Economie zal nooit meer zijn wat het geweest is

Op 30 october verscheen de Nederlandse vertaling van ‘Kapitaal in de een en twintigste eeuw’ van de Franse econoom Thomas Piketty. Het boek is in Frankrijk lauw ontvangen, maar de Engelse vertaling, een pil van 685 bladzijden,  heeft geleid tot een hausse aan reacties en het boek werd een bestseller. Er lijkt een discussie te worden opengebroken, die lange tijd gesloten geweest was. Wat Piketty op basis van uitgebreide historische analyses op de agenda zet, is niet zozeer het feit, dat we in het kapitalisme puissante rijkdom naast extreme armoede kennen. Velen hebben dit waargenomen in de loop der eeuwen en daar theorien aan gewijd. De discussie die Piketty weer op de agenda zet is de vraag, of die extreme verschillen tussen arm en rijk en eventueel een verdergaande verarming van grotere delen van de bevolking het gevolg zijn van immanente systemische onvolkomenheden van het kapitalisme, van de tendenzen die het gedrag van het kapitaal en de verdeling van armoede en rijkdom bepalen, of dat het kapitalisme die onvolkomenheden niet kent, in zich een goed naar evenwichten tenderend systeem is, dat harmonisch kan functioneren waarbij externe factoren de evenwichten kunnen verstoren. In de neo-klassieke economie worden in feite externe variabelen in het systeem ingebracht, die evenwichts verstorend kunnen werken en die  de verschillen tussen arm en rijk bepalen. Een tweede stroming die er impliciet van uitgaat, dat het kapitalisme op zich goed functioneert  is de morele stroming, die ter discussie stelt of de tegenstelling tussen arm en rijk op zich verkeerd is. Wat is erop tegen, als maar iedereen te eten heeft? En uitwassen moeten bestreden worden door de mensen een goede moraal bij te brengen, door sociaal ondernemerschap, want ja, ook de kapitalisten moeten niet zo hebberig zijn en proberen zoveel mogelijk winst te maken. Sociale ondernemer zijn betekent, dat je sociaal voelend a la Bill Gates een deel van je fortuinen weggeeft en verdeelt onder de armen. In het verlengde daarvan liggen de initiatieven voor een sociaal kapitalisme. De ‘sociale ondernemingen’ schieten als paddenstoelen uit de grond. Heel andere uitgangspunten dan wanneer je het kapitalisme beschouwt als een productiesysteem van immanente onvolkomenheden, dat uit zichzelf als het ware de stagnatie van de samenleving organiseert.

Een oude gedachte

Marx analyseerde de immanente tegenstrijdigheden van het kapitalisme als systeem van productie. Centraal in zijn theorien staat de arbeidswaardeleer. Het zou te ver voeren, dat verder hier uit te leggen, maar ook in die theorie is het kapitalisme een productiesysteem dat armoede, stagnatie, oorlog en ellende produceert als uitvloeisel van de wetmatigheden in de productie.  Het is onmiddellijk duidelijk dat uitgaan van de immanente onvolkomenheden van het productiesysteem zelf een adequate kritiek oplevert op de stromingen, die stagnatie zoeken in externe factoren of de moraal, of de mens als beest, dat altijd in ons sluimert. Je leidt dan de aandacht af van het feit, dat het kapitalisme als productiesysteem minstens net zo’n groot probleem is. Dat de tegenstellingen tussen arm en rijk, en de concentratie van rijkdom in handen van zeer weinigen niet zozeer het gevolg zijn van de moraal, of externe factoren, maar inherent zijn aan het kapitalistisch productiesysteem en dat dus eerst dat productiesysteem ter discussie gesteld moet worden alvorens te werken aan een rechtvaardiger maatschappij. Het is een weerlegging van de Amerikaanse droom, die verwoord dat iedereen de maarschalksstaf in zijn ransel heeft. Iedereen kan hogerop komen, als je maar wil, als je maar de goede ondernemersmentaliteit hebt. Iedereen krijgt kansen in het kapitalisme, grijp die! Nee, zegt nu Piketty, op basis van een indrukwekkende historische analyse, wanneer het kapitaal zich concentreert in handen van een steeds kleinere elite, stagneert de samenleving, neemt de sociale mobiliteit af, worden de kansen voor mensen hogerop te komen en/of zich te ontplooien minder. Het gevolg is stagnatie van de gehele maatschappij.

stagnatie en gebrek aan sociale mobiliteit

Bij steeds grotere ongelijkheid in bezit en inkomen komt er een rem op de economische groei omdat rijken hun geld nog slechts gedeeltelijk besteden in de economie en de rest oppotten. Grote ongelijkheid is een gevaar voor de democratie en politieke invloed van alle burgers: rijken kunnen de duurste advocaten en lobbyisten inhuren en met geld invloed kopen om wetten aangenomen te krijgen die zij willen. Mensen met een laag inkomen hebben geen reserves. Bij een tamelijk geringe tegenslag komen ze al in de problemen of schulden die alle tijd en energie opslokken. Mensen met weinig inkomen investeren ook minder in scholing en opleiding voor zichzelf en hun kinderen waardoor ze niet hogerop kunnen komen. Grote ongelijkheid remt de sociale mobiliteit. Maar er is ook een tendens dat de middengroepen verdwijnen. Langzaam in de loop der jaren opklimmen in de maatschappij of het bedrijf waar je werkt wordt steeds moeilijker. Het wordt steeds meer: alles of niets. Piketty is niet de eerste die op deze tendenzen gewezen heeft. Reeds de historicus Jan Romein formuleerde de wet van de remmende voorsprong: Een bedrijf of organisatie, kan een product met grote innovatieve waarde ontwikkelen en daar winsten mee maken, maar daarna in de verleiding komen op de inkomsten te blijven teren en noodzakelijke investeringen voor innovatie te veronachtzamen. In de tijd van Romein bestonden grote verschillen tussen verschillende delen van de wereld waardoor hij veronderstelde, dat dan elders de op hun lauweren rustende ondernemingen zouden worden voorbijgestreefd. Wanneer echter de concentratie van steeds meer toenemende rijkdom in handen van weinigen wereldwijd is, kan dit teren op de inkomsten algemeen worden en vernieuwende ontwikkelingen tegenhouden.
Daarmee wordt ook een kritiek geformuleerd op strategien om mensen aan de onderkant van de samenleving zelfredzaam te maken en te ontwikkelen door aan hun gedrag te sleutelen. Bijvoorbeeld de reintegratie cursussen voor werklozen, eigen kracht conferenties, etc. Werklozen ervaren aan den lijven dat het zo niet werkt, dat om een hen soms onbekende redenen of door de grote massawerkloosheid het hogerop komen niet lukt, dat er op de een of andere manier factoren in het spel zijn die dat belemmeren, die buiten henzelf liggen. Marxistische theorien waren in het verleden explosieve kritieken op de ideologie van de self made man die iedereen kan worden, op de plaats van de moraal in het discours van de verdedigers van het kapitalisme.

Piketty

En nu is er Piketty. Beslist geen marxist, hij zet zich expliciet af tegen de hiervoor genoemde arbeidswaardeleer. Ook bij Piketty tendeert het kapitalisme uiteindelijk naar een nieuw evenwicht alleen…. hier gaan vele decennia overheen. En in die periode stagneert de samenleving, de economie. En moeten miljoenen in ellende leven.
Piketty zegt zelf, dat vermogensongelijkheid helemaal niet erg is, dat het in Europa nog geen probleem is, de concentratie van vermogens, en dat we blij moeten zijn dat we zoveel vermogen hebben, er moeten hooguit kleine belastingen komen op die vermogens.  Eigenlijk, zou je kunnen zeggen, trekt hij dus geen radicale politieke conclusies uit zijn eigen verhaal. Waarom doet hij dat?  Is dit een bewuste strategie van hem, terwijl hij wel weet, dat het probleem veel groter is? Het is in strijd met de urgentie van de analyses in zijn boek. Hij betoogt steeds, dat hij de vrije markteconomie lief heeft en dat hij houdt van het kapitalisme en dat hij in Oost Europa geweest is tijdens de val van de muur en dat hij dacht: hoe is het mogelijk, dat mensen voor zo’ n systeem kiezen, ik wil dat nooit. Hierdoor is hij voor rechts zeer moeilijk met de traditionele middelen te bestrijden. Toch heeft hij een opzienbarend boek geschreven, waarin een fundamentele kritiek wordt geleverd op het kapitalisme. Echter, hem daarop wijzen, helpt niet. ‘ Ik hou van het kapitalisme, zegt Piketty, ik wil het helemaal niet afschaffen. Ik lever er alleen kritiek op’ . Wat is eigenlijk het doel van Piketty? Wellicht het volgende. In verschillende interviews geeft hij aan, dat we volgens hem historisch belast zijn met de tegenstellingen tussen Oost en West, met de koude oorlog, met het mislukken van het communistisch experiment in Oost-Europa. Hij geeft aan, dat we eigenlijk een beetje collectief opgehouden zijn met denken. Rechts en links zijn de afgelopen decennia met de opkomst van het neoliberalisme een soort psychologische oorlogvoering begonnen op basis van de tegenstellingen in het verleden. Piketty wil dat doorbreken.

Geen politieke strategie

Maar een politieke strategie om de hervorming van het kapitalisme door te voeren staat niet in de dikke pil van Piketty. Al op de eerste bladzijden kun je hem op een tegenstrijdigheid betrappen. Aan de ene kant zegt hij, dat de kwestie van de ongelijkheid van rijkdom, kapitaal, inkomen heeft geleid tot zelfs gewelddadige politieke conflicten en dat de wetenschap niet in staat is deze conflicten te verzachten of te modereren. Aan de andere kant stelt hij zijn hoop op die wetenschap en de democratie en dat die in staat zullen zijn de regie van de democratie over het kapitalisme te herstellen, voorzover die regie is verdwenen en dat daarom een rationele oplossing zal worden gekozen en dat de kladderedatsch die Marx voorspelde van revolutie of oorlog zal worden voorkomen. In dit verband stelt hij, dat wetenschappelijke economische inzichten al veel goed werk hebben gedaan. Wat is het nu? Kan de wetenschap ons verder helpen, of niet? En zo niet, hoe kunnen wij een verandering bewerkstelligen? Een echt nieuw antwoord zul je in het boek van Piketty niet vinden.

Piet van der Lende

Iedere baanloze 900 euro erbij in 2015!

Mijn voorstel is, dat de Bijstandsbond volgende verklaring publiceert. (De vereniging PEL in Leeuwarden steunt het ook al.)
Ondersteuning FNV campagne
Met genoegen heeft de Bijstandsbond kennis genomen van de looneisen voor het nieuwe seizoen van de FNV. Iedere werkende moet er volgend jaar minstens 900 euro bij krijgen in de cao. Dat is een van de opvallendste punten in de looneisen voor 2015 die vakcentrale FNV 15 september bekend heeft gemaakt. Zo krijgen vooral mensen met midden- en lagere inkomens meer koopkracht en dat is volgens de FNV nodig om de groeiende inkomensongelijkheid een halt toe te roepen. De looneis van 3 procent blijft overigens gewoon staan, stelt de vakcentrale. Maar door vaker te kiezen voor centen in plaats van procenten moeten vooral de lagere en middeninkomens hiervan profiteren, vindt de FNV. ,,Dat kan door een bodem in de looneis te leggen in de vorm van een bedrag in geld. Ook kan een deel in euro’s worden gerealiseerd en een deel in procenten.”
Die 900 euro is dus een soort vloer, dat moet iedere werkende erop vooruit gaan. De Bijstandsbond is graag bereid deze looneisen te ondersteunen. Om de FNV campagne nog verder te versterken en te ondersteunen beginnen wij een campagne ‘iedere baanloze minstens 900 schoon euro erbij in 2015!’. Geheel in overeenstemming met de centrale FNV leus: voor koopkracht en echte banen!

Leidt verlaging van de loonkosten op het minimumniveau voor werkgevers in Nederland tot meer werk en meer kansen voor werklozen?

Zie ook Mark Schonewille- Voor en nadelen van het minimumloon. 

In Buitenhof van 9 mei 2010 was er een discussie tussen Emile Roemer, lijsttrekker van de SP bij de komende verkiezingen en Barbara Baarsma, directeur SEO Economisch Onderzoek en hoogleraar ‘marktwerking’. Het debat ging over het verkiezingsprogramma van de SP. Hierbij had Barbara de volgende kritiek, waarbij zij duidelijk uitging van het in termen van marktwerking modelmatig beschouwen van de werkelijkheid. Er zou een tegenstrijdigheid in het SP programma zitten. Enerzijds is er de doelstelling van de SP de ‘sociaal zwakkeren” te willen beschermen en hen nieuwe kansen te bieden. Anderzijds is er de bescherming van de zittende werknemers, de grote groep die werk heeft, en die een vast inkomen en enige bestaanszekerheid wil. Dat is tegenstrijdig. Want als je die sociaal zwakkeren kansen wilt geven, moet je de arbeidsmarkt flexibiliseren, het ontslagrecht versoepelen en de bruto loonkosten van de werkgevers tegelijkertijd verlagen. Mensen op het minimum kunnen dan hun koopkracht behouden door extra belastingvoordelen. En niet het minimumloon verhogen, zoals de SP wil. Die verlaging van loonkosten op het minimumniveau levert nieuw werk op, dus bevordert de werkgelegenheid, en bovendien hebben mensen die nu geen kans hebben dan wel een kans om ‘ertussen’ te komen, ook een baantje te vinden, want als het ontslagrecht wordt versoepeld en de loonkosten voor de werkgever naar beneden gaan zal hij ook bij mensen met een lagere arbeidsproductiviteit zeggen: nou, met jouw wil ik het ook wel eens proberen. En in de huidige situatie zegt de werkgever dat niet en neemt hij alleen de sterksten met een hoge arbeidsproductiviteit. Dus de SP komt op voor die sterke groep door hun positie te beschermen en niet voor de  ‘sociaal zwakkeren’  zoals ze in het TV programma werden genoemd. Op twitter ontwikkelde zich een felle discussie tussen voor en tegenstanders van deze redenering, waarbij in mijn ogen voorstanders er weinig van begrepen hebben. Dat zal ik in dit artikel uitleggen.
Lobby voor verlaging minimumloon
Ook de VVD wordt niet moe naar voren te brengen dat zij een sociale partij is, omdat zij door arbeid aan de onderkant van de arbeidsmarkt goedkoper te maken de kansen voor mensen die daarop aangewezen zijn wil vergroten. Tevens pleit de partij voor afschaffing van de huidige bijstand en vervanging door een ‘participatiewet’ om de prikkels voor werkzoekenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt te vergroten. Dan komen de mensen aan het betaalde werk en dan hoor je erbij, je voelt je deel van de samenleving en je voelt je beter. Dit soort vaak in korte snelle bewoordingen geformuleerde uitgangspunten doen het goed in de media en politieke debatten. Daar is alleen tijd voor korte oneliners, waarbij op de argumenten niet wordt ingegaan. Op het eerste gezicht voor de hand liggende vanzelfsprekendheden van het dagelijks leven worden als absolute waarheden verkondigd zonder dat er in de televisiediscussie of bij een TV interview tijd is om het te weerleggen. Tegenstanders zijn dan gedwongen ook in dergelijke oneliners te vervallen, zodat de ‘discussie’ verzandt in een welles-nietes spel zonder argumenten. Emiel Roemer kwam er in die zin niet goed uit, dat hij de kaart van de belangengroepen speelde die hem wellicht electoraal gewin kunnen opleveren: de overgrote meerderheid van de werkende mensen wil enige bestaanszekerheid en bescherming en er zijn steeds meer werkende armen, die de eindjes niet aan elkaar kunnen knopen, dat is geen goede zaak. Mensen moeten wel van hun werk kunnen leven. Dus de bescherming van die groep is terecht. Wat betreft de kansen van mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt benadrukte hij dat de SP werkmaatschappijen op gemeentelijk niveau wil, waar mensen aangepaste arbeid kunnen verrichten onder redelijke voorwaarden en omstandigheden, en dat ze begeleid moeten worden naar de arbeidsmarkt. Maar de werkelijke betekenis van Barbara’ s modeldenken bracht hij niet over het voetlicht. En Barbara staat niet alleen: ook de fameuze ambtelijke werkgroepen die de komende draconische bezuinigingen hebben voorbereid pleiten voor verlaging van het minimumloon (en dus van het sociale minimum).
Tweede argument
Baarsma had nog een tweede argument, waarbij ze kritiek uitte op een tweede uitgangspunt van de SP. Namelijk het uitgangspunt dat de SP de hogere inkomens een beetje meer wil belasten, om met de opbrengsten meer te doen voor mensen die van een uitkering moeten leven of voor de financiering van die werkmaatschappijen. En voor andere mooie doelen, natuurlijk. Daar zei Barbara van dat een dergelijke hogere inkomstenbelasting van de rijkeren leidde tot ‘weglek’ effecten: onderzoek zou hebben uitgewezen, dat per saldo de opbrengst van die hogere belasting gering of afwezig is. Nu voert het te ver om dit helemaal uit te werken, maar het argument komt er volgens mij op neer dat bij een sterke inkomensnivellering, dus overhevelen van inkomen van hogere inkomens naar lagere inkomens, de sociale welvaart in zijn totaliteit niet hoeft toe te nemen, omdat tegenover de inkomensverbetering van de minima een inkomensverslechtering van de rijken staat. Sterker nog, als je teveel nivelleert, kan dat een negatief effect hebben: de sociale welvaart neemt af en de economische groei wordt minder. Het wordt allemaal nog erger als de minima van dat meerdere inkomen gaan sparen, terwijl de hoge inkomens het geld over de balk smeten, want ze hadden toch geld genoeg. Dat spaargeld komt niet in de economie, er wordt geen koopkrachtige vraag mee uitgeoefend. Dus de sociale welvaart wordt in zijn totaliteit wat minder. So what, Barbara Baarsma? Het is wel een veel rechtvaardiger samenleving waarin iedereen een redelijk inkomen heeft. Wat de overheidsfinanciën betreft zal er dan wel bezuinigd moeten worden, om de rente op de schulden aan de kapitaalverschaffers te kunnen betalen (?) Maar daar valt genoeg op te bedenken. Heeft de SP ook gedaan.
Baarsma gaat dus uit van een model, waarbij wordt ingezet op zo maximaal mogelijke economische groei, een zo groot mogelijk nationaal inkomen in zijn totaliteit en zo laag mogelijke loonkosten voor werkgevers. Als daar grote inkomensverschillen voor nodig zijn dan moet dat maar.
Twee argumenten
Het was niet voor niets dat de econoom juist de twee bovengenoemde argumenten naar voren bracht, want ze hangen in mijn ogen in het modeldenken van Barbara Baarsma samen.
Verlaging van de loonkosten voor de werkgevers op het minimumniveau leidt tot meer banen, is de stelling. Daarbij moet je denken aan ongeschoolde arbeid in het huishouden of de bediening in de horeca, zoals café ‘s, restaurants en hotels. Of conciërges in grote flats en andere functies in de bewaking of in de schoonmaak. Nu is het minimumloon in Nederland te hoog om dat soort banen op grote schaal te scheppen. Een voorwaarde voor het ontstaan van dat soort banen is echter wel, dat er een relatief grote koopkrachtige groep uit de hogere inkomens is, die dit soort werkzaamheden kan uitbesteden. Ook bij een laag minimumloon blijft dat uitbesteden relatief duur. Vaak buiten de deur eten kost geld. Dus wil verlaging van de minimumloonkosten voor werkgevers effect hebben op de werkgelegenheid, dan moet er zo’n koopkrachtige groep zijn. Vandaar dat meer belasten van de hogere inkomens niet verstandig is. Dat vermindert de kansen van de mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt.
Er ontstaat dus een relatief kleine groep rijken, die bediend worden door een grote groep armen. Dat er nog heel andere modellen denkbaar zijn, waarin heel andere, socialere oplossingen worden bedacht voor het scheppen van een koopkrachtige vraag naar klusjesmannen en bedieningspersoneel, bewijst het door Barbara Baarsma bekritiseerde ‘Nederlandse’ model. In Nederland liggen de minimum marktlonen en CAO lonen voor een groot deel boven het absolute minimum. Ik kom daar nog op terug.
Een andere econoom, Heleen Mees, benadrukt in bijna iedere column in NRC Handelsblad dat in New York  voor de werkgevers relatief lage loonkosten bestaan aan de onderkant van de arbeidsmarkt en dat die lage loonkosten daar werken: er ontstaan banen  in de dienstverlenende sector die in Nederland niet bestaan en die vooral de vele nieuwe migranten naar de stad kansen en mogelijkheden bieden. Maar ook de andere mensen die op deze sector op de arbeidsmarkt aangewezen zijn. Dus als het hier werkt, waarom in Nederland dan niet? New York zou het ideale model zijn.
New York
New York is de metropool van de wereld. Niet alleen is de stad het financiële centrum van de wereld, er zijn ook op het gebied van kunst, theater, nieuwe technologieën, creatieve industrie en nog andere bedrijfstakken vele activiteiten. De mensen met talent en specifieke schaarse vaardigheden trekken op grote schaal naar New York, het centrum waar alles gebeurt. Daardoor is er in New York een relatief grote groep rijken die al die mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt kan betalen. De inkomenstegenstellingen zijn groot. Extreme rijkdom naast bittere armoede van mensen die twee baantjes moeten nemen en 60 uur per week werken om financieel het hoofd boven water te houden. Maar ze hebben werk! Dat geldt niet voor de duizenden, die ook bij de lage loonkosten voor de werkgevers nog niet voldoende arbeidsproductiviteit kunnen opbrengen om in overeenstemming met de marktsituatie  meer dan hun loon terug te verdienen. In New York is de bijstand afgeschaft, en het betekent voor deze mensen met een lage arbeidsproductiviteit dat ze in ellende gestort worden. Vandaar dat in New York de situatie bestaat van enerzijds de superrijken, die zich in dure restaurants laten bedienen door de werkende armen en anderzijds de ellende van de daklozen, die aangewezen zijn op de tientallen gaarkeukens om in leven te blijven. Alles voor een zo maximaal mogelijke economische groei en verhoging van het nationaal inkomen!.
Zodat er zoveel mogelijk banen worden geschapen. Maar wel te laag betaald en met als gevolg veel mensen in ellende zeg ik erbij. Maar New York bruist!
periferie
In gebieden die minder een centrumfunctie hebben wonen relatief minder rijken met een koopkrachtige vraag. Maar ook hier is in het model denken van Barbara Baarsma van toepassing. Juist in perifere armere gebieden waar relatief veel mensen dicht tegen het sociale minimum aanzitten zal verlaging van de loonkosten op het minimumniveau grote werkgelegenheidseffecten hebben. En zal de verlaging van de loonkosten veel mensen die nu aan de kant staan meer kansen bieden. Juist dan komen er meer laagbetaalde banen bij. In situaties, waar weinig mensen tegen het minimumloon zitten zijn de werkgelegenheidseffecten veel geringer. Hier stuiten we dus op een tweede randvoorwaarde van het model: er moeten relatief veel mensen zijn die tegen het minimum loon niveau aanzitten, wil men bij een (beperkte) verlaging van de loonkosten voor de werkgevers werkgelegenheidseffecten bewerkstelligen, een zo maximaal mogelijke economische groei nastreven en het nationaal inkomen in zijn totaliteit zo maximaal mogelijk laten zijn.  
Nederland
In Nederland is aan deze twee randvoorwaarden onvoldoende voldaan, in de ogen van de modeldenkers. In Nederland zijn er relatief minder grote inkomensverschillen, hoewel de belastingdruk, als je de indirecte belastingen meerekent, aan de onderkant van het inkomensgebouw even groot is als aan de bovenkant. En er zijn in Nederland maar weinig mensen die het minimumloon verdienen. De minimum CAO lonen liggen over het algemeen ruim boven het minimumloon.
Uiteindelijk verdient maar 4% van de werknemers hier het minimum(jeugd)loon. Werkgevers zitten dus helemaal niet te springen om een verlaging, anders zouden ze dit minimum wel vaker opzoeken. Modeldenkers als Baarsma en Mees zijn niet van deze tijd.
Het zou goed zijn als zij nog eens de Consumentengids van maart 2010 ter hand nemen. Daar is te vinden wat de klusjesman in Nederland kost. Voor een uurtje tuinieren bent u 14 euro zwart en 30 euro wit kwijt. De werkster doet het voor een tientje zwart en 14 euro wit en zit dus nog ruim boven het minimumloon. Alleen de kinderoppas, meestal een scholier die zijn of haar huiswerk komt maken bij de jonge buren, is bereid met 5 zwarte euro’s genoegen te nemen. Het hoogste in rang is de administratieve klusjesman en de bijlesleraar die met 25 euro zwart of 33 euro wit, op bezoek komen. (1)
In Nederland blijkt dus een heel andere oplossing te bestaan voor het scheppen van een koopkrachtige vraag naar (ongeschoolde) laagbetaalde arbeid: juist door minder grote inkomensverschillen, waardoor relatief veel mensen zich een tuinman kunnen veroorloven, en situaties als hypotheekrente aftrek en op de huizenmarkt de scheefwoners kunnen ook de flexibele klussers in de dienstverlening een redelijk uurloon verdienen- boven het minimumloon. De hoogte daarvan speelt in Nederland qua werkgelegenheidseffecten nauwelijks meer een rol; het kan best omhoog, zoals de SP wil. Maar in het denken van Barbara Baarsma moeten we een nieuwe weg inslaan, een ander model aan de werkelijkheid in Nederland opleggen.
Wil je in dat model ook In Nederland werkgelegenheidseffecten scheppen door verlaging van de loonkosten voor werkgevers op het minimumniveau, dan zul je iets aan die twee randvoorwaarden moeten doen. Bevorderen dat er een relatief grote groep rijken komt, en anderzijds juist bevorderen, dat er een relatief grote groep is die tegen het sociale minimum aanzit. Je kunt dan veronderstellen, dat verlaging van de minimumloonkosten voor de werkgevers betekent, dat het voor de vakbonden moeilijker wordt in de CAO onderhandelingen: de werkgever kan veel relatief goedkope arbeidskrachten krijgen, die alleen het minimumloon verdienen. Dus de minimum cao lonen zullen dan ook omlaag gaan. En je kunt natuurlijk ook hardere maatregelen nemen: CAO’s niet algemeen verbindend verklaren, of een loonmaatregel nemen, etc. Je zult dus in de perifere gebieden over de gehele linie een zekere verarming van de bevolking moeten nastreven. Maar de mensen hebben werk! En ach, die groep uitvallers kun je wel in toom houden met voedselbonnen, strenge controles en gaarkeukens. Als superrijke geef je af en toe wat, dat leidt ook maar weer tot een sociaal gezicht, en voor bedrijven is het goed voor de PR om de gaarkeukens en voedselbanken te sponseren. Ook in Nederland wil men geheel in overeenstemming met het model- aan de bijstand sleutelen: hervormen heet dat. En de toegang zoveel mogelijk beperken.
Eindresultaat
Het bovenstaande maakt duidelijk waar het pleidooi van Baarsma op uitloopt: een bruisend mondiaal economisch centrum, waar van alles gebeurt, waar het booming bussiness is voor miljoenen mensen, die worden bediend door ook weer miljoenen werkende armen, waar de cultuur bruist en leeft, en waar de duizenden daklozen op straat rondzwerven. Een bruisende metropool, en wel te midden van een verarmde en langzaam verder ontvolkte periferie, waar een scherpe tegenstelling tussen arm en rijk groeit. En zal dat model de massawerkloosheid in Nederland oplossen? Economen zijn het er wel over eens, dat ook bij extreme toerpassing van het model de werkgelegenheidseffecten beperkt zijn: hooguit enkele procenten meer. Onvoldoende om de 2,5 miljoen mensen tussen de 18 en de 65 die in Nederland geen betaald werk hebben aan werk te helpen. Maar, zeggen de mensen die ‘een beetje’ voorstander zijn van dit model: nee, er moet natuurlijk wel een bijstand zijn voor mensen die het echt nodig hebben, nee, er moeten ook weer niet te extreme tegenstellingen tussen arm en rijk groeien, nee, wij willen de CAO’s wel algemeen verbindend blijven verklaren, etc. Maar dan zijn de werkgelegenheidseffecten nog geringer. Want aan de randvoorwaarden wordt niet voldaan. Wel zal het model de economische groei bevorderen: er komt meer economische activiteit, meer welvaart, maar dan wel volgens een zeer bepaald organisatorisch, infrastructureel en sociaal model waarin voor miljoenen geen plaats is. Dat is de werkelijke uitkomst van het modeldenken van Barbara Baarsma, die wil opkomen voor de sociaal zwakkeren. Decennia van loonmatiging, invoering van minimumjeugdlonen (die geen snars extra betaald werk heeft opgeleverd) en jaren van economische groei hebben de werkelijke massawerkloosheid, het feit dat miljoenen tussen de 18 en 65 jaar geen betaald werk hebben, niet kunnen oplossen, hoezeer in statistieken ook met cijfers wordt gegoocheld  om naar voren te kunnen brengen dat Nederland in West-Europa de laagste werkloosheid kent. Laten we met zijn allen iets anders verzinnen en de positieve elementen van het ‘Nederlandse’ model koesteren en uitbreiden. Want dat is waar: ook het Nederlandse model is tot nu toe geen oplossing voor massawerkloosheid en verarming van grote groepen. We moeten echter meer in het verlengde van dat model denken in mijn ogen, zoals arbeidstijdverkorting en beperking van marktwerking in publieke diensten, en niet een geheel nieuw marktmodel van New York opleggen aan Nederland. Dat leidt tot alleen maar meer ellende.
Piet van der Lende

http://www.pluspost.nl/een-zwarte-pool-kost-al-twee-maal-het-minimumloon%E2%80%A6./33762

Het werkgelegenheidsbeleid van de regering Kok

Deze tekst is eerder gepubliceerd op de website van de Bijstandsbond.

De uitgangspunten van de regering Kok m.b.t. de werkgelegenheid. Hierover doen allerlei propagandapraatjes van politici de ronde. Bij het afsluiten van het regeerakkoord werd gezegd, dat de regering streeft naar 350.000 banen extra in vier jaar. Hier zijn echter ook banen bij van minder dan 12 uur in de week. Uitgedrukt in arbeidsjaren gaat het om veel minder banen. Maar goed, de regering wil 350.000 banen scheppen. Hoe wil de regering dit bereiken?
bezuinigingen
Het is de bedoeling dat de regering Kok 18 miljard bezuinigt in vier jaar tijd. Waarop wordt bezuinigd?. Enkele voorbeel den. Op de studiefinanciering moet ruim twee miljard worden bezuinigd, op arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren anderhalf miljard, invoering ANW moet 820 miljoen opleveren, terugdringing beroep op de WAO meer dan een miljard, kinderbijslag ruim een miljard, op de AOW wordt ruim 400 miljoen bezuinigd, bijdrage gemeentefonds ruim 800 miljoen, en de bezuiniging op het zorgpakket in de gezondheidszorg en invoering eigen risico moet ruim een miljard opleveren.
lastenverlichting
Deze bezuinigingen worden echter slechts gedeeltelijk gebruikt voor verlaging van het financieringstekort. Het financierings tekort moet vooral minder worden door een toename van de werkgelegenheid en een hoge ekonomische groei. De bezuinigin gen worden vooral gebruikt voor negen miljard lastenverlich ting voor burgers en bedrijven. Het overgrote deel van die negen miljard wordt gebruikt om de belastingen en sociale pre mies die werkgevers moeten betalen te verlagen. De overheid gaat ervan uit, dat loonkostenverlagingen voor de werkgevers tot meer banen zullen leiden, met name op het gebied van laagbetaalde ongeschoolde arbeid. Daarnaast wordt een gedeel te gebruikt om met name voor werkenden de lasten te verlagen, waardoor de inkomensverschillen tussen uitkeringsgerechtigden en werkenden groter worden en ook de inkomensverschillen tussen werkenden onderling. Dit gebeurt oa door verhoging van het arbeidskostenforfait en verhoging van de belasting vrije som. Men gaat ervan uit, dat wanneer deze verschillen groter worden, werklozen eerder bereid zullen zijn arbeid op het niveau van het minimumloon te aanvaarden.
gerichte subsidiering
We hebben nu de algehele verlaging van de belasting- en pre miedruk gehad. Ten tweede is er de gerichte subsidering om in bepaalde sectoren meer laagbetaalde, ongeschoolde arbeid te scheppen. Een voorbeeld van dat laatste zijn de wettelijke maatregelen van afdrachtsvermindering op loonkosten. Ten eerste een afdrachtskorting van 1185 gulden voor werkge vers die iemand in dienst nemen op het niveau van het WML. Dit geldt dus niet alleen voor langdurig werklozen. Het aardi ge is, dat het CPB geen werkgelegenheidseffecten van deze korting heeft kunnen berekenen. Het is dus onbekend, wat het effect is. Ten tweede fl 4500 per jaar voor het in dienstnemen van een langdurig werkloze die niet meer verdient dan 130% van het WML. (een jaar ingeschreven bij arbeidsbureau, bij een dienst verband van 32 uur of meer, voor ten hoogste vier jaar,) Ten derde fl 4500,- per jaar per in dienst genomen leerling in het leerlingwezen. ( die bij een werkweek van 32 uur of meer niet meer verdient dan 130% van het WMl voor personen vanaf 23 jaar.)
Daarnaast is er nog de kaderregeling arbeidsinpassing als tegemoetkoming voor de kosten van training en begeleiding. Verder is er nog de Wet Bevordering Arbeidsinpassing, voorheen de wet Vermeend/Moor. Hier krijgen werkgevers voor een bepaalde periode vrijstelling van premiebetalingen tot 16% van de brutoloonsom bij het in dienst nemen van langdurig werklozen voor meer dan 15 uur. Er zijn nog veel meer regelingen, zoals de kaderregeling uitzendarbeid, subsides van de Europese Unie en loonkostensub sidies van het GAK, die vooral betrekking hebben op het weer in het arbeidsproces opnemen van gedeeltelijk arbeidsongeschik ten. Maar de regering en het Centraal Planbureau geven zelf aan, geen idee te hebben wat nu precies de werkgelegenheidsef fecten van deze maatregelen zullen zijn en of de kansen van langdurig werklozen en arbeidsongeschikten ook werkelijk verbeterd worden. In antwoord op kamervragen heeft de regering bijvoorbeeld geantwoord, dat de effecten in de dienstensector niet vast te stellen zijn.
aanvullende werkgelegenheid
We hebben nu de gerichte en algemene lastenverlichting gehad. Daarnaast geeft de regering ongeveer vier miljard uit voor aanvullende werkgelegenheid, met name de Melkert 1 rege ling.-Met een gedeelte van die vier miljard moeten 40.000 ba nen worden geschapen over een periode van vier jaar. Nu doen politici, alsof er daardoor 40.000 banen bijkomen. Maar dat is niet zo. Want er gaan ook weer banen verloren door de 18 miljard bezuinigingen.
Melkert I
Hoe ziet die Melkert I regeling eruit?. Het zijn banen voor langdurig werklozen in de non-profitsector die structureel worden gesubsidieerd door het Rijk. Het gaat met name om banen bij instellingen op het gebied van de veilig heid, toezicht, en zorg. Te denken valt aan functies als stadswacht, flatwacht, tramconducteur, buurtconcierge, kinder opvang, en onderwijsassisstent. In de zorg kunnen de functies gevarieerder zijn. Het gaat om laaggeschoold werk met een salaris op mimumloonni veau. Een alleenstaande in de Melkert regeling heeft het eerste jaar op basis van een 32-urige werkweek ongeveer 1350 gulden. Er zijn Melkertbanen waar iemand ook s’avonds en in het weekend moet werken waarvoor geen toeslagen worden gege ven. Zo iemand komt dus ondanks de onregelmatige werktijden niet boven het bijstandsniveau uit.
Melkert II
Dan is er nog de Melkert II regeling. Hier gaat het erom, dat er boventallige arbeidsplaatsen gecreerd worden in de markt sector. Het gaat uiteindelijk om 20.000 banen. Er gaat een experimentele periode aan de reguliere in diensttreding voor af. Een werkgever kan maximaal 2 jaar een loonkostensubsidie ontvangen van fl 18.000 per jaar. Binnen deze periode dient de werknemer in reguliere dienst genomen te worden. Ook hier gaat het om laaggeschoold werk van gemiddeld 32 uur met een salaris op minimumloonniveau tot maximaal 120% WML.
voorbeelden
Ik noem twee voorbeelden van Melkert II regelingen. De gemeen te Amsterdam wil een arbeidspool voor het midden- en kleinbe drijf maken, waarbij piekwerk wordt gedaan. De langdurig werkloze krijgt een arbeidsovereenkomst voor maximaal twee jaar. Binnen twee jaar moeten die werknemers doorstromen naar regulier werk. Het zal me benieuwen, of die doelstelling wordt gehaald. Een tweede voorbeeld. Met ingang van 1 januari is het mogelijk geworden in een aantal regio’s voor 15 gulden per uur schoonmaakwerkzaamheden in en rond het huis te laten verrich ten. Partikulieren sluiten daarvoor zogenaamde ‘consumenten contracten’ af met schoonmaakbedrijven. De arbeidsvoorwaarden en subsidies zijn verder dezelfde als in de andere Melkert II regelingen. Het komt erop neer, dat de overheid fl 13,- legt naast de fl 15,- die de partikuliere opdrachtgever betaalt. Het is een overeenkomst tussen Melkert en de branche vereni ging van de schoonmaakbedrijven. De schoonmaakbedrijven hebben groot belang bij deze regeling. Want zo kunnen ze de klassieke werkster, die direct in dienst is van een partikulier, uit de markt concurreren. Door de invoering van Melkertbanen vindt dan ook een groot scheepse verdringing van bestaande betaalde arbeidsplaats. De regering gaat er in antwoord op kamervragen zelf van uit, dat de verdringing bij Melkert II ongeveer 10% zal zijn.
Melkert III
Dan is er nog de Melkert III regeling. In het kader van arti kel 144 van de NABW krijgen gemeenten met ingang van 1 januari de mogelijkheid om in het kader van sociale activering te experimenteren door bepaalde artikelen van de NABW buiten beschouwing te laten. Mogelijkheden die hierdoor ontstaan zijn de verplichting om deel te nemen aan bepaalde maatschappelijke activiteiten, ontheffing sollicitatieplicht, het vrijlaten van premies voor onbetaalde arbeid en ruimere mogelijkheden voor bijstandsverlening aan zelfstandigen. Gemeenten moeten een aanvraag indienen bij het ministerie om in aanmerking te komen als experimenteergemeente. Amsterdam heeft alleen aanvragen ingediend voor ontheffing van de sollicitatieplicht en onkos tenvergoedingen voor vrijwilligers in het kader van de bijzon dere bijstand. Daarnaast is het zo, dat bijvoorbeeld in Amsterdam nu al enige tijd onbetaalde arbeid, dus vrijwil ligerswerk wordt gebruikt in een traject, dat toeleidt naar de arbeidsmarkt.
banenpool
Dan hebben we nog de banenpool. Gemeenten kunnen afspraken maken over de instelling van banenpools voor langdurig werklo zen. Voor iedere werkloze in zo’n pool stelt het rijk, naast het aandeel in de uitkering van de betrokkene, jaarlijks fl 7000,- beschikbaar. De inlenende organisatie moet 3500,- betalen. De deelnemers sluiten een arbeidsovereenkomst met de arbeidspool en krijgen werk op een boventallige plaats in de collectieve sector. Op de arbeidsovereenkomst is het gewone arbeidsrecht van toepassing. Ontslagvergunning Arbeidsbureau vereist. Werknemers ontvangen het wettelijk minimumloon Overwerktoeslagen zijn niet mogelijk, maar wel een compensatie in vrije tijd.
JWG
Dan is er nog de JWG. Doel is dat jongeren of werk hebben of op school zitten. de regeling komt in de plaats van eventuele uitkeringen. Er is een wachttijd van een half jaar tot een jaar. De jongere komt in dienst van een gemeentelijke organi satie die de JWG uitvoert. Deze organisatie is verplicht de jongere een werkervaringsplaats of een scho lingsplaats van 32 uur te bieden. De plaatsing duurt zes maanden en kan met zes maanden worden verlengd. De jongere verdient bij een werkweek van 32 uur 80% van het minimumloon of het minimumjeugdloon. De bedoeling is de JWG stapsgewijs uit te breiden tot alle schoolverlaters tot 27 jaar. Per 1-1-1997 worden de banenpool, de WSW en de JWG ondergebracht in de Wet Inschaling Werkzoekenden maar het zou te ver voeren, daar nu op in te gaan.
positieve actiebeleid
Ik heb nu verschillende maatregelen genoemd om de werkgelegen heid te bevorderen, nl gerichte en ongerichte lastenverlich ting en additionele arbeid, de derde sector, die ontstaat door een deel van de bezuinigingen in te zetten en door het terug ploegen van uitkeringsgelden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen om bepaalde groepen die nu buiten de boot vallen omdat ze niet voldoen aan de eisen van de werkgevers toch aan werk te helpen. Dat zijn de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, de WBA, de Wet Arbeid gehandicapte werknemers, de WAGW, en de Wet bevordering Evenredige arbeidsdeelname Allochtonen, de WBAA.
arbeidsvoorziening
Dan is er ook een arbeidsvoorzieningsorganisatie. Er is eigen lijk een heel netwerk van uitvoerende instanties, die allemaal met de uitvoering van de geschetste regelingen te maken heb ben. Arbeidsbureau’s, gemeentelijke instellingen, de zorgver zekeraars, uitzendbureau’s etc. Al die instellingen houden zich niet alleen bezig met de uitvoering van al die regelin gen, maar ook met arbeidsbemiddeling, omscholing, trajectbege leiding, solliciatiecursussen, etc. Allemaal aktiviteiten om de werkzoekende klaar te stomen voor de kennis-en vaardigheden die de werkgever eist. Het is een erg onoverzichtelijk geheel van instellingen, die langs elkaar heen werken of elkaar beconcurreren.
Conclusie:
Politici geven hoog op van de effecten van dit beleid. Zo zouden er de afgelopen jaar 150.000 banen bijgekomen zijn. Dit is echter beperkt waar. In de eerste plaats betreft het deel tijdbanen en in de tweede plaats zijn het vaak tijdelijke banen. Als je de effecten van het regeringsbeleid op de werk gelegenheid zou willen bekijken, moet je een lange termijnper spectief nemen. Dus hoeveel werkgelegenheid er bijgekomen is in de laatste tien jaar. Volgens cijfers van de overheid zelf nam de werkgelegenheid uitgedrukt in arbeidsjaren de afgelopen tien jaar, dus sinds 1985 toe met 738 duizend arbeidsjaren, oftewel 15%. Als je bedenkt dat er alleen al meer dan 700.000 mensen zijn met een werkloosheidsuitkering en daar nog bij rekent, dat er veel mensen wel werk zoeken, bijvoorbeeld vrouwen en gedeelte lijk arbeidsongeschikten, die niet als werkzoekende bij de officiele instanties staan geregistreerd, dan kom je al gauw op een totaal van meer dan 1,2 miljoen werkzoekenden. Wanneer de beroepsbevolking de komendejaren zal blijven groeien, en er weer werkgelegenheid verdwijnt door rationalisatie en automa tisering, dan is het duidelijk, dat over tien jaar de werk loosheid nog even hoog zal zijn als nu. Voor vele werklozen is er geen perspectief op werk in de komende tien jaar. Daarnaast heeft een grote groep uitkerings gerechtigden, zoals AOW-ers niets aan dit kabinetsbeleid. Het beleid van het kabinet Kok leidt door de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de ambtenarensalarissen en de bevordering van laagbetaalde flexibele arbeid tot verarming voor grote groepen, waarbij de inkomensverschillen tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden groter worden, zonder dat het werkgele genheidsperspectief verbetert. Het zijn vooral de werkgevers en de werkenden met een hoger inkomen, die van de toenemende welvaart profiteren.
PvdL/20-2-1996

Kort verslag gesprek met Eelco Brinkman op 25 maart 1993 in Den Haag

25 maart 1993

In het voorjaar van 1993 ben ik met vertegenwoordigers van het toenmalige Komitee Amsterdam Tegen Verarming en van de diaconie van de Hervormde Kerk in Amsterdam naar Den Haag geweest voor een gesprek met Eelco Brinkman, toen fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer tijdens het kabinet Lubbers-Kok. In 1994 zou hij lijsttrekker van het CDA worden, maar de partij leed bij de verkiezingen een historische nederlaag en weer een jaar later verliet Brinkman de politiek. Zie voor een overzicht van zijn carriere in de politiek en het bedrijfsleven Wikipedia. Hieronder een verslag dat ik van het gesprek gemaakt heb. 

Brinkman begint met te zeggen, dat we niet het gevoel moeten hebben, bezig te zijn met een klaagzang, het zijn serieuze punten die naar voren worden gebracht, en politici zitten ervoor om naar de mensen te luisteren en zich op de hoogte testellen van hoe regelingen in het praktische leven werken.
Als volgende punt brengt hij naar voren, dat in achtereenvol­gende kabinetten, afgezien van de politieke samenstelling, eindeloos gediskussieerd is over hoe regelingen eerlijker kunnen uitwerken naar de individuele omstandigheden van demensen. Sommige regelingen werken onrechtvaardig uit; aan de ene kant is er een oneigenlijk gebruik, dat teruggedrongen moet worden, aan de andere kant zijn er de echte minima, die niet rond kunnen komen. Dit is uitdrukking van het feit, dat algemene regelingen onvoldoende inspelen op individuele geval­len. Het betekent, dat de politiek op zoek is naar een sys­teem, dat de uitvoeringsorganisatie dwingt meer naar de indi­viduele omstandigheden te kijken. Dit is een belangrijk punt.
Verschillende dingen zijn moeilijk per man of per vrouw te regelen. Het meest pijnlijk is, dat veel mensen hun hele leven geploe­terd hebben, en naarmate ze ouder worden tot de ontdekking komen, dat ze een laag inkomen hebben. Dit betekent dat Brink­man kijkt naar: kunnen we nou niet in de uitkeringsrechteninbouwen, dat mensen naarmate ze ouder worden meer rechten hebben. Dit betekent, dat de arbeidsjaren moeten meetellen in de hoogte van de uitkering. Jongeren kunnen zich wel bijverze­keren.
De konkrete situatie van het individu moet in ogenschouw worden genomen. (met een schaartje geknipt). De sociale dienst moet kunnen zeggen: u komt wel voor een bepaalde bijdrage cq regeling in aanmerking, en u niet. De bijzondere bijstand is er voor bedoeld om bij te plussen, om iets te doen in die gevallen, waarin dat dringend noodzakelijk is. Overigens is de claim die op de hogere en middeninkomens wordt gelegd terecht.
Een ander punt is de werkgelegenheid. We zijn bezig om mensen aan het werk te krijgen, cq werkgelegenheid te scheppen. Er zijn op dit moment onvoldoende banen te vinden. De diverse kabinetten proberen het investeringsklimaat te verbeteren,zodat werkgevers investeren, ook in werkgelegenheid. Hiermee wordt werkgelegenheid geschapen. De mensen moeten de werkgele­genheid de voorrang geven. Het is zo, dat er begin jaren tachtig fors huisgehouden is in de overheidsuitgaven. Dat heeft resultaten afgeworpen. Het heeft geleid tot een enorme groei van het aantal banen. Zeker ook naar de jeugd toe. We moeten kiezen voor werk boven inkomen. 
Wat de jeugd betreft en het verband tussen de kinderbijslag en de kosten voor de opvoeding van kinderen. Het CDA vindt dat tegen de jeugd kan worden gezegd: de welvaart is opgebouwd door de oudere generaties, nu is het jullie taak om er fors aan mee te helpen om dat in stand te houden. We moeten de jeugd het idee aandragen, dat ze een steentje moeten bijdragen aan het in stand houden van de voorzieningen. Niet vanwege het geld dat daardoor bespaart wordt, maar als ze dat niet doen is het niet uit te leggen aan de ouderen. Daarvoor een klimaatscheppen en een beroep doen op de jongeren is een kwestie van sociale rechtvaardigheid.
Dan heb ik een vraag. U spreekt erover, dat u niet terug wilt naar de dertiger jaren. En ook niet naar hoe toen het diakona­le werk werd uitgevoerd. Het verschil tussen toen en nu is wel, dat nu een hele reeks voorzieningen is opgebouwd. Dus ook het diakonale werk is niet alleen, ook nog wel maar nietalleen een kwestie van voedsel verstrekken. Mijn praktische vraag is dan toch, wat de diakonie in de huidige omstandighe­den kan doen, zonder weer in die sfeer van de dertiger jaren te geraken.
Dan heb ik nog een vraag in verband met de huursubsidie. Is het niet zo, dat in een groot aantal huurhuizen met een lage huur mensen zitten met een vrij hoog inkomen, die eigenlijk best duurder zouden kunnen wonen, maar die blijven zitten? Die mensen, die een te hoog inkomen hebben, die zouden er eigen­lijk uit moeten, zodat de mensen met een laag inkomen daarvoor in aanmerking komen. Wij zouden bijvoorbeeld een bepaalde categorie jeugdigen geen huursubsidie kunnen geven. Waarom moeten die meteen al 100 of 200 gulden erbij hebben?
Wat betreft het bijwerken (van de echtgenote). Wij hebben als CDA een stelling, die een beetje tegen de tijdgeest ingaat, die inhoudt: voorzover twee mensen achter een huisdeur zitten, is het redelijk, dat je de inkomens van die mensen bij elkaar optelt. Dit doen we om te voorkomen, dat daar waar een normaalinkomen binnenkomt, niet gezegd kan worden: we hebben er ook nog een uitkering bij. De uitkeringen zijn vooral bedoeld voor alleenstaanden en anderen, die niet op een andere manier aan geld kunnen komen. Overigens is het zo, dat we bezig zijn te onderzoeken, in hoeverre de bijverdiensteregeling kan worden opgerekt.(als reaktie op de mevrouw wier zoon de hele zaterdag werkt om 25 gulden te verdienen) Is het niet zo, dat we de kinderen kunnen aanspreken op een bijdrage aan hun ouders? Kinderen zullen ook zelf voor veel dingen moeten zorgen. Natuurlijk is het niet de bedoeling, dat we teruggaan naar de kinderarbeid. Maar we kunnen ons wel afvragen: in hoeverre zijn er voor de kinderen mogelijkheden, een bijdrage te leveren?
Dan nog wat opmerkingen over de kinderen. Uw verhalen hebben mij gestrekt in mijn overtuiging, dat de kinderbijslag niet aangetast mag worden. Daarover is nog een diskussie in het kabinet, waarop ik niet vooruit wil lopen. Wel is het zo, dat bijvoorbeeld als er zes kinderen zijn het wat minder kan, maar dat zijn niet zoveel gezinnen.
(als reaktie op de hoge kosten die schoolreisjes e.d voor de kinderen met zich meebrengen). Is het niet zo, dat voor een deel dergelijke kosten vergoed kunnen worden via de bijzondere bijstand?. We zijn met schoolorganisaties ook bezig om daar aandacht voor te vragen.
Wat de bijzondere bijstand betreft, die niet of te weinig wordt aangevraagd: zit dat in de schroom van de mensen of zit dat in de regeling?
Dan wil ik nog een punt naar voren brengen, nl het pensioen, waarbij dat laatste stukje gaat haperen. Hoe zijn dan uw ervaringen met de personeelschefs in de individuele bedrijven? Er worden toch afvloeiingsregelingen en sociale plannen ge­maakt. De vakbeweging schept ook een beeld, dat dit gebeurt, door allerlei overbruggingsregelingen e.d, terwijl nu blijkt, dat dit onvoldoende lukt. In hoeverre is dit een meer algemeen voorkomend probleem? Als dit vaker voorkomt, kunnen wij dat in ons overleg met CNV en NCW als een algemeen punt van zorg naarvoren brengen. We kunnen hen de vraag stellen: letten jullie wel voldoende op de oudere categorie werknemers? In dit ver­band hoopt Brinkman, dat de vakbeweging ook een beetje bij de ouderen begint te redeneren. Dit moeten wij als algemeen punt in onze kontacten meenemen.
Dan wil ik tenslotte nog een punt naar voren brengen. Iemand die aan het werk gaat, wil er ook op vooruit gaan, en nu is het zo, dat onderin het loongebouw alles in elkaar is gedrukt. Vaak gaan mensen die gaan werken er ten opzichte van hun uitkering helemaal niet op vooruit. Juist om die reden zeggen we, onderin dat loongebouw moeten de uitkeringen en de inko­mens uit werk wat uit elkaar worden getrokken, zodat meer mensen op de arbeidsmarkt komen en ook kunnen doorstromen. Daar zit ook een groot probleem. Nu zijn er mensen die zeggen: nu ben ik aan het ploeteren, en andere mensen via allerlei regelingen hebben net zoveel. Ik probeer niet het verhaaltje te verkopen van: zo zit de wereld in elkaar, daar is niets aan te doen, maar dit zijn toch wel dingen waar we op moeten letten.
Dus er zijn twee punten: ten eerste hoe krijgen we in gesprek met de vakbeweging de ouderen boven tafel, en ten tweede het punt van de kosten die de opvoeding van kinderen met zich meebrengt.
Wij hebben als CDA ervoor gevochten, dat in de nieuwe WAO een systeem zou worden ingevoerd, waarbij mensen naarmate ze een langer arbeidsverleden hebben, ook meer rechten hebben.
Diskussiepunten. Wat betreft de taak van de diakonien: Rene 
bracht naar voren, dat de diakonie van de hervormde kerk een stop op het aantal aanvragen had ingevoerd, vanwege het grote aantal. De laatste jaren deden steeds meer mensen een beroep op de diakonie. Met name ook de groep mensen, die geen dak boven zijn/haar hoofd heeft en in erbarmelijke omstandigheden verkeert, neemt toe. Er zijn mensen, die het zo moeilijk hebben, in een uitzichtloze situatie, dat ze niet meer in staat zijn giroo’tjes in te vullen e.d. Brinkman vroeg zich af, als de verstrekking van bijzondere bijstand aan mensen in (financiele) moeilijkheden in individuele gevallen niet goed functioneert, wat de diakonie kan doen. Hij sprak over een “een -tweetje” tussen de diakonie en de bijzondere bijstand, cqsociale dienst. Wij hebben hem duidelijk gemaakt, dat het in de praktijk niet zo gemakkelijk werkt. De sociale dienstambte­naren zijn (telefonisch) niet of nauwelijks bereikbaar, het is een bureaucratische organisatie, waarin alles is geautomati­seerd en via formulieren loopt, en zodra er bij een client een of andere mutatie is kunnen er grote moeilijkheden ontstaan, tot (onterechte) stopzetting van de uitkering aan toe. Ook verloopt het verstrekken van voorschotten moeizaam, mensen moeten soms zes weken op hun geld wachten, gevallen, waarin de diakonie moet bijspringen. De laatste tijd doen ook steedsmeer mensen een beroep op de diakonie voor spreekuurzaken e.d,omdat er wel een systeem van sociaal raadslieden is, maar daar moet je lang wachten voor je aan de beurt bent, die hebben het zeer druk. Maar dat willen we niet. Er is toch een goede voorziening, de sociaal raadslieden, dat werk willen we niet overnemen. De bijzondere bijstand is vaak geen oplossing. In de eerste plaats is er al een eigen bijdrage van 178,- en als je echt gaat onderzoeken, of je ervoor in aanmerking komt, bijvoorbeeld een wasmachine, dan wordt gezegd: je hebt een paar procent in je uitkering om daarvoor te sparen, dus je komt niet in aanmerking voor vergoeding van duurzame gebruiks­goederen via de bijzondere bijstand, of: er is een voorliggen­de voorziening, die het vergoed, dus doen wij het niet. Ofomgekeerd: er is een voorliggende voorziening bijvoorbeeld het ziekenfonds, die het ook niet vergoed, dus doen wij het ook niet. (dit was de motivatie in amsterdam om de sanering van het gebit uit de bijzondere bijstand te halen).Daarnaast ervaren met name AOW ers het vaak als vernederend,wanneer ze een beroep moeten doen op de bijzondere bijstand.
Eigenlijk zou er een standaard verhuiskostenvergoeding voor bejaarden moeten zijn. Tijdens de diskussie werd naar voren gebracht, dat de sociale dienst zich vaak weinig soepel opstelt, als je in april vraagt om een voorschot op je vakantiegeld, om iets te kopen, kan dit niet.
Wat betreft de huursubsidie werd naar voren gebracht, dat in wijken met huizen die een lage huur hebben er nu al een grote doorstroming is; bovendien is de huursubsidie nu al gebonden aan het inkomen; mensen die veel verdienen krijgen geen huur­subsidie. Je zou dit probleem niet moeten oplossen door te gaan knabbelen aan de huursubsidie, maar door bijvoorbeeld een huurbelasting te gaan invoeren, door op het belastingformulier de vraag op te nemen: hoeveel huur betaalt u?
Verder werd in de diskussie uitgelegd, waarom de baanloze scheepsbouwers niet in aanmerking kwamen voor een goede socia­le regeling. Er was geen geld voor. Toen het laatste bedrijf werd gesloten, was er niets meer. 
P vd L 25-3-1993