grenzen van het Oversticht dan ook nauwelijks kunnen handhaven. Naast bisschoppelijke ministerialen werden steden als Groningen, Coevorden, Kampen en Steenwijk steeds machtiger en zelfstandiger en zij eisten voorrechten op, die vaak tot stadsrechten hebben geleid. Steden, met hen samenwerkende ministerialen en andere hoogwaardigheidsbekleders, grootgrondbezitters en vele anderen konden een grote zelfstandigheid ontwikkelen, die vaak tot ver in de 14 e eeuw bleef voortduren. Hierna komt ter sprake hoe de steden en de lokale adel zich aan het landsheerlijk gezag onttrokken. Bij oorlogen in de middeleeuwen komt ter sprake, hoe de bischoppen in de loop van de veertiende eeuw weer meer greep krijgen op de gebuertenissen.

Na 1100 hebben de bisschoppen getracht hun macht te handhaven door het stichten van dwangburchten, die als uitvalsbasis voor plunderings- en veroveringstochten konden dienen. Zo werd in 1165 het bisschoppelijk jachtslot te Vollenhove uitgebreid tot een groot kasteel. Bij deze sterkte die het "Olde Huys" genoemd werd vestigden zich in de loop van de 12e en 13e eeuw steeds meer boeren en handelaren en dit leidde tot het ontstaan van Vollenhove, dat in 1354 stadsrechten kreeg.

Het kasteel van de bisschop en de stad Vollenhove lagen strategisch zeer gunstig op een zandige hoogte aan de kust vanwaar de Zuiderzee, de toegangspoort tot Drente en de moerassige oevers van verschillende rivieren konden worden beheerst. Maar dit was toch niet voldoende om de bisschoppelijke macht aan de grenzen van het Oversticht te handhaven. De investituurstrijd, vele oorlogen en de verarming van de bisschop brengen zijn verwakte positie in de strijd tegen lokale potentaten en de toenemende macht van de steden tot uitdrukking.

In 1196 kwamen de Drenten en de Kuindersen tegen de bisschop in opstand. Aan het einde van de 12e eeuw is er sprake van een zekere Hendrik de Krane, die zich graaf van Kuinre noemt en die vanuit zijn kasteel steeds meer strooptochten in Friesland en Overijssel organiseerde. Om deze praktijken te bestrijden kwam graaf Willem, broer van Dirk III van Holland naar Friesland waar hij te Oosterzee een slot bouwt vanwaar hij oorlog voert tegen graaf Hendrik de Krane. In 1195 wordt het slot te Kuinre door Willem ingenomen en met de grond gelijk gemaakt, zodat Hendrik de Krane moet vluchten. Na enige jaren keert hij echter na vele onderhandelingen terug en bouwt een nieuw kasteel. Er volgen dan nog vele oorlogen, oa tussen de heren van Kuinre en Boudewijn van Holland, de 29ste bisschop van Utrecht.

Zoals gezegd kwamen ook de Drenten in 1196 tegen de bisschop in opstand. Een poging van de bisschop om de kastelein van Coevorden tot de orde te roepen liep op niets uit. Bij de Ane op de Mommeriete overvielen de Drenten onder aanvoering van Rudolf van Coevorden in augustus 1227 een strafexpeditie van bisschop Otto II van Lippe. De bisschop verdronk in een veenpoel en de graaf van Gelre werd gewond en gevangen genomen. Daarna werden er door de volgende bisschop drie veldtochten ondernomen. Maar tijdens deze veldtochten die in 1230 en 1231 plaatsvonden werd het beoogde resultaat niet bereikt. Bij de eerste veldtocht steunden de Friezen van Oostergo en Westergo de bisschop, maar zij werden tussen Bakkeveen en de Drentse grens door de Drenten verslagen. Rudolf van Coevorden werd op zijn beurt door de bisschop verslagen, toen deze op vijf verschillende plaatsen Drente binnenviel. De Drenten wisten echter tijdens de twee veldtochten die daarna nog volgden hun zelfstandigheid te behouden. Slicher van Bath zegt, dat de opstanden van de Drenten gericht waren tegen de feodale hovenorganisatie, een van de weinige middelen waarmee de landsheerlijke macht haar gezag over de plattelandsbevolking kon doen gelden.

Piet van der Lende. Laatst gewijzigd 22-05-2011.