Punten uit Massimo de Angelis- The beginning of history- Value Struggles and Global Capital.

http://www.politicalecology.eu/component/content/article/31-entitletv/192-seminar-federici-and-the-angelis

Hoe overheersend het kapitalisme als economisch systeem ook is of lijkt te zijn, als sociaal systeem, als systeem van sociale relaties is het een subsysteem naast vele andere die tezamen een maatschappij vormen.
Naast het sociale subsysteem kapitalisme kennen we andere sociale subsystemen, oa in de sfeer van de reproductie, maar ook in de sfeer van de productie zelf, die niet gebaseerd zijn op kapitalistische principes, maar op andere, zoals het patriarchaat. In de bedrijven zelf kunnen we daarbij denken aan vakbondsgroepen. Daarbij kunnen normen en waarden en daarop gebaseerd gedrag gelden die vaak niet-kapitalistisch zijn, zoals opvattingen over solidariteit, samen delen, elkaar in je waarde laten, het vooropstellen van het collectief boven individueel belang, opofferingsgezindheid, verantwoordelijkheid voor de gemeenschap en andere mooie dingen. Maar dergelijke waarden en normen kunnen ook onderdrukkend zijn, patriarchaal, of xenofobisch. Voortdurend trachten groepen mensen hun gemeenschap die niet op kapitalistische normen en waarden is gebaseerd te verdedigen tegen de kapitalistische, waarbij de waarden van het ene subsysteem dwars door gemeenschappen heen kunnen lopen, zelfs tegelijkertijd werkzaam kunnen zijn in de hoofden van mensen.

Overigens gaat het niet zozeer om aparte subsystemen, die los staan van het subsysteem kapitalisme, maar om diffuse grenzen, waarbij binnen sociale structuren verschillende waardensystemen aanwezig kunnen zijn. Die waardensystemen zijn dan ook niet specifiek gekoppeld aan bepaalde groepen in de maatschappij. Iedereen ervaart dagelijks de botsing van waardensystemen. De Angelis gelooft dan ook niet in de klassieke definities van klassenstrijd maar zet zich ook af tegen Negri en Hardt, die een nieuw soort historisch subject menen te onderkennen. Want binnen klassen- of sociale structuren kunnen verschillende waardensystemen immers tegelijkertijd aanwezig zijn.

De Angelis neemt wat de basistegenstelling betreft dus een ander uitgangspunt. De Angelis gaat zover te verdedigen, dat we de botsingen tussen de waarden en normen van verschillende sociale subsystemen, die overigens geen nauwkeurig afgebakende, gemakkelijk localiseerbare grenzen kennen, centraal moeten stellen en dat deze botsingen zich overal voordoen.

Nadere analyse van het kapitalistisch waardensysteem

Omdat het kapitalisme is gebaseerd op het particulier bezit (van de productiemiddelen) is produceren en handeldrijven volgens kapitalistische methoden en eventueel samenwerken met andere mensen, dus het basiskenmerk van sociale relaties altijd een vorm van afbakenen van het eigen bezit, van omheining van het eigen territorium en rechten ten opzichte van anderen zodat ze er niet bij kunnen, van onteigening van wat anderen en hun gemeenschappen bezitten of aan sociale relaties onderhouden.

Daarbij heb je concurrentie tussen mensen, bedrijven en organisaties die zich bij de processen van afbakenen, toe-eigenen en omheinen ten doel stellen meer zeggenschap te krijgen over, meer bezit en over de macht over de productiemiddelen of posities in de maatschappij. Concurrentie als leidend principe komt niet alleen voor op een economische markt met vele aanbieders, maar ook in situaties waarin sprake is van monopolieposities op de markt of van monopolieposities die ontstaan zijn door privatiseringen (bestuursinstellingen op afstand) Het marktdenken is ook een ethisch systeem van normen en waarden, van opvattingen hoe je de productie van goederen en diensten moet organiseren en de resultaten meten.

Het onderscheid tussen staat, economie en andere dichotomien geeft geen goed beeld van de situatie. Hij verwerpt in zijn analyses dan ook dergelijke dichotomien.  Zonder daarbij overigens het bestaan van de staat en de maatregelen die door haar genomen worden om de voorwaarden voor accumulatie van kapitaal in stand te houden te ontkennen.

De processen van afbakening en omheining gelden niet alleen voor de oorspronkelijke accumulatie van kapitaal, waarbij boerengemeenschappen werden uiteengereten en waarbij hen hun gemeenschappelijk bezit werd ontstolen met behulp van de staat zodat ze alleen nog in hun onderhoud konden voorzien door zich als arbeidskracht op de markt (de arbeidsmarkt) aan te bieden. Voortdurend vormen tot op de dag van vandaag mensen gemeenschappen en werken ze vanuit waarden en normen waarop hun gedrag gebaseerd is die niet –kapitalistisch zijn. Het kapitaal benaderd deze ontwikkelingen altijd door de bovengenoemde processen van afbakenen, omheining en onteigening. Dit betekent ook dat iedere kapitalistische oplossing voor problemen (milieuproblemen, armoede, energiecrisis) deze processen van afbakening, omheining en ont-eigening reproduceert. 
Het gaat bij de analytische dichotomie van De Angelis in feite om een antwoord, waarbij uiteindelijk in het kapitalisme de waarden van andere sociale subsystemen ondergeschikt worden gemaakt aan de uitgangspunten van omheinen, afbakenen en toe-eigenen  en dat het erom gaat, deze processen van onderschikking in het kapitalisme als productiesysteem precies te analyseren en van daaruit een alternatief te bieden.

Het kapitalisme is een systeem van sociale relaties, die onderling nauw samenhangen en dus betekent externalisering van kosten door bedrijven onder concurrentieverhoudingen dus van de een, internalisering van kosten voor de ander. (Het milieu, mensen die in dat milieu moeten leven, gemeenschappen van mensen die op een andere basis  dan de kapitalistische samenleven, de volgende generaties, dus de lasten verschuiven naar de toekomst)
Een voorbeeld is de co2 uitstoot. In Westerse bedrijven worden de kosten daarvan als belasting voor het milieu geëxternaliseerd, dwz bij de inrichting van de productie wordt daarmee geen rekening gehouden. Vervolgens wordt een kapitalistische oplossing voor het probleem gezocht: de c02 emissies zijn verhandelbaar, dwz door bomen te planten in Afrika kan de co2 uitstoot in Nederland worden gecompenseerd. Handel dus in emissierechten. Dit planten van bossen in Afrikaanse landen betekent dat boeren en boerinnen die daar in gemeenschappen samenleven van hun land worden verdreven omdat Westerse groeperingen land opkopen om bomen te planten. Wanneer je daarover bij de handelaren van emissies aan de bel trekt, zeggen ze dat dit een zaak is van de staat van het desbetreffende land en niet hun zaak. Kosten worden geexternaliseerd en de oplossing betekent onteigening van andere gemeenschappen.

Hoe koppelt het kapitalisme zijn waardensysteem aan de subsystemen met andere waarden?

Het kapitalisme leeft bij de spanningsverhouding tussen de verschillende sociale subsystemen.

Het is niet perse zo, dat het kapitalisme de andere sociale subsystemen per definitie tracht te vernietigen. Zij probeert de waarden en normen van haar eigen systeem,  dus het marktprincipe als ethisch systeem aan andere subsystemen op te leggen en zo probeert zij voorwaarden te creeren voor de verdere kapitaalsaccumulatie. Hoe het kapitalistische relaties tussen mensen regulerende, homeostatische waarden systeem botst met andere sociale subsystemen, die door het kapitalisme gedeeltelijk worden vernietigd maar die het ook in zich opneemt wordt duidelijk als we de geschiedenis nagaan van initiatieven van burgers om de productie van goederen en diensten op basis van niet kapitalistische principes op te zetten. 

De staat probeert de participatiemaatschappij van haar burgers in te kapselen

Tine de Moor

Op donderdag 3 oktober ben ik naar twee lezingen geweest die werden georganiseerd door het Wageningen Alumni Netwerk, een club van oud-studenten van de universiteit Wageningen. Het onderwerp van de bijeenkomst was “Coöperaties, het businessmodel voor 2013”. De lezingen werden gegeven door Tine de Moor, hoogleraar “Instituties voor collectieve actie in historisch perspectief”, en landbouweconoom Ruud Huirne, directeur Food & Agri Nederland Rabobank en hoogleraar coöperatief ondernemerschap. De lezingen boden in mijn ogen interessante nieuwe invalshoeken bij de vraag waar het concept van “de participatiemaatschappij” vandaan komt en met welke knelpunten burgers te maken krijgen wanneer ze op basis van zelfregulering, zelfbestuur en collectief eigendom de participatie in de maatschappij vorm willen geven.

Eerst een waarneming van mijn kant. Meestal heeft activistisch links de volgende analyse van het concept van “de participatiemaatschappij”. Men beschouwt het als een ideologisch offensief van de staat, meer precies deze rechtse regering, om te verhullen dat er een grootscheepse overdracht van rijkdom naar de banken heeft plaatsgevonden, en om in het kader van de bezuinigingen die aan de burgers worden opgelegd de gevolgen van die bezuinigingen nog enigszins op te vangen. Uitkeringen, voorzieningen in de zorg, het maatschappelijk werk, buurtvoorzieningen en dergelijke worden in hoog tempo afgebroken en tegelijkertijd blijft er een grote behoefte bestaan aan een bepaald niveau van die voorzieningen. Door nu de burgers via dwang of chantage (het concept van “het affectief burgerschap” of van werken met behoud van uitkering, dat wil zeggen: dwangarbeid) op te leggen dat ze de verzorging van hun naasten en het in stand houden van bijvoorbeeld buurtvoorzieningen op zich nemen, kunnen zij via voornamelijk onbetaalde (zorg)arbeid de gaten opvullen die door de bezuinigingen vallen.
Althans, dat is de bedoeling van vooral de sociaal-democraten, die op zich nog wel het probleem zien dat de sociale samenhang in verschillende buurten, ja, in de hele samenleving verloren dreigt te gaan als die gaten niet worden opgevuld. Tegelijkertijd echter hebben die sociaal-democraten een compromis gesloten met de liberalen om drastische bezuinigingen door te voeren. Zij zijn het dus die er met name op aandringen om het concept van “de participatiemaatschappij” te verdedigen en van de grond te trekken. De opkomst van “de participatiemaatschappij” is een gevolg van de crisis en moet verhullen dat de regering op keiharde wijze de samenleving aan het afbreken is en de rechten van chronisch zieken, werklozen en anderen volop verkwanselt.
In het verlengde van deze gedachtegang, waarbij de rechtse regering dus het initiatief van “de participatiemaatschappij” in handen heeft, gaan linkse activisten na wat de mogelijkheden van verzet tegen de sociale afbraak zouden kunnen zijn en hoe die beter vorm gegeven zouden kunnen worden. Dat wil zeggen: hoe mensen van onderop zelf verzet zouden kunnen ontwikkelen. In dat kader klinkt vaak de verzuchting, in de wandelgangen en op vergaderingen, dat mensen apathisch zijn, niet in actie willen komen en de gebeurtenissen over zich heen laten gaan. Deze analyse heeft dus twee uitgangspunten: 1. Het is de machtige staat die het heft in handen heeft, het initiatief neemt en van bovenaf zaken oplegt en aanstuurt; 2. De burgers komen nauwelijks tegen deze ontwikkeling in verzet, reageren niet, laten alles passief over zich heenkomen, en nemen geen initiatieven.
Middeleeuwen
Geheel anders is de analyse van De Moor, die niet bepaald radicaal is. Ze lijkt een soort maatschappij voor te staan met een combinatie van een markteconomie en collectieve initiatieven. Haar achterliggende maatschappij-analyse is hier en daar aanvechtbaar, bijvoorbeeld wanneer ze meegaat in de vertogen over de tegengestelde belangen van jongere en oudere generaties. Maar toch zijn haar waarnemingen interessant. Ze is van huis uit een historica die de opkomst en ondergang van initiatieven voor zelfbeheer en zelfregulering door burgers heeft bestudeerd. Ze noemt dat “instituties voor collectieve actie”. Daarbij blijken er drie grote golven geweest te zijn in de West-Europese geschiedenis waarin mensen zelf het heft in handen namen, los van de staat en gedeeltelijk tegen het marktdenken in, waarbij ze groepsgewijs de productie van goederen en diensten en de regulering van de lokale samenleving vorm gaven.
De eerste golf van initiatieven ligt in de Middeleeuwen. Na ongeveer 1100 ontstonden in Nederland de steden en werden kooplieden steeds belangrijker in de handel. Ook werd de productie van niet-agrarische goederen, dus van ambachtslieden, in die steden geconcentreerd. De opkomst van de steden ging gepaard met een bevolkingsexplosie. Nieuwe moerasgebieden werden ontgonnen waarbij de boeren die dat deden niet langer meer horige van een heer wilden zijn, maar vrije boeren wensten te worden die pacht zouden gaan betalen. Vanaf 1200 tot 1300 zien we dan de opkomst van gilden, markegenootschappen in de dorpen met grond van de dorpsbewoners gemeenschappelijk in eigendom en die gezamenlijk bestuurd werden, burenhulpstructuren, en in het noorden van Nederland een grote mate van zelfstandigheid in het besturen van de samenleving in min of meer autonome gebieden, die niet meer onderworpen waren aan de principes van het leenstelsel. Omstreeks 1100 was er wel een rauw soort kapitalisme in opkomst in de groter wordende steden, al bleven veel rurale gebieden sterk op zelfvoorziening buiten de markt gericht. De opkomst van collectieve instituties was een reactie op de doorgeschoten marktwerking.
De tweede golf van initiatieven ligt aan het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw. Toen was er onder leiding van de liberalen een sterk doorgevoerde kapitalistische markteconomie, die veel ellende, armoede, verpaupering en desintegratie met zich meebracht. In de opkomende arbeidersbeweging werden nieuwe collectieve instituties opgericht, de vakbonden, die de rechten van de arbeiders moesten verdedigen. Maar daarnaast was er ook een nieuwe golf van initiatieven om in zelfbeheer de productie van goederen en diensten weer ter hand te nemen buiten de kapitalistische markteconomie om, of om als groep in die markteconomie sterker te staan tegenover puur kapitalistische producenten. Zo kwam de coöperatieve gedachte op. Kleine ondernemers, bijvoorbeeld boeren, richtten coöperaties op om via samenwerking de leverantie van grondstoffen, verzekeringen tegen bedrijfsrisico’s en de afzet van producten te organiseren, zodat ze puur kapitalistische ondernemingen beter konden beconcurreren en de opbrengsten van hun bedrijfsvoering aan hen zelf ten goede kwamen en niet verdwenen in de zakken van de rijken. Ook deze tweede golf van initiatieven is dus een reactie op de sterk doorgevoerde, rauwe kapitalistische markteconomie.
Volgens De Moor staan we nu aan het begin van een derde golf. Coöperatieve samenwerkingsverbanden, broodfondsen voor zzp-ers, woon-werk gemeenschappen, collectieven voor de productie van duurzame energie en dergelijke schieten als paddenstoelen uit de grond. Dergelijke initiatieven zijn er bijvoorbeeld ook veel in de zorg. De Moor produceert statistieken waaruit die derde golf blijkt. Bijvoorbeeld de sterke toename van het aantal coöperatieve samenwerkingsverbanden sinds 2005. De Moor ontkent dat dit het gevolg is van de economische crisis. Want de opkomst van de derde golf stamt al van voor die crisis.
Ideologisch offensief
Wat kunnen we nu op grond van deze beweging van drie golven concluderen? Ten eerste lijken de collectieve instituties waartoe mensen in de drie historische golven het initiatief namen, een gevolg te zijn van extreem doorgevoerde marktwerking. Het is dus wel degelijk zo dat mensen daar op reageren, ook nu. Volgens de theorie van vraag en aanbod zorgt de markt ervoor dat altijd alles zo goedkoop mogelijk voor een goede kwaliteit wordt geproduceerd daar waar dat het beste kan. Maar in de praktijk komt daar niets van terecht. Door monopolievorming, door het ontstaan van grote bedrijven die de markt beheersen of verdelen en door andere nadelen van de markteconomie wordt er flink inefficiënt geproduceerd. De collectieve instituties zijn een reactie op drie punten waar het gaat om het falen van de markt bij de productie van goederen en diensten, namelijk de prijs, de kwaliteit en de toegankelijkheid. Mensen zetten zelf initiatieven op voor de productie omdat op de markt een te hoge prijs moet worden betaald, soms in combinatie met een slechte kwaliteit, of omdat bepaalde dure diensten niet voor alle lokale bewoners of belangengroepen toegankelijk zijn. In feite is dus ook de derde golf een reactie op het neo-liberalisme met zijn dogma van de vrije markteconomie.
Maar dat betekent in het verlengde daarvan ook dat “de participatiemaatschappij” (in de zin van: de burger neemt zelf het heft in handen en regelt de dingen samen met anderen) niet een initiatief is van de staat die dit principe van bovenaf aan de samenleving oplegt. Nee, het is andersom: de mensen hebben met allerlei initiatieven van zelfregulering gereageerd op het neo-liberalisme, en het ideologisch offensief van bovenaf door de staat is juist een reactie daarop. Maar een reactie met welk doel? Enerzijds lijkt dit ideologisch offensief aan te sluiten bij de initiatieven van de mensen. De staat lijkt te zeggen: “Goed zo, doen jullie het zelf maar, dan kunnen wij in tijden van economische crisis de begrotingsproblemen oplossen. Slaan we twee vliegen in een klap.” Maar is dat werkelijk de bedoeling van de staat? Hier komen we bij een ander punt wanneer we de drie golven nader bekijken. Het blijkt namelijk dat het om golfbewegingen gaat. De gilden en markegenootschappen in de dorpen van Drenthe zijn allang verdwenen. Ook de vele coöperaties die aan het einde van de negentiende eeuw werden opgericht, waren vaak maar een kort leven van enkele decennia beschoren. Hoe het in dat opzicht met de initiatieven van de derde golf zal gaan, valt nu nog niet te zeggen. Wanneer we kijken naar de teloorgang van de eerste twee golven, blijkt de rol van de staat hierbij zeer groot te zijn geweest.
Privé-eigendom
Wat betreft de oude collectieve instituties van de Middeleeuwen kan worden gesteld dat die pas aan het einde van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw verdwijnen met de opkomst van de natiestaat, die het kader werd voor de regulering van de kapitalistische markteconomie. Ik wil hier nu niet uitgebreid de functie van de natiestaat in het kapitalisme behandelen, maar kort door de bocht gezegd komt het erop neer dat de natiestaat de leverantie van arbeidskrachten aan de kapitalisten, de bescherming van hun belangen en de regulering van de concurrentie op de markt moet organiseren. Dat betekende begin negentiende eeuw dat in diverse nieuwe natiestaten in Europa de gilden en andere collectieve instituties eenvoudigweg door middel van wetgeving werden verboden en dat collectief bezit, bijvoorbeeld van grond, werd geprivatiseerd. Dat gebeurde ook met een ideologisch offensief, namelijk met het verhaal dat het per definitie ging om achterlijke, archaïsche samenlevingsvormen die de maatschappelijke vooruitgang zouden tegenhouden. Privé-eigendom van de productiemiddelen werd door de nieuwe natiestaten afgedwongen in de zogenaamde “enclosures”. Gemeenschappelijk bezit van grond of van andere productiemiddelen zouden ervoor zorgen dat de arbeiders zich niet voldoende inspanden. Daarom werden in diverse Europese landen, zoals Engeland, langdurige campagnes gevoerd om de gemene gronden bij wet te privatiseren, waarbij de boeren soms met geweld van hun land werden verdreven om zo arbeidskrachten ter beschikking te hebben voor de opkomende industrieën. In 1811 werd ook in Nederland een wet aangenomen die moest zorgen voor privatisering van de markegronden.
Hoewel ik De Moor dat niet zo heb horen analyseren, zou gezegd kunnen worden dat de natiestaten indirect ook een rol hebben gespeeld bij de teloorgang van vele collectieve instituties uit de tweede golf. Immers, vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw zien we de opkomst van het neo-liberalisme, waarbij een sterk doorgevoerde kapitalistische markteconomie via nieuwe regelgeving en het afbreken van oude regelgeving de belangen van grote ondernemingen internationaal gaat beschermen. Wat betekende dat voor coöperatieve verbanden en andere collectieve instituties? Zij raakten verstrikt in processen van schaalvergroting en vergaande aanpassing aan de markteconomie met zijn moordende concurrentie. Anderen gingen teloor in de concurrentiestrijd met puur kapitalistische ondernemingen. Zo ontwikkelden coöperaties als de Rabobank zich in feite tot puur kapitalistische ondernemingen die met de idealen van de coöperatieve gedachte niets meer van doen hebben.
Wat gebeurt er nu tijdens de derde golf? Het is de staat die reageert op initiatieven van mensen om zich tegen de uitwassen van de kapitalistische markteconomie te beschermen en om de vercommercialisering van het dagelijks leven in te perken. De Moor ziet naar aanleiding van de derde golf wat al te rooskleurig een nieuwe samenleving opdoemen, waarin staat, markt en collectieve instituties elkaar zouden aanvullen en waarbij een grotere sociale rechtvaardigheid bereikt zou worden. Als hypothese kan in het licht van de geschiedenis over de functies van de natiestaat worden geconcludeerd dat ook nu de staat erop uit is om met een golf aan wetgeving en maatregelen de collectieve instituties van de burgers die sinds 2005 aan het ontstaan zijn, onder haar controle te brengen. Zo kan de natiestaat haar functie blijven vervullen: het beschermen van de belangen van puur kapitalistische ondernemingen, het garanderen van de beschikbaarheid van arbeidskrachten voor de ondernemingen, en het ontwerpen van regelgeving die arbeidskrachten, consumenten, bejaarden, buurtbewoners en anderen in hun denken en doen onderwerpt aan de tucht van de markt. De ervaringen met de eerste golf leren dat de natiestaat desnoods met geweld haar doelen aan de burgers oplegt, wanneer de beschikbaarheid van arbeidskrachten voor de grote kapitalistische ondernemingen in gevaar komt, doordat mensen zelf van onderop de productie van goederen en diensten gaan organiseren. Nader onderzoek van recente regelgeving in het kader van “de participatiemaatschappij” zou moeten uitwijzen in hoeverre deze hypothese klopt. Het hangt er dan toch weer vanaf in hoeverre in het verlengde van de derde golf een politieke beweging op gang komt waarin burgers de ruimte verdedigen om zichzelf te organiseren en zelf beslissingen te nemen.
Broodfondsen
Na de lezing van De Moor was Huirne aan de beurt. Hij ging voornamelijk in op de moeilijkheden die coöperaties ondervinden en de knelpunten in het functioneren ervan. Daarna volgde een discussie waarbij Huirne uiteraard onder vuur kwam te liggen van de aanwezigen in de zaal, omdat de Rabobank volgens hen nauwelijks meer een coöperatie te noemen is. Volgens de aanwezigen hebben de leden niets meer te zeggen en functioneert de bank in feite als welke andere bank dan ook. Naast de discussie daarover kwamen ook andere punten ter sprake die Huirne in zijn inleiding had genoemd. Zoals de onderlinge verhoudingen tussen verschillende coöperaties die in feite met hetzelfde bezig zijn. Een probleem in coöperatieland blijkt namelijk te zijn dat coöperaties soms ook elkaars concurrenten zijn. Ze beconcurreren elkaar op de prijs, kwaliteit en toegankelijkheid, net zoals andere kapitalistische ondernemingen dat doen. Dat schijnt bijvoorbeeld ook een probleem te zijn bij de zogenaamde broodfondsen die zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers) oprichten die geen dure arbeidsongeschiktheidsverzekeringen kunnen betalen. Er is moeizaam overleg tussen de diverse broodfondsen van zzp-ers om afspraken te maken die concurrentie zouden kunnen voorkomen.
Ook kwam de zogenaamde reciprociteit ter sprake, dat wil zeggen: de wederkerigheid. Coöperaties komen tot stand omdat de leden iets inbrengen, actief zijn in de coöperatie en daar iets voor terugkrijgen. Wanneer er schaalvergroting is, dan komt die reciprociteit in gevaar. De leden kennen elkaar niet meer, weten van elkaar niet meer hoe ze functioneren en de coöperatie wordt voor hen een anonieme bureaucratie met haar eigen wetmatigheden en belangen. Daarom zouden de broodfondsen van zzp-ers in principe niet meer dan vijftig leden moeten tellen. In dat geval kent iedereen iedereen en weten ze veel van elkaar. Bij een grote anonieme organisatie ontstaat eerder het risico dat leden gaan frauderen door ziektegeld op te strijken terwijl ze niet ziek zijn. Om fraude te voorkomen zou dan een – vaak niet goed werkend – sanctiesysteem ingevoerd moeten worden. Bij een kleine coöperatie kennen de leden elkaar nog wel. Ze kennen elkaars situatie, kunnen elkaar aanspreken en kunnen ook meer morele druk en sociale controle uitoefenen, zonder dat met een sanctiesysteem gewerkt hoeft te worden. De Moor memoreerde dat vooral die coöperaties op de langere termijn succesvol zijn die niet zo’n sanctiesysteem hoeven te ontwikkelen en die niet te groot zijn.
De analyse van De Moor laat zien dat het ideologische offensief van “de participatiemaatschappij” eerder een defensieve reactie is van de staat op initiatieven en verdedigingssystemen van burgers van onderop. Daarbij is de staat momenteel zoekende hoe ze die vormen van zelfbestuur en zelfbeheer desnoods met geweld onder controle kan brengen. Dit alles werpt voor mij een nieuw licht op de mogelijkheden van coalities van mensen die zich tegen het neo-liberale marktgeweld willen verzetten. Daarbij moeten we niet uitgaan van de analyse dat de mensen allemaal zijn ingedut en alles gelaten over zich heen laten komen. En daarbij moeten we ook gaan inzien dat de staat niet almachtig boven de partijen staat, maar op zijn beurt ook reageert op wat mensen van onderop aan initiatieven ontwikkelen om te overleven in de neo-liberale jungle. De staat is druk doende om “de participatiemaatschappij” te kapen en in te kapselen die de burgers met elkaar proberen vorm te geven.
Piet van der Lende

Breed protest tegen de bezuinigingen van het kabinet Rutte

Ongeveer 10.000 mensen hebben maandag op het Malieveld in Den Haag gedemonstreerd tegen de bezuinigingsplannen van het kabinet. Een eerste opmaat naar meer. Maar de sociaal-democratische en christendemocratische stromingen, massaorganisaties van weleer, raken verdeeld onder druk van de verontwaardiging waarbij de bestuurders en gesubsidieerde belangenorganisaties hun posities in het poldermodel verdedigen tegen het opkomend verzet door tussen de actievoerders en de regering te gaan staan of het verzet te kanaliseren.

De actie was oa georganiseerd door het Nationaal Beraad, waarin grote maatschappelijke organisaties als de Raad van kerken en de vakbonden zitting hebben. Maar bij het Beraad is een reeks van landelijke en provinciale organisaties en belangengroepen aangesloten. Daarnaast was er protest van oa de CG Raad (Chronisch Zieken en Gehandicaptenraad) en andere organisaties voor chronisch zieken en gehandicapten. Zo’n dertig verschillende organisaties protesteerden van 14.00 tot 16.00 uur tegen de aangekondigde bezuinigingen. Volgens de organisatoren waren er meer dan 10.000 mensen aanwezig, de politie beweerde dat het er ongeveer 5000 waren. Er waren ook veel werknemers uit sociale werkplaatsen aanwezig.
De acties werden op maandag gehouden omdat het de dag voor Prinsjesdag is. Gehandicapten en chronisch zieken maar ook andere groepen lieten zien dat ze hard worden getroffen door een opeenstapeling van maatregelen. Stop de opstapeling! was dan ook een van de leuzen. De actiegroep ‘terug naar de bossen’ bracht een doodskist binnen, waarin Henk en Ingrid lagen, de ‘gewone Nederlanders’ die de PVV zegt te vertegenwoordigen. Henk en Ingrid zijn overleden door de bezuinigingen op de gezondheidszorg.
Er klonk veel boegeroep. De demonstranten lieten samen met het Metropole Orkest, dat ook bedreigd wordt door de bezuinigingen, een protestkreet horen.

De demonstratie van de meest uiteenlopende groepen en mensen smaakte naar meer. Maar of dat er komt? In ieder geval is duidelijk, dat veel mensen boos zijn over de manier waarop de regering bezuinigt op de inkomens van de meest kwetsbaren, terwijl de rijken buiten schot blijven. Alles was gericht op het parlement. ‘Het is nu aan het parlement om ons geluid op te pakken en het kabinet op andere gedachten te brengen’, aldus zei FNV-bestuurder Leo Hartveld. Als dat niet gebeurt, krijgt de demonstratie op het Malieveld een vervolg, aldus de vakbondsvertegenwoordiger.

De vertegenwoordiger van de Raad van kerken ontweek de vraag, of de kerken gaan mobiliseren. ‘Wij gaan de mensen helpen’ zei hij en gaf geen antwoord op de vraag of de kerken toekomstige acties steunen. Het is niet onwaarschijnlijk dat een deel van de aanwezige organisaties, die tot over hun oren in de overlegeconomie van het poldermodel zitten, afhaakt wanneer het parlement de begroting eenmaal heeft aangenomen.

Op de achtergrond speelde het vakbondsconflict over het pensioenakkoord. Agnes Jongerius sprak niet op de manifestatie, maar Leo Hartveld. Wilde Jongerius niet met boegeroep van haar achterban geconfronteerd worden? Nu er een rechtse regering is, die haar asociale beleid wil doorzetten in deze tijden van (economische) crises, waarbij zij volkomen ongevoelig lijkt voor argumenten in overleg en voor protestacties, staat de sociaal-democratie op een kruispunt van wegen: of de kant van het duurzaam protest opgaan en weer de vertegenwoordiger worden van emanicipatiebewegingen of medeverantwoordelijk worden voor het afbraakbeleid van het kabinet Rutte. Vele sociaal-democratische bestuurders zijn het eigenlijk in grote lijnen wel met Rutte eens en zij voeren op gemeentelijk niveau het beleid van Rutte trouw uit. Het zwalkend beleid van leider Cohen laat zien, dat men vooralsnog van twee walletjes probeert te eten. Het is echter sterk de vraag of dat in de huidige polariserende verhoudingen blijft lukken. De Partij van de Arbeid staat op zwaar verlies in de opiniepeilingen. Er zijn in de krachtsverhoudingen van de linkse of wat minder linkse organisaties grote verschuivingen op komst die kansen bieden voor een breed verzet in de nabije toekomst op basis van de verontwaardiging die op maandag voor het eerst werd gemobiliseerd.

Arrestaties en machtsvertoon van de politie
En ondertussen maakte ook de politie duidelijk, wat het ware gezicht is van de huidige steeds repressievere controlestaat: bij de demonstratie zijn vier mensen aangehouden, drie omdat ze zich niet konden identificeren en een omdat hij weigerde weg te gaan toen een agent hem dat opdroeg. Pesterijtjes, toen een kleine ongevaarlijke groep van ongeveer 15 personen met veel machtsvertoon werd omsingeld door een grote groep agenten en politiemensen te paard.

Waarom komen uitkeringsgerechtigden niet in verzet. Deel III

Voortbordurend op de uitgangspunten die bij een sociale beweging op het gebied van uitkeringsgerechtigden en werkenden met een minimuminkomen zouden kunnen gelden het volgende. We moeten streven naar internationale samenwerkingsverbanden. In de Euromarsen hebben wij gediscussieerd over de Europese en soms zelfs verder wegliggende internationale dimensie. Daarbij kwam naar voren, dat je terugtrekken in het bastion van de natie-staat geen optie is. Het is- met de groeiende internationale economische verstrengeling en politieke samenwerking op verschillende niveau’s niet goed meer mogelijk als afzonderlijk land bijvoorbeeld een Keynesiaans beleid te voeren en tolmuren langs je grenzen op te richten. De eis van een sociaal minimum bijvoorbeeld zal op zijn minst ook op Europees niveau gesteld moeten worden, om te voorkomen dat (nationale) politieke tegenstanders de verlaging ervan doordrukken met een beroep op de internationale (beleids) concurrentie. Er zou een werkelijk Europese sociale beweging moeten komen, die op dat niveau eisen stelde op het gebied van (sociale grondrechten) waarbij wel toch ook uitgegaan kan worden van het subsidiariteitsbeginsel. Alleen zo zouden ook de grote machtige wereldwijd opererende ondernemingen door politieke bovenstatelijke samenwerkingsverbanden effectief tegemoet kunnen worden getreden.

Op de talloze discussiebijeenkomsten van de Euromarsen in Nederland en in de andere landen kwamen de sterke en zwakke punten van de mondialiseringsbeweging en het politieke vraagstuk van de (sociale) grondrechten al snel na 1997 aan de orde. Hoofdlijn in de discussies was, dat wij in de eerste plaats ernaar moesten streven een verband te leggen tussen onze belangenbehartiging, het nastreven van sociale grondrechten op Europees niveau, en andere (deel) onderwerpen. Op die wijze zou een samenhangende kritiek op het neo-liberale Europa kunnen worden geformuleerd en zouden de sociale bewegingen elkaar kunnen versterken. In dat kader werd besloten veel energie te steken in de organisatie van de Europese Sociale Fora die in het kielzog van het Wereld Sociaal Forum werden gehouden en waar verschillende sociale bewegingen uit verschillende hoeken zoals de milieubeweging, de vredesbeweging en anderen samenkwamen om alternatieven te formuleren. Met die sociale fora gaat het- samen met het ineenstorten van de mondialiseringsbeweging- overigens niet zo goed, maar dit betekent niet dat uitwerking van inhoudelijke alternatieven en kritiek in hun onderlinge samenhang niet op andere wijze voor het voetlicht kunnen worden gebracht.

PvdL

Waarom komen uitkeringsgerechtigden niet in verzet. Deel II

Het verzet van de Franse werklozen en In Duitsland een jaar of 8 a 10 geleden laat zien, dat verzet op wat grotere schaal toch wel mogelijk is. Ondanks het gebrek aan bronnen, etc. De geschiedenis van de Nederlandse werklozenbeweging met het ontstaan van werklozen belangen verenigingen laat zien, dat aan verschillende voorwaarden moet worden voldaan wil er verzet komen.

1. Het moet gaan om grote groepen, die in dezelfde positie zitten en die maar in beperkte mate over verschillende sociaal-juridische posities worden verdeeld, waardoor ze verschillende belangenposities hebben en de groep die langdurig op een uitkering is aangewezen moet groot zijn. Dus niet bv een jaartje in de uitkering, en dan weer werk. Deze laatste groep definieert zich nauwelijks als uitkeringsgerechtigde. Dit systeem van verdeling was nergens zo verfijnd als in Nederland. Dit sluit aan bij de homogeniseringsthese en de fragmentatiethese. Het nieuwe beleid van de regering Rutte kan het ontstaan van meer homogene grote groepen bevorderen.

2. Een sterke vakbond of politieke partij moet zich aansluiten bij de werklozenbeweging of zich daarvoor openstellen. In de zeventiger jaren was dat in Nederland de CPN, met de oprichting van eerst de werklozenkomitees en later de Werklozen Belangen Verenigingen, en in Frankrijk was dat de CGT. Ook in Duitsland leken vakbondsgroepen, met name bouwbonden uit Oost Duitsland, zich bij de werklozen aan te sluiten. Het hoeft overigens niet perse een politieke partij of grote vakbond te zijn, het kunnen ook sociale bewegingen zijn zoals de tweede feministische golf- beweging van bijstandsvrouwen begin tachtiger jaren vorige eeuw of de kraakbeweging – baanlozenbeweging. In de jaren negentig van de vorige eeuw was er een kortstondige vrijage tussen uitkeringsgerechtigdengroepen en de kerken, die tot een opleving van acties en discussies over verarming hebben geleid. Dergelijke coalities kunnen zich weer voordoen.

3. De politieke openheid moet groter worden, zodat de werklozenorganisaties worden erkend en meer gehoor vinden, waarbij de trucs om ze eronder te houden minder worden. Nederland bestond in de zeventiger jaren het kabinet den Uyl en een algemeen opstandig klimaat. Dit zelfde was in de jaren negentig ook in Frankrijk aan de gang. De politieke onwrikbaarheid van rechtse regeringen verlamt de beweging, waardoor ze eerder zal verlopen. “Het helpt toch niet”. Wat dit betreft lijken de ontwikkelingen door de regering Rutte met gedoogsteun van de PVV niet gunstig.

4. Van belang bij de mogelijkheden voor het ontstaan van een sociale beweging is, dat aansluiting wordt gevonden bij (delen van) middengroepen, zodat er -naast politieke openheid en coalities met sterke bondgenoten- een breed gedragen begrip ontstaat voor de positie van de werklozen en hun leefomstandigheden. Daarbij is het gunstig, als de (langdurige) werkloosheid over verschillende sociale lagen van de bevolking is verdeeld, dwz mensen met verschillende sociale netwerken, opleidingsniveaus en leeftijden betreffen. Dit was in de zeventiger jaren het geval met de studentenbeweging en de bouwvakkers, die de eerste werklozenkomitees oprichtten.
Ditzelfde is ook in Frankrijk, waar het gezegde is, dat iedere Fransman wel een werkloze in zijn naaste familie heeft, en dus begrip heeft voor de standpunten van de werklozen. Hoe dit zich momenteel in Nederland ontwikkelt weet ik niet. Aan de ene kant zorgt het overheidsbeleid voor een sterke tweedeling van een soort onderklasse van kanslozen met weinig contacten in andere groepen versus een gegoede middenklasse die neerkijkt op de werklozen. Aan de andere kant zijn de ontwikkelingen naar massa-werkloosheid op de arbeidsmarkt dat ook veel hoger opgeleiden massaal werkloos worden en geen nieuw werk kunnen vinden. Dit is in mijn ogen echter nog een vrij recente ontwikkeling, als gevolg van de economische crisis.

5. Ik ben het niet eens met de stelling van sommigen, dat symbolische acties geen zin hebben. Werklozen bouwen een beweging niet op door te pogen, massale demonstraties te organiseren, maar door ontregelingsakties van relatief kleine groepen, die veel publiciteit halen. Ook dit gebeurde in het begin in Nederland in de zeventiger jaren en halverwege de tachtiger jaren en in Frankrijk. Argentinie is ook een voorbeeld.

In Nederland waren de voorwaarden vooralsnog niet zo gunstig. We hadden een sociaal-democratie die samenwerkte met de liberalen, en er was naast een ver doorgevoerde flexibilisering van de arbeid een veelheid aan belangenposities van werklozen, waardoor er een sterker dan elders ver doorgevoerde individualisering van de werkloosheid was. Het is je persoonlijke probleem, en geen maatschappelijk probleem. Hierboven heb ik echter al aangegeven, dat met de nieuwe regering dit niet zo hoeft te blijven. Er zijn zowel ontwikkelingen die het ontstaan van een verzetsbeweging begunstigen, als ontwikkelingen die dat juist verder bemoeilijken. Welke kant het op zal gaan lijkt me onvoorspelbaar.

Waarom mensen wel of niet meedoen aan collectieve acties

Zie ook voorwaarden voor verzet van uitkeringsgerechtigden

De eerste stelling die ik poneer is dat collectieve acties qua opkomst succesvol zijn wanneer er haalbare eisen en doelen gesteld worden. Haalbaarheid heeft dan geen betrekking op meer of minder radikaal maar op de kans, dat de gestelde doelen ook gerealiseerd kunnen worden. Dat kunnen ook radikale doelen zijn. Bijvoorbeeld revoluties. Mensen komen in beweging, als ze denken, het zou kunnen helpen als ik ook laat zien dat ik het niet pik of dat ik wat anders wil samen met anderen. Wanneer de organisatoren van een collectieve actie doelen en eisen stellen, waarvan van te voren duidelijk is dat niets ervan gerealiseerd zal worden, bijvoorbeeld omdat de tegenstander die de eisen moet inwilligen een gesloten blok vormt waarin ogenschijnlijk of werkelijk geen beweging zit, dan zullen mensen voor die actie niet de straat op gaan. 

Dit is de reden voor het onderscheid tussen werkenden, die wel georganiseerd zijn in de vakbonden en uitkeringsgerechtigden waarvan bepaalde groepen dat niet zijn. De werkenden hebben de mogelijkheid middels stakingen een individuele werkgever of bedrijf onder druk te zetten en de kans dat de werkgever op zijn minst een deel van de eisen moet inwilligen is vrij groot. Wel is dit weer van verschillende factoren afhankelijk, bijvoorbeeld of we in een opgaande conjunctuur zitten of in een economische crisis, en of de werkgever cq het bedrijf ruime winstmarges heeft of juist niet, en of er een moordende concurrentie is met smalle winstmarges, met andere woorden wat de bewegingsruimte van de werkgever is. De stelling zou dan moeten luiden dat in een opgaande conjunctuur meer stakingen voorkomen dan in een neergaande. 
Werknemers die zich op een bepaalde werkgever richten hebben ook het voordeel, dat de werkgever tamelijk autonoom is in zijn beslissingen. Zodra hij voor zijn beslissingen afhankelijk is van een veelheid van personen of instanties, zal hij zich onbeweeglijker tonen. De werknemers hebben ook het voordeel dat ze maar in beperkte mate rekening hoeven te houden met verdeeldheden cq opdelingen van de arbeidersklasse. Ze kunnen zich met hun collectieve actie richten op een specifieke doelgroep, die meer eenduidige belangen heeft en meningen. Ze hoeven zich niets aan te trekken van de meningen van werknemers in andere bedrijven. Voor de mobilisatie kunnen de vakbonden de werknemers gemakkelijk benaderen, bijvoorbeeld door bij een vestiging van het bedrijf bij de poort te gaan staan en een oproep te doen voor een bijeenkomst. De werknemers komen collectief bij elkaar in een gebouw (De fabriek) Het is voor de werkgever moeilijker een verdeel en heers politiek te voeren door groepen met verschillende meningen tegen elkaar uit te spelen. Daardoor kunnen ze in hun collectieve actie ook specifiek op de doelgroiep betrekking hebbende eisen stellen. 
Wanneer uitkeringsgerechtigden daarentegen collectief actie willen voeren hebben ze die voordelen niet. Wanneer zij voor hun belangen willen opkomen, moeten ze zich op de politiek richten want hun regelingen waaraan zij onderhevig zijn worden door de politiek bepaald. Regering en parlement en gemeenteraad en het college van B en W zijn echter veel moeilijker te beinvloeden. Er is een veelheid van partijen (gemeenteraad, college, de bureaucratie, andere lobbygroepen) die invloed uitoefent op het resultaat, dus op bepaalde beslissingen. Dit gebeurt via ingewikkelde officiele procedures, maar ook in de wandelgangen, via informele wegen, waar je niet zo snel zicht op hebt. Bovendien zijn de besluitvormingsprocedures langdurig en slepend en omslachtig. Bureaucratische wetmatigheden spelen een grotere rol, omdat de bestuurders afhankelijk zijn zowel voor hun informatievoorziening als voor de analyse van de situatie en voor beleidsnota’ s met voorstellen van de bureaucratische instellingen die een niet zo sterke bestuurder anders dan bij een werkgever die eigenaar is van een bedrijf  kan ‘overrulen’. De bureacratien hebben bij de staat meer indirecte beslissingsmacht. 
Bovendien moet je voor bepaalde eisen een algemene mobilisatie uitvoeren, waarbij je rekening moet houden met een veelheid aan posities en belangen en de mensen die je wilt benaderen komen niet samen op een bepaalde plaats. Dit alles maakt de haalbaarheid van gestelde eisen en doelen geringer en dus de mobilisatiekracht.
Je moet denk ik wel een onderscheid maken tussen mobilisatiekracht, en de kans dat mensen voor een collectieve actie de straat op gaan en meedoen en anderzijds de redenen dat mensen lid worden van een belangenorganisatie. Dat zijn twee verschillende dingen. Bij wel of niet lid worden speelt bijvoorbeeld traditie (ik ben altijd lid gweest,m en mijn vader ook) en persoonlijke belangen, of het lidmaatschap als een soort individuele verzekering. Dit speelt bij een specifieke collectieve actie en bijvoorbeeld een demonstratie geen rol of minder. Anders kan ik niet verklaren, waarom bijvoorbeeld de werklozen en bijstandsgerechtigden niet in de vakbonden georganiseerd zijn en de WAO-ers wel. De laatste groep heeft gedurende een lange periode als werkende de kracht van de vakbonden persoonlijk ervaren, en leeft bv in de VUT van de resultaten die bij de onderhandelingen zijn binnengehaald. Bij werklozen en bijstandsgerechtigden is dat niet. Bondgenoten had enige jaren geleden in de regio West Nederland hooguit 1500 leden die als werkloos geregistreerd stonden en dan was het ook nog een vervuild bestand met veel VUTers.

Hoe valt de anders globaliseringsbeweging cq de eerste demonstratie van de Euromarsen in dit geheel in te passen? Deze bewegingen hadden verregaande eisen, over de hervorming van de maatschappij, waarvan je zou kunnen veronderstellen dat ze absoluut niet haalbaar zouden zijn tegenover de grootmachten van de wereld, de G8 etc, en toch gingen honderdduizenden de straat op. Waarbij allerlei verdeeldheden op het vlak van indeling in groepen en inhoudelijke verdeeldheden werden doorbroken. Als ik dit wil verklaren denk ik dat ik mijn analyse van wanneer mensen de straat opgaan of bijeenkomsten bezoeken moet aanvullen met: collectieve actie voeren kan ook een individuele manier van leven zijn. Het samenkomen met anderen, je idealen beleven met anderen, bier drinken in een kroeg en tegelijkertijd politieke discussies voeren, naar analogie van wat gebeurt op verjaardagsfeestjes, waar veel mensen vaak uitgebreid over politiek praten, richtlijnen voor een goed leven volgen, en daar je zelfgekozen identiteit in beleven, etc.
 Collectieve acties alleen op deze basis zijn echter tijdelijk en hebben een beperkte invloed. Beperkter dan collectieve acties waarbij men meedoet op basis van haalbaarheid. Ze hebben in de samenleving een beperkte impact omdat mensen die niet voor deze collectieve manier van leven kiezen of beroepsmatig ermee bezig zijn (over schrijven of andere media en kunst uitingen) gescheiden worden van degenen, die weliswaar tijdelijk massaal de straat opgaan maar toch geisoleerd zijn/worden van de rest van de samenleving die er niet zo mee bezig is. De discussie over het gebrek aan lokale worteling van de globaliseringsbeweging geeft dit aan. Voor veel mensen is dit ook slechts een fase in hun leven, of een opmaat voor een carriere. Waarna de beweging uiteen valt. Bewegingen die eenzijdig op de tweede reden steunen hebben een tijdelijke betekenis met weinig duurzame invloed. 
In de globaliseringsbeweging ontstond echter ook verdeeldheid tussen meer radicale stromingen en deelnemers/actievoerders die via NGO’s de weg van het overleg met de machthebbers opgingen. De globaliseringsbeweging was succesvol in die zin, dat de machtigen der aarde een politiek gingen ontwikkelen om de eisen gedeeltelijk in te passen in de kapitalistische orde. 

Zelfbeheer binnen het kapitalisme

Verschenen in Kwerk nr 3 jaargang 6 herfst 2000
Er zijn na de opkomst van het kapitalisme vanuit allerlei ideologiëen vele zelfbeheerprojecten geweest die tot doel hadden concrete alternatieven te bieden door de productie van goederen en diensten zelf ter hand te nemen. In dit artikel worden die pogingen kort opgesomd. Uit de geschiedenis van dergelijke projecten blijkt, dat je wel een alternatief kunt proberen te bieden, maar dat je toch leeft binnen het kapitalisme. Zodat vroeg of laat, langs ideologische weg of gewoon omdat je voor het voortbestaan van het project niet anders kan, de negatieve aspecten van het kapitalisme ook in het project binnensluipen. 
We hebben deze KWERK nu wel gewijd aan “eigen initiatieven van bur­gers”, “zelfbeheer”, “doe het zelf groepen”, “burgers zelf vorm laten geven aan hun omgeving of aan zichzelf”, maar om wat voor soort initiatieven en aktiviteiten gaat het hier eigenlijk? In mijn ogen gaat het om activiteiten, die in één of meerdere opzichten het tegenbeeld zijn van het kapitalisme, waarbij (groepen) mensen concrete alternatieven proberen te ontwikkelen door de productie van goederen en diensten zelf ter hand nemen op basis van idealen als solidariteit, gelijkwaardigheid in de beslissingen, kleinschaligheid, milieuvriendelijkheid, afschaffing van loonarbeid, doorbreking van de scheiding tussen hoofd- en handarbeid, etc.
Groepen die een alternatief proberen op te zetten hoeven zich volgens mij niet altijd volledig bewust te zijn van hun anti-kapitalistische daad. Het grote verschil met politieke partijen, vakbonden en sociale bewegingen van uitkeringsgerechtigden of bijvoorbeeld op het gebied van milieu is, dat deze sociale bewegingen primair gericht zijn op afschaffing of omvorming cq modificatie van de kapitalistische productiewijze: er worden eisen gesteld aan overheid en ondernemers om in de kapitalistische productie met bepaalde maatschappelijke doelstellingen rekening te houden. Het verschil is niet absoluut: ook in sociale bewegingen kan men een combinatie maken van zelf goederen en diensten produceren en eisen stellen aan het systeem, zoals in de kraakbeweging.
Kapitalisme
Omdat zelfbeheer-groepen vaak één of meer aspecten van het kapitalisme bestrijden, ga ik eerst kort de nadelen van het kapitalisme in haar zuivere vorm noemen en daarna opsommen, welke aspecten daarvan in zelfbeheer groepen worden bestreden.
Het kapitalisme is een productiesysteem, waarbij een kleine minderheid het overgrote deel van het kapitaal en de daaraan verbonden productiemiddelen (grond, machines, gebouwen) in bezit heeft en als enig criterium voor deze groepen geldt: rendement op het kapitaal. De grote kapitaalbezitters en banken eigenen zich een vast aandeel in de winst of de omzet toe. Kenmerk van het kapitalisme is, dat arbeid voornamelijk wordt verricht in loondienst: in ruil voor het beschikbaar stellen van hun arbeidskracht krijgen mensen een loon, zonder dat zij mede-eigenaar zijn van de productiemiddelen en zonder dat zij daar zeggenschap over hebben. In het marxisme zegt men: loonarbeid is diefstal. De eigenaar van de productiemiddelen eigent zich een deel van de waarde toe, die door de arbeiders in loondienst wordt geproduceerd.
De gevolgen van dit blinde productiesysteem zijn bekend: milieuvervuiling en armoede, omdat op basis van concurrentie maatschappelijke kosten worden geëxternaliseerd, monopolievorming, waarbij één of enkele aanbieders de markt beheersen en buiten de marktwerking om de prijzen bepalen, vervreemding door de scheiding tussen hoofd- en handarbeid en de scheiding van de werkenden van de productiemiddelen, etc. Dit kapitalisme bestaat althans in Europa niet in haar zuivere vorm; door ingrijpen van de staat maar ook door initiatieven van burgers zelf tracht men de nadelige gevolgen van het productiesysteem te bestrijden.
alternatieven
In het verleden zijn er vanuit een veelheid van ideologiëen pogingen geweest, projecten op te zetten, waarbij verschillende aspecten van het kapitalisme werden bekritiseerd en praktische alternatieven geboden door het zelf organiseren van de productie. Daarbij hoeft men er niet altijd naar te streven, het kapitalisme te vernietigen.
— In de eerste plaats is er de bestrijding van de monopolievorming: vanuit liberale hoek werden in de negentiende eeuw vanuit de kleine middenstand die haar positie ondermijnd zag door de grote monopolistische ondernemingen, coöperaties opgezet, vooral landbouwcoöperaties, zoals de RABO bank, coöperatieve zuivelfabrieken en verzekeringsmaatschappijen of aankoopcoöperaties.
— In de tweede plaats is er de kritiek op de loonarbeid en het kapitalisme als geheel: vanuit anarchistische hoek werden productieve associaties opgericht. Doelen waren vanuit een kritiek op de loonarbeid organisaties op te zetten, waarin dit principe was afgeschaft: door uitbreiding van deze associaties zou het kapitalisme langzaam maar zeker afsterven. Voorbeelden zijn aan het begin van de twintigste eeuw de Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB) en in onze tijd de Vereniging Solidair.
Een beetje een aparte tak van de productieve associaties zijn de pogingen, (landbouw)kolonies te stichten, waar de ideale maatschappij door leefgroepen of communes in practijk moest worden gebracht. Aan het begin van de twintigste eeuw was dat Frederik van Eeden met Walden en in onze tijd de vereniging NELK, Landelijk Netwerk Ecologische Kernen.
— In de derde plaats zijn er pogingen de negatieve gevolgen van het kapitalistisch distributiesysteem te bestrijden: vanuit sociaal-democratische hoek werden vooral verbruikerscoöperaties van consumenten opgericht. Doel was door machtsvorming van consumenten het distributiesysteem te omzeilen. De leden van de coöperatie waren als consumenten eigenaar van het bedrijf, en ze konden zo lagere prijzen bedingen bij de groothandelaren. Deze consumentencoöperaties waren onderdeel van de politieke strijd van de sociaal-democraten, waartoe andere onderdelen behoorden, zoals de vakbonden en de politieke partij. Men wilde het kapitalisme niet afschaffen, maar omvormen.
In feite gaat het hier om de categorie, die de oorzaken van het feilen van het kapitalisme ziet in het distributiesysteem: de sociaal-democraten wilden op den duur het kapitalisme hervormen door in te grijpen in de distributie van de rijkdom waarbij via de staat een herverdeling van de rijkdom werd bewerkstelligd. Zo zou een kapitalisme met een menselijk gezicht mogelijk zijn. Ook bijvoorbeeld woningbouwverenigingen kunnen worden gezien als een poging, de verdeling van woonruimte niet geheel aan de markt over te laten.
In deze categorie past ook de recente stroming voor de invoering van LETS-systemen. Er bestaan in een stad als Amsterdam verschillende ruilsystemen, zoals LETS (Local Exchange Trade System), Het Gilde en de stichting Over en Weer. Aan het LETS-systeem ligt een hele filosofie ten grond­slag, die vooral uitgedragen wordt door de Aktie Strohalm in Utrecht. Principe is, dat je tegen een geringe vergoeding lid kunt worden van het systeem, en dat er eigen ruilmiddelen zijn, in Amsterdam de Noppes, waarmee diensten over en weer kunnen worden betaald. Dit kan van alles zijn, zoals het ruilen van tweedehandsgoederen, ter beschikking stellen van deskundigheid, etc. Uitgangspunt is, dat iedereen, ook bij­voorbeeld arbeidsongeschikten, wel iets hebben aan te bieden en dat in het systeem de armoede wordt bestreden, omdat tegen een geringe vergoeding in de vorm van noppes diensten en goederen kunnen worden verkregen.
Je hebt verder gewoon een rekening bij de noppesbank, waar op staat hoeveel noppes je hebt verdiend en hoeveel je schuldig bent aan anderen. Het is in feite buiten de geldeconomie om zelf een ruilsysteem opzetten, met eigen geld, waarin men geen rente krijgt op het kapitaal en ook mensen met weinig geld hun arbeid ‘ te gelde’ kunnen maken.
— In de vierde plaats zijn er initiatieven, die de nadruk leggen op het praktisch zelf-doen, waarbij de scheiding van hoofd- en handarbeid wordt doorbroken en die overigens kunnen plaatsvinden in het kader van allerlei sociale bewegingen. Zoals biologische tuingroepen van de Vereniging voor Ekologische Leef- en Teeltwijze (VELT). VELT is een van oorsprong Belgische belangenorganisatie van biologisch telende amateurtuinders, maar ook een soort alternatieve consumentenbond en een milieu-actiegroep zoals Milieudefensie. In Nederland zijn deze verschillende functies bij verschillende organisaties terecht gekomen.
— Daarnaast zijn er vele groepen, die de gevolgen van de milieuvervuiling bestrijden door een deel van de productie, die maatschappelijk noodzakelijk is, zelf uit te voeren: groepen die zich bezig houden met arbeid op het gebied van milieu. Zoals natuurbeheerprojekten opge­zet door Stichting het Noord-Hollands Landschap, waarbij tientallen vrijwilligers en beroepskrachten in het Ilperveld de natuur in stand houden. Dit kunnen ook half of geheel professioneel werkende groepen zijn, die zich bezig houden met biologisch (dynamische) landbouw.
— Alternatieve media richten zich op het weerleggen van de informatievoorziening in het kapitalisme, die vaak zeer éénzijdig is en waarbij kritiek op het systeem maar in beperkte mate doordringt. Dit zijn er vele, zoals de MUG, verschil­lende organisaties die uitzenden via SALTO, de Digitale Stad, alternatieve bladen zoals de NN, Solidariteit, Kwerk, etc.
In deze categorie horen ook de alternatieve archiefprojekten die zich bij het verzamelen van informatie ten doel stellen andere feiten in hun onderlinge samenhang naar voren te brengen dan gewoon­lijk in de reguliere media gebeurt. (AMOK, Kafka, Jansen en Janssen, het Staatsarchief).
— Belangrijk is ook de alternatieve hulpverlening, zoals in Amsterdam de Witte Jas, spreekuren voor uitkeringsgerechtigden, allochtonen en andere doelgroepen (Info-Buitenland Oud-West, Autonoom Cen­trum, WBVA, Bijstandsbond, Komitee Vrouwen en de Bijstand, St. Baan, BBS, AMSOSA, KMAN, spreekuren in de buurten).
— Er zijn nog vele andere voorbeelden te noemen, zoals derde wereld projekten, bijvoorbeeld Gered Gereedschap waar men gereedschap voor de Derde Wereld maakt. Tenslotte zou ik nog willen wijzen op buurtgroepen, zoals de bewonersgroep Hackfort-Huigenoort, die één van de flats in de Bijlmer met z’n 150-en hebben opgeknapt en die een zwartboek hebben geschreven ‘Getto in wording’.
Wanneer je de wortels nagaat van het idee, een coöperatieve vereniging op te richten, als alternatief voor de op kapitalistische leest geschoeide productie, dan valt- naast het feit, dat vanuit vele ideologiëen pogingen werden ondernomen- op, dat de wortels van dergelijke coöperatieve verenigingen soms teruggaan naar voor-kapitalistische tijden. Ze zijn rechtstreeks terug te voeren op leefgemeenschappen, waarin begrippen als socialisme en anarchisme of communisme nog helemaal niet bestonden, maar waar men op basis van gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen en regelingen daarvoor, organisatievormen ontwikkelde om de samenleving te ‘reguleren’. Voorbeelden zijn de vele begrafeniscoöperaties in ons land, waarvan de geschiedenis vaak teruggaat op pre-industriële burenhulpsystemen, waarbij de dorpsgenoten of de buren afspraken hadden gemaakt om elkaar in tijden van nood te helpen. Soms werd bij het begin van deze eeuw, tijdens de opkomst van het kapitalisme, de reeds eeuwen bestaande mondelinge afspraken tussen de buren vastgelegd in de statuten van een coöperatieve (begrafenis)vereniging. Blijkbaar zit het verlangen van de mens naar ‘mutual aid’, wederkerige hulp, zoals Kropotkin dat geanalyseerd heeft, minstens even diep als het concurrentiemechanisme.
Moeilijkheden die de groepen tegenkwamen
Een van de grootste moeilijkheden, die een groep tegenkomt als men vanuit kritiek op één of meer principes van het kapitalisme een project wil opzetten, is het gebrek aan (start)kapitaal. De opzet van ecologische leefgemeenschappen die door de vereniging NELK worden gepropageerd stagneert bijvoorbeeld omdat de aanschaf van een bepaalde hoeveelheid grond met huizen niet kan worden gefinancierd.
Bovendien duurt het enige tijd voor je voldoende producten op de markt hebt gebracht om ervan te kunnen leven, of om het kapitaal terug te verdienen. En in die tussentijd moet je toch leven, eten, heb je kosten. In het kapitalisme is het productiekapitaal in handen van zeer grote ondernemingen, die door diepteinvesteringen zeer goedkoop kunnen produceren omdat wordt afgezien van principes op het gebied van het milieu, zoals gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Het is moeilijk daar tegenop te boksen en een stukje markt te veroveren. 
De ‘baanlozenbeweging’ is een poging, dit dilemma op te lossen: met behoud van uitkering toch producten maken in een eigen project. Je hebt dan voor de lopende kosten een inkomen.
In onze tijd is kapitaalsgebrek ook vaak opgelost door je eenvoudigweg een deel van de productiemiddelen toe te eigenen. Een voorbeeld daarvan is de kraakbeweging: huizen, kantoren, gebouwen bezetten. Voor een deel werd deze beweging ingegeven door de woningnood: mensen wilden een huis om in te wonen. Voor een ander deel werd dit ook ingegeven door de behoefte aan een alternatieve maatschappij voor het kapitalisme: zelfbestuur, tegen cityvorming, etc.
De kraakbeweging is er nauwelijks meer, maar haar invloed is tot op de dag van vandaag groot. Er zijn vele woon-werk gemeenschappen uit ontstaan. In Amsterdam kan gedacht worden aan Tetterode. Principe van bijvoor­beeld Tetterode en het WG-terrein is, dat een woningbouwver­eniging het casco van een groot gebouw verhuurd aan een vereniging van gebruikers/onderhuurders tegen een lage prijs, die dan vervolgens zelf de inrichting van het gebouw, het beheer en het toelatingsbeleid bepalen.[i] Ook komt het echter wel voor, dat krakers gezamenlijk het pand hebben gekocht.
Deze principes zijn uitgebreid door meer van dergelijke projecten op te zetten: in Amsterdam het WG-terrein, het Y-tech gebouw aan de van Diemenstraat en de vereniging Archipel. Deze projecten zijn echter vaak gefinancierd door woningbouwverenigingen of de overheid middels subsidies. Je krijgt dan te maken met geldschieters of eigenaren van de machines en gebouwen waarmee je werkt, die hun eigen doelstellingen hebben.
inkapseling
En hiermee komen we ook op een tweede moeilijkheid die groepen tegenkomen: de principes van zelfbeheer op basis van sociale gelijkheid vanuit een kritiek op het kapitalisme, waarbij men op basis van solidariteit niet-commerciële projecten opzet, verwateren vaak. Wanneer het woon-werk pand is gelegaliseerd gaat iedereen een eigen project, bedrijfje of belangengroepje beginnen. Vaak volgens de beste kapitalistische principes, men wil met niemand meer wat te maken hebben en niemand werkt meer aan het gemeenschappelijke project: het woon-werk pand.
Als je wilt dat je project goed van de grond komt, moet je of volgens de principes van de ‘baanlozenbeweging’ werken, of een marktaandeel veroveren. En dat marktaandeel moet je veroveren op ondernemingen die volledig kapitalistisch werken en die dus wel kapitaal hebben om dure machines te kopen, en zeer goedkoop te produceren. Dus……
In de LETS-systemen ontstaat bijvoorbeeld in Amsterdam een koersverhouding tussen de Noppes en de gulden. 1 noppes is zoveel cent. En er ontstaan rijke en arme bezitters van Noppes. Sommigen hebben veel, bijvoorbeeld omdat ze de Noppesbank beheren, en anderen hebben weinig. Dus er zijn in het LETS-systeem mensen die veel guldens hebben en mensen die weinig hebben. Terug bij af.
Het bovenstaande geeft aan, dat je met je project/organisatie/groep niet in een vacuüm opereert: je opereert binnen het kapitalisme. In het verlengde van bovenstaand verhaal ligt de tendens tot oligarchisering en bureaucratisering: bestuurders van belangenverenigingen, coöperaties en projecten zijn gericht op het voortbestaan ervan en worden dus eerder met de inbedding in het kapitalisme geconfronteerd. Zij zien de instorting van het idealisme en de solidariteit in het woon-werkpand, of ze willen een concessie doen aan het kapitalisme om te overleven, maar de achterban wil het misschien niet, etc. Er komt een formele of informele hiërarchie in de organisatie, er komen gespecialiseerde functies, een hernieuwde scheiding tussen hoofd- en handarbeid, de herinvoering van loonarbeid door betaalde secretaresses, of andere functies, etc.
De teloorgang van coöperaties in de landbouw is een schoolvoorbeeld van het lot van dergelijke organisaties. De landbouw-coöperaties werden met de twee bovenstaande moeilijkheden geconfronteerd: gebrek aan kapitaal en oligarchisering. Daardoor hebben zij zich ontwikkeld tot pure kapitalistische ondernemingen.
Is deze inbedding in het kapitalisme te voorkomen? Is er een soort eeuwige strijd van steeds weer nieuw opkomende ‘basis’ bewegingen die weer voor zichzelf beginnen en dan weer… etc.? Mijn conclusie luidt in ieder geval dat bij projecten waarin men goederen en diensten poogt te produceren buiten het kapitalisme om, zonder politieke strijd gericht tegen de machthebbers, er geen geleidelijke vernietiging van dat kapitalisme volgt, hooguit een modificatie (aanpassing) van de markteconomie.
Piet van der Lende

Waarom komen uitkeringsgerechtigden niet in verzet. Deel I

Op dit moment komen uitkeringsgerechtigden niet effectief in verzet tegen de afbouw van de welvaartsstaat. Daarvoor bestaan verschillende theorien die dat pogen te verklaren die allemaal een aspect zijn van de machteloosheid van uitkeringsgerechtigdengroepen.

1. De fragmentatie of heterogeniteitsthese. De belangenfragmentatie van uitkeringsgerechtigden ten gevolge van het sociale zekerheidsstelsel is ervoor verantwoordelijk, dat een verbinding van en allianties tussen verschillende belangengroepen niet of heel moeilijk tot stand komt. De
categoriale belangenorganisaties komen op voor het deelbelang van de eigen groep. Het is zelfs zo, dat ook weer binnen een bepaalde groep- bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden- zich specifieke deelbelangen ontwikkelen op basis van een verschillende status in dezelfde uitkering. Langdurig werkloos, arbeidsongeschikt en vrijstelling van de sollicitatieplicht versus wat hoger opgeleide kansrijken die korter in de uitkering zitten. Of mensen met een stagecontract of een ID baan versus mensen die geen gesubsidieerde arbeid verrichten. In Amsterdam zijn er op zijn minst 5 treden op de ‘participatieladder’ waarbij iemand op een bepaalde trede andere rechten en plichten heeft en anders wordt benaderd dan iemand op een andere trede. Onder druk van de bezuinigingen wordt echter een deel van al die verschillende posities afgebouwd.

2. De homogeniseringsthese. De ontwikkeling van zo’n brede beweging is niet uitgesloten op grond van een politiek-juridische en financiele gelijkschakeling van uitkeringsgerechtigden. De invoering van een ministelsel en grote groepen die als gevolg van een blijvende massawerkloosheid langdurig op dezelfde minimumuitkeringen zijn aangewezen vergroten de kans op verzet. Deze these veronderstelt dat als de huidige regeringsplannen waarheid worden- het samenvoegen van Wajong, WSW en bijstand- en tegelijkertijd de WW grotendeels wordt afgeschaft en de werkloosheid toeneemt- de kans op effectief verzet van deze grotere homogene groep groter wordt. Om misverstanden te voorkomen: dit is niet een soort verelendungstheorie, waarbij iedereen het erg slecht heeft. Dan treedt these 5 in werking.

3. De uitvoeringskrisis these. Protestbewegingen zijn enkel te verwachten bij een acute krisis van het
uitkeringssysteem. Bijvoorbeeld een plotselinge grote toeloop of disfunctionerende uitvoeringsinstanties. Dit kan worden tegengegaan door inkapseling middels clientenraden, versoepeling van uitkeringsregimes of door stroomlijning van de organisatie. Inderdaad hebben we bv in Amsterdam in het verleden gezien, dat bij stagnatie in het uitbetalingssysteem iedereen tegelijk verhaal gaat halen en bij de uitkeringskantoren dreigende situaties kunnen gaan ontstaan die de potentie van een eerst spontane en daarna georganiseerde opstand in zich hebben.

4. De these van de politieke bronnenarmoede. Uitkeringsgerechtigden zijn principieel machteloos omdat ze nauwelijks beschikken over interne en externe politieke en financiele hulpbronnen en invloedsmiddelen. Het ontbreekt hen aan collectieve ontmoetingsplaatsen en aan mogelijkheden voor
ontregeling of verzet, zoals stakingen. Ze beschikken over weinig burgerlijke vaardigheden, leiderschapskwaliteiten en externe bondgenoten, waardoor de organisaties zwak zijn. Ik ben van mening dat deze these sterk moet worden gerelativeerd. Wanneer een grote groep mensen georganiseerd verzet wil plegen, komen de bronnen wel beschikbaar. Werklozen hebben in het verleden bewezen, dat ze wel degelijk druk kunnen uitoefenen middels allerlei ontregelings- en blokkade acties.

5. De apathie en berustingsthese. Een sociaal-psychologische verklaring. De werkloze maakt verschillende fasen door, die eindigen in berusting. Berusting is een rationele reactie op de beperkte sociale en politieke mogelijkheden van het uitkeringsbestaan. Een deel gaat het te slecht om in actie te komen.

6.De openheid of geslotenheid van het politieke proces. Er functioneert een duidelijke politieke statushierarchie m.b.t de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden. Dit is afhankelijk van het arbeidsethos, en daarmee de sociaal juridische legitimiteit, de electorale betekenis van bepaalde
groepen etc. Verder een specifieke regeringscoalitie moet rekening houden met de uitkeringsgerechtigden, die op haar stemmen. In de politieke krachtsverhoudingen spelen uitkeringsgerechtigden een rol. Deze these kan verklaren waarom de (vakbonds) organisatiegraad onder WAO-ers groot is terwijl AOW-ers in eigen bonden zijn georganiseerd en er rekening met hen wordt gehouden, terwijl bijstandsgerechtigden en werklozen nauwelijks georganiseerd zijn en er geen rekening met hen wordt gehouden. Ze nemen in de politieke statushierarchie een lagere plaats in en het politieke proces is voor hen moeilijker toegankelijk.

Tussen verzet en apathie. Recensie van het proefschrift van Ruud Vlek

De vragen wanneer komen mensen collectief in verzet, en
waarom doen ze dat soms wel en soms niet, heeft vele sociale
wetenschappers en historici in de afgelopen eeuwen bezig
gehouden. Een echt volledig antwoord kwam er niet. Als je
denkt, toch ook een bijdrage aan het antwoord op die vragen te
kunnen leveren stel je jezelf geen geringe opgave. Maar Ruud
Vlek liet zich niet afschrikken en hij werkte zes jaar aan de
beantwoording van wat je een onderdeel van bovengenoemde
vragen zou kunnen noemen: in hoeverre hebben uitkeringsgerech-
tigden in Nederland in de afgelopen 20 jaar zich verzet tegen
de afbraak van de verzorgingsstaat en gestreden voor verbete-
ring van hun rechtspositie en wat waren de belemmeringen die
zij tegenkwamen? Daarnaast werkte Vlek aan antwoorden op vele
andere vragen: hoe worden de belangen van uitkeringsgerechtig-
den gerepresenteerd? Wie vertegenwoordigen hen? Doen ze dat
zelf, of zijn er anderen- zaakwaarnemers- die zich als verte-
genwoordigers opwerpen? Kwam het verzet dat er geweest is
spontaan op, of was het van te voren georganiseerd? Het resul-
taat van de studie is een dik proefschrift van 700 bladzijden,
getiteld ‘Inactieven in actie. Belangenstrijd en belangenbe-
hartiging van uitkeringsgerechtigden in de Nederlandse poli-
tiek. 1974-1994′. Om de vragen te kunnen beantwoorden, analy-
seert Vlek allereerst de objectieve belangenposities van
verschillende groepen uitkeringsgerechtigden, die vooral
ontstaan onder invloed van het overheidsbeleid. Werklozen
bijvoorbeeld worden door het overheidsbeleid ingedeeld naar
het soort uitkering dat ze hebben (WW of bijstand) maar ook
naar hun relatie met de arbeidsmarkt: de befaamde indeling in
vier categoriën van meer of minder bemiddelbaar. Als je dan
ook nog bedenkt, dat er vele soorten uitkeringen zijn met ook
weer indelingen in subgroepen, wordt er iets duidelijk van de
eindeloze fragmentatie waaraan de uitkeringsgerechtigden
onderhevig zijn en de diversiteit aan belangenposities die dat
met zich meebrengt.
Vlek brengt de fragmentatie in kaart en onderzoekt vervolgens
welke (sub)categoriën tegen de bezuinigingen in opstand kwa-
men, hoe ze dat deden en welke omstandigheden zo’n protest
bevorderen dan wel belemmeren.
effecten van fragmentatie
Zelfstandige, categoriale belangenorganisaties buiten de grote
vakbonden en politieke partijen hebben het bezuinigingsbeleid
niet kunnen ombuigen. Uitkeringsgerechtigden zijn er de afge-
lopen twintig jaar niet in geslaagd de door het overheidsbe-
leid be‹nvloedde fragmentatie in belangenposities te overstij-
gen door het ontwikkelen van een collectieve identiteit van de
groep als geheel. De fragmentatie, de afhankelijkheid van de
staat, de lage sociale en politieke status van bijvoorbeeld
werklozen, de geringe electorale betekenis van sommige groe-
pen, de ontoegankelijkheid van de politieke besluitvorming en
vele andere factoren hebben de invloed van vaak kleine belan-
genorganisaties beperkt.
Slechts nu en dan slagen subcategorie‰n erin, een beperkte
sociale beweging op te bouwen. (bijstandsvrouwen, WAO-ers,
AOW-ers) Dit wisten we eigenlijk al. Maar soms is het boek
toch ook onthullend, bijvoorbeeld wanneer Vlek de onrust rond
de WAO-maatregelen in 1991 analyseert, waarbij blijkt, dat de
sociaal-democratie de WAO-ers in de steek gelaten heeft. Ook
laat hij zien, dat het paarse kabinet ondanks alle retoriek
over bestrijding van de armoede gewoon doorgewerkt heeft aan
de invoering van een ministelsel in de sociale zekerheid. Een
enquˆte onder de nederlandse vakbonden laat zien, dat zij aan
de positie van mensen met een minimaal inkomen uit uitkering
of flexibele arbeid weinig prioriteit geven.
waarom verzet?
Maar ach, die ene vraag, waarover sociologen, historici en wie
al niet zich buigen: Why do men rebel. Waarom komen mensen
soms wel en soms niet in verzet. Want er zijn voorbeelden uit
de geschiedenis, waarbij mensen in vergelijkbare omstandighe-
den als de Nederlandse uitkeringsgerechtigden wel in opstand
kwamen. Bijvoorbeeld de zwarte burgerrechten beweging in
Amerika in de zestiger en zeventiger jaren en recentelijk de
Franse werklozen. Hierbij spelen objectieve belangenposities
in de maatschappij en een veelheid van historische en politie-
ke factoren een rol. Maar een volledig, voor meerdere maat-
schappijtypen geldend antwoord is niet te geven. Het zijn
levende mensen van vlees en bloed, die op cruciale momenten in
de geschiedenis op basis van een subjectief ervaren collecti-
viteit onverwachte beslissingen kunnen nemen. Vlek heeft veel
overhoop gehaald, hij heeft alle -zelfs de kleinste- politieke
acties van uitkeringsgerechtigden gedocumenteerd. Daaruit
blijkt, dat verzet van uitkeringsgerechtigden of werklozen
vooral succes heeft en van de grond komt wanneer zij coalities
aangaan met een reeds bestaande, sterke maatschappelijke
organisatie zoals een vakbond of een politieke partij. Om in
de publiciteit te komen en druk uit te oefenen op de overheid
moet men dan niet kiezen voor pogingen, een massa-beweging met
grote demonstraties op te zetten. Vooral ontregelingsacties,
zoals bezettingen van arbeidsbureau’s en sociale diensten door
kleinere groepen hebben succes. Dit is wat de nederlandse
Werklozen Belangen Verenigingen in de zeventiger jaren deden
en wat de Franse werklozen nu doen. Belangrijk voor het van de
grond komen van verzet is ook, dat groepen uit meerdere socia-
le lagten van de bevolking door bijvoorbeeld bezuinigingsmaat-
regelen getroffen worden, zodat mensen met verschillende
opledingsniveau’s en achtergronden aan de acties deelnemen.
Wat in het proefschrift van Vlek echter buiten beschouwing
blijft, zijn de met soms onduidelijke politieke eisen gepaard
gaande, meer spontane opstandjes in de oude wijken van de
grote steden, zoals de Oosterparkbuurt in Groningen. Daarbij
keren de bewoners zich soms collectief tegen de staat, met
name tegen de zichtbare vertegenwoordiger ervan, de politie.
Op grond van Vlek’s analyses kan nauwelijks worden vastge-
steld, of een dergelijk verzet zich in de toekomst zal uit-
breiden tot wat grotere spontane opstanden. Vlek heeft de
politeke betekenis daarvan niet geanalyseerd. Je zou kunnen
zeggen, dat de relletjes in de Oosterparkbuurt in Groningen
behoorlijk effectief waren, want het heeft geleid tot het
vetrek van alle hoogwaardigheidsbekleders die verantwoordelijk
waren voor de openbare orde.
gevoelens van machteloosheid
Ook de machtigen der aarde weten het antwoord niet op de
vraag: waarom komen mensen soms wel en soms niet in verzet.
Wel laat Vlek in zijn soms droge analyses zien, dat de be-
stuurders bewust of onbewust- naast de eindeloze fragmentatie
van de belangenposities – streven naar een ideologische be-
nvloeding van uitkeringsgerechtigden, waarin voor sommige
interpretaties van de feiten geen plaats is. Dit beleid is
behoorlijk effectief, als het gaat om het voorkomen van ver-
zet. De gevoelens van machteloze woede, schaamte en wanhoop
die dit beleid oproept bij veel mensen, het gevoel, niet meer
samen met anderen te kunnen protesteren tegen wat je onrecht-
vaardig lijkt, komen in het boek van Vlek verder niet aan de
orde. Dit gebeurt wel in de bestseller van Vivian Forrester,
‘de terreur van de economie’. Haar boek is een schreeuw van
angst over de gevolgen van het flexibele kapitalisme met zijn
massa-werkloosheid waarin niets meer zeker is. Zij zegt, dat
het enige antwoord is: ons voortdurend afvragen of de proble-
men die politici en economen aan de orde stellen eigenlijk wel
bestaan, of er geen andere, belangrijkere problemen zijn. We
moeten de heersende discussie ter discussie stellen en daarbij
nauwkeurig feiten en analyses naar voren brengen. Vlek heeft
dat met zijn jarenlange studie gedaan en daarmee heeft hij een
belangrijke bijdrage geleverd aan de strijd van uitkeringsge-
rechtigden en anderen voor een betere, rechtvaardiger maat-
schappij.

Piet van der Lende.

Opvattingen van Bart van Wijck

Het gaat om een culturele omslag. In de zeventiger jaren hadden wij het idee, dat we met iets groots bezig waren, dat we deel uitmaakten van een internationalistische wereldwijde beweging voor een betere maatschappij. Enthousiast werkten wij aan een betere toekomst. Dit subjectieve gevoel is helemaal weg. Het gaat erom, dit gevoel weer terug te krijgen. Het had ook wel iets te maken met de levensfase waarin je verkeerde, je afzetten tegen je ouders, je was jong, begon de wereld te ontdekken. Toen ik een boek las over 1917 raakte ik helemaal enthousiast, dat was het, ik voelde me verbonden met een we­reldwijde beweging. Het postmodernisme heeft ook wel iets positiefs. Wat bedoelt hij daarmee?. Het internationalisme van de zeventiger jaren was goed. Je voelde je betrokken bij derde wereld bewegingen voor bevrijding van het eigen land. Mensen kijken bij een identificatie naar een range van dingen. Naar het enthousiasme dat de reeds deelnemenden uitstralen, naar het wij gevoel dat zij uitstralen, of ze zelf in die beweging aktief kunnen zijn om zelf dingen te ontdekken, etc.

Niet alleen naar het objektivistische van: hele goede doelstellin­gen, die mensen willen iets moois, daar ben ik het wel mee eens. Wat Jan Müter en Rob Marijnissen doen, is een objectie­ve analyse van de krachtsverhoudingen en daar dan tegenover zetten wat goed is, daar moet iedereen het toch wel mee eens zijn, en dan proberen te intervenieren in het krachtenveld, en best ook wel dingen bereiken. Dit doet de SAP heel sterk, ze willen geen oude dingen loslaten, terwijl als je revolutionair bent, je toch de dingen op hun kop moet durven zetten. Men gaat met een soort dodelijke ernst de dingen analyseren. Hoewel het best goed is om af en toe dodelijk ernstig te zijn. Minstens even noodzakelijk is een inschatting/ analyse van de subjektieve kant van de sociale bewegingen. Die twee dingen moeten precies op elkaar aansluiten. Je gaat een inschatting maken bij een huis bouwen van het veld, hoe ziet dat eruit, welke materialen heb je, en dan ga je het huis gewoon bouwen. Het gaat erom, dat we geen truucs gebruiken om mensen te manipuleren, maar om mensen zelf te laten denken. Wij gebruiken ook een mooie lay-out voor het blad. Het kan ook best goed zijn om een totaal-scepticisme neer te zetten tegen het groene hart van Nederland zoals in de laatste tijd gebeurt.

De derde kamer komt op voor de mensen aan de onderkant, de naamlozen die geen stem hebben. Wij streven naar radikale demokratie, wat verschillende vormen kan aannemen.

Dit leidt tot de volgende conclusies voor de tekst:

1. Het moet een tekst zijn, waar mensen zich mee kunnen iden­tificeren. Dit betekent echter geenzins dat wij alleen maar een objektieve analyse plegen van de werkelijkheid en van de krachtsverhoudingen daarin, daarna Het Goede formuleren en ertegenover plaatsen, meedelen, dat wij dit Goede, waar ieder­een het wel mee eens (moet) zijn nastreven en het daarbij laten. Identificeren betekent ook heel andere dingen. Mensen identificeren zich om diverse redenen. Omdat de deelnemers enthousiasme uitstralen, omdat er felle, spitsvondige diskus­sies worden gevoerd, of omdat men denkt door deelname zelf nieuwe dingen bij zichzelf en bij anderen te kunnen gaan ontdekken. Dit heeft tot gevolg, dat wij niet streven naar een tekst, waarvan wij denken, dat veel mensen het ermee eens moeten zijn, of dat alleen uit voor de hand liggende dingen in staan. Er kunnen best dingen in staan, waar bijna niemand het mee eens is.

2. De tekst is niet zozeer bedoeld als een hergroepering van de derde kamer, een evaluatie van het voorgaande en een moti­vatie voor onszelf, maar als een tekst naar buiten toe, om mensen te werven,als een ontwikkeling in het gezicht van de derde kamer, als een mijlpaal op weg naar een beweging, waar­van de mensen denken: daar wil ik bijhoren, (ook al ben ik het er niet mee eens).

3. De tekst moet niet truucs gebruiken om mensen te laten denken, wat wij ook denken, maar om mensen zelf te laten denken. Waarom willen wij dit? Dat is een goede vraag. Waarom willen wij eigenlijk geen verlichte dictatuur van een deskun­dige minderheid, die de werkelijkheid van de historische maatschappijvormen uitgebreid geanalyseerd heeft, en die dus om die reden de enige elite is, die weet, wat goed is voor de mensen? Als je het teveel aan de mensen zelf overlaat, ont­staat er maar chaos, of misschien wel een burgeroorlog, of een terugval in voorgaande historische maatschappij-formaties. De eerste filosoof die dit vond, was Plato.

4. Wij moeten expliciet vermelden, dat wij geen dubbele bodem nastreven. Moeten we dat wel expliciet vermelden?.

5. De tekst moet wel een analyse zijn van de werkelijkheid, bijvoorbeeld van “een jaar paars” maar daar minstens even belangrijk aan koppelen een inschatting van de subjektieve positie van sociale bewegingen, dat inmiddels een leeg bregrip geworden is, en proberen een tekst te maken, waarbij deze twee dingen precies op elkaar aansluiten. Dit geeft mensen het gevoel, dat ze zich met de tekst kunnen identificeren!.

6. Dit betekent dat we bij het maken van de tekst tewerk gaan volgens de methode: eerst analyseren, hoe het in elkaar zit en inschatting subjektivisme, en dan een tekst, waarbij deze twee op elkaar aansluiten.