Amsterdamse SP-wethouder weigert om individuele inkomenstoeslag te verhogen

Over de perikelen bij de nieuwe individuele inkomenstoeslag in Amsterdam heb ik al veel geschreven. De rechter verklaarde de gemeentelijke verordening over die toeslag ongeldig, nadat een uitkeringsgerechtigde een rechtszaak had aangespannen. De gemeente moest zijn aanvraag in behandeling nemen, ook al zat hij niet in de schuldsanering. Volgens de oude verordening kwamen alleen mensen in de schuldsanering voor de toeslag in aanmerking. Maar de rechter vond dat ook anderen de toeslag dienden te kunnen krijgen. De Bijstandsbond adviseerde iedereen met een minimuminkomen om de toeslag alvast aan te vragen. Ambtenaren en gemeenteraad wisten van niets. Zij werden niet door de wethouder en de hogere amtenaren, die wel op de hoogte waren, ingelicht. Dus iedereen kreeg te horen: “Nee hoor, u komt niet in aanmerking”.

Het duurde maar liefst twee maanden voor er een beetje schot in de zaak kwam, en het tot de uitvoerende ambtenaren en de gemeenteraad was doorgedrongen dat er iets aan de hand was, ook al had de Bijstandsbond diverse malen aan de bel getrokken en meerdere persberichten verstuurd. Een artikeltje in Het Parool bracht de zaak echter aan het rollen. Gemeenteraadsleden vroegen een actualiteit aan in de gemeenteraad en plotseling bleek dat men ermee bezig was: er zou een nieuwe verordening komen. Waarbij ook uitkeringsgerechtigden die niet in de schuldsanering zaten, een toeslag zouden kunnen krijgen. Het was al tweeëneenhalve maand na de rechterlijke uitspraak. Inmiddels had de uitkeringsgerechtigde die de rechtszaak had aangespannen, de gemeente in gebreke gesteld. Men had binnen acht weken op zijn verzoek moeten antwoorden, en dat antwoord was er nog steeds niet. Na de ingebrekestelling zou de gemeente twee weken de tijd hebben een beslssing te nemen. Zo niet, dan zou een dwangsom volgen.

Schande

Vorige week kreeg de uitkeringsgerechtigde een brief: hem werd vijftig euro toegekend. Let wel: in de gemeenteraad was er nog geen besluit genomen over de nieuwe individuele inkomenstoeslag, laat staan over de hoogte ervan. Geheel buiten de regels om had de gemeente dan maar vijftig euro toegekend om te voorkomen dat men een dwangsom zou moeten betalen. De uitkeringsgerechtigde was des duivels: “Zelf moet je je aan allerlei strenge regels houden, en dat wordt voortdurend gecontroleerd, en zij mogen de hand lichten met de regels en doen wat ze willen”.

Vorige week woensdag vond er een debat plaats in de gemeenteraad. SP-wethouder Arjan Vliegenthart had inmiddels een voorstel gemaakt met een nieuwe verordening, waarbij degenen die voor de toeslag in aanmerking kwamen, vijftig euro per jaar zouden krijgen. Velen spraken er schande van. Zelfs VVD-raadslid Marianne Poot noemde het bedrag “vlees noch vis”. Zo’n laag bedrag biedt geen soelaas voor de velen die in armoede leven, dat is wel duidelijk. GroenLinks diende daarop een amendement in om de toeslag te verhogen naar tweehonderdvijftig euro. Het geld hiervoor zou uit de egalisatiereserve moeten komen, die is opgebouwd in perioden dat er geld over was in het bijstandsbudget. Dat geld was bestemd voor moeilijke tijden, als het rijk zou bezuinigen. De wethouder had gemeld dat die egalisatiereserve voorlopig niet aangesproken hoefde te worden, omdat de landelijke overheid had toegezegd om de tekorten in Amsterdam voor zijn rekening te zullen nemen. Daarom zou de nieuwe inkomenstoeslag uit die reservepot gefinancierd kunnen worden, zo vonden GroenLinks en de PvdA.

Onwil

Maar de collegepartijen wilden niet. Nee, het was volgens hen nog helemaal niet zeker dat dat de landelijk eoverheid de tekorten zou aanvullen, werd er plotseling gezegd door de wethouder en de collegepartijen SP, D66 en VVD. Nee, er was beslist geen geld voor meer dan vijftig euro, zo liet men weten. De wethouder schatte in dat twintigduizend mensen voor die vijftig euro in aanmerking zouden komen. Totaal: 1 miljoen euro, te financieren uit de bestaande pot armoedegelden (wat ten koste zou gaan van andere voorzieningen). Ongerust vroeg SP-raadslid Helmie Bijleveld tijdens het debat of de wethouder die twintigduizend mensen wel goed had ingeschat. Waren het er niet meer? Nee, zo vond zij ook, voor meer dan vijftig euro is beslist geen geld. Het amendement werd in stemming gebracht. Alleen GroenLinks en de PvdA stemden voor een toeslag van tweehonderdvijftig euro. Alle andere partijen, inclusief de Ouderenpartij, stemden tegen. De vertegenwoordiger van de Partij van de Dieren was wegens persoonlijke omstandigheden afwezig, maar de Ouderenpartij is er blijkbaar ook niet voor de oudere minima.

Geld over

Enige dagen later werd bekend dat er bij de presentatie van de Voorjaarsnota bleek dat er in de WMO-pot maar liefst negentien miljoen euro over is. De collegepartijen willen dit nu toevoegen aan de algemene middelen. Om dure toeristenfeestjes en evenementen van te betalen, denk ik, zodat de stad die al overvol is met toeristen nog voller wordt. Aangezien veel WMO-gebruikers een bijstandsuitkering of een ander minimuminkomen hebben, had men het overgebleven geld mooi kunnen gebruiken om de individuele inkomenstoeslag mee te financieren. Dan kunnen de mensen ervan profiteren die het geld echt nodig hebben, die in armoede leven. Maar nee, bij dit college ontbreekt, als het erop aankomt, de politieke wil om de individuele inkomenstoeslag te verhogen en minima zo althans nog enig soelaas te bieden. Met het nieuwe erfpachtstelsel gaat er drieëneenhalf miljard euro naar de huizenbezitters en vijftig euro voor de minima. Zo liggen helaas de verhoudingen.

Piet van der Lende

Enkele opmerkingen over de voorgeschiedenis van de Pim Fortuyn-revolte

Er is al veel over geschreven: de opkomst van Pim Fortuyn, de ruk naar rechts in de Nederlandse politiek en de opkomst van nieuw rechtse media in het kielzog van technologische ontwikkelingen als de opkomst en verbreiding van internet en sociale media. Politieke commentatoren uit de tijd van Paars II (de coalitie van de PvdA en de VVD onder leiding van Wim Kok) stellen vaak vast dat de opkomst van Fortuyn voor hen kwam als een donderslag bij heldere hemel. Ze waren in het geheel niet voorbereid.

Even afgezien van het antwoord op de vraag of die waarnemingen wel geheel juist zijn, doet er zich een vraag voor. Namelijk, was die opkomst van de ruk naar rechts op basis van onder meer ‘culturele’ onderwerpen als de islamkritiek het gevolg van handig manoeuvreren van rechtse politici, die gebruik makend van massamedia de geesten rijp wisten te maken voor die ruk naar rechts? Of is er meer aan de hand? Deden zich aan het begin van de eenentwintigste eeuw ontwikkelingen voor die het gevolg waren van meer fundamentele verschuivingen in de opvattingen van de bevolking, die al in de tachtiger jaren van de vorige eeuw tot stand kwamen, groeiende tegenstellingen tussen belangengroepen en veranderingen in de positie van allerlei groepen in de maatschappij, op de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de sociale zekerheid?

Racisme

Ook wordt tegenwoordig wel de opmerking gemaakt dat links, vaak verschillend gedefinieerd, nu geen antwoord heeft op de racistische ruk naar rechts en wat er moet gebeuren om dat antwoord wel te formuleren. Maar had politiek links dat antwoord eigenlijk wel in de tachtiger jaren van de vorige eeuw, nog voor de opkomst van Fortuyn? Of anders gezegd: als racistische sentimenten, een zich afzetten van witte Nederlanders tegen migranten, al langer bestonden, is dan het antwoord dat politiek links in de tachtiger en negentiger jaren van de vorige eeuw leek te kunnen geven, toen politiek links nog tamelijk sterk was, wel juist geweest? En zo niet, welke fouten zijn er dan gemaakt bij het tegemoet treden van racisme? En meer, is dat racisme, en wellicht andere vormen van discriminatie van vrouwen en homo’s, wel mede een gevolg van het tegen elkaar uitspelen van bevolkingsgroepen onder het regime van het neo-liberalisme, of bestonden die tegenstellingen al langer?

Sommige analytici stellen dat grote delen van het Nederlandse electoraat, met name ook lager opgeleiden, wat betreft vraagstukken als migratie en integratie van migranten in de Nederlandse samenleving ten tijde van Pim Fortuyn en daarna rechtser en intoleranter zijn geworden, hoewel ze sociaal-economisch nog wel links zouden denken. Maar gold dat voor de meeste witte Nederlanders of voor bepaalde groepen, en welke dan? Veel empirisch onderzoek zal nog noodzakelijk zijn om te bepalen wat er sinds de komst van wat toen “gastarbeiders” werden genoemd, is gebeurd qua reacties van de bevolking op de komst van de “nieuwe Nederlanders” en vooral: hoe kaderleden van gevestigde instituties als politieke partijen, kerken en vakbonden hebben gereageerd op het ontstaan van een veelheid van meer specifieke belangenorganisaties en emancipatiebewegingen.

Reorganisatie van de productie-organisaties

Laten we ingaan op de sociaal-economische ontwikkelingen in de zeventiger en tachtiger jaren van de twintigste eeuw als achtergrond voor het gedeeltelijk beantwoorden van bovenstaande vragen. Ik heb niet de pretentie in dit artikel alle vragen volledig te beantwoorden, maar om enkele aanzetten te geven voor uitgebreidere antwoorden. Het neo-liberalisme is eigenlijk een grootschalige reorganisatie van de economie. Mondialisering en technologische ontwikkelingen maakten onder het neo-liberalisme een gigantische reorganisatie van de productie mogelijk. In de jaren zestig en de eerste helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw kende Nederland verschillende min of meer traditionele industrieën, die vaak in de wederopbouwperiode na de oorlog waren ontstaan. Voorbeelden zijn de textielindustrie, de scheepsbouw en andere metaalbedrijven, de schoenindustrie en de mijnbouw. Tijdens de economische conjuncturele inzinking begin jaren zeventig, die werd versterkt door de oliecrisis, konden deze industrieën het steeds moeilijker bolwerken.

Het verdwijnen van deze industrieën heeft verschillende oorzaken. Behalve de economische laagconjunctuur met vraaguitval speelden ook geopolitieke ontwikkelingen een rol: de oude koloniën waar men bijna gratis grondstoffen vandaan kon roven, werden zelfstandig, hoewel ook daarna de “ontwikkelingslanden”, zoals ze toen werden genoemd, de functie van leverancier van goedkope grondstoffen voor de industrielanden bleven behouden. Ondernemers gingen bovendien de productie verplaatsen naar wat “lage lonenlanden” werden genoemd. Zo konden zij de betaling van redelijke lonen omzeilen. Soms is de afbouw van industrieën ook een bewuste politiek geweest, zoals de afbouw van de mijnindustrie in Limburg door Joop den Uyl als minister van Economische Zaken. Er begon in de zeventiger jaren een decennium van sluiting van bedrijven en ontslag van duizenden arbeiders en er kwam een oplopende werkloosheid. In het jaar 1980 verdubbelde het aantal geregistreerde werklozen zich in een jaar tijd tot 470.000.

Een nieuwe ontwikkeling tekende zich af. De dienstensector kwam op, met de horeca, schoonmaak en transportbedrijven, boekhoudkantoren en financieringsmaatschappijen. Nieuwe markten werden aangeboord. Maar de oplopende werkloosheid was ook een gevolg van rationalisatie in al bestaande industrieën, die taken gingen uitbesteden die werden opgepikt door zelfstandige bedrijven in de nieuwe dienstensector. In 1977 verscheen het boek “Herstructurering van de industrie” naar aanleiding van de bedrijfssociologische studiedagen in dat jaar. In dit boek wordt geconstateerd dat er toen al een toenemende tendens was van industriële ondernemingen om flexibele productieketens op te zetten, dus producten niet meer zelf te produceren, maar onderdelen in te kopen, fabrieken en machines niet te kopen maar te huren, externe planningsbureaus in te schakelen, arbeidskrachten te leasen middels onderaannemers, uitzendbureaus, contractarbeid, en dergelijke. Door de genoemde organisatorische wijzigingen in de productie, waarbij men taken en functies liet uitvoeren door externe ondernemingen, kon men bezuinigen op de loonkosten, omdat de toeleverende bedrijven in een moordende concurrentie waren verwikkeld die ze afwentelden op slecht georganiseerde werknemers door hen lagere lonen uit te betalen en was het makkelijker om het bedrijf te sluiten. Men hoefde dan in feite alleen een sociaal plan met de vakbonden af te spreken voor de kernwerknemers, terwijl de contracten met externe partners eenvoudigweg werden opgezegd.

Massaontslagen

Wat gebeurde er in deze ontwikkelingen met de witte Nederlandse industriearbeiders, die mee hadden gestreden voor de opbouw van de welvaartsstaat en goede arbeidsvoorwaarden en omstandigheden voor allen (invoering van het wettelijk minimumloon in 1966)? Zij waren vanuit de socialistische traditie van voor de oorlog sterk georganiseerd in vakbonden en sociaal-democratische partijen, maar hun positie werd ernstig verzwakt door de oplopende werkloosheid en de grootschalige sluiting van bedrijven met massaontslagen tijdens de eerste reorganisatie van de productie. Vanaf begin jaren tachtig hebben zich de volgende ontwikkelingen voorgedaan. In de oude industrietakken die aan het verdwijnen waren, beperkten de vakbonden zich in de jaren zeventig steeds meer tot afspraken over goede afvloeiingsmaatregelen, hoewel in die tijd in het openbaar nog wel een radicale retoriek werd gehanteerd van “we gaan in de aanval”. Daarnaast was er in beperkte mate radicaal verzet, zoals bedrijfsbezettingen. Veel oudere arbeiders, die in de traditionele industrietakken op basis van een sterke vakbondstraditie rechten hadden verworven, vloeiden af via de WAO. Daarnaast groeide in de dienstensector in de jaren tachtig het aantal banen, voornamelijk laagbetaalde. Ze werden ingenomen door nieuwkomers op de arbeidsmarkt: schoolverlaters en herintredende vrouwen. Zo hangt een generatiewisseling op de arbeidsmarkt samen met de sectorverschuiving van traditionele industrieën met hun fordistische productie naar de dienstensector, met aan de ene kant in de industrie een forse uitstoot van oudere witte Nederlandse mannen en de eerste generatie migranten naar WW, WAO, en VUT, en aan de andere kant een snelle instroom van nieuwkomers op de arbeidsmarkt, jongeren en vrouwen. De barrière van de sterke rechtspositie van arbeiders – “loonstarheid” in termen van rechtse economen en neo-klassieken – kon door de verschuiving van industrie- naar dienstensector worden omzeild. Deze ontwikkeling is versterkt en begeleid door politieke maatregelen en wijzigingen in het overheidsbeleid, maar het zou te ver voeren om dat hier allemaal te behandelen. De parlementaire enquête over de Nederlandse scheepsbouw, de commissies Wagner, topman van Shell, die rapporten schreef in opdracht van de regering, het historisch akkoord van Wassenaar tussen vakbondsleider Kok en werkgeversvoorzitter Van Veen, dat alles heeft de bovengenoemde ontwikkelingen bevorderd.

Het bovenstaande zou de indruk kunnen wekken dat het allemaal zonder slag of stoot is gegaan. Ik meldde immers dat de vakbonden zich beperkten tot afvloeiingsregelingen. Maar dat is toch niet helemaal juist. De beroemde ambtenarenstakingen van 1982 met Herman Bode (“Willen we naar de Dam, dan gaan we naar de Dam”), waarbij een hot item was de solidariteit in acties tussen ambtenaren en uitkeringsgerechtigden tegen aangekondigde overheidsbezuinigingen, markeren een memorabel moment in het verzet. Zoals reeds gezegd, ook in andere opzichten, zoals bedrijfsbezettingen in de jaren zeventig, was er ook harder verzet dan alleen het afspreken van afvloeiingsmaatregelen.

Samen beter dan apart

De vraag doet zich voor hoe de witte Nederlandse industriearbeiders of hun vertegenwoordigers op de ontwikkelingen van de reorganisaties van de productie reageerden in hun persoonlijke opvattingen. In 1982 was ik betrokken bij discussies en bijeenkomsten over de FNV-nota “Samen beter dan apart”. Dat was een door de FNV gepresenteerde concept-nota over wat “buitenlandse werknemers” werden genoemd, wat hun rechten moesten zijn en de rol die de vakbonden ten aanzien van hen zouden moeten vervullen. Het FNV-bestuur besloot dat deze concept-nota besproken zou moeten worden op ledenvergaderingen, die in maar liefst 35 plaatsen moesten worden gehouden. En zo gebeurde het ook. Daarnaast waren er nog veel meer discussiebijeenkomsten, waarvoor migrantenorganisaties, kerken en politieke partijen werden uitgenodigd. Men wilde een brede discussie. De FNV vroeg subsidie bij de overheid voor een begeleidend wetenschappelijk onderzoek van sociale wetenschappers van de Leidse universiteit, en dat werd toegekend.

De discussies werden dus geregistreerd in een begeleidend wetenschappelijk onderzoek waarbij de wetenschappers en andere voor hen werkende waarnemers als studenten verslagen maakten van de discussies en bovendien werden ook nog eens mensen afzonderlijk geïnterviewd die tijdens de discussies markante standpunten hadden ingenomen. Ook “derden” als andere maatschappelijke organisaties werden geraadpleegd. Van dit alles werd het onderzoeksrapport “FNV-ers aan het woord over buitenlanders werknemers” samengesteld. Hoofdlijn van het rapport: aan de ene kant vinden velen dat de FNV iets moet doen voor de migranten, maar dan wel onder een voorwaarde: aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Geen “malle fratsen”, zoals bidden tijdens het werk, en verder goed Nederlands leren en lid worden van de Nederlandse vakbond. Op de bijeenkomsten hekelden ook velen dat de leiding van de bijeenkomsten erop uit was om volledige instemming van de leden met de nota te bereiken, en dat ze zich op de vergadering voelden gemanipuleerd. Veel reacties doen achteraf denken aan de argumenten van eerst Fortuyn en later Wilders en aan racistische reacties die je soms van mensen hoort. Zo vonden sommigen tijdens de discussiebijeenkomsten dat de “buitenlanders” werden voorgetrokken. “Ze mogen langer op vakantie dan wij, al is het ook onbetaald verlof, wat kost dat een geld.” Het grootste deel van de aanwezigen op de bijeenkomsten was tegen positieve discriminatie. “Wij worden ook achtergesteld, ze moeten zich gewoon aanpassen.”

De eerste reacties waren er van ontkenning. Het wetenschappelijk onderzoek had een begeleidingscommissie waarin twee FNV-ers zaten. Zij hadden grote bezwaren tegen publicatie van de tekst van het rapport zoals het er lag. Een van de FNV-ers zou zelfs gezegd hebben: “Als het zo blijft, flikker ik het hele rapport in de prullenmand”. De onderzoekers weigerden de teksten te veranderen. Daarop kwam men er in de begeleidingscommissie niet uit. Het FNV-bestuur moest eraan te pas komen, waarin toentertijd Lino Calle zat, die de discussies over de nota “Aamen beter dan apart” onder zijn hoede had. Of het Calle is geweest of een andere FNV-bestuurder is mij niet bekend, maar er vond een nieuwe vergadering plaats tussen de onderzoekers en een FNV- bestuurder. Doe probeerde alsnog om bepaalde passages in het rapport gewijzigd te krijgen. Hij wees op het gevaar van grote koppen in De Telegraaf. Maar de onderzoekers weigerden andermaal wijzigingen in de tekst, voor zover het ging om het schrappen van bepaalde uitspraken die bezoekers van de bijeenkomsten hadden gedaan. Daarop deelde de FNV-bestuurder mee de zaak aan het gehele FNV-bestuur te zullen voorleggen. Volgens de onderzoekers die daar achteraf over schreven, hadden ze gehoord dat op de vergadering van het FNV-bestuur Arie Groeneveld van de Industriebond was opgestaan en een betoog hield: “Waarom wilden wij zo’n uitgebreid en kostbaar onderzoek, dat ons ook veel geld heeft gekost waar het de bijeenkomsten betreft, waarom hebben wij de hele discussie georganiseerd, en nu willen we geen publicatie van het rapport waarin eerlijk staat wat de stand van zaken is”. Dit betoog gaf de doorslag. De onderzoekers kregen een kort briefje: de FNV aanvaardt het rapport zoals het is. Deze gang van zaken staat beschreven in “De onwelkome boodschap. Of hoe de vrijheid van wetenschap bedreigd wordt”.

Wellicht zijn de verslagen van de bijeenkomsten ook bewaard gebleven. Het zou interessant kunnen zijn die met de kennis van nu nog eens na te lezen. Er is later een samenvatting van het onderzoek gemaakt, te vinden in “Vakbonden en migranten in Nederland (1960-1997)”. Nadere bestudering van de onderzoeksverslagen met de kennis van nu kan alleen al om de volgende reden belangrijk zijn. Roosblad stelt de representativiteit van het onderzoek ter discussie. Wat werd hier nou eigenlijk geregistreerd? Is het rapport representatief voor de mening van het gemiddelde FNV-lid? Of van de witte Nederlandse industriearbeider? Of gaat het om de mening van de actieve leden, die vaak bijeenkomsten bezoeken, met andere woorden de kaderleden? Dus zij die het beleid bepalen, en die actief aan de slag moesten met de nota? Ik kom hier nog op terug.

Nieuwe emanicipatiebewegingen

In de loop van de zestiger jaren kwamen de eerste emancipatiebewegingen op gang van mensen die om wat voor redenen dan ook geen gelijke rechten hadden en die zich uitgesloten voelden. Zij stelden de arbeidsverdeling in het fordistische tijdperk tussen mannen die het betaalde werk deden en de vrouwen die het reproductieve werk deden ter discussie, streefden naar emancipatie van vrouwen en migranten en andere groepen, en eisten toegang tot het onderwijs voor mensen met een lager inkomen (studenten). In de loop van de zeventiger jaren heeft de vrouwenemancipatie een belangrijke rol gespeeld, maar ook migranten richtten hun eigen belangenorganisaties op en de studentenbeweging eiste reorganisatie van het onderwijs.

Ook uitkeringsgerechtigden hebben eind jaren zeventig veel belangenorganisaties opgericht, vaak langs scheidslijnen van de sociale zekerheid. Het jaar 1977 is het hoogtepunt van de klassieke welvaartsstaat, met de invoering van de volksverzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Wat betreft het ontstaan van uitkeringsgerechtigdenorganisaties langs de scheidslijnen van de sociale zekerheid, waarbij in feite een hiërarchie van afnemende rechten en plichten werd opgenomen in het sociale zekerheidssysteem, dat heb ik beschreven in het boek “Werklozen in actie”. Je zou kunnen zeggen (er zijn natuurlijk altijd vroegere uitzonderingen) dat al die organisaties van vrouwen, migranten en uitkeringsgerechtigden zijn ontstaan in de tweede helft van de zeventiger jaren. De oprichters van die organisaties herkenden zich niet meer in de traditionele vakbonden, politieke partijen en kerkgenootschappen, die in de tijd van het zuilensysteem de dienst uitmaakten. Trouwens, tot ongeveer 1980 kon je bijvoorbeeld als werkloze helemaal geen lid worden van een vakbond. Deze organisaties eisten niet alleen verbetering van het lot van hun achterban, maar ook versterking van de positie van hun belangenorganisaties. Zij vroegen en kregen subsidie van de overheid, op rijks- en gemeentelijk niveau, waarbij gebruik werd gemaakt via hun lobbycircuit van de sterke positie van linkse politieke partijen in de raden en in het ambtelijk apparaat. Deze organisaties zijn in die tijd, tot ergens begin jaren tachtig, in staat geweest tot grote massa-mobilisaties van hun achterban. Daarbij vaak gesteund door delen van het welzijnswerk, de wijkcentra, waar bezoldigde buurtwerkers acties hebben opgezet voor betere huisvesting en toegang van nieuwe groepen tot de woningmarkt (migranten) en andere acties werden gevoerd vanuit de buurten. In dit kader past ook de opkomende anti-racisme beweging begin jaren tachtig, die gedragen werd door de sterke migrantenorganisaties, maar ook in de buurten werden anti-racisme comités opgezet, die samenwerkten met die migrantenorganisaties en de kraakbeweging. Deze anti-racisme comités werden echter vaak beheerst door vertegenwoordigers van linkse (sociaal-democratische en communistische) politieke partijen. Wat de bestrijding van de werkloosheid betreft: er werd een bewuste industriepolitiek gevoerd vanuit de overheid. En er werden Projecten Mensen Zonder Werk opgezet waarin de werklozen zelf zeggenschap hadden en waarbij opvangactiviteiten voor werklozen werden georganiseerd, zoals cursussen en voorlichtingsbijeenkomsten zonder een directe relatie met arbeidsbemiddeling en reïntegratie op de arbeidsmarkt.

Reacties op het ontstaan van nieuwe emanicipatiebewegingen

Hoe reageerden de gevestigde instituties, zoals politieke partijen en vakbonden, en ook kerken op de nieuwe ontwikkelingen? De meer autonome zelforganisaties van migranten en uitkeringsgerechtigden vond men vaak lastig, in die zin dat zij soms tamelijk radicale standpunten innamen bij de analyse van de maatschappij, gericht op de verbetering van de positie van hun achterban. De reactiepatronen van meer en langer gevestigde instituties en bij de overheid tonen een genuanceerd beeld. Enerzijds zagen delen van linkse organisaties en individuen de zelforganisaties als bondgenoot in de strijd voor een betere maatschappij, steunden zij die organisaties en werkten ermee samen, daarbij gebruik makend van hun positie in het overheidsapparaat, bij de kerken of in de vakbonden en politieke partijen. Zij zagen in die zelforganisaties een goed middel waarbij mensen met een gemeenschappelijk kenmerk zich – vaak onder leiding van progressieve leiders die hun achterban de moderne tijd wilden binnenloodsen – verenigden om samen vanuit een sterkere individuele en collectieve positie hun emancipatie en volwaardige participatie in de samenleving te bewerkstelligen.

Er was echter – ook bij linkse en sociaal-democratische stromingen in de gevestigde instituties – een andere stroming die de zelforganisaties juist zag als sta in de weg voor emancipatie. Wanneer mensen zich terugtrekken in de eigen groep, kan emancipatie nooit echt tot stand komen, was de redenering. Zij begonnen met het propageren van de integratie-ideologie die tot op de dag van vandaag standhoudt: migranten, vluchtelingen, en werklozen moeten vanuit algemene geen onderscheid makende organisaties waar iedereen deel van kan uitmaken direct worden benaderd worden, en worden opgenomen en middels scholing en sollicitatietrainingen of andere cursussen in de samenleving worden geïncorporeerd. Zelforganisaties belemmeren de integratie, zo was de gedachte. Wat dat betreft was de nota “Gastarbeid en kapitaal” van de SP slechts het topje van de ijsberg. Daar komt bij dat sommige kaderleden van de gevestigde instituties de nieuwe zelforganisaties zagen als concurrenten. We zagen hiervoor al dat witte kaderleden van de FNV erop aandrongen om lid te worden van de algemene vakbond. De weerstanden van deze stroming, die je zowel in de kerken, de vakbonden, de politieke partijen als de overheid vond, betekenden dat al in de jaren tachtig onder invloed van de integratie-ideologie ook bij linkse kaderleden van politieke partijen in het ambtenarenapparaat een beleid op gang kwam waarbij het steunen van de zelforganisaties actief werd afgebouwd door het intrekken van subsidies. Dit gold voor migrantenorganisaties, maar ook bijvoorbeeld voor de Projecten Mensen Zonder Werk en werklozenorganisaties. Vandaag de dag is er van dit in de jaren zeventig ontstane maatschappelijke middenveld weinig meer over. Wat rest zijn de misschien wel duizenden ingekapselde cliëntenraden en adviesorganen.

Conclusie

Mijn voorlopige conclusie is, uit eigen ervaringen, dat delen van het kader van linkse politieke partijen, vakbonden en progressieve stromingen in de kerken in feite de netwerken, organisaties en sociale structuren van de emancipatiebewegingen die opkwamen in de zeventiger jaren hebben tegengewerkt en hebben bijgedragen aan de teloorgang ervan. Zij zagen die bewegingen als hun concurrenten en ontwikkelden een integratie-ideologie die het niet steunen van die zelforganisaties rechtvaardigde, evenals het beleid om delen van die emancipatiebewegingen onder hun directe invloed te brengen. Het is te eenvoudig om direct een relatie te leggen tussen de hiervoor genoemde reorganisaties van de productie, de werkloosheid van de witte Nederlandse industriearbeiders en dat zij in het algemeen vervolgens racistisch gereageerd zouden hebben. Dat heeft de verdere sociale ontwikkelingen beïnvloed. Is de Fortuyn-revolte wel uit de lucht komen vallen? Is het naar rechts verschuiven van weleer linkse sociaal- democratische stromingen een reactie op de verrechtsing van de Nederlandse bevolking? Of is die qua opvattingen vergeleken met enkele decennia eerder helemaal niet zozeer opgeschoven, in meerderheid, en zijn het de gevestigde instituties en de daarin opererende kaderleden zelf die in een ontwikkeling die al in de tachtiger jaren begonnen is, het behoud van die gevestigde instituties zelf op de voorgrond stelden en steeds harder zijn opgetreden in het kader van hun compromiszoekerij met de neo-liberalen? Waarna de bevolking zich van hen heeft afgewend? Er zal veel empirisch onderzoek verricht moeten worden om precies vast te stellen wat er is gebeurd.

Piet van der Lende

In de media in 2017

Hieronder links naar krantenartikelen, filmpjes en geluidsbestanden van radio uitzendingen uit 2017 waarin mijn naam of die van organisaties waarbij ik betrokken was voorkomt. Internetartikelen zijn alleen opgenomen als de inhoud ook in gedrukte vorm of op radio en TV verschenen is.

In maart 2017 gaf ik een interview voor een studente over armoede in Nederland. Wat betekent armoede voor huishoudens die leven onder de lage inkomensgrens?

Rapportage van Clarinda Mischerélla als leerling journalistiek van de Fontys Hogeschool.

Interviews met Dirk van Beek, voorzitter Voedselbank, Piet van der Lende, Bijstandsbond en Anita Schwab, directrice van de stichting Leergeld. Je moet er wel voor gaan zitten, want de drie interviews duren in totaal een uur. Op de site ook een uitgebreide beschouwing over wat is armoede en wat is de armoedegrens.

Link naar de interviews

Ook even in beeld bij het interview met Piet: Petar Kapralov, Jacques Peeters en Willem Banning. Zij kwamen op dat moment voor een discussie met Annemarie van Gaal, dat werd uitgezonden door WNL Opiniemakers.

Discussie WNL Opiniemakers

De opnamen hebben plaatsgevonden op 28 april

Reportage over armoede in Nederland

In maart 2017 gaf ik een interview voor een studente over armoede in Nederland. Wat betekent armoede voor huishoudens die leven onder de lage inkomensgrens?

Rapportage van Clarinda Mischerélla als leerling journalistiek van de Fontys Hogeschool.

Interviews met Dirk van Beek, voorzitter Voedselbank, Piet van der Lende, Bijstandsbond en Anita Schwab, directrice van de stichting Leergeld. Je moet er wel voor gaan zitten, want de drie interviews duren in totaal een uur. Op de site ook een uitgebreide beschouwing over wat is armoede en wat is de armoedegrens.

Link naar de interviews

Ook even in beeld bij het interview met Piet: Petar Kapralov, Jacques Peeters en Willem Banning. Zij kwamen op dat moment voor een discussie met Annemarie van Gaal, dat werd uitgezonden door WNL Opiniemakers.

Discussie WNL Opiniemakers

De opnamen hebben plaatsgevonden op 28 april

 

Is de FNV de grootste kapitalistische multinational van Nederland?

Naar VPRO Tegenlicht gekeken over groen ondernemen. In het anders vaak kritische programma worden nu goeroes naar voren gebracht die zeggen dat je met duurzaam en cradle to cradle en de blauwe economie en zo (de modieuze termen vliegen over het scherm) HEEL VEEL GELD kunt verdienen. Dat is het belangrijkste argument om de investeerders te overtuigen. HEEL VEEL Geld verdienen betekent per definitie dat anderen er het slachtoffer van worden, is mijn mening. Veel mooie initiatieven toch wel, maar waarom die zoals gesteld wordt nog steeds nog maar 1% van de productie uitmaken blijft vaag. Ik heb daar als linkse denker zo mijn ideeën over. Moeten er niet gecoördineerder en bestuurlijk maatregelen genomen worden?

In dit verband: in het programma vertelde iemand dat het vermogen in Nederland alles bij elkaar opgeteld ongeveer 3700 miljard (3,7 biljoen) euro is. En dat de pensioenfondsen 1,7 biljoen (1700 miljard) hebben. Ik had er nog niet veel bij stilgestaan, bij die cijfers, maar moet er nu toch over nadenken. Want wat betekent dat eigenlijk? Dat bijna de helft van de productiemiddelen in handen is van de arbeiders. Of zie ik dat verkeerd?

En het aandeel wordt steeds groter, want pensioenfondsen hebben er sinds 2008 615 miljard bijgekregen. Daar snap ik niets van. Waarom wordt er dan zo gezeurd over het betaalbaar houden van de pensioenen en de problemen van de vergrijzing?

Maar goed, de waarde van die materiële of niet-financiële bezittingen (zoals vastgoed, wegen en machines) is sinds 2008 afgenomen. Dat kwam onder meer doordat onroerend goed minder waard werd nadat de woningmarkt inzakte. De stijging van het totaal is dus volledig het gevolg van de toename van die andere tak: het financiële bezit. En dat zijn dus die pensioenfondsen. En die bezitten door deze ontwikkeling een steeds groter deel dus van de pruductiemiddelen in Nederland. Straks zijn alle productiemiddelen in Nederland in handen van de arbeiders. Nogmaals. of zie ik dat verkeerd?

Maar wie zijn dan die kapitalisten waar ik altijd zo op zit te schelden? De FNV zit in de besturen van al die pensioenfondsen. Dus de FNV is eigenlijk de grootste kapitalistische multinational van Nederland. Waarbij de arbeiders niks over hun bezittingen te vertellen hebben. Toch?

Piet van der Lende

Petitie voor het Domela Nieuwenhuis Museum

 hspace=Petitie voor het Domela Nieuwenhuis Museum

Deze petitie willen we aanbieden aan het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Heerenveen om aan te tonen dat ons bezwaar tegen de bezuiniging een breed maatschappelijk draagvlak heeft.

Hou Domela in Heerenveen!

De petitie is succesvol verlopen. Door deze en andere acties in Heerenveen heeft het gemeentebestuur besloten, de bezuinigingen terug te draaien. Domela blijft in Heerenveen en het museum blijft open!

Begeleidende tekst van de petitie: Het gemeentebestuur van Heerenveen is van plan om de subsidie voor het Museum Heerenveen, waar het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum deel van uitmaakt, voor een tweede maal fors te verkleinen. Werd deze een paar jaar geleden al met 92000 euro verlaagd, nu moet daar nog eens 65000 euro van af. Daarmee houdt het museum een budget van 100.000 euro over. Het bestuur van het Museum heeft duidelijk gemaakt voor dat bedrag geen erkend museum in stand te kunnen houden. Het Museum Heerenveen zal dus gaan sluiten en dat betekent dan ook sluiting van het Ferdinand Domela Nieuwenhuis Museum in Heerenveen. Het gevolg hiervan zal zijn dat de collectie van het Domela Nieuwenhuis Museum uit Friesland gaat verdwijnen.

Het Domela Nieuwenhuis Museum is een van de weinige persoonsmusea en zeker ook een van de oudste in de wereld gewijd aan iemand uit de arbeidersbeweging. Het bestaat sinds 1925 en richt zich niet alleen op het leven van Domela Nieuwenhuis, maar ook op diens ideeën. Het wil uitdrukkelijk het politieke en sociale bewustzijn van de bezoeker aanspreken.
Het museum is in Heerenveen bij uitstek op zijn plaats. Heerenveen was immers de hoofdplaats van het district Schoterland, dat in 1888 met Domela Nieuwenhuis de eerste socialist naar de Tweede Kamer stuurde. Zijn eerste daad daar was aandacht vragen voor de slechte levens- en werkomstandigheden van de veenarbeiders. Het museum kan zo op een heel concrete manier bijdragen aan het verhaal van Heerenveen, dat het gemeentebestuur zo graag wil vertellen, en dat niet alleen beperkt kan blijven tot de rijke heren van Oranjewoud of de aanwezigheid van de Oranjes aldaar. Daarnaast completeert het museum prachtig het aanbod van de musea in Gorredijk en Nij Beets, die zich richten op de geschiedenis van Opsterlân (inclusief de vroege socialistische beweging aldaar) en op de geschiedenis van de vervening.

Sluiting van het Domela Nieuwenhuis Museum zou voor de gemeente Heerenveen betekenen dat het niet alleen een boeiend museum gewijd aan een van de belangrijkste Nederlandse socialisten en anarchisten kwijtraakt, maar ook een mooie kans om het verhaal van Heerenveen compleet te maken. Daarnaast biedt Domela Nieuwenhuis een mooie gelegenheid de geschiedenis van Heerenveen te verbinden met de landelijke en internationale geschiedenis

Teken de petitie nu!

http://ferdinanddomelanieuwenhuis.nl/petitie/

Politiek

Raar idee. De politici zijn nu niet weg te slaan uit de media en je kunt de computer of de televisie niet aanzetten of de tronies met rollende ogen willen je overtuigen van hun goedheid. Op sociale media en internet word je doodgegooid met nietszeggende clips met daaronder in vette letters ook nog eens weergegeven wat de politicus in 10 seconden zegt. Speciaal voor de doven, misschien? Of wordt veronderstelt dat de kiezers zo oliedom zijn dat ze een clip over een met zeer eenvoudige taal uitgesproken oppervlakkige boodschap niet zullen begrijpen als er niet ook nog eens in korte zinnen in grote vette letters onder staat wat er gezegd wordt? Je zult en moet luisteren naar wat de politici met graagte tegen je willen zeggen.

En na volgende week woensdag wil niemand meer iets zeggen en duiken ze weg voor de vragen van de journalisten of geven nietszeggende antwoorden. Dan rest de journalisten in de media niets anders dan weer de beroemde gesloten bruine eikenhouten deur van de CDA-kamerfractie via een webcamera tijden in beeld brengen die bij vorige onderhandelingen ook in beeld was. Je krijgt dan weer dat een journalist van Het Journaal voor zo’n deur gaat staan of voor een gebouw waar van binnen onttrokken aan het oog van de camera’s van alles gebeurt en die journalist gaat dan- geheel onwetend over wat zich binnen afspeelt- alle opties bij langs van wat eventueel zou kunnen gebeuren, maar misschien ook niet. Ze wachten geduldig urenlang, soms tot diep in de nacht tot de politici glimlachend naar buiten komen. De journalisten gaan vragen stellen. De zwarte rijksauto met chauffeur staat voor de ingang met ronkende motor, klaar om weg te rijden. De politicus zegt terwijl hij of zij haastig instapt glimlachend dat ‘we” morgen verder gaan. De wegrijdende auto verdwijnt in de nacht, gefilmd door hordes camera’s die het nu onbewogen gezicht van de politicus zittend in de auto achter het raam enkele fracties van seconden in beeld brengen. Dit was het nieuws.

Duitse presidentskandidaat van die Linke gaat tekeer tegen het basisinkomen

Christoph Butterwegge, kandidaat van die Linke in Duitsland voor het presidentschap van dat land gaat recent tekeer tegen het basisinkomen. Zijn kritiek is dat alle beschermende maatregelen op de arbeidsmarkt zouden worden afgeschaft bij de invoering. Daarmee uit hij een ongenuanceerde kritiek, want er zijn vele varianten van basisinkomen plannen, waarbij dat niet het geval is. Maar zijn kritiek is ook, dat je in het kapitalisme geen werkelijk rechtvaardige maatschappij kunt bereiken, als de onrechtvaardige bezitsverhoudingen van de productiemiddelen niet worden veranderd, die door het basisinkomen niet worden aangetast. Het is een illusie dat in zo’n maatschappij werkelijk een vrij leven voor alle mensen kan worden gerealiseerd, iets wat de voorstanders van een basisinkomen claimen. Het verdwijnen van banen door automatisering en robotisering zou tot een heel andere conclusie moeten leiden die ter discussie moet worden gesteld. Conclusie Butterwegge: ‘Uit de vermeende kwantumsprong in de moderne productie-technologie moeten geheel andere conclusies worden getrokken. Als intelligente machines, robots en andere machines eigenlijk de basis van de maatschappelijke rijkdom productie worden, roept dit de vraag op naar het eigendom van en de beschikking over deze machines. In een rechtvaardige samenleving zouden ze niet een paar mensen, maar allen moeten dienen en toebehoren. Als de menselijke arbeid inderdaad haar betekenis verliest voor de waardeschepping, dan is een alternatief voor het kapitalisme meer dan ooit noodzakelijk. “Er is geen goed leven in de verkeerde (maatschappij)” schreef Adorno in zijn “Minima Moralia”. Zonder een systeem verandering is rechtvaardigheid, kan ware gerechtigheid niet worden gerealiseerd’. Het artikel is in het Duits, dus ja… ik hoop dat je het kunt lezen.

Hier kun je het artikel lezen.

Nieuwe database over armoede en rijkdom in de wereld met nieuwe cijfers

vv
Er is door Thomas Piketty een nieuwe website gelanceerd met grafieken, tabellen en cijfers over de inkomensongelijkheid en de tegenstellingen tussen arm en rijk door de eeuwen heen, de World Wealth and Income Database. Je kunt zoeken op verschillende landen en meer dan 110 onderzoekersvan over de hele wereld onderzoeken 70 landen, ook Nederland. Ik moet zeggen dat de database nog niet goed werkt, hij geeft hier en daar als je zoekt een error. Tegelijkertijd werden de resultaten bekend van een nieuw onderzoek naar de tegenstellingen tussen arm en rijk in de Verenigde Staten. Met een opvallend resultaat: het aandeel van de onderste 50% inkomens is gedaald van 20% tot 12% van het totale nationale inkomen tussen 1980 en 2014, terwijl het aandeel dat naar de de top 1% gaat is gestegen van 11% tot 20% ten opzichte van dezelfde periode. Het gemiddelde jaarinkomen van de onderste is 50% blijven steken op ongeveer 16.000 dollar per volwassene (uitgedrukt in constante dollars 2015), terwijl het gemiddelde inkomen van de top 1% is gestegen van 27 maal tot 81 maal dit bedrag, dat wil zeggen van iets meer dan 400 000 dollar in 1980 tot meer dan 1,3 miljoen dollar in 2014.
Je kunt hier het nieuwe onderzoek naar de Verenigde staten vinden.

Dit is de nieuwe database

In de media

Hieronder links naar krantenartikelen, filmpjes en geluidsbestanden van radio uitzendingen uit 2016 waarin mijn naam of die van organisaties waarbij ik betrokken was voorkomt. Internetartikelen zijn alleen opgenomen als de inhoud ook in gedrukte vorm of op radio en TV verschenen is.