Zou Sjoerd ook over dit betaalpasje beginnen?

Kijk, de dagen worden weer korter, het is ’s avonds alweer vroeg donker en binnenkort gaat de wintertijd weer in. Tijd dus om weer gezellig bij het haardvuur te gaan zitten somberen. Berichten genoeg die daarbij behulpzaam kunnen zijn, zoals onderstaand bericht. De algemene wetmatigheid is, dat ergens in een Europees land een ballonnetje wordt opgelaten. Dan denken ze bij de VVD, bijvoorbeeld Sjoerd Potter: hee, dat is een idee, dat moeten we hier ook hebben. Hij denkt dan: ik kom altijd breeduit in de media met dit soort voorstellen. Als ik het morele gedrag van de onderklasse maar aan de kaak stel en vraag om ferme maatregelen. Dus Sjoerd laat ook zo’n ballonnetje op. En dan worden wij door journalisten weer gevraagd: jullie zijn zeker boos over het voorstel he? Nou, en dan duurt het een paar jaar, en dan wordt de maatregel ingevoerd. Deze ontwikkeling opent ongekende nieuwe mogelijkheden. Bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam kan dan zeggen: wij geven alle bijstandsgerechtigden zo’n betaalpas, maar dan mogen ze alleen winkelen bij Dirk van den Broek en niet bij Albert Heyn. Maar, zeggen ze dan tegen Dirk, dan moeten jullie wel de tekorten op onze begroting betalen. Als dan bv Dirk van den Broek de directeur van de sociale dienst en de wethouder ook nog een extraatje geeft, dan is het helemaal rond. Ik zie het helemaal voor me. Om het gebruik van milieuvriendelijk voedsel te bevorderen stel ik voor, dat zo’n betaalpas wordt ingevoerd voor alle inwoners. Je kunt dan alleen winkelen in winkels die milieuvriendelijke producten verkopen. Lijkt me een leuke campagne voor Milieudefensie.


De controlemaatschappij en de neologistieke orde in relatie tot het waardensysteem van het kapitalisme

De oorspronkelijke kapitalistische waarden van omheining, afbakening en toe-eigening (Zie voor uitleg van de begrippen hier) worden uitgewerkt in controlesystemen, standarisering van procedures, rationalisering  en bureacratisering . De ondernemer die bij de processen van toe-eigening op basis van rationalisering en automatisering een concurrentievoordeel ontwikkelt, wordt machtiger en groter en krijgt meer invloed. Dat bedrijf verovert een groter marktaandeel. Alles moet verder meetbaar, kwantificeerbaar zijn. Omdat op die wijze een gemeenschappelijk kenmerk van kwalitatief verschillende goederen en diensten kan worden vastgesteld en ze in geld kunnen worden uitgedrukt. En op die wijze kunnen kwalitatief verschillende goederen worden geruild omdat ze allen in geld worden uitgedrukt. Een van de kenmerken van de ontwikkeling is verder, dat bedrijven onder concurrentieverhoudingen veel investeren in nieuwe technologien en nieuwe manieren van produceren, om zo te proberen te besparen op de factor arbeid. In dit artikel gaan we die organisatorische veranderingen en in samenhang daarmee de technologische veranderingen in de afgelopen jaren behandelen. Joep Schrijvers is andragoloog (veranderdeskundige), en auteur van verschillende boeken. In zijn boek ‘Het wilde vlees. De tomtomisering van de passionele mens’ beschrijft hij hoe onze samenleving een groot logistiek imperium is geworden en de gevolgen daarvan voor het privéleven van mensen.
Hij laat helder zien, hoe de toenemende controle in  de maatschappij op het doen en laten van individuen een proces van  ‘monitoring’ is  dat noodzakelijkerwijs in een productiesysteem hoort, dat zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid wordt toegepast,  en dat kan worden omschreven als een  cyber-regiem van een logistiek imperium, de neo-logistieke orde. Alles wordt opgedeeld in een voorstuwingsproces van productieketens,  en dat proces mag nooit tot stilstand komen.  Ook moeten deze processen voortdurend worden ‘gemonitord’  dwz gecontroleerd en bijgestuurd. Van bewakingscamara’s tot het onderscheppen van email verkeer. Wat betreft het ‘monitoren’ van de mensen op de onderste treden van de sociale ladder wordt een zeer specifieke vorm van monitoren  ingevoerd door de staat, de techniek van het sociale panopticum. Processen van afbakening en toe-eigening en omheining vergen ene voortdurende controle op: dit is van mij, dit is van jouw, hier mag jij komen hier niet, want dat is van een ander.
Dankzij de ontwikkelingen in de moderne technologie, met haar computersystemen, nieuwe vormen van automatisering, de opkomst van internet en de mogelijkheden op afstand productieprocessen te sturen en via de moderne communicatie op elkaar af te stemmen kunnen onderdelen van het productieproces op verschillende plaatsen worden uitgevoerd en toch aan elkaar worden gekoppeld waarbij het totaalproces en haar onderdelen voortdurend wordt gecontroleerd.
Monitoren en gegevensuitwisseling
Met behulp van de moderne technologie kunnen alle bewegingen van mensen in de toekomst worden gevolgd middels een chip in je paspoort, dat iedereen verplicht altijd bij zich moet hebben. Globalisering leidt tot grenzeloze gegevensuitwisseling. Wereldwijd komt alles met elkaar in verband te staan. Het moderne productieproces wordt opgesplitst in deelprocessen die zich over de gehele wereld afspelen. Om dat proces vlot te laten verlopen, moet elk stukje dus gemonitord worden. Alles moet worden gezien, gemeten, geregistreerd en wordt vervolgens aan elkaar gekoppeld. Daarbij staat alles in het kader van veiligheid en efficiency.  Al die controlemomenten en momenten van monitoring zijn ook weer middelen om geld te verdienen. Overal in de productieketens worden tolpoortjes, toegangspoortjes en drempels geplaatst: die maken een onderscheid tussen wie er wel door mag en wie niet. En wie erdoor wil, moet vaak betalen of moet aan bepaalde voorwaarden en/of kenmerken voldoen. Dit proces speelt zich af zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid.
Tomtomisering van de consumenten
Op zijn website zegt Schrijvers: ‘de samenleving is een groot logistiek imperium geworden, dat zelfs haar invloed uitoefent op het privéleven, de dromen en vooral de hartstochten van mensen. Iedereen is gestoord bezig met het rondpompen van geld, goederen, informatie en sperma. Vele passiestrategieën zijn werkzaam om de emoties van mensen op te poken, te dempen of te kanaliseren. Iedereen staat onder controle en toezicht. De ‘tomtomisering’ is definitief doorgedrongen. Mensen moeten nuttig en doelgericht blijven’.   Schrijvers zegt dat in het bedrijfsleven de ‘emonorm’ is ontwikkeld, waarbij er via reclame, manipulatie van informatie, controle en het toedienen van prikkels en straffen naar wordt gestreefd dat bij de consumenten een zodanige onderlinge verhouding tussen de basis-emoties ontstaat dat deze het meest efficient en effectief is voor het productie-systeem. De zes basisemoties zijn angst, walging (afschuw, afkeer), woede (boosheid, agressiviteit), blijdschap (vreugde), verbazing (verrassing) en verdriet (droefheid). Groepen mensen worden vervolgens ingedeeld in ‘consumentenprofielen’ waarop verschillende manipulatietechnieken losgelaten kunnen worden.
monitoringsprocessen
Wat voor gevolgen heeft de neo-logistieke orde voor de burgers? Vele burgers worden soms tot wanhoop gedreven door de vele wachtwoorden, nummers, toegangscodes, pasjes, die ze moeten managen. Monitoringsprocessen vinden niet alleen plaats door middel van nieuwe technieken maar ook door allerlei andere vormen van informatieverzameling volgens traditionele methoden. (Consumenten thuis opbellen) Marketingdeskundigen willen zoveel mogelijk van de consumenten weten. Wat willen ze, hoe zijn ze beinvloedbaar? Reageren ze op bepaalde reclamecampagnes? Waarom wel of waarom niet? Hebben ze klachten over de voortgang van de productie in een van de vele op elkaar afgestemde productieketens? Etc. Daarom worden vele consumenten bijna platgebeld, vooral onder etenstijd, zodat men er zeker van is dat de mensen in het gezin allemaal thuis zijn. De callcenters doen dit in de eerste plaats om wat te verkopen maar het kunnen ook telefoontjes zijn van enquetebureau’s die de mening willen weten. Zo maken deze belsessies deel uit van de monitoringprocessen. Dat mensen daarop geprikkeld of geirriteerd reageren is vaak niet van belang. Het gaat om informatie verzamelen. Het wordt zelfs zo erg, dat de overheid van plan is een wet te maken waarmee dit opbellen van consumenten kan worden ingeperkt.
Uit de dromen van Hoofdcommissaris Welten blijkt echter wel, dat de bestuurders vaak meer willen en dromen van nog uitgebreidere controles, meer dan volgens de actuele stand van de technologie mogelijk is. Men streeft naar een zo totaal mogelijke controle en naar perfectionering van de neo-logistieke orde die Schrijvers beschreven heeft.
Gebrekkig geprivatiseerd controlesysteem
Maar er zijn ook andere gevolgen van de neo-logistieke orde. Schrijvers benadrukt enigszins eenzijdig de nagestreefde perfectie van dit systeem. Ontsnappen is nauwelijks mogelijk. Maar dit logistieke systeem werkt echter allerminst perfect. Zodra in een van de ketens van een productiecyclus een stagnatie optreedt, kan dit grote gevolgen hebben voor grote delen van de samenleving. Die stagnaties treden op door ongelukken, of uitvallen van automatiseringssystemen, menselijke fouten, maar ook moedwillige onverschilligheid of sabotage. Treinen die in een groot gebied niet meer rijden als ergens een spoor tijdelijk geblokkeerd raakt, lange wachttijden bij allerlei instellingen bij stagnatie in een van de ketens, etc. Menselijk gedrag is toch altijd weer onvoorspelbaar en vaak irrationeel.
Maar er is meer. Je zou kunnen zeggen, dat de hierboven beschreven neo-logistieke orde tegenstrijdig is. Aan de ene kant gaat het om nieuwe vormen van samenwerking, taakverdeling en gecontroleerde organisatie van productieketens op basis van de nieuwste technologien. Aan de andere kant gebeurt dit echter in het kader van het kapitalisme. En dat betekent organisatie van de maatschappij op basis van het concurrentieprincipe en de toe-eigening van organisaties en bedrijven op basis van het particulier winstbejag. Mensen moeten met elkaar concurreren om een deel van de koek. Dit betekent dat veel van de hierboven genoemde controlerende instanties zijn geprivatiseerd. Er vormt zich als het ware een uitgebreid netwerk van virtuele private wachttorens die onderling relaties onderhouden, om het voortdurende proces van de productie goederen, diensten en informatie in de productieketens te managen, maar tegelijkertijd zijn die wachttorens ook elkaars concurrenten. Instanties werken elkaar vaak tegen. Tegelijkertijd is het hele controlesysteem een middel om op de markt geld te verdienen. Overal zijn controlepoortjes, fysiek en virtueel, en worden voorwaarden opgesteld, wanneer je bepaalde (virtuele) poorten mag passeren en wanneer niet. Daarbij kan de voorwaarde zijn dat je eerst moet betalen om te kunnen passeren. De onderlinge relaties tussen al die geprivatiseerde instellingen worden steeds ingewikkelder, waarbij allerlei coordinatieproblemen ontstaan, die de toegang tot voorzieningen frustreren.
Allerlei diensten werden in het kader van de neoliberale politiek verzelfstandigd, zoals de spoorwegen, de telecomsector, vervoersbedrijven, in de gezondheidszorg. Privatisering betekent echter niet altijd, dat bedrijven bij de verzelfstandiging volledig privebezit worden en onderworpen zijn aan de wetten van de concurrentie-economie. Om toch nog greep te houden op het doen en laten van dergelijke bedrijven worden op basis van compromispolitiek diensten wel verzelfstandigd, maar blijven ze een monopoliepositie houden, of behoudt de staat de meerderheid in de aandelen. Privatisering betekent ook de oprichting van zelfstandige bestuursinstellingen ‘op afstand’ die niet meer onder de directe controle vallen van de gekozen bestuurders en die middels budgetteringstechnieken alleen verantwoording hoeven af te leggen over de financiële aspecten van hun werkzaamheden, niet over hoe zij de dienst die zij verrichten organiseren. Vaak krijgen deze bestuursinstellingen ‘op afstand’ de bevoegdheid mee, heffingen op te leggen aan de burgers, meer in zijn algemeenheid is er in de Europese staten een verschuiving van directe belastingen naar indirecte belastingen. Er zijn in zijn algemeenheid steeds verder vervagende grenzen tussen publiek en privaat. Aansluitend op wat gezegd werd over de bestuursinstellingen op afstand zijn de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en werkwijze tussen markt en privebezit enerzijds en staat anderzijds in de praktijk nauwelijks meer te ontdekken of nauw met elkaar vervlochten.
Twintig jaar geleden al werd een rapport door de Algemene Rekenkamer gepubliceerd, waarin getracht werd deze vervlochtenheid in kaart te brengen.  Ten aanzien van vele beleidsterreinen is het onderscheid nauwelijks meer te maken en uit het rapport van de Rekenkamer bleek, dat dergelijke instellingen nauwelijks verantwoording hoeven af te leggen aan de gekozen bestuurders. Zo is een particuliere garage, die auto’s verkoopt en repareert en daarop winst maakt als particuliere onderneming, tevens uitvoerder van APK keuringen, door de staat ingesteld om te voorkomen dat er gevaarlijk slechte auto’s op de weg rijden. Voorzover die garages zich met APK keuringen bezig houden is de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing, de wet die ingesteld is om het voor de gewone burger mogelijk te maken bij de rechter te protesteren tegen besluiten van de overheid.
Sindsdien is de vervlechting van markt en staat alleen maar toegenomen. De vervlechting betekent, dat er juist steeds ingewikkelder regels komen om de verhoudingen te regelen, maar ook dat  er steeds meer juridische conflicten voorkomen bij de onoverzichtelijke situaties die ontstaan. Het wordt ook door de desocialisatie van de arbeid steeds moeilijker  als consument of als klant eventuele meningsverschillen met een instantie te regelen, omdat het sociaal kapitaal uit organisaties verdwijnt. Er zijn te weinig ervaren medewerkers over waarmee je bij knelpunten in contact kunt treden.  Deze twee oorzaken- de steeds ingewikkelder verhouding tussen instanties en het verdwijnen van sociaal kapitaal in die organisaties leidt ertoe, dat alleen de formele juridische weg- bezwaarschrift en beroepsprocedures kan worden bewandeld. Het aantal advocaten in Amsterdam is het drievoudige van tien jaar geleden.

Er ontstaan duizenden instellingen en organisaties, die deels privaat zijn en deels een publieke taak uitvoeren. Het kapitalisme heeft sowieso als kenmerk, dat een minderheid besluit over de aanwending van de productiemiddelen. Deze vervlechting van markt en staat en de onderwerping aan de wetten van de markt betekent, dat deze omstandigheid wordt uitgebreid en dat de weg voor de burger invloed uit te oefenen wordt verminderd. De oprichting van zogenoemde zelfstandige bestuursinstellingen leidt tot een afbrokkeling van de democratie. Deze instellingen vallen niet meer onder de directe controle van de gekozen organen. Ze hoeven alleen verantwoording af te leggen over de financiële aspecten van hun werkzaamheden, niet over hoe zij de dienst die zij verrichten organiseren. Vaak krijgen deze bestuursinstellingen ‘op afstand’ vergaande bevoegdheden en kunnen ze bijvoord heffingen of andere sancties opleggen aan burgers. Zo vervagen de grenzen tussen het publieke en private terrein. Zo ontstaan er duizenden instellingen en organisaties, die deels privaat zijn en deels een publieke taak uitvoeren. Deze vervlechting maakt dat er steeds meer en ingewikkelder regels komen om de verhoudingen en bevoegdheden te regelen. Belangentegenstellingen worden steeds meer juridische conflicten. Sociale tegenstellingen worden steeds minder in de politieke of maatschappelijke arena uitgevochten en steeds meer in de rechtzaal. De weg voor groepen burgers om op basis van zelforganisatie en sociale strijd voor hun belangen op te komen wordt steeds moeilijker.

De techniek van het sociaal panopticum

Let op! Bij de analyse van de toepassing van het sociaal panopticum op bijstandsgerechtigden in Amsterdam wordt wat betreft de maatregelen uitgegaan van de situatie in 2010. Regelingen wijzigen zich voortdurend.
Sociologen gebruiken voor de beschrijving van de ontwikkelingen in de moderne controlemaatschappij wel de metafoor van het sociale panopticum. Dit is een voortdurende controle op het doen en laten van specifieke groepen in de maatschappij middels moderne technieken (bewakingscamera’s, koppeling van databanken, registratie van individuele kenmerken middels vingerafdrukken, etc) maar ook door controle van organisaties met een stoet van bewakers in dienst, zoals conducteurs, stadswachten, buurtvaders, etc. De mensen  moeten daarbij het gevoel krijgen, dat ze voortdurend worden waargenomen en dat door de autoriteiten als afwijkend gedefinieerd gedrag zal worden bestraft. Dit wordt gecombineerd met een ideologisch offensief dat de ontwikkeling en invoering van het panopticum moet rechtvaardigen en dat leidt tot illegalisering en criminalisering van gedrag dat de bedoeling heeft aan het panopticum te ontsnappen of om vorm te geven aan het samenleven van mensen buiten de principes van de kapitalistische markteconomie om. Dit geillegaliseerde en gecriminaliseerde gedrag wordt vervolgens streng bestraft.
Soms worden in dit verband bizarre voorstellen gedaan. Zo stelde de hoofdcommissaris van politie van het corps Amsterdam-Amstelland, de heer Welten het volgende voor. Hij droomt van een systeem van virtuele stadsmuren rond Amsterdam naar analogie van de muren rond een middeleeuwse stad. Zo’n middeleeuwse stad bepaalde via de bewaking bij haar toegangspoorten wie wel naar binnen mocht en wie niet. Iedereen werd gecontroleerd. Alleen de burgers, de poorters van de stad hadden volledige burgerrechten. Anderen- inwoners van de stad die geen burgerrechten hadden gekocht en mensen van buiten de stad- hadden minder rechten. Zij mochten de stad of niet betreden of moesten zich aan bepaalde voorschriften houden die niet voor anderen golden. Hoofdcommissaris Welten wil nu weer zo’ n systeem invoeren. De virtuele stadsmuur rond Amsterdam. Iedereen die via een van de toegangswegen de stad binnen wil, wordt via electronische controlepoorten gescand middels de chip in je paspoort of andere middelen, zoals de controle van auto’s. Wie in een databank geregistreerd staat als ongewenst, omdat hij/zij geen verblijfsvergunning heeft, geregistreerd staat als crimineel of andere redenen, komt de stad niet binnen. Dit opent ongekende mogelijkheden. Je kunt dan bijvoorbeeld ook mensen de stad uitwijzen en controleren of ze toch niet weer binnen proberen te komen.
De techniek van het sociale panopticum werd voor het eerst aan het einde van de 18e eeuw door Jeremy Bentham geintroduceerd.
Bentham ontwierp een systeem van inspectiehuizen die voor bewakingsdoeleinden (surveillance) doelen gebruikt kunnen worden in publieke instituties als gevangenissen, asylcentra, werkhuizen, etc. Het panopticum was een circkelvormig geheel van open cellen, gebouwd rond een centraal in het midden van de cirkel staande inspectie toren, als gevolg waarvan zowel de bewaker of inspecteur en de ‘klanten’ of de werklui of gevangenen op basis van surveillance van de bewakers constant onder toezicht stonden en waargenomen konden worden. Michel Foucault heeft de toepassing van deze principes als sociale techniek behandeld in zijn boek ‘misdaad en straf’. Hij beschrijft het panopticum als een hulpmiddel van de macht door de constante zichtbaarheid van de bewaakten. Omdat in het systeem de bewoners, gevangenen of werklui zich er altijd van bewust zijn dat ze zichtbaar zijn, bracht Foucoult naar voren, dat een automatisch functioneren van de macht was verzekerd. Als gevolg van constante bewaking en de surveillance van de bewakers  raken individuen verstrikt in een onpersoonlijke machtsrelatie (met de abstracte institutie) die tegelijkertijd de machtsrelatie zelf niet-individueel maakt en die tegelijkertijd degenen, die aan het sociale panopticum zijn onderworpen individualiseert en losmaakt van collectieve verbanden.  Foucault zag deze techniek als een essentiele ontwikkeling bij de toenemende controle, hierarchisering, disciplinering en classificatie van mensen in de moderne maatschappij, door middel waarvan het gedrag van individuen voortdurend gereguleerd en gecontroleerd wordt door onpersoonlijke instituties.
Belangrijk bij het functioneren van het sociale panopticum is, dat de mensen die bewaakt worden niet voortdurend in de gaten hoeven te worden gehouden. Zij hoeven alleen maar het gevoel te hebben, dat dit wel zo is, dat ze op ieder moment ineens kunnen worden waargenomen.
Praktijkervaringen met de toepassing van de sociale techniek van het panopticum
De Bijstandsbond is een organisatie van uitkeringsgerechtigden en andere mensen met een minimuminkomen in Amsterdam. De organisatie houdt een spreekuur in samenwerking met een advocatenkantoor. Op het spreekuur komen voornamelijk bijstandsgerechtigden, mensen die vaak in armoede leven, en op wie de sociale techniek van het panopticum vanuit voornamelijk de Dienst Werk en Inkomen (voorheen de sociale dienst) wordt toegepast. Zo zou je althans in mijn ogen het stelsel van maatregelen, dat op de bijstandsgerechtigden in Amsterdam van toepassing is kunnen noemen.
Wie een uitkering aanvraagt, krijgt een huisbezoek. Daarbij moet zowel vrijwel de gehele administratie als de leefomstandigheden zichtbaar gemaakt worden. Ook mensen die al een uitkering hebben kunnen eventueel een huisbezoek verwachten. Daarnaast moet maandelijks een werkbriefje ingevuld worden, waarmee wijzigingen in de leefomstandigheden moeten worden aangegeven, je moet zo’n briefje ook invullen als er niets gewijzigd is. Verder zijn er routinematig de periodieke heronderzoeken, waarbij alle prive-gegevens over leefomstandigheden, bankrekeningen, uitgavenpatroon, sociale relaties, eventueel vrijwilligerswerk, etc, steeds opnieuw op tafel gelegd ‘zichtbaar’gemaakt moeten worden. Verder wordt iedereen die zegt niet te kunnen werken wegens arbeidsongeschiktheid onderworpen aan een keuring. Daarnaast worden mensen, die nu niet geschikt zijn voor de arbeidsmarkt maar dat in de toekomst wel zouden kunnen zijn, onderworpen aan allerlei vormen van trajectbegeleiding middels vaak particuliere reintegratieinstituten. De controle van bijstandsgerechtigden wordt verder uitgebreid met registraties in en koppeling van gigantische databestanden.
Mensen zijn zich er over het algemeen zeer van bewust dat ze voortdurend worden waargenomen, dat ze voortdurend ‘zichtbaar’zijn. Wat dit betreft klopt de waarneming van Foucoult, dat zij het symbool van de anonieme macht, de sociale dienst, in Amsterdam de DWI altijd in hun gedachten hebben, dat zij vanuit zichzelf vanwege die constante zichtbaarheid, of beter gezegd je kunt ieder ogenblik volledig zichtbaar gemaakt worden met je priveleven, iedere dag wel aan de sociale dienst denken. Dat men in werkelijkheid weinig werkelijk contact heeft met die dienst is daarbij niet van belang. Ook veel uitkeringsgerechtigden die maar eens in het half jaar een her controle hebben en voor de rest met rust worden gelaten, denken vaak iedere dag aan de sociale dienst. Men ‘verinnerlijkt’ de anonieme macht van de sociale dienst. Bij de gedachtengangen die uitkeringsgerechtigden dan hebben gaat het dan voortdurend over de grenzen van de sociale techniek van het panopticum die op hen wordt toegepast. Mag je een huisbezoek weigeren? Moet ik echt alle giroafschriften van de laatste drie maanden laten zien, moet ik de originelen laten zien, mag ik uitgaven voor de boodschappen en zo ook afplakken en dan een kopie maken, want met mijn dagelijks leven hebben ze niets te maken? Is een medische keuring verplicht? De arbeidsbemiddelaar heeft mij een aanbod gedaan voor bemiddeling. Mag ik dan weigeren? Wat kan ik verwachten als ik op gesprek ga bij de Dienst Werk en Inkomen en wat niet? Etc.
Angst voor de anonieme macht van de sociale dienst speelt een belangrijke rol. Klanten malen door  hierover en vermengen dit met fantasien over hoe aan het sociale panopticum te ontsnappen. De mensen definieren hun situatie in dit verband, en schatten wat dit betreft hun eigen mogelijkheden en onmogelijkheden in. Sommige mensen definieren zich als ziek  Ik kan er niet meer tegen, ik kan die druk niet hebben ik denk er voortdurend aan, wat kan ik doen om met rust gelaten te worden? Weer anderen willen dit helemaal juist niet. Zij denken aan andere ontsnappingsmogelijkheden zoals illegale activiteiten. Of betaald werk zoeken als dat mogelijk is. Wat ook benadrukt wordt in de gesprekken met mensen op de Bijstandsbond is de absurditeit van de techniek van het sociale panopticum. Mensen zijn zich op het uitvoeringsniveau vaak scherp bewust van de tegenstrijdigheden in het systeem. Dit is verbonden met een maatschappijkritiek waarbij voortdurend onder elkaar op berichten in de pers van uitspraken van politici wordt gereageerd, zonder dat het van daaruit tot een politiek handelen komt.
Deze mensen komen op het spreekuur van de Bijstandsbond, waar de vrijwilligers en de advocaat zich namens de individuele spreekuurbezoekers bezighouden met onderhandelingen met de bewakers die de techniek van het sociale panopticum toepassen over de grenzen ervan in individuele situaties. En soms, wanneer vanuit ‘humane’ overwegingen de toepassing van de techniek echt absurd is, wordt een bepaalde regeling in de publiciteit gebracht of wordt op een hoger niveau met bewakers onderhandeld over wijziging van een regeling. Wij geven een signaal af: jullie gaan te ver, de regeling wordt dan teruggedraaid of versoepeld. Dit doet echter niets af aan het feit, dat de techniek van het sociale panopticum steeds verder wordt uitgebreid en op steeds meer levensterreinen betrekking heeft. 
Bij de onderhandelingen over de grenzen van het sociale panopticum (hoe totaal mag de techniek worden toegepast?) gaat het enerzijds om een juridisering en anderzijds om een medicalisering van de onderhandelingen. De ontsnappingsroute van de medicalisering. Mensen doen steeds meer een beroep op ‘ziektewinst’ waarbij de maatschappelijke autoriteit van medici gebruikt wordt om aan het sociale panopticum te ontsnappen.
Er mogen dan voordturend onderhandelingen zijn over de grenzen van het panopticum, hoe uitgebreid en totaal het mag zijn en op wie het van toepassing is, feit is dat de bewakers erop uit zijn de techniek steeds verder te vervolmaken en uit te breiden. De zichtbaarheid van zowel bewakers als degenen die bewaakt worden moet worden vervolmaakt. Daarom worden ook steeds meer instanties bij de toepassing van de techniek van het sociale panopticum betrokken.
De toonkamer
De meest recente ontwikkelingen in Amsterdam: werklozen in het stadsdeel Zuidoost kunnen voor het zoeken naar banen en het aanvragen van een uitkering bij één ambtenaar terecht. Daar kunnen voortaan alle klanten van CWI (het voormalige arbeidsbureau), DWI (de vroegere sociale dienst) en het UWV (voor bijzondere uitkeringen) terecht. Ook voor cursussen, voor psychische en medische hulp en dergelijke kunnen klanten zich hier melden
Ze komen terecht bij hun eigen klantenregisseur, één ambtenaar die optreedt namens al deze sociale instellingen. Bij het loket kan de klantenregisseur de werklozen veel sneller dan voorheen door de ambtelijke molen halen. Een kennismakingsgesprek met een klant leidt tot een dossier in de computer, waar de ambtenaren van CWI, DWI en UWV tegelijkertijd toegang toe hebben. We hebben hiervoor al opgemerkt, dat essentieel voor de toepassing van de sociale techniek van het panopticum de zichtbaarheid van zowel de bewakers als degenen die worden bewaakt is. Dit nieuwe loket wordt dan ook heel toepasselijk  ‘de toonkamer’genoemd. Hier leiden tevredenheidsonderzoeken tot de conclusie, dat iedereen tevreden is. De eerste indruk is dat de klanten erg blij zijn met de nieuwe manier waarop ze worden begeleid. Negentig procent van hen zegt tevreden te zijn, aldus de toonkamer na een eigen onderzoek. Omdat de uitkomst positief is, kan de toonkamer nu in de rest van de stad worden ingevoerd.
Via het in de computer bijgehouden ‘klantvolgsysteem’  kan met een druk op de knop de stand van zaken worden bekeken. Een van de bewakers van de toonkamer zegt: ”Dan ziet de ambtenaar bijvoorbeeld dat een klant aan het solliciteren is. Een sms-je met de tekst ‘Zet hem op, je kunt het best’  kan hij met de computer versturen. Dat sms-je blijft in de computer geregistreerd staan, zodat we later kunnen zien of we de klanten wel genoeg geholpen en gestimuleerd hebben.’ Tenslotte, zo voeg ik eraan toe, is bij de techniek van het sociale panopticum ook de zichtbaarheid van de bewakers, of het gevoel ieder ogenblik zichtbaar gemaakt te kunnen worden, belangrijk
De toepassing van de techniek van het sociale panopticum als totale controle van het doen en laten van bijstandsgerechtigden is slechts een van de voorbeelden. We zien in de maaatschappij steeds meer vormen van deze controle, van de constante zichtbaarheid van de burgers, verschijnen. Bewakingscamera’s op straat, identificatieplicht, etc. Maar ook particuliere systemen als air-miles, etc. Nieuwste mogelijkheid zijn de technieken die toegepast gaan worden bij het rekeningrijden. Daarbij wordt geregistreerd hoe vaak je in je auto rijdt, waar de auto zich bevindt, hoelang ermee gereden is en welke routes zijn afgelegd. Dit is bedoeld om te bepalen hoeveel voor het rekeningrijden betaald moet worden, maar het CDA wil dat deze gegevens ook voor derden beschikbaar komen. Winkels, die registreren hoe vaak je in je auto langs de winkel rijdt, etc. Wat dit betreft sluit het mooi aan op de analyse van Schrijvers over de neo-logistieke orde. Alles moet voortdurend worden gemonitord, gecontroleerd en consumenten moeten voortdurend worden bevraagd over hun koopgedrag en hun voorkeuren, terwijl allerlei registratiesytemen het gedrag van de consument nauwkeurig meten.




Enkele opmerkingen over de economische crisis, de controlemaatschappij en het verzet ertegen

Je zou kunnen stellen dat we in een doorgeschoten controlemaatschappij leven. Koppelingen van databanken, uitbreiding van het politieapparaat, uitdijende gevangenissen en een zwerm van controleurs moet de burgers in het gareel houden. De bevoegdheden van al die instanties worden steeds meer uitgebreid. Onaangekondigde Huisbezoeken waarbij het recht op huisvrede wordt omzeild bij bejaarden en bijstandsgerechtigden, opname van hele huisgezinnen in een strak begeleidingsprogramma en geavanceerde signaleringstechnieken moeten gedetailleerde informatie verschaffen over wat de mensen doen en hoe ze leven. Het controlesysteem moet de mensen in het gareel houden, waarbij stigmatisering van bepaalde bevolkingsgroepen onvermijdelijk lijkt te zijn. Criminologen tonen keer op keer aan, dat in feite de criminaliteit en fraude niet is toegenomen en dat het gevoerde beleid ineffectief is. Maar men gaat door op de oude voet.
Sociologen gebruiken voor de beschrijving van de ontwikkelingen in de moderne controlemaatschappij wel de metafoor van het sociale panopticum. Dit is een voortdurende controle op het doen en laten van specifieke groepen in de maatschappij middels zoals hierboven reeds gezegd moderne technieken (bewakingscamera’s, koppeling van databanken, registratie van individuele kenmerken middels vingerafdrukken, etc). Dit wordt aangevuld met controle door allerlei overheids- en particuliere organisaties met een stoet van bewakers in dienst, zoals conducteurs, stadswachten en buurtvaders. De mensen moeten daarbij het gevoel krijgen, dat ze voortdurend worden waargenomen en dat door de autoriteiten als afwijkend gedefinieerd gedrag zal worden bestraft. Dit wordt gecombineerd met een ideologisch offensief dat de ontwikkeling en invoering van het panopticum moet rechtvaardigen. Men streeft naar illegalisering en criminalisering van gedrag dat de bedoeling heeft aan het panopticum te ontsnappen of om vorm te geven aan het samenleven van mensen buiten de principes van de kapitalistische markteconomie om. Dit geillegaliseerde en gecriminaliseerde gedrag wordt vervolgens streng bestraft.
Neoliberalisme
De doorgeschoten controlemaatschappij is opgekomen met de invoering van de neo-liberale politiek, gekenmerkt door rigoureuze invoering van het marktdenken in alle sectoren van de maatschappij. Dit marktdenken ging gepaard met een afbraak van de oude welvaartsstaat en bezuinigingen. Men kan deze neo-liberale politiek zien als een antwoord op de neergaande conjunctuur sinds midden jaren zeventig van de 20e eeuw. Een van de uitgangspunten die in de neo-liberale politiek opgeld doet is dat ieder individu op de markt zijn of haar eigenbelang moet nastreven. Het marktmechanisme zal de welvaart en het welzijn van iedereen het grootst maken. Dit geldt voor de mondige consument, die de stroom informatie met keuzemogelijkheden die op hem afkomt efficiënt kan managen en de meest rationele keuzes maken. Dit geldt voor de arbeidskracht, die zich op de flexibele arbeidsmarkt als de verkoper van het product arbeidskracht opstelt. Het individu dient zich te gedragen als ‘homo economicus’ die efficiënt reageert op prikkels (sancties en beloningen) van buiten. Het marktmechanisme regelt de organisatie van de productie, de verdeling van goederen en de inrichting van de maatschappij.
Qua uitgangspunt wil het principe van de homo-economicus echter twee tegenstrijdige dingen verenigen. Enerzijds moeten mensen zich gedragen als een individuele ondernemer of mondige consument die op de markt in een verder organisatorisch voor hem of haar ongestructureerde omgeving zelfstandig als ‘vrij’ individu zijn bestaan organiseert. Maar sommige mensen gaan in een ongestructureerde omgeving ‘doelloos rondzwemmen’ of  hun handelen blokkerende redeneringen opzetten, of de verkeerde organisatorische argumenten gebruiken. Voorzover ze deelnemen aan organisatorische en sociale verbanden zien ze zichzelf vaak als te belangrijk en zijn ze bang dat ze zelf uit beeld verdwijnen. Sommigen streven ernaar een eigen winkeltje op te zetten en niet samen te werken met anderen die hetzelfde doen. En ze anticiperen niet op mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Dit waren eigenschappen die sommige mensen altijd al hadden, maar de neo-liberale politiek heeft dit verergerd. Door de privatiseringen van allerlei hulpverleningsinstanties, particuliere verzekeringen en het verdwijnen van sociale verbanden gebaseerd op solidariteit komt een stroom informatie op het individu af van allerlei elkaar beconcurrerende instellingen. Daarbij moet men steeds opnieuw keuzes maken en een steeds uitgebreidere administratie bijhouden. Sommige mensen lukt dat niet. En soms is het ook niet te doen. Burgers hebben in strijd daarmee vaak van jongsaf op school geleerd te werken aan een omschreven deeltaak in een organisatie op basis van discipline van buitenaf. In dit verband wordt de maatschappij steeds tegenstrijdiger, want aan de ene kant wordt die discipline nog steeds gevraagd, doen wat je baas zegt, en zijn woorden voor zoete koek slikken, in een gestructureerde omgeving. Anderzijds betekent een flexibele arbeidsmarkt en de projectmatige en tijdelijke opzet van allerlei projecten waarin je tijdelijk kunt meedraaien dat je vanuit jezelf geredeneerd, in een ongestructureerde omgeving, ‘de maatschappij’, je eigen bestaan moet organiseren. Daarbij moet je de informatie die verkopers of anderen ter beschikking stellen in twijfel trekken en dus niet voor zoete koek slikken. Daarom zijn de work first projecten en andere disciplineringtrajecten ook zo verkeerd. Mensen leren daar de verkeerde dingen. Ze leren discipline, van buitenaf opgelegd, en gehoorzamen daaraan, verrichten op vaste tijden eenvoudige routinearbeid. Maar die discipline komt niet uit henzelf, ze leren niet hoe op een flexibele arbeidsmarkt die veel onzekerheid met zich meebrengt hun eigen bestaan in vrijheid te organiseren, met alle kennis en vaardigheden -ook van je eigen functioneren- die daarbij behoren. Daarom werken die projecten ook niet.
Nieuw revolutionair subject?
De vraag is, of vanuit de bovenomschreven tegenstrijdigheid de mensen die als vrije ZZP-ers of flexibele ondernemers en free-lancers in de soms kunstzinnige (media) sector opereren kunnen worden gezien als een betrekkelijk nieuw revolutionair subject dat rebelleert tegen de disciplinerende controlemaatschappij. Daarbij bronnen aanborend en benuttend die- bij solidarisering met uitgeslotenen- de mogelijkheid bieden voor massaal verzet. Ik denk van niet. Het grote probleem waar we voor staan is daarmee niet opgelost. Dit probleem is de blokkade van het handelen in sociale verbanden en collectieven vanuit bepaalde kritische opvattingen over de maatschappij. Ik kom daar nog op terug. Verschillende onderzoekers hebben in de huidige ontwikkelingen- de herstructurering van sociale relaties- de opkomst van nieuwe revolutionaire subjecten gezien. Hardt en Negri hebben betoogd, dat ‘immateriële arbeid’ steeds belangrijker wordt en zij ontwikkelden het concept van de ‘multitude’ waarbij de strijd niet meer zou gaan tussen kapitaal en arbeid maar tussen ingeslotenen en uitgeslotenen. Het zou te ver voeren, hier in te gaan op de discussies die het afgelopen decennium gevoerd zijn rond de begrippen ‘multitude’ of  ‘arbeidersklasse’ in vaak theoretisch ingewikkelde boeken voor een kleine minderheid.
Het gaat mij in dit discussiestuk om pragmatische argumenten geredeneerd vanuit de praktijk die de huidige blokkade tussen opvattingen (waarden) en actief handelen in sociale verbanden kunnen doorbreken. Daarbij zijn processen van insluiting en uitsluiting in mijn ogen nauw verbonden met de ontwikkeling van het kapitalisme.
Gemeenschapsdenken in sociale verbanden op basis van solidariteit
De innerlijke tegenstrijdigheid tussen gedisciplineerde ondergeschikte enerzijds en vrije mondige burger anderzijds is slechts oplosbaar door vormen van gemeenschapsdenken in de organisatie van de maatschappij waarin solidariteit tussen mensen de basis is voor overleg en samenwerking. Daarbij kunnen mensen door uitwisseling van niet-commerciële informatie en onderlinge taakverdeling bewust afwegen wat de gevolgen zijn van individuele keuzen voor de gemeenschap als geheel. Het welbegrepen eigenbelang moet soms opzij geschoven worden voor het groepsbelang en bewuste democratische keuzen van de groep bepalen dan wat geproduceerd of gedaan wordt. Het marktmechanisme speelt daarbij een ondergeschikte of geen rol. In feite proberen mensen dit voortdurend te realiseren ondanks de bovengenoemde moeilijkheden die ze daarbij ten aanzien van hun eigen functioneren en dat van anderen tegenkomen. Voortdurend proberen mensen gemeenschappen en groepen te vormen op basis van normen en waarden die afwijken van het marktdenken om een antwoord te geven op de innerlijke tegenstrijdigheden van dat markt denken in het kapitalisme. En voortdurend pogen overheden en ondernemers vanuit dat kapitalisme aanpassingen tot stand te brengen aan dit marktdenken. Voor wie er oog voor heeft zie je in dit opzicht voortdurend botsingen en spanningen op vele sociale niveaus. In feite is de doorgeschoten controlemaatschappij een methode om deze spanningen te managen en te beheersen en mensen ertoe te brengen zich als ‘homo economicus’ te gedragen. Verschillende sociale verbanden, organisaties en gemeenschappen worden daarbij niet gesteund of tegengewerkt of onschadelijk gemaakt. Met name gaat het daarbij om groepen waarbij een fundamentele kritiek op het kapitalisme of uitwassen daarvan wordt geformuleerd en waarbij die gemeenschappen dienen om verzet te organiseren en de innerlijke tegenstrijdigheden te politiseren. Andere sociale en organisatorische verbanden worden geïncorporeerd in het kapitalisme door middel van ‘governance’. Op dit begrip kom ik nog terug. De controlemaatschappij in het kapitalisme met de van buitenaf opgelegde discipline waaraan men moet gehoorzamen, reproduceert echter de tegenstrijdigheid in de benadering van het menselijk gedrag.
Structurering van sociale relaties in het neoliberalisme
De bovengenoemde ontwikkeling heeft de sociale relaties tussen mensen op een ingrijpende manier geherstructureerd. Het zou te vervoeren al de kenmerken daarvan te noemen.
Enkele punten wil ik naar voren brengen.
  1. Vaak zijn traditionele gemeenschappen met niet op marktdenken gebaseerde waarden en normen uit elkaar gevallen, zoals familie en buurtverbanden. Dat is een proces dat al bij de ontzuiling van Nederland is ingezet en een gevolg van moderniseringen, die niet alleen aan de ontwikkeling van het neoliberalisme zijn toe te schrijven. Tegelijkertijd moet worden gezegd dat veel van deze traditionele verbanden nog steeds springlevend zijn, denk maar aan de ‘bible-belt’. We zien echter in de jaren zestig, zeventig en tachtig nieuwe sociale bewegingen opgekomen, naast een hernieuwde bloei van de arbeidersbeweging, waarbij op basis van solidariteit tussen mensen burgers zichzelf politiek organiseerden en vanuit eigen organisaties hun emancipatie nastreefden. Met het naar voren komen van het geatomiseerde, mondige individu in het neoliberalisme zijn ook deze sociale bewegingen nagenoeg verdwenen. Daarvoor in de plaats kwam de politiek van ‘governance’. Staten en grote bedrijven zochten overleg met NGO’s die vaak wel ontstaan zijn in sociale bewegingen van onderop, maar die zich ontwikkeld hebben tot door machtige instituties en staten gesubsidieerde instellingen, waarbij de legitimatie voor hun optreden niet meer voortkomt uit het actieve optreden van de leden. De leden zijn in plaats van actieve burgers die hun emancipatiedrang politiseren passieve consumenten geworden, die deelnemen aan van bovenaf opgezette zwaar gesubsidieerde projecten. Ook de vakbeweging gaat in feite de kant op van een consumentenorganisatie op basis van ‘governance’.
  2. In het neoliberalisme waarbij de onderlinge concurrentie tussen individuen wordt bevorderd zijn er winnaars en verliezers; wie de ratrace om de schaarse hulpbronnen en bij grote massawerkloosheid de race om de schaarse banen niet kan volhouden komt terecht in de uitzichtloze positie van een onderklasse. Daarbij speelt etnisering van de achtergestelden een rol. Hierdoor zijn nieuwe tegenstellingen ontstaan tussen middengroepen die tijdelijk geprofiteerd hebben van het casinokapitalisme en degenen, die daar niet van geprofiteerd hebben. Deze tegenstellingen zijn geglobaliseerd. Niet alleen komen ze voor in 1 land, maar ze zijn wereldwijd. In feite stonden de architecten van de neo-liberale politiek voor de vraag: hoe de lonen te bevriezen, loonkosten te drukken, bezuinigen op uitkeringen te realiseren en toch in de westerse landen de voorwaarden voor de reproductie van de arbeidskrachten in stand te houden en het verzet te kanaliseren. Dit is gebeurt door de nieuwe internationale arbeidsverdeling: productie van massagoederen werd verplaatst naar lage lonen landen door het openbreken van markten in de derde wereld en structurele aanpassingsprogramma’s waardoor massagoederen werden geproduceerd die de arbeiders in het westen goedkoop konden aanschaffen. Bij de verlaging of het achterblijven van hun koopkracht kon de financiering van hun consumptie worden gerealiseerd door de ontwikkeling van een schuldeneconomie. Mensen konden in het casinokapitalisme lange tijd geld lenen (met bijvoorbeeld de waarde of overwaarde van hun huis als onderpand en voor de gepensioneerden de waarde van de aandelen waarin de pensioenfondsen belegden). Met dat geleende geld kon de consumptie op peil blijven. Het is overigens voor mij de vraag of dit wel een van te voren opgezet plan is. Het is meer een gevolg van trial and error in de ontwikkeling waarbij men al experimenterend in een bepaalde richting probeerde te werken.
  3. Met de opkomst van de controlemaatschappij zijn op vele terreinen de mogelijkheden voor de burger om invloed uit te oefenen ingeperkt. De bewegingsvrijheid om het eigen leven, de eigen baan of het eigen gedrag naar eigen keuzen vorm te geven is afgenomen. Dit geldt ook voor de mensen die betaald werk hebben. De sociale relaties in bedrijven zijn sterk veranderd. Er is niet alleen een flexibilisering van de arbeidsmarkt, waarbij verschillen ontstaan tussen kernarbeiders in vaste dienst en flexibele uitzendkrachten zonder binding aan het bedrijf. Bedrijven hebben de commandostructuren anders gereorganiseerd. Door de groei van de communicatietechnologie kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de bureaucratische hiërarchieën zoals de administratieve of productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen. Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven aan het werk dat ze doen. De ruimte om in organisaties een eigen invulling te geven aan je baan en de taken daarbij wordt geminimaliseerd. Automatisering leidde ertoe, dat de bureaucratische piramides in organisaties ingrijpend veranderden. De basis van de piramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel bij handarbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door innovaties als barcodelezers, stemherkenningtechnologie en micromachines die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse landen een permanente, structurele werkloosheid heerst. De flexibilisering van de arbeid en allerlei organisatorische veranderingen leiden tot wat Wacquant noemt de ‘sluipende desocialisatie’ van de arbeid. In de bureaucratische productiestructuren die tot de zeventiger jaren overheersend waren hadden mensen voor langere tijd een vaste functie, waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap over de inrichting van hun werk. Ze waren trots op de organisatie waar ze werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen. Richard Sennett wijst ook op de desocialisatie van de arbeid. Het ‘sociaal kapitaal’ verdwijnt uit de productieorganisaties. De voortdurende organisatorische veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder werknemers en verzwakking van de institutionele kennis. 
  4. De ontwikkelingen onder punt 3 hebben grote gevolgen voor de relaties tussen de gemiddelde burger cq consument en die organisaties. Als je een (administratief) probleem hebt, krijg je iemand van een call-center aan de telefoon, of directe medewerkers van de organisatie, die alleen antwoord kunnen geven op een beperkte set van te voren opgestelde standaardvragen. In het verleden konden professionele hulpverleners van mensen met problemen in de bureaucratieën een sociaal netwerk opbouwen van contacten met functionarissen, die er al jaren werkten, die een grote kennis hadden van de besluitvormingsprocedures in de organisatie en die ook antwoord konden geven op meer specifieke vragen. Dit bevorderde, dat mensen toch uiteindelijk hun rechten konden effectueren via overleg. Deze situaties zijn in de flexibele productieorganisaties steeds minder te vinden waardoor het voor mensen met problemen en hun hulpverleners steeds moeilijker wordt tot een oplossing te komen. In het verlengde hiervan ligt weer, dat burgers noodgedwongen in plaats van via overleg met een instantie tot een oplossing te komen steeds meer een beroep moeten doen op de rechter om hun gelijk en hun rechten te halen. Het aantal advocatenkantoren is het laatste decennium explosief gestegen.
  5. De sociale relaties tussen mensen worden ook beïnvloed door het streven, met behulp van de mogelijkheden die de automatisering biedt als het ware consumenten delen van het productieproces te laten uitvoeren. Je haalt je kontante geld al sinds jaar en dag uit de automaat, terwijl je vroeger naar de balie moest om het geld op te halen bij een medewerker van het postkantoor die de mensen en de problemen van de buurt kende. De kleine ondernemer die dezelfde functie had is voor een groot gedeelte al uit het straatbeeld verdwenen.  In supermarkten is men bezig systemen te ontwikkelen, waarbij het afrekenen aan de kassa tot het verleden behoort. (Oa bij de Vomar) De consument scant zelf zijn of haar artikelen die in de supermarkt zijn opgehaald met behulp van een scanapparaat dat de barcodes leest die op de producten staan. Er zijn dan veel minder caissières nodig. Contact met medewerkers van het bedrijf heb je als consument niet meer. Er zijn alleen enkelen die meer een bewakingsfunctie hebben om te kijken of alles vlot verloopt. Dit principe- de consument het productiewerk laten doen wordt op vele manieren ingevoerd. Schiphol is bezig met een geautomatiseerd systeem om de passagiers zelf te laten inchequen. Vaak betekent dat ook een extra administratieve belasting voor de burger cq consument, die steeds nieuwe kennis en vaardigheden moet ontwikkelen om een zelfstandig bestaan te organiseren zonder daarbij een beroep te kunnen doen op medewerkers van een bedrijf voor ondersteuning. Dit sluit aan bij wat hiervoor werd gezegd over mensen die het niet meer lukt hun bestaan te managen.
  6. Vooral voor de zogenaamde ‘onderklasse’ is de bewegingsvrijheid en van daaruit een handelingsperspectief afgenomen door de invoering van de controlemaatschappij en het sociaal panopticum: je hebt voortdurend het gevoel te worden waargenomen en gecontroleerd, ook al is dit feitelijk niet het geval. Foucault bracht naar voren, dat een automatisch functioneren van de macht bij het sociale panopticum is verzekerd. Als gevolg van constante bewaking en de surveillance van de bewakers  raken individuen verstrikt in een onpersoonlijke machtsrelatie met de abstracte institutie die tegelijkertijd de machtsrelatie zelf niet-individueel maakt en die degenen, die aan het sociale panopticum zijn onderworpen individualiseert en losmaakt van collectieve verbanden.  Foucault zag deze techniek als een essentiële ontwikkeling bij de toenemende controle, hiërarchiesering, disciplinering en classificatie van mensen in de moderne maatschappij, door middel waarvan het gedrag van individuen voortdurend gereguleerd en gecontroleerd wordt door onpersoonlijke instituties.
Belangrijk bij het functioneren van het sociale panopticum is, dat de mensen die bewaakt worden niet voortdurend in de gaten hoeven te worden gehouden. Zij hoeven alleen maar het gevoel te hebben, dat dit wel zo is, dat ze op ieder moment ineens kunnen worden waargenomen. De gevolgen van deze ontwikkeling zie je bij bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden en bejaarden. Wie een uitkering aanvraagt, krijgt een huisbezoek. Daarbij moeten zowel vrijwel de gehele administratie als de leefomstandigheden zichtbaar gemaakt worden. Ook mensen die al een uitkering hebben kunnen eventueel een huisbezoek verwachten. Daarnaast moet maandelijks een werkbriefje ingevuld worden, waarmee wijzigingen in de leefomstandigheden moeten worden aangegeven, je moet zo’n briefje ook invullen als er niets gewijzigd is. Verder zijn er routinematig de periodieke heronderzoeken, waarbij alle privé-gegevens over leefomstandigheden, bankrekeningen, uitgavenpatroon, sociale relaties, eventueel vrijwilligerswerk, etc, steeds opnieuw op tafel gelegd, ‘zichtbaar’ gemaakt moeten worden. Verder wordt iedereen die zegt niet te kunnen werken wegens arbeidsongeschiktheid onderworpen aan een keuring. Daarnaast worden mensen, die nu niet geschikt zijn voor de arbeidsmarkt maar dat in de toekomst wel zouden kunnen zijn, onderworpen aan allerlei vormen van trajectbegeleiding middels vaak particuliere reintegratieinstituten.
Mensen zijn zich er over het algemeen zeer van bewust dat ze voortdurend worden waargenomen, dat ze voortdurend ‘zichtbaar’ zijn. Wat dit betreft klopt de waarneming van Foucoult, dat zij het symbool van de anonieme macht, de sociale dienst, in Amsterdam de DWI altijd in hun gedachten hebben, dat zij vanuit zichzelf vanwege die constante zichtbaarheid, of beter gezegd je kunt ieder ogenblik volledig zichtbaar gemaakt worden met je privé-leven, iedere dag wel aan de sociale dienst denken. Dat men in werkelijkheid weinig werkelijk contact heeft met die dienst is daarbij niet van belang. Ook veel uitkeringsgerechtigden die maar eens in het half jaar een her controle hebben en voor de rest met rust worden gelaten, denken vaak iedere dag aan de sociale dienst. Men ‘verinnerlijkt’ de anonieme macht van de sociale dienst. Bij de gedachtegangen die uitkeringsgerechtigden dan hebben gaat het dan voortdurend over de grenzen van de sociale techniek van het panopticum die op hen wordt toegepast. Mag je een huisbezoek weigeren? Moet ik echt alle giroafschriften van de laatste drie maanden laten zien, moet ik de originelen laten zien, mag ik uitgaven voor de boodschappen en zo ook afplakken en dan een kopie maken, want met mijn dagelijks leven hebben ze niets te maken? Is een medische keuring verplicht? De arbeidsbemiddelaar heeft mij een aanbod gedaan voor bemiddeling. Mag ik dan weigeren? Wat kan ik verwachten als ik op gesprek ga bij de Dienst Werk en Inkomen en wat niet? Etc.
Angst voor de anonieme macht van de sociale dienst speelt een belangrijke rol. Klanten malen door hierover en vermengen dit met fantasieën over hoe aan het sociale panopticum te ontsnappen. De mensen definiëren hun situatie in dit verband, en schatten wat dit betreft hun eigen mogelijkheden en onmogelijkheden in. Sommige mensen definiëren zich als ziek Ik kan er niet meer tegen, ik kan die druk niet hebben ik denk er voortdurend aan, wat kan ik doen om met rust gelaten te worden? Weer anderen willen dit helemaal juist niet. Zij denken aan andere ontsnappingsmogelijkheden zoals illegale activiteiten. Of betaald werk zoeken als dat mogelijk is. Wat ook benadrukt wordt in de gesprekken met mensen op de Bijstandsbond is de absurditeit van de techniek van het sociale panopticum. Mensen zijn zich op het uitvoeringsniveau vaak scherp bewust van de tegenstrijdigheden in het systeem. In een dergelijke situatie is het zeer moeilijk mensen tot collectief, openlijk verzet te brengen in organisatorisch verband.
Onoverbrugbare tegenstellingen en individualisering?
Uit het bovenstaande moet in mijn ogen niet worden afgeleid, dat de wereld in het algemeen en de westerse maatschappijen in het bijzonder alleen maar vaten vol onoverbrugbare tegenstellingen zijn geworden. In Nederland is er weliswaar bijvoorbeeld een niet te verwaarlozen groep Wilders aanhangers, die zich behoorlijk roeren in de media en internet.  Maar wat betreft haar opvattingen lijkt de meerderheid van de Nederlandse bevolking zelfs toleranter en kritischer te worden. Dit blijkt oa uit een onderzoek van Motivacion. (Geloof jij dat je betrokken bent? Sociale kwesties in de samenleving. Onderzoek door Motivaction in opdracht van het Leger des Heils. Amsterdam, oktober 2008)
Conclusies van het rapport:
Voor wat betreft de wijze waarop mensen met elkaar omgaan, worden geen/weinig respect
en individualisme, egoïsme en desinteresse als de belangrijkste problemen ervaren. Deze problemen worden herkend en erkend (waargenomen of zelfs persoonlijk ervaren), de confrontatie gaan de Nederlanders echter vaak uit de weg.
Ook weten de Nederlanders beter dan voorheen van de problematiek rondom kwetsbare groepen in de samenleving die risico lopen om buitengesloten te worden. We zien het, we weten het, maar we kijken steeds liever de andere kant op wanneer deze problematiek te dichtbij komt. Dit duidt op normatieve betrokkenheid (volgens de meetlat) en afnemende actieve betrokkenheid (met het hart).
Nederlanders weten dat eenzaamheid een groot probleem is in de huidige maatschappij. Deze eenzaamheid heeft impact op hoe wij in het leven staan. In vergelijking met voorgaande jaren geven meer mensen aan zich eenzaam te voelen en geven minder mensen aan tevreden te zijn met hun huidige leven.
Tegelijkertijd maakt de gemiddelde Nederlander zich over het algemeen minder zorgen
om diverse kwetsbare groepen zoals eenzamen en mensen die door ouderdom niet meer
meedoen in de samenleving. De betrokkenheid is afgenomen. In vergelijking met eerder onderzoek blijkt ook dat Nederlanders de schuldvraag minder bij de kwetsbare groepen zelf leggen. Dit kan duiden op het erkennen van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Nederlanders relateren dit echter niet aan het eigen leven en de eigen verantwoordelijkheid. Als het erop aankomt zelf een actieve rol hierin te spelen en de (gedeelde) verantwoordelijkheid hiervoor te dragen, kijken Nederlanders liever weg. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een afname van het aantal Nederlanders dat aangeeft dat we met ons allen de verantwoordelijkheid dragen dat iedereen voldoende geld heeft om rond te komen. Het zijn vooral de Nederlanders van 50 jaar en ouder, die aangeven dat wij met zijn allen die verantwoordelijk dragen.
We wéten dus als Nederlander meer over deze maatschappelijke problematiek, maar we
dóen er minder mee.
Uit het bovenstaande blijkt waar volgens mij de crux ligt: we zijn nog steeds tolerant en kritisch over de maatschappij, al willen de media en bepaalde groepen in de maatschappij ons anders doen geloven, maar het handelingsperspectief om in sociale verbanden collectief op te treden voor een rechtvaardiger maatschappij en het organisatorisch vermogen om dat tot op lokaal niveau te organiseren is gedeeltelijk verdwenen. Mensen hebben het gevoel dat ze er toch niks aan kunnen doen en dat het geen zin heeft je als burger, arbeider, te organiseren om collectief in verzet te komen. Af en toe komt de kritische mening boven water, wanneer daar de ruimte voor bestaat, zoals bij het referendum over de grondwet. Maar mensen kiezen vaak voor het individuele perspectief in hun overlevingsstrategie. Ik moet zelf zien te overleven, en schakel individueel allerlei hulpbronnen in (individuele hulpverlening, particuliere verzekeringen) om dat doel te bereiken. Het kader dat eens de kern van sociale bewegingen vormde en ervaring had in het organiseren van acties is deels verdwenen of opgenomen in de politiek van ‘governance’.
Wat moet er gebeuren?
Natuurlijk kan ik geen ultiem antwoord geven op wat er moet gebeuren. Niemand kan de toekomst voorspellen, en we praten allang over een gehoopte opleving van sociale bewegingen en hoe dat te realiseren, zonder dat de antwoorden gegeven zijn.
De economische crisis biedt wat betreft verzet tegen het neoliberalisme en varianten daarvan ook kansen. Het marktdenken en de graaicultuur zijn van hun voetstuk gevallen. Veel mensen die dachten, ik heb niets te vrezen en die dachten dat ze een vakbond niet nodig hadden zijn in de problemen gekomen en velen zullen nog volgen. Wil echter de ontmaskering van het neo-liberale denken met als alternatief een hernieuwde waardering voor de organisatie van de maatschappij op basis van gemeenschapsdenken  een nieuwe kans krijgen, dan moeten we met verschillende dingen rekening houden. We kunnen niet eenvoudigweg de antwoorden kopiëren die in andere crisissen gegeven zijn. We hebben 30 jaar neo-liberale politiek van herstructurering van sociale relaties tussen mensen achter de rug. Dit heeft mensen gevormd en een diepgaande invloed gehad op de sociale relaties tot op de dag van vandaag. De scheiding tussen opvattingen en gedrag, tussen handelen en opvattingen is daarbij zeer sterk.
Om dit te doorbreken moeten we ons richten op een verbinding van verschillende bevolkingsgroepen, die langs verschillende scheidslijnen zijn verdeeld en die op verschillende momenten op verschillende manieren door de neo-liberale politiek zijn getroffen. Daarbij moeten we voor wat betreft de speerpunten ons niet alleen richten op de traditionele punten, zoals de loonstrijd, de inkomenspolitiek en het werkgelegenheidsbeleid. Het gevaar bestaat dan meer dan vroeger dat mensen zich daarbij zullen opstellen als passieve consumenten die in massademonstraties opkomen voor hun materiele rechten zonder dat de organisatie van het verzet de hele maatschappij doordringt tot op lokaal niveau waarbij mensen zich actief opstellen en nieuwe vaardigheden ontwikkelen om het verzet een duurzaam karakter te geven. We moeten ons ook richten op de organisatorische blokkades die de scheiding tussen opvattingen en handelen als mondige burger in stand houden en die de mensen ruimte om te handelen ontnemen. Dus een verzet tegen en een ontmaskering van de doorgeschoten controlemaatschappij. Daarbij moeten we aansluiten bij initiatieven van (kleine) gemeenschappen die de blokkades proberen te doorbreken en die tegelijkertijd ondanks alle moeilijkheden telkens weer worden georganiseerd. Daarbij is de wederopbouw van hulpdiensten met vrijwilligers, lokale actiecomités en andere organisatorische vormen nodig die praktische solidariteit organiseert in het verzet tegen de controlemaatschappij en de verdere afbraak van materiele en immateriële rechten. Dit betekent in mijn ogen naast de traditionele vakbondsstrijd tevens een nieuwe min of meer overkoepelende beweging voor burgerrechten, vrijheid en democratie die de afbraak ervan ter discussie stelt en verbindt met een kritiek op het kapitalisme en het neoliberalisme als samenlevingsvorm.
PvdL  22/03/2009

Recensie van het boek ‘straf de armen’

De liberale strafstaat

zondag, 07 oktober 2007 13:13

De bijstand en het gevangenissysteem zijn twee communicerende vaten

Lezing van het boek ‘straf de armen’ van de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant en van enkele publicaties van Nederlandse criminologen leidde tot onderstaand discussiestukje.

In de afgelopen decennia is geleidelijk aan de liberale strafstaat ingevoerd. Wat is de liberale strafstaat? Dit is een overheidsbeleid, waarbij sterk wordt bezuinigd op de sociale voorzieningen en strafmaatregelen worden ingevoerd om de onderste lagen van de maatschappij te disciplineren en op hun plaats te houden. Zij moeten de in toenemende mate gedesocialiseerde loonarbeid verrichten die als gevolg van de flexibilisering van de arbeid ontstaat. (Het begrip gedesocialiseerde loonarbeid wordt onderaan uitgelegd) Aan deze arbeid kun je in toenemende mate geen materiele en immateriele bestaanszekerheid ontlenen. Wie rebelleert tegen deze situatie of ontsnappingsroutes zoekt wordt opgesloten en uitgesloten. In Nederland en Amerika is er een explosie van het aantal gedetineerden.
Het Work First principe is komen overwaaien uit Amerika, waar het als straf en disciplineringsmaatregel is ingevoerd na de afschaffing van de bijstand onder president Clinton. Werklozen die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien worden in ruil voor voedselbonnen gedwongen arbeid te verrichten. Mensen die rebelleren tegen het systeem, of om andere redenen uit de boot vallen, zijn aangewezen op de informele sector en de illegale straathandel om in hun levensonderhoud te voorzien. En daarvoor worden ze ook weer gestraft. Er is een explosie van het gevangenissysteem in de Verenigde Staten qua aantallen gevangenen, vooral uit de getto’s. De situatie in Amerika is geanalyseerd door de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant, die een ook in het Nederlands vertaald boek heeft geschreven getiteld ‘straf de armen’, waarin hij aantoont dat de bijstand en het gevangenissysteem twee communicerende vaten zijn: wanneer de bijstand wordt afgeknepen, gaan mensen naar de informele sector om in levensonderhoud te voorzien, als ze geen andere mogelijkheden zien, en daarvoor worden ze gestraft met opsluiting. Nederland is wat dit betreft het enige Europese land dat met de VS kan worden vergeleken. In ons land is het aantal civielrechtelijke detenties tussen 1985 en 2005 verviervoudigd. Dit zijn detenties dus van mensen die geen criminelen zijn zoals uit huis plaatsingen, jeugdinrichtingen, ter onderscheiding van strafrechtelijke detenties. Criminologen beargumenteren, dat dit een rechtstreeks gevolg is van bezuinigingen op de jeugdzorg en de opvang van psychiatrische patienten. Bovenstaande gegevens haal ik uit een artikel van de criminologen M. Boone en M. Moerings, de cellenexplosie; voorlopig gehechten, veroordeelden, vreemdelingen, jeugdigen en tbs in Justitiele verkenningen van het WODC hier te downloaden.
De Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling heeft onlangs de redenen onderzocht voor het toenemend aantal psychiatrische patienten in de strafrechtsector (Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling: straf en zorg, een paar apart; passende interventies bij delictplegers met psychische en psychiatrische problemen. Amsterdam, SWP 2007) Zij komen tot dezelfde conclusies als Boone en Moerman.
Waarom wordt de neo-liberale strafstaat ingevoerd?
Een belangrijke vraag voor iedere samenleving is hoe de samenleving bij elkaar wordt gehouden, hoe een situatie kan ontstaan dat groepen en individuen vreedzaam naast elkaar leven. Het liberalisme bevordert de concurrentie van allen tegen allen en de overheid bezuinigt sterk op de sociale voorzieningen, dus de bestaansbasis van de mensen die niet door middel van reguliere betaalde arbeid in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De concurrentie tussen mensen wordt dus scherper. Tegelijkertijd leidt migratie tot een veelheid aan verschillende groepen met een cultureel verschillende achtergrond. Wie om wat voor reden dan ook niet meekan in de concurrentie race komt langdurig aan de kant te staan. Tegelijkertijd zijn steeds weer nieuwe mensen nodig met kant en klare nieuwe kennis en vaardigheden. Naast structurele werkloosheid ontstaan grote tekorten op de arbeidsmarkt. Dit bevordert weer de migratie. Kant en klare arbeidskrachten worden uit het buitenland gehaald. Werkgevers willen niet voor de opleiding van nieuwe arbeidskrachten betalen, tenzij de overheid hen subsidie geeft.
Er is een veralgemeende en geestelijke onzekerheid, die door het liberalisme wordt opgeroepen en die nog versterkt wordt door de verspreiding van de gedesocialiseerde loonarbeid.
Om de mensen onder deze omstandigheden bij elkaar te houden en de mensen te dwingen ondanks de desocialisatie van de arbeid mee te blijven draaien in de caroussel van de flexibele arbeid is de neo-liberale strafstaat ontwikkeld. Dit is in feite een politiek van uitsluiting, waarbij de economisch overbodigen uitgesloten worden van de maatschappij en ‘onschadelijk’gemaakt. Het strafsysteem heeft een drieledige functie:
Ten eerste dienst onderaan de sociale ladder dient straf om de overtollige delen van de bevolking op te slaan en fysiek te neutraliseren, met name leden van gestigmatiseerde groepen die in de armoede zijn beland en volharden in de sociale rebellie tegen hun sociale omgeving.
Een sport hoger op de maatschappelijke ladder vervult het netwerk van sociale diensten, politie, inburgeringsorganisaties en het gevangenissysteem een functie dat ze de discipline oplegt aan de betere lagen van de bevolking en die delen van de middenklasse, die het moeilijk hebben en in bestaansonzekerheid leven. De prijs die ze betalen voor een ontsnappings en verzetsstrategie wordt alsmaar hoger.
Op een derde meer symbolisch niveau vervult het strafinstituut de functie van een hernieuwde bevestiging van het gezag van de staat en de hervonden wil van de politieke elite om duidelijke grenzen af te bakenen en er respect voor af te dwingen door in haar uitsluitingspolitiek een onderscheid te maken tussen verdienstelijke burgers en groepen met afwijkend gedrag, tussen ‘goede’en ‘slechte’armen, tussen hen die het verdienen ‘geintegreerd’ te worden in het circuit van de precaire loonarbeid en degenen die op een index terechtkomen en worden uitgesloten of opgesloten. De conclusie van Boone en Moerman is duidelijk:
‘Nederland is van een land dat bekend stond om zijn tolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag, verworden tot een land dat zijn problemen met minderheidsgroepen en probleemgroepen oplost door hen op te sluiten’
Wat is de desocialisatie van de loonarbeid?
Afname van zeggenschap in je werk. Door de groei van de communicatie-technologie kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de bureaucratische hierarchien, de administratieve of productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen. Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven aan het werk dat ze doen.
Structurele werkloosheid naast tekorten op de arbeidsmarkt. Automatisering leidde ertoe, dat de bureacratische pyramides in organisaties ingrijpend veranderden. De basis van de pyramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel bij hand arbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door innovaties als barcodelezers, stemherkenningstechnologie, en micromachines die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse landen een permanente, structurele werkloosheid heerst.
Toename flexibele arbeid.
De overheid bevordert flexibele arbeid door afschaffing van rechtsbescherming voor werkenden, het mogelijk maken van tijdelijke contracten en het bevorderen van uitzendwerk door de oprichting van uitzendbureau’s.
Geen mogelijkheden meer een netwerk van sociale relaties op te bouwen. In de bureaucratische productiestructuren van vroeger hadden mensen voor langere tijd een vaste functie, waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap over de inrichting van hun werk wanneer ze tenminste niet aan de lopende band stonden. Ze waren trots op de organisatie waar ze werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen.
Het ‘sociaal kapitaal’ verdwijnt uit de productie-organisaties. De voortdurende organisatorische veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder werknemers en verzwakking van de institutionele kennis.
————————
Straf de Armen, Het Nieuwe Beleid van de Sociale Onzekerheid: isbn: 9789064454028 · 2006 · paperback (15 x 22,5 cm) â 360 p. Oorspr.titel: Punir les pauvres. Le nouveau gouvernement de l’insecurite sociale – uit het Frans vertaald door Wim de Neuter
Dit bericht is geplaatst in controlestaat. Bookmark de permalink

Arbeidsbureau’s schenden privacy

Op 24 maart heeft Marijnissen van de Socialistische Partij in het wekelijks vragenuurtje van de Tweede kamer vragen aan minister Melkert gesteld over de schending van privacy door arbeidsbureau’s en de privatisering van de arbeidsbemiddeling.

Er is veel te doen geweest over een brief die het arbeidsbureau naar alle werkzoekenden stuurde. In de brief stond, dat het arbeidsbureau informatie die ze van je hadden wilde doorgeven aan oa uitzendbureau’s. Je kon bezwaar maken tegen het doorgeven van deze prive-gegevens. Deed je dit niet, dat werden de gegevens doorgegeven. Wat dit betreft konstateerde Marijnissen, dat er zich een soort kwartetspel ontwikkelt, waarbij uitzendbureau’s en arbeidsbureau over en weer met informatie van werkzoekenden gaan schuiven. Marijnissen kreeg een vieze smaak in de mond van het voorstel. Hij stelde de minister verschillende vragen.

Wordt de privacy van de werkzoekende niet geschonden? Kan iemand die zich inschrijft bij een arbeidsbureau onder druk gezet worden?. Wellicht komen er zelfs sancties, indien iemand niet meewerkt aan het uitleveren van zijn persoonlijke gegevens?. Start en Vedior beschikken al over de gegevens van werkzoekenden die zijn ingeschreven bij het arbeidesbureau.
Hoe kan dat?
De minister heeft hier geantwoord, dat Marijnissen er maar aan moet wennen dat publiek en privaat meer zullen gaan samenwerken op het gebied van arbeidsbemiddeling. Verder geeft de minister nauwelijks antwoord op de gestelde vragen. Niet over mogelijke sancties als iemand niet wil dat zijn gegevens worden doorgegeven, en niet over het feit, dat Start en Vedior nu al beschikken over de gegevens.
Marijnissen citeert een brief van de Registratiekamer, waarin staat: “Het is de registratiekamer echter gebleken dat ook gegevens van diegenen die uitdrukkelijk bezwaar hebben gemaakt, worden verstrekt aan uitzendbureau’s binnen het samenwerkingsverband”. Blijkbaar gebeurt het gewoon, of je daarvoor wel of geen toestemming hebt gegeven. Marijnissen herhaalt aan de hand van brief van een advokaat uit Roermond nog eens, dat de werkzoekende bezwaar kan maken, en dat de gegevens worden doorgegeven als de werkzoekende dat niet doet.
Dit zou anders moeten. Er zou gevraagd moeten worden of men het goed vindt, dat de gegevens doorgestuurd worden en niet dat de gegevens doorgestuurd worden als men niet reageert.  Het arbeidsbureau rechtvaardigde de handelwijze met de volgende tekst: “dat het vragen van schriftelijke toestemming praktisch niet goed uitvoerbaar is en een belemmering vormt voor effectieve uitwisseling van gegevens met andere intermediairs, zoals uitzendbureau’s.” De minister heeft oa  
geantwoord, dat er binnenkort een rapport van de Registratiekamer zal verschijnen, waar op deze kwestie wordt ingegaan.

Over de uitwisseling van gegevens tussen arbeidsbureau’s en bedrijven verscheen een gedegen artikel in het maandblad Doen van Robert Loeber. Het artikel werd ookgepubliceerd in Kleintje Muurkrant uit Den Bosch.

Partnertoets in de bijstand

Big Brother is watching you

Wanneer bij twee samenwonenden een van beiden een inkomen heeft boven het bestaansminimum, dan heeft de ander geen recht op bijstand. De partner met het inkomen wordt geacht de ander te kunnen onderhouden. Dit is de partnertoets in de bijstand. Vaak verschillen de sociale dienst en clienten van mening over het antwoord op de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding en of de partnertoets van toepassing is. Het betreft hier soms zeer ingewikkelde kwesties, waarbij het moeilijk te bepalen is of er wel of geen recht bestaat op bijstand. Om dit te kunnen bepalen moet vaak diep in het priveleven van betrokkenen worden gegraven. Je zou kunnen zeggen, dat dit onderdeel van de bijstandswet bijkans onuit­voerbaar is. Neem de volgende situatie, die onlangs op het spreekuur van de Bijstandsbond ter sprake kwam. Een vrouw koopt een woning voor haar twee zoons. De woning heeft een waarde van fl 60.000,- en bestaat uit de begane grond en de eerste verdieping. De twee broers gaan samen op de eerste etage wonen en zij verhuren de begane grond aan een student. Verder is er nog een bovenbuurman, die op de tweede verdieping woont. In 1994 vraagt een van beide broers een bijstandsuitke­ring aan. Deze wordt hem verleend onder voorwaarde, dat bij verkoop van de woning een groot gedeelte van zijn aandeel in de woning aan de sociale dienst moet worden terugbetaald. Bij de invoering van de nieuwe bijstandswet vindt een heronderzoek plaats. De uitkering wordt stopgezet, omdat de sociale dienst van mening is, dat beide broers samenwonen en de ene broer voor het onderhoud van de andere kan zorgen. De broer wier uitkering wordt stopgezet gaat in beroep. Er vindt vervolgens een nauwkeurig onderzoek plaats tijdens een hoorzitting, waarbij de rol van de drie hoofdpersonen © de broers en de onderhuurder in het huishouden wordt vastgesteld. Eerst wordt de indeling van de woning op de begane grond en de eerste verdieping bepaald. Waar zijn het toilet, de badkamer, de keuken, de woonkamers etc?. En wie woont waar? Het blijkt, dat de drie hoofdpersonen alledrie hun eigen kamer hebben, maar sommige ruimten gemeen¬schappelijk gebruiken. Vervolgens wordt de keukeninventaris vastgesteld. Wat is van wie, en wie heeft het gekocht?. Het koffiezetapparaat bijvoorbeeld is door de broers gezamenlijk aangeschaft. Wat is de taakverdeling in het huishouden? Wie doet de boodschappen? Wie maakt welke ruimten schoon? Bovendien wordt bepaald, wie welke kosten draagt. Wie doet de boodschappen? Wie betaalt het? Wie betaalt de vaste lasten van de woning? Welke gemeenschappelijke en afzonderlij­ke giro- en bankrekeningen zijn er? In totaal zijn er vijf van dergelijke rekeningen. De betalingen over en weer worden in kaart gebracht. De onderhuurder stort zijn huur natuurlijk op een van die rekeningen. Hier komt ook de bovenbuurman om de hoek kijken, want er is voor alle bewoners van het pand een gemeen¬schappelijke rekening, waaruit allerlei vaste lasten worden betaald, zoals de brandverzekering. Tijdens de hoorzit­ting worden vele bescheiden overlegd, zoals de afschriften van een gezamenlijke girorekening in de periode 25 oktober 1996 tot 7 november 1997. En dan de uitspraak: in tegenstelling tot de oude bijstandswet kunnen in de nieuwe ook twee samenwonende broers zijnde bloed­verwanten in de tweede graad een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren. Belangrijk daarbij is het zogenaamde ‘verzor­gingscriterium’. Op de vraag of de beide broers een gezamen­lijke huishouding voeren dient vast komen te staan dat beiden er blijk van geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage aan het huishouden dan wel an­derszins. Bij de beoordeling van dat verzorgingscriterium komt geen zelfstandige betekenis toe aan de omstandigheid dat er sprake is van gezamenlijke eigendom van de woning. Tijdens de hoorzitting werd geconcludeerd, dat er slechts kosten worden gedeeld, die samenhangen met het gezamenlijk bewonen van een eigen woning, -andere kosten worden niet gedeeld- en dat aan het verzorgingscriterium niet is voldaan. Er is derhalve geen sprake van een gezamenlijke huishouding en dus vervalt de grondslag voor de beeindiging van de uitkering. Aangezien in de woning de huurder en de broer tevens hun hoofdverblijf hebben en de client beschikt over de inkomsten uit onderhuur, wordt aan hem bijstand verleend naar de norm van een alleen­staande verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10% van het netto-minimumloon onder verrekening van de inkomsten uit verhuur. Nu denkt u misschien, beste lezer(es) dat dit een weinig voorkomend ingewikkelde situatie is, maar ik kan u verzekeren, dat er nog wel ingewikkelder situaties voorkomen. En nu wil men de ‘partnertoets’ ook al gaan invoeren in andere sociale wetten, zoals de AOW. Een individualisering van de sociale zekerheid zou veel van dit soort problemen kunnen oplossen.

Piet van der Lende

Nummers en vergissingen. Iedereen krijgt overal een nummer voor

Ook verschenen in het decembernummer 1995 van het Maandblad Uitkeringsgerechtigden MUG in de rubriek ‘De gang van zaken’. 
Nummers
Dankzij de zegeningen van de automatisering krijgt u overal een nummer voor. Het huisnummer en de postcode kunt u nog wel onthouden, tenminste dat hoop ik. Hebt u een girorekening en een pinpas? Dan krijgt u drie nummers. De girorekening zelf, het nummer van het pasje en de pincode. Bij de uitkeringsinstantie of de werkgever krijgt u ook weer nummers, zoals het uitkeringsnummer of personeelsnummer. Op de uitkeringsspecificatie van de sociale dienst staan nog andere nummers, zoals een code voor de wijk en het team waar u onder valt. Ook handig om te weten, want soms wordt ernaar gevraagd als u opbelt. Deze voorbeelden kunnen met vele worden aangevuld. Het ziekenhuis, de woningbouwvereniging, het bevolkingsregister, de belastingen (diverse soorten), het GEB, het ziekenfonds, overal krijgt u een nummer. U moet al die nummers weten, want zonder deze kan men dikwijls niets voor u doen. Hebt u alle registratienummers die op u van toepassing zijn, wel eens geteld? Ik schat, dat de gemiddelde Nederlander toch gauw zo’n veertig nummers moet bijhouden.
Nu zijn in het verleden al die instanties door al die nummers een beetje in de war geraakt. Daar hebben ze een oplossing voor bedacht. U raadt het al: een nieuw nummer, het sociaal-fiscaal nummer. Dit nummer is heel belangrijk, want veel van die andere nummers zijn aan dit nummer gekoppeld. Veel instanties vragen ernaar. U moet van al die nummers een geordende administratie bijhouden, die teruggaat tot minstens een jaar of acht geleden, want anders komt u in moeilijkheden. Soms is het niet voldoende dat u een nummer opgeeft, nee, u moet het originele document overleggen, waarop is aangegeven welk nummer u hebt gekregen. Zo vraagt de sociale dienst naar het originele document van de belastingdienst, waarop is aangegeven welk sofinummer u hebt gekregen. Bij veel mensen is dit document al in 1987 verstrekt. Hebt u het document niet (meer), dan moet u eerst naar de belastingdienst om een officiële verklaring te vragen waarop dit sofinummer staat vermeld.
De koppeling van al die nummers is moeilijk. Niet alleen omdat de Wet op de Persoonsregistratie instanties allerlei beperkingen oplegt, maar ook omdat het in de praktijk problemen geeft. In de eerste plaats heeft elke instantie afzonderlijk bij de automatisering geprobeerd, het wiel uit te vinden. Daarom kunnen al die verschillende databanken niet zomaar aan elkaar gekoppeld worden. In de tweede plaats zijn de bestanden ‘vervuild’, het schrikbeeld van iedere ambtenaar. Hoe komt dat? U hebt, laten we zeggen, veertig nummers. Nu gaat u verhuizen, of u gaat samenwonen, of er zijn ander veranderingen in u privéleven. Gaat u al die nummers verwittigen van die wijziging? Natuurlijk niet. Daarom staat u in verschillende bestanden onder verschillende adressen genoteerd. In de derde plaats maken ambtenaren fouten bij het invoeren van de gegevens die bij een nummer horen.
Een voorbeeld. Een van onze spreekuurbezoekers had een WAO-uitkering, natuurlijk met een bijbehorend nummer. Hij vroeg om toestemming met vakantie te gaan naar het land van herkomst. Dit kwam hij persoonlijk aanvragen op het GAK-districtskantoor. De betrokkene zou een schriftelijke bevestiging thuis gestuurd krijgen. Dit gebeurde echter niet, en wij belden op. De functionaris van het GAK zocht op basis van het nummer de gegevens van de heer T. op in de computer: ‘Hij is op die en die datum op dat en dat districtskantoor geweest.’ ‘Nee meneer, het was op een heel andere datum.’ ‘O, ik zal even kijken. O, er is een vergissing begaan, in het bestand zit een meneer T. met dezelfde achternaam, waarvan het uitkeringsnummer een cijfer verschilt met dat van de meneer T. die bij u gekomen is. Daarom is de brief naar een ander adres verstuurd.’ De ambtenaar op het districtskantoor had dus bij vergissing een van de ongeveer vijftien cijfers van het uitkeringsnummer voor de WAO verkeerd ingetypt, en omdat het om iemand met dezelfde naam ging, was de fout niet ontdekt. Deze vergissing kon niet zomaar ongedaan worden gemaakt. Daarvoor moesten wij een brief schrijven, waarin de hele situatie werd uitgelegd, met medezending van allerlei bewijsstukken.
Piet van der Lende, Bijstandsbond

“Ze moeten het wonen nog leren’. Directeur GSD pleit voor degradatiewoningen

Verschenen  in de Baanbreker, maandblad van de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, november 1989.
Voor de kleine, harde kern van probleemgevallen zouden naar mijn oordeel zogenaamde degradatiewoningen beschikbaar moeten komen: woningen met een minimum aan comfort, met  directe betaling van energiepenningen e.d.  Dit zijn de woorden van Jan de Boer, directeur van de Gemeentelijke Sociale Dienst van Leeuwarden op een congres in Rotterdam over burenoverlast. Het congres was georganiseerd door de Nationale Woningraad en een koepel van woningcorporaties.
Op donderdag 21 september werd in Rotterdam een congres gehouden onder de titel: “Burenoverlast, van taboe naar beleid”. Een congres van huiseigenaren over lastige buren. De organisatoren deden het voorkomen dat zij zich de problemen van met name de bewoners van de oude stadswijken in de grote steden aantrekken. Het leefklimaat in deze wijken verslechtert en een van de redenen daarvoor is, dat er “lastige” mensen wonen. De buren hebben er last van, last van het lawaai, de vervuiling en de stank, of de regelrechte intimidaties. De organisatoren van het congres wilden daar wat aan doen. Ze lijken zeer begaan met het lot van de buren.
Het vraagstuk werd grondig aangepakt. Een professor kwam uitleggen hoe wij op “wetenschappelijke” wijze het begrip “burenoverlast” moeten definieren, wat daar wel of niet onder valt etc. De voorzitter van de Nationale Woningraad zet vervolgens uiteen op welke schaal burenoverlast voorkomt. Volgens woningbouwcorporaties is niet meer dan een procent van het aantal bewoners veroorzaker van regelmatige overlast. Een op de vijf corporaties vindt echter burenoverlast een groot probleem. Ze krijgen iedere week meerdere klachten met betrekking tot overlast.

Degradatiewoningen

De prijs voor de meest originele oplossing van het burenoverlastprobleem ging naar Jan de Boer, directeur van de Sociale (?) Dienst in Leeuwarden. Zijn oplossing: de asociale overlastveroorzakers moeten maar apart gezet worden in zogenaamde degradatiewoningen, waar ze moeten leven met een minimum aan comfort en met directe betalingen voor hun water- en gasmeter middels penningen.
De directeur van de Nationale Woningraad wil zover nog niet gaan. Wel moet er volgens hem sprake zijn van een zorgvuldige toewijzing van woningen. Corporaties zullen, volgens hem, bij het toewijzen van woningen een spreidingsbeleid moeten hanteren, waarbij zij het recht hebben bepaalde huurders voor een woning te weigeren, ook al hebben zij een urgentieverklaring. Ook vindt hij dat politie en justitie meer mogelijkheden moeten krijgen om corrigerend op te treden. Tevens moeten er huismeesters worden aangesteld.

Lelystad

In Lelystad krijgen toekomstige huurders een uitgebreide vragen­lijst voorgelegd: maakt u veel lawaai, sleutelt u aan auto’s, stelt u prijs op een nette tuin etc. Ook wil de huiseigenaar weten of je huurschulden hebt gehad bij de vorige woning. Zo ja, dan kom je misschien niet voor deze woning in aanmerking.
Wat opvalt in de hele discussie, is dat een klein probleem wordt gebruikt om te pleiten voor zeer vergaande maatregelen waardoor alle huurders worden getroffen, maatregelen op het gebied van controle, bevoegdheden van politie en justitie en mogelijkheden voor huiseigenaren om iemand een woning te weigeren of eruit te zetten. Deze maatregelen worden vervolgens gepresenteerd als zijnde in het belang van de huurders.
Door de verlaging van de uitkering en de toenemende armoede, komen steeds meer mensen met huur- en GEB-achterstanden. De corporaties willen steeds meer mogelijkheden om deze mensen onder druk te zetten zodat ze hun schulden betalen.
Wanneer door de toenemende armoede, de achterstanden in het onderhoud van woningen, de slechte isolatie en de stijgende woonlasten problemen ontstaan in bepaalde buurten, dan is de oplossing volgens veel congresgangers niet een hoger inkomen, lagere woonlasten en versnelling van de stadsvernieuwing, maar meer politie, meer huismeesters, vergroting van de mogelijkheden om mensen uit hun huis te zetten en de inrichting van getto’s voor “probleemgevallen”. Het gevolg is dat niet alleen de “probleemgevallen” maar álle huurders die financieel moeilijk zitten de duimschroeven worden aangedraaid.

Veenhuizen

Al in de negentiende eeuw werd gestreefd naar de inrichting van heropvoedingsgestichten voor “probleemgezinnen”. In Drenthe en Groningen werden de “Kolonien van de Maatschappij voor Weldadigheid” opgericht. Veenhuizen is daarvan wel de bekendste Kolonie. Op de onontgonnen heide werden arbeidershuisjes gebouwd, waar de “zwervers en andere asocialen” uit de grote steden naar toe werden gebracht. Zij kregen een schop en moesten de heide ontginnen. De opbrengsten waren uiteraard voor de Kolonie.
Hoe kwam men nu aan voldoende “asocialen”? Met name in Den Haag werden groepjes politieagenten op pad gestuurd. Die arresteerden zwervers die ze op straat tegen kwamen. De zwervers werden op het spoor richting Drenthe gezet. Zo werd de verpaupering in de steden bestreden. Recht op een inkomen om van te leven was er niet, het recht op een behoorlijke woonruimte al evenmin.
Ook in Amsterdam werd begin twintiger jaren een beleid gevoerd waarbij werd gekozen voor de isolatie van bepaalde groepen.  Amsterdam kende weliswaar een uitgebreid woningbouwprogramma, maar ook de volkswoningbouw was geen liefdadigheid. Degenen die geen huur betaalden, de woning uitwoonden, of overlast bezorgden, werden uit de verschillende buurten geweerd. Voor deze “ontoelaatbaren” bouwde de gemeente in 1926 twee woningcomplexen aan de rand van de stad: Asterdorp en Zeeburgerdorp. Onderworpen aan strenge reglementen en onder het toezicht van een opzichter moesten de bewoners het wonen leren…

De congresrakkers van Rotterdam lijken weer terug te willen naar de goede oude tijd. Natuurlijk, er zijn en blijven mensen die er een rotzooitje van maken. Maar om dan maar te pleiten voor onderdrukking, strenge controle en meer politieagenten, zoals sommige hulpverleningsinstanties en huiseigenaren doen, is onzin. Dit soort maatregelen helpen niet.
Wat dan wel? De relatie tussen armoede, werkloosheid en woningnood en de problemen van veel stadsvernieuwingswijken, werd reeds eerder aangeduid. Het is niet vreemd dat de bewoners in Buiten­veldert en de Apollobuurt in Amsterdam, met werkloosheidspercentages van ongeveer 4,5 procent, gemiddeld vier á vijf jaar langer leven dan de mensen in de bijstandsbuurten waar de werkloosheid tegen de 30 procent aanloopt.
De burenoverlast waar de congresgangers zo over klagen, heeft voor een zeer groot deel sociaal-economische oorzaken: werkloosheid, slechte huisvesting, alcoholgebruik etc. Die problemen los je niet op door de lastposten te isoleren.
Nee, je zal moeten zorgen dat iedereen zich thuis gaat voelen in een buurt. Buurtbewoners moeten zeggenschap krijgen over de manier waarop hun buurt wordt ingericht. Wijkbewoners moeten worden gemobiliseerd voor een aanpak van woningverbetering, het leefbaar houden/maken van een wijk en het scheppen van een situatie waarin iedereen zich thuis voelt. De overheid moet daarvoor de financiele middelen beschikbaar stellen door het opzetten van stadsvernieuwingsprojecten en door het subsidieren van buurtvoorzieningen. Op dit moment gebeurt het omgekeerde: het welzijnswerk wordt afgebroken en de stadsvernieuwing stagneert.