Punten uit Massimo de Angelis- The beginning of history- Value Struggles and Global Capital.

http://www.politicalecology.eu/component/content/article/31-entitletv/192-seminar-federici-and-the-angelis

Hoe overheersend het kapitalisme als economisch systeem ook is of lijkt te zijn, als sociaal systeem, als systeem van sociale relaties is het een subsysteem naast vele andere die tezamen een maatschappij vormen.
Naast het sociale subsysteem kapitalisme kennen we andere sociale subsystemen, oa in de sfeer van de reproductie, maar ook in de sfeer van de productie zelf, die niet gebaseerd zijn op kapitalistische principes, maar op andere, zoals het patriarchaat. In de bedrijven zelf kunnen we daarbij denken aan vakbondsgroepen. Daarbij kunnen normen en waarden en daarop gebaseerd gedrag gelden die vaak niet-kapitalistisch zijn, zoals opvattingen over solidariteit, samen delen, elkaar in je waarde laten, het vooropstellen van het collectief boven individueel belang, opofferingsgezindheid, verantwoordelijkheid voor de gemeenschap en andere mooie dingen. Maar dergelijke waarden en normen kunnen ook onderdrukkend zijn, patriarchaal, of xenofobisch. Voortdurend trachten groepen mensen hun gemeenschap die niet op kapitalistische normen en waarden is gebaseerd te verdedigen tegen de kapitalistische, waarbij de waarden van het ene subsysteem dwars door gemeenschappen heen kunnen lopen, zelfs tegelijkertijd werkzaam kunnen zijn in de hoofden van mensen.

Overigens gaat het niet zozeer om aparte subsystemen, die los staan van het subsysteem kapitalisme, maar om diffuse grenzen, waarbij binnen sociale structuren verschillende waardensystemen aanwezig kunnen zijn. Die waardensystemen zijn dan ook niet specifiek gekoppeld aan bepaalde groepen in de maatschappij. Iedereen ervaart dagelijks de botsing van waardensystemen. De Angelis gelooft dan ook niet in de klassieke definities van klassenstrijd maar zet zich ook af tegen Negri en Hardt, die een nieuw soort historisch subject menen te onderkennen. Want binnen klassen- of sociale structuren kunnen verschillende waardensystemen immers tegelijkertijd aanwezig zijn.

De Angelis neemt wat de basistegenstelling betreft dus een ander uitgangspunt. De Angelis gaat zover te verdedigen, dat we de botsingen tussen de waarden en normen van verschillende sociale subsystemen, die overigens geen nauwkeurig afgebakende, gemakkelijk localiseerbare grenzen kennen, centraal moeten stellen en dat deze botsingen zich overal voordoen.

Nadere analyse van het kapitalistisch waardensysteem

Omdat het kapitalisme is gebaseerd op het particulier bezit (van de productiemiddelen) is produceren en handeldrijven volgens kapitalistische methoden en eventueel samenwerken met andere mensen, dus het basiskenmerk van sociale relaties altijd een vorm van afbakenen van het eigen bezit, van omheining van het eigen territorium en rechten ten opzichte van anderen zodat ze er niet bij kunnen, van onteigening van wat anderen en hun gemeenschappen bezitten of aan sociale relaties onderhouden.

Daarbij heb je concurrentie tussen mensen, bedrijven en organisaties die zich bij de processen van afbakenen, toe-eigenen en omheinen ten doel stellen meer zeggenschap te krijgen over, meer bezit en over de macht over de productiemiddelen of posities in de maatschappij. Concurrentie als leidend principe komt niet alleen voor op een economische markt met vele aanbieders, maar ook in situaties waarin sprake is van monopolieposities op de markt of van monopolieposities die ontstaan zijn door privatiseringen (bestuursinstellingen op afstand) Het marktdenken is ook een ethisch systeem van normen en waarden, van opvattingen hoe je de productie van goederen en diensten moet organiseren en de resultaten meten.

Het onderscheid tussen staat, economie en andere dichotomien geeft geen goed beeld van de situatie. Hij verwerpt in zijn analyses dan ook dergelijke dichotomien.  Zonder daarbij overigens het bestaan van de staat en de maatregelen die door haar genomen worden om de voorwaarden voor accumulatie van kapitaal in stand te houden te ontkennen.

De processen van afbakening en omheining gelden niet alleen voor de oorspronkelijke accumulatie van kapitaal, waarbij boerengemeenschappen werden uiteengereten en waarbij hen hun gemeenschappelijk bezit werd ontstolen met behulp van de staat zodat ze alleen nog in hun onderhoud konden voorzien door zich als arbeidskracht op de markt (de arbeidsmarkt) aan te bieden. Voortdurend vormen tot op de dag van vandaag mensen gemeenschappen en werken ze vanuit waarden en normen waarop hun gedrag gebaseerd is die niet –kapitalistisch zijn. Het kapitaal benaderd deze ontwikkelingen altijd door de bovengenoemde processen van afbakenen, omheining en onteigening. Dit betekent ook dat iedere kapitalistische oplossing voor problemen (milieuproblemen, armoede, energiecrisis) deze processen van afbakening, omheining en ont-eigening reproduceert. 
Het gaat bij de analytische dichotomie van De Angelis in feite om een antwoord, waarbij uiteindelijk in het kapitalisme de waarden van andere sociale subsystemen ondergeschikt worden gemaakt aan de uitgangspunten van omheinen, afbakenen en toe-eigenen  en dat het erom gaat, deze processen van onderschikking in het kapitalisme als productiesysteem precies te analyseren en van daaruit een alternatief te bieden.

Het kapitalisme is een systeem van sociale relaties, die onderling nauw samenhangen en dus betekent externalisering van kosten door bedrijven onder concurrentieverhoudingen dus van de een, internalisering van kosten voor de ander. (Het milieu, mensen die in dat milieu moeten leven, gemeenschappen van mensen die op een andere basis  dan de kapitalistische samenleven, de volgende generaties, dus de lasten verschuiven naar de toekomst)
Een voorbeeld is de co2 uitstoot. In Westerse bedrijven worden de kosten daarvan als belasting voor het milieu geëxternaliseerd, dwz bij de inrichting van de productie wordt daarmee geen rekening gehouden. Vervolgens wordt een kapitalistische oplossing voor het probleem gezocht: de c02 emissies zijn verhandelbaar, dwz door bomen te planten in Afrika kan de co2 uitstoot in Nederland worden gecompenseerd. Handel dus in emissierechten. Dit planten van bossen in Afrikaanse landen betekent dat boeren en boerinnen die daar in gemeenschappen samenleven van hun land worden verdreven omdat Westerse groeperingen land opkopen om bomen te planten. Wanneer je daarover bij de handelaren van emissies aan de bel trekt, zeggen ze dat dit een zaak is van de staat van het desbetreffende land en niet hun zaak. Kosten worden geexternaliseerd en de oplossing betekent onteigening van andere gemeenschappen.

Hoe koppelt het kapitalisme zijn waardensysteem aan de subsystemen met andere waarden?

Het kapitalisme leeft bij de spanningsverhouding tussen de verschillende sociale subsystemen.

Het is niet perse zo, dat het kapitalisme de andere sociale subsystemen per definitie tracht te vernietigen. Zij probeert de waarden en normen van haar eigen systeem,  dus het marktprincipe als ethisch systeem aan andere subsystemen op te leggen en zo probeert zij voorwaarden te creeren voor de verdere kapitaalsaccumulatie. Hoe het kapitalistische relaties tussen mensen regulerende, homeostatische waarden systeem botst met andere sociale subsystemen, die door het kapitalisme gedeeltelijk worden vernietigd maar die het ook in zich opneemt wordt duidelijk als we de geschiedenis nagaan van initiatieven van burgers om de productie van goederen en diensten op basis van niet kapitalistische principes op te zetten. 

De staat probeert de participatiemaatschappij van haar burgers in te kapselen

Tine de Moor

Op donderdag 3 oktober ben ik naar twee lezingen geweest die werden georganiseerd door het Wageningen Alumni Netwerk, een club van oud-studenten van de universiteit Wageningen. Het onderwerp van de bijeenkomst was “Coöperaties, het businessmodel voor 2013”. De lezingen werden gegeven door Tine de Moor, hoogleraar “Instituties voor collectieve actie in historisch perspectief”, en landbouweconoom Ruud Huirne, directeur Food & Agri Nederland Rabobank en hoogleraar coöperatief ondernemerschap. De lezingen boden in mijn ogen interessante nieuwe invalshoeken bij de vraag waar het concept van “de participatiemaatschappij” vandaan komt en met welke knelpunten burgers te maken krijgen wanneer ze op basis van zelfregulering, zelfbestuur en collectief eigendom de participatie in de maatschappij vorm willen geven.

Eerst een waarneming van mijn kant. Meestal heeft activistisch links de volgende analyse van het concept van “de participatiemaatschappij”. Men beschouwt het als een ideologisch offensief van de staat, meer precies deze rechtse regering, om te verhullen dat er een grootscheepse overdracht van rijkdom naar de banken heeft plaatsgevonden, en om in het kader van de bezuinigingen die aan de burgers worden opgelegd de gevolgen van die bezuinigingen nog enigszins op te vangen. Uitkeringen, voorzieningen in de zorg, het maatschappelijk werk, buurtvoorzieningen en dergelijke worden in hoog tempo afgebroken en tegelijkertijd blijft er een grote behoefte bestaan aan een bepaald niveau van die voorzieningen. Door nu de burgers via dwang of chantage (het concept van “het affectief burgerschap” of van werken met behoud van uitkering, dat wil zeggen: dwangarbeid) op te leggen dat ze de verzorging van hun naasten en het in stand houden van bijvoorbeeld buurtvoorzieningen op zich nemen, kunnen zij via voornamelijk onbetaalde (zorg)arbeid de gaten opvullen die door de bezuinigingen vallen.
Althans, dat is de bedoeling van vooral de sociaal-democraten, die op zich nog wel het probleem zien dat de sociale samenhang in verschillende buurten, ja, in de hele samenleving verloren dreigt te gaan als die gaten niet worden opgevuld. Tegelijkertijd echter hebben die sociaal-democraten een compromis gesloten met de liberalen om drastische bezuinigingen door te voeren. Zij zijn het dus die er met name op aandringen om het concept van “de participatiemaatschappij” te verdedigen en van de grond te trekken. De opkomst van “de participatiemaatschappij” is een gevolg van de crisis en moet verhullen dat de regering op keiharde wijze de samenleving aan het afbreken is en de rechten van chronisch zieken, werklozen en anderen volop verkwanselt.
In het verlengde van deze gedachtegang, waarbij de rechtse regering dus het initiatief van “de participatiemaatschappij” in handen heeft, gaan linkse activisten na wat de mogelijkheden van verzet tegen de sociale afbraak zouden kunnen zijn en hoe die beter vorm gegeven zouden kunnen worden. Dat wil zeggen: hoe mensen van onderop zelf verzet zouden kunnen ontwikkelen. In dat kader klinkt vaak de verzuchting, in de wandelgangen en op vergaderingen, dat mensen apathisch zijn, niet in actie willen komen en de gebeurtenissen over zich heen laten gaan. Deze analyse heeft dus twee uitgangspunten: 1. Het is de machtige staat die het heft in handen heeft, het initiatief neemt en van bovenaf zaken oplegt en aanstuurt; 2. De burgers komen nauwelijks tegen deze ontwikkeling in verzet, reageren niet, laten alles passief over zich heenkomen, en nemen geen initiatieven.
Middeleeuwen
Geheel anders is de analyse van De Moor, die niet bepaald radicaal is. Ze lijkt een soort maatschappij voor te staan met een combinatie van een markteconomie en collectieve initiatieven. Haar achterliggende maatschappij-analyse is hier en daar aanvechtbaar, bijvoorbeeld wanneer ze meegaat in de vertogen over de tegengestelde belangen van jongere en oudere generaties. Maar toch zijn haar waarnemingen interessant. Ze is van huis uit een historica die de opkomst en ondergang van initiatieven voor zelfbeheer en zelfregulering door burgers heeft bestudeerd. Ze noemt dat “instituties voor collectieve actie”. Daarbij blijken er drie grote golven geweest te zijn in de West-Europese geschiedenis waarin mensen zelf het heft in handen namen, los van de staat en gedeeltelijk tegen het marktdenken in, waarbij ze groepsgewijs de productie van goederen en diensten en de regulering van de lokale samenleving vorm gaven.
De eerste golf van initiatieven ligt in de Middeleeuwen. Na ongeveer 1100 ontstonden in Nederland de steden en werden kooplieden steeds belangrijker in de handel. Ook werd de productie van niet-agrarische goederen, dus van ambachtslieden, in die steden geconcentreerd. De opkomst van de steden ging gepaard met een bevolkingsexplosie. Nieuwe moerasgebieden werden ontgonnen waarbij de boeren die dat deden niet langer meer horige van een heer wilden zijn, maar vrije boeren wensten te worden die pacht zouden gaan betalen. Vanaf 1200 tot 1300 zien we dan de opkomst van gilden, markegenootschappen in de dorpen met grond van de dorpsbewoners gemeenschappelijk in eigendom en die gezamenlijk bestuurd werden, burenhulpstructuren, en in het noorden van Nederland een grote mate van zelfstandigheid in het besturen van de samenleving in min of meer autonome gebieden, die niet meer onderworpen waren aan de principes van het leenstelsel. Omstreeks 1100 was er wel een rauw soort kapitalisme in opkomst in de groter wordende steden, al bleven veel rurale gebieden sterk op zelfvoorziening buiten de markt gericht. De opkomst van collectieve instituties was een reactie op de doorgeschoten marktwerking.
De tweede golf van initiatieven ligt aan het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw. Toen was er onder leiding van de liberalen een sterk doorgevoerde kapitalistische markteconomie, die veel ellende, armoede, verpaupering en desintegratie met zich meebracht. In de opkomende arbeidersbeweging werden nieuwe collectieve instituties opgericht, de vakbonden, die de rechten van de arbeiders moesten verdedigen. Maar daarnaast was er ook een nieuwe golf van initiatieven om in zelfbeheer de productie van goederen en diensten weer ter hand te nemen buiten de kapitalistische markteconomie om, of om als groep in die markteconomie sterker te staan tegenover puur kapitalistische producenten. Zo kwam de coöperatieve gedachte op. Kleine ondernemers, bijvoorbeeld boeren, richtten coöperaties op om via samenwerking de leverantie van grondstoffen, verzekeringen tegen bedrijfsrisico’s en de afzet van producten te organiseren, zodat ze puur kapitalistische ondernemingen beter konden beconcurreren en de opbrengsten van hun bedrijfsvoering aan hen zelf ten goede kwamen en niet verdwenen in de zakken van de rijken. Ook deze tweede golf van initiatieven is dus een reactie op de sterk doorgevoerde, rauwe kapitalistische markteconomie.
Volgens De Moor staan we nu aan het begin van een derde golf. Coöperatieve samenwerkingsverbanden, broodfondsen voor zzp-ers, woon-werk gemeenschappen, collectieven voor de productie van duurzame energie en dergelijke schieten als paddenstoelen uit de grond. Dergelijke initiatieven zijn er bijvoorbeeld ook veel in de zorg. De Moor produceert statistieken waaruit die derde golf blijkt. Bijvoorbeeld de sterke toename van het aantal coöperatieve samenwerkingsverbanden sinds 2005. De Moor ontkent dat dit het gevolg is van de economische crisis. Want de opkomst van de derde golf stamt al van voor die crisis.
Ideologisch offensief
Wat kunnen we nu op grond van deze beweging van drie golven concluderen? Ten eerste lijken de collectieve instituties waartoe mensen in de drie historische golven het initiatief namen, een gevolg te zijn van extreem doorgevoerde marktwerking. Het is dus wel degelijk zo dat mensen daar op reageren, ook nu. Volgens de theorie van vraag en aanbod zorgt de markt ervoor dat altijd alles zo goedkoop mogelijk voor een goede kwaliteit wordt geproduceerd daar waar dat het beste kan. Maar in de praktijk komt daar niets van terecht. Door monopolievorming, door het ontstaan van grote bedrijven die de markt beheersen of verdelen en door andere nadelen van de markteconomie wordt er flink inefficiënt geproduceerd. De collectieve instituties zijn een reactie op drie punten waar het gaat om het falen van de markt bij de productie van goederen en diensten, namelijk de prijs, de kwaliteit en de toegankelijkheid. Mensen zetten zelf initiatieven op voor de productie omdat op de markt een te hoge prijs moet worden betaald, soms in combinatie met een slechte kwaliteit, of omdat bepaalde dure diensten niet voor alle lokale bewoners of belangengroepen toegankelijk zijn. In feite is dus ook de derde golf een reactie op het neo-liberalisme met zijn dogma van de vrije markteconomie.
Maar dat betekent in het verlengde daarvan ook dat “de participatiemaatschappij” (in de zin van: de burger neemt zelf het heft in handen en regelt de dingen samen met anderen) niet een initiatief is van de staat die dit principe van bovenaf aan de samenleving oplegt. Nee, het is andersom: de mensen hebben met allerlei initiatieven van zelfregulering gereageerd op het neo-liberalisme, en het ideologisch offensief van bovenaf door de staat is juist een reactie daarop. Maar een reactie met welk doel? Enerzijds lijkt dit ideologisch offensief aan te sluiten bij de initiatieven van de mensen. De staat lijkt te zeggen: “Goed zo, doen jullie het zelf maar, dan kunnen wij in tijden van economische crisis de begrotingsproblemen oplossen. Slaan we twee vliegen in een klap.” Maar is dat werkelijk de bedoeling van de staat? Hier komen we bij een ander punt wanneer we de drie golven nader bekijken. Het blijkt namelijk dat het om golfbewegingen gaat. De gilden en markegenootschappen in de dorpen van Drenthe zijn allang verdwenen. Ook de vele coöperaties die aan het einde van de negentiende eeuw werden opgericht, waren vaak maar een kort leven van enkele decennia beschoren. Hoe het in dat opzicht met de initiatieven van de derde golf zal gaan, valt nu nog niet te zeggen. Wanneer we kijken naar de teloorgang van de eerste twee golven, blijkt de rol van de staat hierbij zeer groot te zijn geweest.
Privé-eigendom
Wat betreft de oude collectieve instituties van de Middeleeuwen kan worden gesteld dat die pas aan het einde van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw verdwijnen met de opkomst van de natiestaat, die het kader werd voor de regulering van de kapitalistische markteconomie. Ik wil hier nu niet uitgebreid de functie van de natiestaat in het kapitalisme behandelen, maar kort door de bocht gezegd komt het erop neer dat de natiestaat de leverantie van arbeidskrachten aan de kapitalisten, de bescherming van hun belangen en de regulering van de concurrentie op de markt moet organiseren. Dat betekende begin negentiende eeuw dat in diverse nieuwe natiestaten in Europa de gilden en andere collectieve instituties eenvoudigweg door middel van wetgeving werden verboden en dat collectief bezit, bijvoorbeeld van grond, werd geprivatiseerd. Dat gebeurde ook met een ideologisch offensief, namelijk met het verhaal dat het per definitie ging om achterlijke, archaïsche samenlevingsvormen die de maatschappelijke vooruitgang zouden tegenhouden. Privé-eigendom van de productiemiddelen werd door de nieuwe natiestaten afgedwongen in de zogenaamde “enclosures”. Gemeenschappelijk bezit van grond of van andere productiemiddelen zouden ervoor zorgen dat de arbeiders zich niet voldoende inspanden. Daarom werden in diverse Europese landen, zoals Engeland, langdurige campagnes gevoerd om de gemene gronden bij wet te privatiseren, waarbij de boeren soms met geweld van hun land werden verdreven om zo arbeidskrachten ter beschikking te hebben voor de opkomende industrieën. In 1811 werd ook in Nederland een wet aangenomen die moest zorgen voor privatisering van de markegronden.
Hoewel ik De Moor dat niet zo heb horen analyseren, zou gezegd kunnen worden dat de natiestaten indirect ook een rol hebben gespeeld bij de teloorgang van vele collectieve instituties uit de tweede golf. Immers, vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw zien we de opkomst van het neo-liberalisme, waarbij een sterk doorgevoerde kapitalistische markteconomie via nieuwe regelgeving en het afbreken van oude regelgeving de belangen van grote ondernemingen internationaal gaat beschermen. Wat betekende dat voor coöperatieve verbanden en andere collectieve instituties? Zij raakten verstrikt in processen van schaalvergroting en vergaande aanpassing aan de markteconomie met zijn moordende concurrentie. Anderen gingen teloor in de concurrentiestrijd met puur kapitalistische ondernemingen. Zo ontwikkelden coöperaties als de Rabobank zich in feite tot puur kapitalistische ondernemingen die met de idealen van de coöperatieve gedachte niets meer van doen hebben.
Wat gebeurt er nu tijdens de derde golf? Het is de staat die reageert op initiatieven van mensen om zich tegen de uitwassen van de kapitalistische markteconomie te beschermen en om de vercommercialisering van het dagelijks leven in te perken. De Moor ziet naar aanleiding van de derde golf wat al te rooskleurig een nieuwe samenleving opdoemen, waarin staat, markt en collectieve instituties elkaar zouden aanvullen en waarbij een grotere sociale rechtvaardigheid bereikt zou worden. Als hypothese kan in het licht van de geschiedenis over de functies van de natiestaat worden geconcludeerd dat ook nu de staat erop uit is om met een golf aan wetgeving en maatregelen de collectieve instituties van de burgers die sinds 2005 aan het ontstaan zijn, onder haar controle te brengen. Zo kan de natiestaat haar functie blijven vervullen: het beschermen van de belangen van puur kapitalistische ondernemingen, het garanderen van de beschikbaarheid van arbeidskrachten voor de ondernemingen, en het ontwerpen van regelgeving die arbeidskrachten, consumenten, bejaarden, buurtbewoners en anderen in hun denken en doen onderwerpt aan de tucht van de markt. De ervaringen met de eerste golf leren dat de natiestaat desnoods met geweld haar doelen aan de burgers oplegt, wanneer de beschikbaarheid van arbeidskrachten voor de grote kapitalistische ondernemingen in gevaar komt, doordat mensen zelf van onderop de productie van goederen en diensten gaan organiseren. Nader onderzoek van recente regelgeving in het kader van “de participatiemaatschappij” zou moeten uitwijzen in hoeverre deze hypothese klopt. Het hangt er dan toch weer vanaf in hoeverre in het verlengde van de derde golf een politieke beweging op gang komt waarin burgers de ruimte verdedigen om zichzelf te organiseren en zelf beslissingen te nemen.
Broodfondsen
Na de lezing van De Moor was Huirne aan de beurt. Hij ging voornamelijk in op de moeilijkheden die coöperaties ondervinden en de knelpunten in het functioneren ervan. Daarna volgde een discussie waarbij Huirne uiteraard onder vuur kwam te liggen van de aanwezigen in de zaal, omdat de Rabobank volgens hen nauwelijks meer een coöperatie te noemen is. Volgens de aanwezigen hebben de leden niets meer te zeggen en functioneert de bank in feite als welke andere bank dan ook. Naast de discussie daarover kwamen ook andere punten ter sprake die Huirne in zijn inleiding had genoemd. Zoals de onderlinge verhoudingen tussen verschillende coöperaties die in feite met hetzelfde bezig zijn. Een probleem in coöperatieland blijkt namelijk te zijn dat coöperaties soms ook elkaars concurrenten zijn. Ze beconcurreren elkaar op de prijs, kwaliteit en toegankelijkheid, net zoals andere kapitalistische ondernemingen dat doen. Dat schijnt bijvoorbeeld ook een probleem te zijn bij de zogenaamde broodfondsen die zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers) oprichten die geen dure arbeidsongeschiktheidsverzekeringen kunnen betalen. Er is moeizaam overleg tussen de diverse broodfondsen van zzp-ers om afspraken te maken die concurrentie zouden kunnen voorkomen.
Ook kwam de zogenaamde reciprociteit ter sprake, dat wil zeggen: de wederkerigheid. Coöperaties komen tot stand omdat de leden iets inbrengen, actief zijn in de coöperatie en daar iets voor terugkrijgen. Wanneer er schaalvergroting is, dan komt die reciprociteit in gevaar. De leden kennen elkaar niet meer, weten van elkaar niet meer hoe ze functioneren en de coöperatie wordt voor hen een anonieme bureaucratie met haar eigen wetmatigheden en belangen. Daarom zouden de broodfondsen van zzp-ers in principe niet meer dan vijftig leden moeten tellen. In dat geval kent iedereen iedereen en weten ze veel van elkaar. Bij een grote anonieme organisatie ontstaat eerder het risico dat leden gaan frauderen door ziektegeld op te strijken terwijl ze niet ziek zijn. Om fraude te voorkomen zou dan een – vaak niet goed werkend – sanctiesysteem ingevoerd moeten worden. Bij een kleine coöperatie kennen de leden elkaar nog wel. Ze kennen elkaars situatie, kunnen elkaar aanspreken en kunnen ook meer morele druk en sociale controle uitoefenen, zonder dat met een sanctiesysteem gewerkt hoeft te worden. De Moor memoreerde dat vooral die coöperaties op de langere termijn succesvol zijn die niet zo’n sanctiesysteem hoeven te ontwikkelen en die niet te groot zijn.
De analyse van De Moor laat zien dat het ideologische offensief van “de participatiemaatschappij” eerder een defensieve reactie is van de staat op initiatieven en verdedigingssystemen van burgers van onderop. Daarbij is de staat momenteel zoekende hoe ze die vormen van zelfbestuur en zelfbeheer desnoods met geweld onder controle kan brengen. Dit alles werpt voor mij een nieuw licht op de mogelijkheden van coalities van mensen die zich tegen het neo-liberale marktgeweld willen verzetten. Daarbij moeten we niet uitgaan van de analyse dat de mensen allemaal zijn ingedut en alles gelaten over zich heen laten komen. En daarbij moeten we ook gaan inzien dat de staat niet almachtig boven de partijen staat, maar op zijn beurt ook reageert op wat mensen van onderop aan initiatieven ontwikkelen om te overleven in de neo-liberale jungle. De staat is druk doende om “de participatiemaatschappij” te kapen en in te kapselen die de burgers met elkaar proberen vorm te geven.
Piet van der Lende

Zelfbeheer binnen het kapitalisme

Verschenen in Kwerk nr 3 jaargang 6 herfst 2000
Er zijn na de opkomst van het kapitalisme vanuit allerlei ideologiëen vele zelfbeheerprojecten geweest die tot doel hadden concrete alternatieven te bieden door de productie van goederen en diensten zelf ter hand te nemen. In dit artikel worden die pogingen kort opgesomd. Uit de geschiedenis van dergelijke projecten blijkt, dat je wel een alternatief kunt proberen te bieden, maar dat je toch leeft binnen het kapitalisme. Zodat vroeg of laat, langs ideologische weg of gewoon omdat je voor het voortbestaan van het project niet anders kan, de negatieve aspecten van het kapitalisme ook in het project binnensluipen. 
We hebben deze KWERK nu wel gewijd aan “eigen initiatieven van bur­gers”, “zelfbeheer”, “doe het zelf groepen”, “burgers zelf vorm laten geven aan hun omgeving of aan zichzelf”, maar om wat voor soort initiatieven en aktiviteiten gaat het hier eigenlijk? In mijn ogen gaat het om activiteiten, die in één of meerdere opzichten het tegenbeeld zijn van het kapitalisme, waarbij (groepen) mensen concrete alternatieven proberen te ontwikkelen door de productie van goederen en diensten zelf ter hand nemen op basis van idealen als solidariteit, gelijkwaardigheid in de beslissingen, kleinschaligheid, milieuvriendelijkheid, afschaffing van loonarbeid, doorbreking van de scheiding tussen hoofd- en handarbeid, etc.
Groepen die een alternatief proberen op te zetten hoeven zich volgens mij niet altijd volledig bewust te zijn van hun anti-kapitalistische daad. Het grote verschil met politieke partijen, vakbonden en sociale bewegingen van uitkeringsgerechtigden of bijvoorbeeld op het gebied van milieu is, dat deze sociale bewegingen primair gericht zijn op afschaffing of omvorming cq modificatie van de kapitalistische productiewijze: er worden eisen gesteld aan overheid en ondernemers om in de kapitalistische productie met bepaalde maatschappelijke doelstellingen rekening te houden. Het verschil is niet absoluut: ook in sociale bewegingen kan men een combinatie maken van zelf goederen en diensten produceren en eisen stellen aan het systeem, zoals in de kraakbeweging.
Kapitalisme
Omdat zelfbeheer-groepen vaak één of meer aspecten van het kapitalisme bestrijden, ga ik eerst kort de nadelen van het kapitalisme in haar zuivere vorm noemen en daarna opsommen, welke aspecten daarvan in zelfbeheer groepen worden bestreden.
Het kapitalisme is een productiesysteem, waarbij een kleine minderheid het overgrote deel van het kapitaal en de daaraan verbonden productiemiddelen (grond, machines, gebouwen) in bezit heeft en als enig criterium voor deze groepen geldt: rendement op het kapitaal. De grote kapitaalbezitters en banken eigenen zich een vast aandeel in de winst of de omzet toe. Kenmerk van het kapitalisme is, dat arbeid voornamelijk wordt verricht in loondienst: in ruil voor het beschikbaar stellen van hun arbeidskracht krijgen mensen een loon, zonder dat zij mede-eigenaar zijn van de productiemiddelen en zonder dat zij daar zeggenschap over hebben. In het marxisme zegt men: loonarbeid is diefstal. De eigenaar van de productiemiddelen eigent zich een deel van de waarde toe, die door de arbeiders in loondienst wordt geproduceerd.
De gevolgen van dit blinde productiesysteem zijn bekend: milieuvervuiling en armoede, omdat op basis van concurrentie maatschappelijke kosten worden geëxternaliseerd, monopolievorming, waarbij één of enkele aanbieders de markt beheersen en buiten de marktwerking om de prijzen bepalen, vervreemding door de scheiding tussen hoofd- en handarbeid en de scheiding van de werkenden van de productiemiddelen, etc. Dit kapitalisme bestaat althans in Europa niet in haar zuivere vorm; door ingrijpen van de staat maar ook door initiatieven van burgers zelf tracht men de nadelige gevolgen van het productiesysteem te bestrijden.
alternatieven
In het verleden zijn er vanuit een veelheid van ideologiëen pogingen geweest, projecten op te zetten, waarbij verschillende aspecten van het kapitalisme werden bekritiseerd en praktische alternatieven geboden door het zelf organiseren van de productie. Daarbij hoeft men er niet altijd naar te streven, het kapitalisme te vernietigen.
— In de eerste plaats is er de bestrijding van de monopolievorming: vanuit liberale hoek werden in de negentiende eeuw vanuit de kleine middenstand die haar positie ondermijnd zag door de grote monopolistische ondernemingen, coöperaties opgezet, vooral landbouwcoöperaties, zoals de RABO bank, coöperatieve zuivelfabrieken en verzekeringsmaatschappijen of aankoopcoöperaties.
— In de tweede plaats is er de kritiek op de loonarbeid en het kapitalisme als geheel: vanuit anarchistische hoek werden productieve associaties opgericht. Doelen waren vanuit een kritiek op de loonarbeid organisaties op te zetten, waarin dit principe was afgeschaft: door uitbreiding van deze associaties zou het kapitalisme langzaam maar zeker afsterven. Voorbeelden zijn aan het begin van de twintigste eeuw de Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB) en in onze tijd de Vereniging Solidair.
Een beetje een aparte tak van de productieve associaties zijn de pogingen, (landbouw)kolonies te stichten, waar de ideale maatschappij door leefgroepen of communes in practijk moest worden gebracht. Aan het begin van de twintigste eeuw was dat Frederik van Eeden met Walden en in onze tijd de vereniging NELK, Landelijk Netwerk Ecologische Kernen.
— In de derde plaats zijn er pogingen de negatieve gevolgen van het kapitalistisch distributiesysteem te bestrijden: vanuit sociaal-democratische hoek werden vooral verbruikerscoöperaties van consumenten opgericht. Doel was door machtsvorming van consumenten het distributiesysteem te omzeilen. De leden van de coöperatie waren als consumenten eigenaar van het bedrijf, en ze konden zo lagere prijzen bedingen bij de groothandelaren. Deze consumentencoöperaties waren onderdeel van de politieke strijd van de sociaal-democraten, waartoe andere onderdelen behoorden, zoals de vakbonden en de politieke partij. Men wilde het kapitalisme niet afschaffen, maar omvormen.
In feite gaat het hier om de categorie, die de oorzaken van het feilen van het kapitalisme ziet in het distributiesysteem: de sociaal-democraten wilden op den duur het kapitalisme hervormen door in te grijpen in de distributie van de rijkdom waarbij via de staat een herverdeling van de rijkdom werd bewerkstelligd. Zo zou een kapitalisme met een menselijk gezicht mogelijk zijn. Ook bijvoorbeeld woningbouwverenigingen kunnen worden gezien als een poging, de verdeling van woonruimte niet geheel aan de markt over te laten.
In deze categorie past ook de recente stroming voor de invoering van LETS-systemen. Er bestaan in een stad als Amsterdam verschillende ruilsystemen, zoals LETS (Local Exchange Trade System), Het Gilde en de stichting Over en Weer. Aan het LETS-systeem ligt een hele filosofie ten grond­slag, die vooral uitgedragen wordt door de Aktie Strohalm in Utrecht. Principe is, dat je tegen een geringe vergoeding lid kunt worden van het systeem, en dat er eigen ruilmiddelen zijn, in Amsterdam de Noppes, waarmee diensten over en weer kunnen worden betaald. Dit kan van alles zijn, zoals het ruilen van tweedehandsgoederen, ter beschikking stellen van deskundigheid, etc. Uitgangspunt is, dat iedereen, ook bij­voorbeeld arbeidsongeschikten, wel iets hebben aan te bieden en dat in het systeem de armoede wordt bestreden, omdat tegen een geringe vergoeding in de vorm van noppes diensten en goederen kunnen worden verkregen.
Je hebt verder gewoon een rekening bij de noppesbank, waar op staat hoeveel noppes je hebt verdiend en hoeveel je schuldig bent aan anderen. Het is in feite buiten de geldeconomie om zelf een ruilsysteem opzetten, met eigen geld, waarin men geen rente krijgt op het kapitaal en ook mensen met weinig geld hun arbeid ‘ te gelde’ kunnen maken.
— In de vierde plaats zijn er initiatieven, die de nadruk leggen op het praktisch zelf-doen, waarbij de scheiding van hoofd- en handarbeid wordt doorbroken en die overigens kunnen plaatsvinden in het kader van allerlei sociale bewegingen. Zoals biologische tuingroepen van de Vereniging voor Ekologische Leef- en Teeltwijze (VELT). VELT is een van oorsprong Belgische belangenorganisatie van biologisch telende amateurtuinders, maar ook een soort alternatieve consumentenbond en een milieu-actiegroep zoals Milieudefensie. In Nederland zijn deze verschillende functies bij verschillende organisaties terecht gekomen.
— Daarnaast zijn er vele groepen, die de gevolgen van de milieuvervuiling bestrijden door een deel van de productie, die maatschappelijk noodzakelijk is, zelf uit te voeren: groepen die zich bezig houden met arbeid op het gebied van milieu. Zoals natuurbeheerprojekten opge­zet door Stichting het Noord-Hollands Landschap, waarbij tientallen vrijwilligers en beroepskrachten in het Ilperveld de natuur in stand houden. Dit kunnen ook half of geheel professioneel werkende groepen zijn, die zich bezig houden met biologisch (dynamische) landbouw.
— Alternatieve media richten zich op het weerleggen van de informatievoorziening in het kapitalisme, die vaak zeer éénzijdig is en waarbij kritiek op het systeem maar in beperkte mate doordringt. Dit zijn er vele, zoals de MUG, verschil­lende organisaties die uitzenden via SALTO, de Digitale Stad, alternatieve bladen zoals de NN, Solidariteit, Kwerk, etc.
In deze categorie horen ook de alternatieve archiefprojekten die zich bij het verzamelen van informatie ten doel stellen andere feiten in hun onderlinge samenhang naar voren te brengen dan gewoon­lijk in de reguliere media gebeurt. (AMOK, Kafka, Jansen en Janssen, het Staatsarchief).
— Belangrijk is ook de alternatieve hulpverlening, zoals in Amsterdam de Witte Jas, spreekuren voor uitkeringsgerechtigden, allochtonen en andere doelgroepen (Info-Buitenland Oud-West, Autonoom Cen­trum, WBVA, Bijstandsbond, Komitee Vrouwen en de Bijstand, St. Baan, BBS, AMSOSA, KMAN, spreekuren in de buurten).
— Er zijn nog vele andere voorbeelden te noemen, zoals derde wereld projekten, bijvoorbeeld Gered Gereedschap waar men gereedschap voor de Derde Wereld maakt. Tenslotte zou ik nog willen wijzen op buurtgroepen, zoals de bewonersgroep Hackfort-Huigenoort, die één van de flats in de Bijlmer met z’n 150-en hebben opgeknapt en die een zwartboek hebben geschreven ‘Getto in wording’.
Wanneer je de wortels nagaat van het idee, een coöperatieve vereniging op te richten, als alternatief voor de op kapitalistische leest geschoeide productie, dan valt- naast het feit, dat vanuit vele ideologiëen pogingen werden ondernomen- op, dat de wortels van dergelijke coöperatieve verenigingen soms teruggaan naar voor-kapitalistische tijden. Ze zijn rechtstreeks terug te voeren op leefgemeenschappen, waarin begrippen als socialisme en anarchisme of communisme nog helemaal niet bestonden, maar waar men op basis van gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen en regelingen daarvoor, organisatievormen ontwikkelde om de samenleving te ‘reguleren’. Voorbeelden zijn de vele begrafeniscoöperaties in ons land, waarvan de geschiedenis vaak teruggaat op pre-industriële burenhulpsystemen, waarbij de dorpsgenoten of de buren afspraken hadden gemaakt om elkaar in tijden van nood te helpen. Soms werd bij het begin van deze eeuw, tijdens de opkomst van het kapitalisme, de reeds eeuwen bestaande mondelinge afspraken tussen de buren vastgelegd in de statuten van een coöperatieve (begrafenis)vereniging. Blijkbaar zit het verlangen van de mens naar ‘mutual aid’, wederkerige hulp, zoals Kropotkin dat geanalyseerd heeft, minstens even diep als het concurrentiemechanisme.
Moeilijkheden die de groepen tegenkwamen
Een van de grootste moeilijkheden, die een groep tegenkomt als men vanuit kritiek op één of meer principes van het kapitalisme een project wil opzetten, is het gebrek aan (start)kapitaal. De opzet van ecologische leefgemeenschappen die door de vereniging NELK worden gepropageerd stagneert bijvoorbeeld omdat de aanschaf van een bepaalde hoeveelheid grond met huizen niet kan worden gefinancierd.
Bovendien duurt het enige tijd voor je voldoende producten op de markt hebt gebracht om ervan te kunnen leven, of om het kapitaal terug te verdienen. En in die tussentijd moet je toch leven, eten, heb je kosten. In het kapitalisme is het productiekapitaal in handen van zeer grote ondernemingen, die door diepteinvesteringen zeer goedkoop kunnen produceren omdat wordt afgezien van principes op het gebied van het milieu, zoals gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Het is moeilijk daar tegenop te boksen en een stukje markt te veroveren. 
De ‘baanlozenbeweging’ is een poging, dit dilemma op te lossen: met behoud van uitkering toch producten maken in een eigen project. Je hebt dan voor de lopende kosten een inkomen.
In onze tijd is kapitaalsgebrek ook vaak opgelost door je eenvoudigweg een deel van de productiemiddelen toe te eigenen. Een voorbeeld daarvan is de kraakbeweging: huizen, kantoren, gebouwen bezetten. Voor een deel werd deze beweging ingegeven door de woningnood: mensen wilden een huis om in te wonen. Voor een ander deel werd dit ook ingegeven door de behoefte aan een alternatieve maatschappij voor het kapitalisme: zelfbestuur, tegen cityvorming, etc.
De kraakbeweging is er nauwelijks meer, maar haar invloed is tot op de dag van vandaag groot. Er zijn vele woon-werk gemeenschappen uit ontstaan. In Amsterdam kan gedacht worden aan Tetterode. Principe van bijvoor­beeld Tetterode en het WG-terrein is, dat een woningbouwver­eniging het casco van een groot gebouw verhuurd aan een vereniging van gebruikers/onderhuurders tegen een lage prijs, die dan vervolgens zelf de inrichting van het gebouw, het beheer en het toelatingsbeleid bepalen.[i] Ook komt het echter wel voor, dat krakers gezamenlijk het pand hebben gekocht.
Deze principes zijn uitgebreid door meer van dergelijke projecten op te zetten: in Amsterdam het WG-terrein, het Y-tech gebouw aan de van Diemenstraat en de vereniging Archipel. Deze projecten zijn echter vaak gefinancierd door woningbouwverenigingen of de overheid middels subsidies. Je krijgt dan te maken met geldschieters of eigenaren van de machines en gebouwen waarmee je werkt, die hun eigen doelstellingen hebben.
inkapseling
En hiermee komen we ook op een tweede moeilijkheid die groepen tegenkomen: de principes van zelfbeheer op basis van sociale gelijkheid vanuit een kritiek op het kapitalisme, waarbij men op basis van solidariteit niet-commerciële projecten opzet, verwateren vaak. Wanneer het woon-werk pand is gelegaliseerd gaat iedereen een eigen project, bedrijfje of belangengroepje beginnen. Vaak volgens de beste kapitalistische principes, men wil met niemand meer wat te maken hebben en niemand werkt meer aan het gemeenschappelijke project: het woon-werk pand.
Als je wilt dat je project goed van de grond komt, moet je of volgens de principes van de ‘baanlozenbeweging’ werken, of een marktaandeel veroveren. En dat marktaandeel moet je veroveren op ondernemingen die volledig kapitalistisch werken en die dus wel kapitaal hebben om dure machines te kopen, en zeer goedkoop te produceren. Dus……
In de LETS-systemen ontstaat bijvoorbeeld in Amsterdam een koersverhouding tussen de Noppes en de gulden. 1 noppes is zoveel cent. En er ontstaan rijke en arme bezitters van Noppes. Sommigen hebben veel, bijvoorbeeld omdat ze de Noppesbank beheren, en anderen hebben weinig. Dus er zijn in het LETS-systeem mensen die veel guldens hebben en mensen die weinig hebben. Terug bij af.
Het bovenstaande geeft aan, dat je met je project/organisatie/groep niet in een vacuüm opereert: je opereert binnen het kapitalisme. In het verlengde van bovenstaand verhaal ligt de tendens tot oligarchisering en bureaucratisering: bestuurders van belangenverenigingen, coöperaties en projecten zijn gericht op het voortbestaan ervan en worden dus eerder met de inbedding in het kapitalisme geconfronteerd. Zij zien de instorting van het idealisme en de solidariteit in het woon-werkpand, of ze willen een concessie doen aan het kapitalisme om te overleven, maar de achterban wil het misschien niet, etc. Er komt een formele of informele hiërarchie in de organisatie, er komen gespecialiseerde functies, een hernieuwde scheiding tussen hoofd- en handarbeid, de herinvoering van loonarbeid door betaalde secretaresses, of andere functies, etc.
De teloorgang van coöperaties in de landbouw is een schoolvoorbeeld van het lot van dergelijke organisaties. De landbouw-coöperaties werden met de twee bovenstaande moeilijkheden geconfronteerd: gebrek aan kapitaal en oligarchisering. Daardoor hebben zij zich ontwikkeld tot pure kapitalistische ondernemingen.
Is deze inbedding in het kapitalisme te voorkomen? Is er een soort eeuwige strijd van steeds weer nieuw opkomende ‘basis’ bewegingen die weer voor zichzelf beginnen en dan weer… etc.? Mijn conclusie luidt in ieder geval dat bij projecten waarin men goederen en diensten poogt te produceren buiten het kapitalisme om, zonder politieke strijd gericht tegen de machthebbers, er geen geleidelijke vernietiging van dat kapitalisme volgt, hooguit een modificatie (aanpassing) van de markteconomie.
Piet van der Lende