De uitstroom van Herstelling Werk en Uitvoering. (HWU)

Tijdens de discussieavond in Amsterdam Oud West over de misstanden die heersen bij de projecten van de stichting Herstelling beweerde Jeroen Sprenger, voorzitter van de stichting, dat 60% van de mensen die in de projecten te werk worden gesteld uitstromen naar betaald werk. Marc van Hoof, advocaat van de Bijstandsbond, bracht naar voren dat Sprenger dit helemaal niet kon weten, omdat de gemeente Amsterdam wat betreft de uitstroomcijfers niet bijhoudt waarnaar mensen uitstromen en waarom. Tijd voor een nadere analyse.

Er blijkt bij de stichting Herstelling blijkens hun eigen website een ‘manager uitstroomunit’ te werken, die de uitstroom organiseert.
Deze manager heeft een BV opgericht, ARA Works BV, De website van ARA Works is te vinden op http://www.ara-works.nl. Daar kun je twee kanten op, naar een bouwbedrijf, dat een zelfstandige juridische eenheid is, nl een Vennootschap onder firma, en ARA Works BV, dus een Besloten Vennootschap. Ook daar blijkt dat de manager werkt voor HWU en dat de BV zijn eigendom is.

Van de website:  ‘Wij zijn een jonge organisatie die in samenwerking met de gemeente Amsterdam en voor de Stichting Herstelling langdurig werklozen begeleidt naar regulier werk. Wij plaatsen onze kandidaten zowel bij hoofdaannemers, als bij gespecialiseerde aannemers in meer dan zestig verschillende beroepen. Wij plaatsen onder andere in de bouw- & metaalsector, in de installatiebranche,groenvoorziening, bewaking, grond- weg- en waterbouw en de schoonmaakbranche. ARA-Works plaatst eigenlijk overal uit, waar een beroepswens ligt van de kandidaat, die een werkplek zoekt. In korte tijd hebben wij daarin zeer goede resultaten’.

De BV Ara Works runt de manager samen met enkele familieleden. Verder werkt er nog een administratieve kracht. Op de website staat: ‘ARA-Works kan iedereen helpen die voldoet aan de criteria van de Amsterdamse Dienst Werk en Inkomen (DWI) voor een detachering’.

Dus er wordt bij de plaatsing van deelnemers aan de trajecten op de Laarderhoogtweg van HWU met commerciele bedrijven gewerkt met medeweten van de Dienst Werk en Inkomen, die hun toestemming moeten geven. Waarom? Omdat de deelnemers werken met behoud van uitkering bij dat commerciele bedrijf. Uit de website blijkt, dat het zou gaan om drie maanden stage. Uit de vacatures op de website van ARA Works blijkt echter, dat er ook vacatures zijn waar mensen 5 tot 6 maanden met behoud van uitkering werken. Soms staat er alleen: Het betreft hier een WWB baan (detachering) voor 32 uur.

Voorbeeld van een vacature

KOERIERS GEVRAAGD
Algemene informatie. Het betreft hier een proefplaatsing van 5 maanden
Voor een middelgroot bedrijf zijn wij op zoek naar koeriers die bestelde Aziatische maaltijden naar klanten vervoeren. We zoeken voor de vestigingen in*Amsterdam Centrum*,*Amsterdam Oost*, en*Aalsmeer Oost*kandidaten. Voor elke vestiging heeft het betreffende bedrijf minimaal 6 koeriers nodig. De werktijden zijn van*11.00 – 16.00*of van*16.00-20.00*. Startende werknemers worden ingewerkt op verschillende locaties, zodat ze de functie optimaal kunnen uitvoeren (kennis van producten, straten etc.). Werknemers van onze organisatie hebben ruimschoots de mogelijkheid om door te groeien tot bijvoorbeeld kok of verkoper van onze producten in onze winkels of universiteiten.

Functie inhoud

De bestelde maaltijden worden door middel van auto’s of brommers van het bedrijf bezorgd aan de klanten, waarna vervolgens afgerekend moet worden. Tot zover de beschrijving van de vacature.
Het is volkomen duidelijk dat de verschillende mensen die voor dit bedrijf werken de reguliere- elders gewoon betaalde functie van koerier vervullen, met behoud van uitkering gedurende 5 maanden. Dit zijn dus mensen, die eerst een half jaar of langer bij de HWU met behoud van uitkering gewerkt hebben, en die daarna 5 maanden met behoud van uitkering bij een commercieel bedrijf werken en daar reguliere arbeid verrichten. Hoezo verdringing van bestaande betaalde arbeid. Dat middelgrote bedrijf met Aziatische maaltijden werkt met gratis koeriers.

Nu vraag ik mij af wat die uitstroomcijfers naar reguliere arbeid van de HWU betekenen. Rekent men iemand die uitstroomt naar zo’n 5 maanden baan bij een commerciele werkgever (werken met behoud van uitkering) ook als uitstroom naar het bedrijfsleven? En wat gebeurt er na die 5 maanden? Het is duidelijk dat de uitstroom-manager met zijn BV en Vof geld verdient aan het uitplaatsen van werklozen naar het commerciele bedrijfsleven. Maar op welke manier weet ik niet. Brengt hij bij commerciele bedrijven bemiddelingskosten in rekening voor het leveren van gratis arbeidskrachten? Er staat ergens op de website dat gewerkt wordt zonder subsidie. Hoe we zijn particuliere bouwbedrijf in dezen moeten plaatsen weet ik niet. De Herstelling zelf is immers ook een soort bouwbedrijf. Het zijn duidelijk geen participatieplaatsen. Dat loopt via Pantar, en de voorwaarden van de participatieplaatsen op grond van de wet lijken mij hier dan ook niet van toepassing.

Onthullend debat over werken met behoud van uitkering oftewel dwangarbeid

;

Een bomvolle zaal tijdens de discussie

*30-01-2014. Foto’s Dejo Overdijk. Gisteravond discussieerden 80 mensen in een overvolle zaal in Amsterdam Oud West over werkenvoor je uitkering oftewel dwangarbeid en over de algemene tegenprestatie die staatssecretaris Klijnsma wil invoeren. Er was een forum met Jeroen Sprenger, voorzitter stichting Herstelling, een controversieel re integratieproject in Amsterdam Zuidoost, Gijsbert Vonk, hoogleraar in Groningen en Ruud Kuin, vicevoorzitter van de FNV. Het debat stond onder leiding van Malene Duijst, actieve buurtbewoner. Het debat werd georganiseerd door de stichting Wereldse Wijk, de Bijstandsbond en het actiecomité Dwangarbeid nee. *

*Over een vertegenwoordiger van de stichting Herstelling, die ontkent dat er misstanden zijn en die zegt dat de getuigen uit hun nek kletsen en dat alles koek en ei is, over een professor die duistere kanten belicht van de revanchegedachte in de sociale zekerheid en die constateert dat er een kanteling is in de discussie over werken met behoud van uitkering en een vicevoorzitter van de FNV die het woord dwangarbeid in de mond neemt.*

Vooral de bijdragen van Jeroen Sprenger riepen heftige reacties op. Verschillende mensen die in een van de projecten van Herstelling werken gaven aan, dat ze er niets leerden, intimiderend behandeld werden, bedreigd met strafkortingen die ook daadwerkelijk worden doorgevoerd, en dat mensen met een hogere opleiding urenlang pagina’s van dossiers moeten tellen of nietjes uit dossiers halen. De werkmeesters zijn niet professioneel en niet op hun taak berekend. Vele klachten werden naar voren gebracht. Jeroen Sprenger kwam niet veel verder dan dat het allemaal niet waar was, dat hij regelmatig sprak met mensen in projecten en dat hij alleen maar positieve verhalen hoorde, wat hem op hoongelach van de zaal kwam te staan. Sprenger schermde ook met het uitstroomcijfer van de projecten. 60% van de mensen die bij Herstelling tewerk worden gesteld zouden uitstromen naar betaald werk. Marc van Hoof, advocaat van de

Marc van Hoof, advocaat

Bijstandsbond ontkende later dat Sprenger dit kon weten. ‘De gemeente Amsterdam houdt helemaal geen uitstroomcijfers bij, men weet niet als mensen uitstromen waarom en waarnaar toe’. De advocaat sprak vanuit ervaring omdat hij bijna dagelijks mensen begeleidt en procedures voert  voor mensen die bij stichting Herstelling een strafkorting hebben gekregen. Ook hij benadrukte dat nietjes uit dossiers halen, pagina’s tellen, of planten water geven en verder niets helemaal niet bijdraagt aan de ontwikkeling van de mensen en hen geen perspectief geeft op betaald werk. Sprenger zei als reactie dat de analyse van Marc van Hoof niet klopte en dat het tegenovergestelde het geval was. Tijdens de discussie kwam naar voren, dat sommige mensen een jaar of langer dit dwangwerk moeten doen. Sprenger ontkende alles. ‘De mensen krijgen een vakopleiding’ zei hij, ‘en je kunt maximaal 6 maanden in het project tewerk worden gesteld’. Afwijkingen waren hem niet bekend. Later had hij het plotseling over ‘6 tot 9 maanden in het project werken’. Hij hoorde graag wat de afwijkingen waren dan zou hij dit aan de orde stellen, zei hij. Ook zei hij dat de deelnemers aan de projecten over het algemeen een criminele achtergrond hebben, of een drugsverleden. Vanuit de zaal werd aangegeven, dat dit onzin was. Bij veel deelnemers is wat dat betreft niets aan de hand. Er vindt een vermenging plaats van mensen die straf krijgen omdat ze een overtreding hebben begaan en werklozen.

Sprenger plaatste het succes van de Herstelling tegenover alle andere re-integratieprojecten o.a. in andere gemeenten, die allemaal mislukt waren, in tegenstelling tot het project met de methode die de Herstelling toepast. Hij noemde de projecten met particuliere reïntegratiebedrijven, de Glenn Mills scholen, projecten uit Rotterdam.

een ervaringsdeskundige van de projecten van de Herstelling
vertelt haar verhaal. Op de achtergrond het forum met links
Jeroen Sprenger

Sprenger benadrukte tegenover de getuigenverklaringen dat gewerkt wordt met de grootst mogelijke erkenning van de mensen. ‘Als mensen niet komen opdagen op afspraken, gaan we correct met ze om. We brengen een bezoek aan de mensen thuis om te kijken wat er aan de hand is’. En ‘ach ja, het is in ieder bedrijf zo, als je bij de poort gaat staan en je gaat mensen interviewen, dan hoor je altijd wel rare verhalen. Maar ja, het is wel zo, veel mensen hebben geen realistisch beeld van zichzelf, dat proberen wij bij te stellen, niet iedereen kan nu eenmaal piloot worden. Mensen hebben ook een slecht beeld van wat het bedrijfsleven vraagt. Daar hoort takken rapen en nietjes uit dossiers halen ook bij. Het is flauwekul dat de mensen dat de hele dag moeten doen. We brengen mensen weer in een kansrijke positie. Het is wel zo, de eerste 14 dagen zijn er wat mensen die eraan moeten wennen, die wat protesteren, maar daarna zijn ze heel tevreden’.

Jacques Peeters van de Bijstandsbond liep naar voren en duwde Sprenger het rapport van het actiecomité Dwangarbeid nee dat in november verscheen en veel discussie heeft opgeroepen onder de neus. ‘Hebt u dit gelezen? Dit was de aanleiding voor de Volkskrantartikelen op 24 december waar iedereen verbijsterd over was. Dan kunt u zien hoe het eraan toegaat’. Sprenger keek verbaasd, of veinsde dat. ‘Ik zie dit rapport voor het eerst’ zei hij. ‘Het is nooit aan mij overhandigd’. In een emailwisseling met leden van het actiecomité Dwangarbeid nee had hij nog gesteld: ‘jullie denken toch niet dat er ook maar iets wat in jullie kringen speelt voor mij verborgen blijft’. Er werd hem gewezen op de vele strafkortingen die de mensen krijgen als dwang en pressiemiddel. ‘Dat is zaak van de Dienst Werk en Inkomen’ ze Sprenger, ‘daar heb ik niets mee te maken, u pist tegen het verkeerde paaltje. U moet bij het DWI zijn’. En weer kwamen getuigenverklaringen naar voren van mensen die in de projecten werkten. Reactie Sprenger: ‘ja, ik ga niet in op individuele gevallen, dat doe ik niet’.

Roel Walraven

Aan het eind van de discussie kwam Roel Walraven ex-wethouder van Amsterdam, naar voren. Hij hield een gloedvol betoog over het tekort aan banen als oorzaak van de werkloosheid en dat projecten als van de Herstelling niet bijdragen aan het perspectief voor mensen. Ook benadrukte hij dat uitkeringsgerechtigden en werkenden samen een coalitie moeten aangaan en strijden voor werkgelegenheid. Reactie Sprenger: ‘nou de oude Walraven daar was ik het wel mee eens, in de tachtiger jaren, maar de nieuwe Walraven met zijn kritiek op de Herstelling niet’.

Ook aan het slot van de discussie kwam een vertegenwoordiger van de ABVA/KABO naar voren. ‘Meneer Sprenger ‘zei hij ‘ik doe een voorstel. Als er nu eens een commissie ingesteld wordt bestaande uit mensen die in de projecten werken, wat vindt u daarvan, en kunt u dan zeggen dat kritische mensen in die commissie niet om die reden met strafkortingen worden geconfronteerd’. Sprenger zag er niets in. ‘Dat is weer een structuurtje optuigen, zei hij, ‘daar hebben we niets aan’. dat wou hij niet doen. Tegelijkertijd benadrukte Sprenger dat de actievoerders de dialoog moesten aangaan en dat ze dat niet deden. ‘Ik heb mensen voor het hek zien staan ‘zei hij, en de kaderleden van de ABVA/KABO binnen, die werken voor het project zeiden: ‘daar heb je ze weer om ons dwars te zitten’. En verder hebben ze niets van de actievoerders gehoord. ‘Vroeger was er overleg met de vakbonden, en nu staan ze voor het hek en verder niets’. Sprenger klaagde zijn nood over de reacties uit de zaal. ‘Ach, vakbondsbestuurders kom bij ons langs, plaats ons niet in het beklaagdenbankje, ik ben ernstig teleurgesteld in het comité Dwangarbeid nee en de uitkeringsgerechtigden’. Over dat hek, rondom het gebouwencomplex op de Laarderhoogtweg voorzien van prikkeldraad, merkte hij ook nog iets op. ‘Dat stond oorspronkelijk ook in het Volkskrantartikel van 24 december ‘ zei hij, maar dat is het enige dat we eruit gekregen hebben’.

Ook benadrukte Sprenger in zijn schets van het ontstaan van de projecten van de Herstelling de hartelijke relaties met de FNV. ‘Herstelling is een reintegratie instelling waar mensen aan werk worden geholpen’ zei hij, en we zijn 15 jaar geleden opgezet door kaderleden van de FNV Bouw. Ons ideaal was, mensen met weinig kansen op de laagste treden van de participatieladder werk te geven op de fortificaties rond Amsterdam. We zijn in dubbel opzicht een succesvol re integratieproject. We helpen afgekeurde ex-werknemers uit de bouw en de metaal aan het werk door hen als werkmeester aan te stellen. Daarnaast helpen wij in de projecten mensen aan werk die een drugs en/of crimineel verleden hebben’. Verschillende belangrijke figuren zouden zich lovend over de projecten van de Herstelling hebben uitgelaten. Hij noemde o.a. Hans de Boer, oud-rijkscommissaris voor het Jeugdbeleid. Verder benadrukte hij de positieve samenwerking met Randstad uitzendbureau.

In de loop van de discussie trad een wetenschappelijk medewerkster van de Vrije Universiteit naar voren die aangaf dat ze daarvoor in de Human Relations sector gewerkt had, en dat ze zich in dat kader bezig hield met social return projecten. (Afspraken waarbij bij opdrachten van de gemeente aan particuliere bedrijven een bepaald percentage werklozen of mensen met een handicap in dienst moet worden genomen.) Ze had daarbij ook vele gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van de Herstelling. Ze ontkende dat de Herstelling alleen maar een reintegratietraject was, want die vertegenwoordigers hielden een heel ander verhaal dan Jeroen Sprenger daarover. Ze presenteerden zich gewoon als een bedrijf, dat bepaalde opdrachten en werkzaamheden kan uitvoeren met werklozen en dat ze dus goed passen in het kader van social return. Sprenger ontkende weer wat er gezegd werd. ‘Nee, zei hij we zijn een reintegratiebedrijf, wij kunnen niet in een korte periode de werkzaamheden verrichten, je kunt niet tegen ons zeggen het moet in een maand klaar zijn, wij doen er langer over’.

De aanwezigen waren na afloop verbijsterd over de manier van reageren van Sprenger. Niemand begreep zijn reacties. Het zal allemaal wel deel uitmaken van de ‘methode herstelling’.

Ruud Kuin

Ook de andere forumleden kwamen aan het woord. Ruud Kuin benadrukte, dat maar 0,8 % van het Bruto Binnenlands Product naar de bijstand gaat en dat er tweemaal zoveel wordt uitgegeven aan de hypotheekrente aftrek. ‘Als we van die mensen ook gaan eisen, dat ze iets terug doen voor de maatschappij, dan wordt het stil op straat’. De FNV stelt zich op het standpunt, dat er in feite maar 2 soorten werk zijn: echt vrijwilligerswerk en betaalde arbeid. In de huidige discussie over de  tegenprestatie worden mensen tegenover elkaar gezet, mensen met een uitkering tegenover mensen met een loon. De FNV is daar mordicus tegen. Het is niet toevallig, dat staatssecretaris Van Rijn aankondigt dat 100.000 banen worden geschrapt in de zorg en dat vervolgens een andere  staatssecretaris, klijnsma zegt, dat het verrichten van mantelzorg ook kan worden gezien als het invullen van de tegenprestatie en dus werken zonder loon. Hij vindt dat als dit zo doorgaat in veel gevallen inderdaad van dwangarbeid kan worden gesproken. Kuin maakt zich erg boos over de tegenstanders van deze term die zeggen: het is geen dwangarbeid, want je hebt de keuze om wel of geen uitkering aan te vragen. Veel mensen hebben geen keuze, en dan wordt het gekoppeld aan allerlei verplichtingen die leiden tot dwangarbeid. Daarom zal de FNV ook beginnen met een en ander juridisch nader te onderzoeken, of het niet in strijd is met internationale verdragen, etc. Kuin was in Stadskanaal waar in de groenvoorziening 9 van de 10 mensen met behoud van uitkering werkt. De gemeente bespaart zo een miljoen op het groenonderhoud. En hij kent het voorbeeld van iemand die maandenlang in een slagerij worsten moest maken met behoud van uitkering. Dat moet betaald werk zijn. Kuin constateerde een voortschrijdende normvervaging ten opzichte van bijstandsgerechtigden. Het vak in de thuiszorg wordt opgeknipt in eindeloze stukjes werk waarbij alles wordt gesplitst. Mensen die dat werk moeten doen werden steeds lager beloond. Eerst zaten ze in salarisschaal 25, toen zijn ze naar 10 gegaan. En nu moeten uitkeringsgerechtigden dat werk gaan doen.

professor Vonk tijdens zijn inleiding

Professor Vonk gaf aan, dat hij eerder op een dergelijke discussiebijeenkomst was geweest in Leeuwarden, georganiseerd door PEL. Hij benadrukte dat steeds meer ervaringsdeskundigen met getuigen verklaringen komen en dat dit minstens zo belangrijk is als de wetenschappelijke rapporten die over de herinrichting van de bijstand en de tegenprestatie worden geschreven. Hij heeft bij de hoorzitting in de Tweede Kamer over de recente maatregelen van Klijnsma gezegd, dat hij wel een hele stapel vuistdikke onderzoeksrapporten en overheidsstukken aan zich voorbij zag trekken, maar dat bij de evaluatie van de maatregelen die tot nu toe zijn genomen in geen enkel rapport de ervaringen en belevingswereld van de bijstandsgerechtigden zelf aan de orde komen. De Kamerleden van geen enkele politieke partij hebben op die opmerkingen gereageerd. Hij heeft deze week een artikel gepubliceerd in het Nederland Juristenblad, waarin hij stelling neemt tegen invoering van de algemene tegenprestatie. Hij constateert dat er sinds drie weken, na de publicatie van de artikelen in de Volkskrant, een kanteling aan de gang is: eerst zaten de bijstandsgerechtigden in het beklaagdenbankje en moesten ze zich verdedigen tegen de aanvallen op hun positie en de vooroordelen tegen werklozen. Nu is het andersom; de politici die de slechte maatregelen nemen worden bekritiseerd en ook mensen met vooroordelen en zij moeten zich verdedigen omdat uitkeringsgerechtigden in toenemende mate hun mond opendoen en ja, nu gaan ze zelf wat terugzeggen.

Vonk vindt de discussie over de tegenprestatie tweeslachtig. Aan de ene kant heb je de mensen, de sociaaldemocraten, die vanuit een positief uitgangspunt graag willen dat mensen actief deelnemen aan de samenleving en die de mensen willen activeren dat te doen. De sociaaldemocraten hebben in dit verband allerlei initiatieven uit de grond gestampt. Maar aan de andere kant komt in toenemende mate de revanchegedachte om de hoek kijken, van: ze hebben een uitkering, die moet ik betalen, laat ze er maar voor werken, je moet ze aanpakken die klaplopers, mensen gebruiken geld van de gemeenschap zet ze maar onder druk, en dan moeten de mensen laten zien dat ze dankbaar zijn. Dit is de duistere kant aan de verplichte tegenprestatie. Waar Vonk in geïnteresseerd is, is dat er wordt geschipperd tussen repressie en verheffing. Waar ligt de grens? Bij de huidige regeringsmaatregelen wordt die grens overschreden. Daar zijn twee redenen voor.

1.De verplichtingen die uitkeringsgerechtigden worden opgelegd en de sancties die erbij horen hebben niet meer als doel om re-integratie in de samenleving te bevorderen, kansen voor de mensen te scheppen. Het gaat nu om heel iets anders. Vanuit de revanchegedachte gebruikt men termen als voor wat hoort wat, voor niets gaat de zon op, iets voor niets moet over zijn. Deze terminologie/ideologie wordt uitsluitend op bijstandsgerechtigden losgelaten.

2.De ingebrachte wetsvoorstellen van Klijnsma regelen alleen de plichten, maar niet de rechten. Dit zet de poort wijd open voor grootschalig misbruik. Er is daardoor een structureel verschil in macht. Klantmanagers e.d. worden opgeleid en getraind, maar aan de hand van het voorbeeld van de Abu Graib gevangenis in Amerika, waar alles op papier goed geregeld was en getrainde troepen de bewaking op zich namen, wordt duidelijk, dat als degenen die volkomen rechteloos zijn er in de praktijk een structureel machtsverschil gaat ontstaan die leidt tot misstanden.

Sprenger reageerde nog op deze analyse van Vonk. Hij vond dat hele verhaal over machtsverschillen onzin. En zeker bij de Herstelling. Wil je meer weten over hoe ze bij de Herstelling het debat interpreteren lees dan hun verslag.

Piet van der Lende

Werken voor bijstand is dwangarbeid

Verschenen in MUG november 2013.

w
Wie verplicht voor een uitkering werkt, krijgt geen loon. De klantmanager wijst in sommige gevallen aan waar je wat moet gaan doen. Je hebt geen keus, je kunt niet weigeren.

A
Als je weigert, kan de uitkering gestopt worden en dan mag je in alle vrijheid onder een brug verhongeren. Daarom is deze vorm van werken voor een uitkering dwangarbeid, zoals vastgelegd in internationale verdragen.
Veel bijstandsgerechtigden worden tewerkgesteld in mensonterende disciplineringsprojecten zoals de HWU (Herstelling Werk en Uitvoering). Dit heeft ook een negatief effect op de gewone arbeidsmarkt. Salarissen worden verlaagd omdat werknemers moeten concurreren met dwangarbeiders die in feite ver onder het minimumloon werken. Wie 32 uur werkt voor een uitkering van Ä880,- netto werkt dus voor Ä6,88 per uur. Mensen worden ontslagen omdat het werk gedaan wordt door dwangarbeiders met een uitkering. Dat heet verdringing. Een voorbeeld is een grote GGZ-instelling die de betaalde krachten in een flexpool voor receptiewerk vervangt door dwangarbeiders met een participatiebaan.
Verder hebben dwangarbeiders geen arbeidsrechten zoals een arbeidscontract, cao of pensioenopbouw. Dus ook al werken ze, zij worden niet behandeld als werkenden in loondienst met de daarbij behorende rechten, maar als rechteloze werklozen. In principe kan dat vier jaar lang. Bovendien zijn ze niet verzekerd voor de sociale verzekeringswetten. Dus als ze ziek worden of er vindt een bedrijfsongeluk plaats, dan zijn ze niet verzekerd maar hun hele leven verder aangewezen op de bijstand.
De bijstand kent nu al een grote toestroom van volledig arbeidsongeschikten die als zelfstandige zonder loonverband zich niet tegen arbeidsongeschiktheid hebben kunnen verzekeren. En Den Haag wil de Wajong afschaffen, de regeling voor wie op jonge leeftijd arbeidsongeschikt is geworden. Ook arbeidsongeschikten komen steeds vaker geheel onterecht onder druk te staan te gaan werken. De sociale diensten maken aan de lopende band fouten bij het bepalen van de -arbeidsgeschiktheid van mensen.
De schuld van de werkloosheid wordt bij de bijstandsgerechtigden gelegd. Er wordt hen voorgelogen dat het hun eigen schuld is dat ze werkloos zijn. Werkloosheid wordt niet veroorzaakt door een gebrek aan ‘werknemersvaardigheden’, want bij een krappe arbeidsmarkt hoor je werkgevers daar niet over. Werkloosheid wordt veroorzaakt door een gebrek aan banen.
Wethouder Andrée van Es van GroenLinks wil de druk nog verder opvoeren. Ze wil een nog strengere bijstand. De bijstand wordt met kleine stapjes afgebroken. Een sluipend jarenlang durend proces. Hoeveel beleidsmaatregelen moeten er nog komen voordat de wethouder zegt: die grens moeten we niet oversteken bij onze maatregelen, want dan brengen we schade toe aan het welzijn van mensen. De wethouder heeft aangekondigd dat in 2014 een onderzoek zal worden uitgevoerd om de ‘tijdelijkheid’ van de bijstand nog verder te benadrukken. Zodat in een tijd van een massawerkloosheid van bijna 10 procent van de beroepsbevolking nog meer arbeidsongeschikten en werklozen een groot zwart gat voor zich zien opdoemen met alle ellendige gevolgen van dien.

Piet van der Lende 

Misstanden in de arbeidsbemiddeling en werken met behoud van uitkering in Amsterdam

Persbericht 02-07-2013

Het Actiecomité dwangarbeidnee in Amsterdam gaat woensdagmorgen om 12.00 uur actievoeren bij het Praktijkcentrum van de Dienst Werk en Inkomen en de Herstelling op de Laarderhoogtweg 51 in Amsterdam. Daar zal het comité de dwangarbeiders die daar werken een lunch aanbieden. Er zijn verschillende medewerkers die hebben aangegeven in de lunchpauze niet naar buiten te mogen. Bestuurders van de gemeente ontkennen dat. Het actiecomité gaat woensdag buiten lunchen om te controleren of dat klopt.

Tevens zal op deze dag het rapport worden gepubliceerd waarin alle misstanden op het gebied van werken met behoud van uitkering in beeld worden gebracht. Vele dwangarbeiders in Amsterdam hebben in de tweede helft van 2012 en de eerste helft van 2013 hun grieven naar voren gebracht en de misstanden beschreven. Veel van deze reacties zijn verzameld in het rapport, dat bijna 70 bladzijden telt. Deze ervaringen zijn verbonden met de conclusies uit gesprekken met een wetenschapper, ambtenaren van de DWI, maar ook uit een enquête die het actiecomité heeft gehouden onder 37 dwangarbeiders die op de Laarderhoogtweg werken.

Enkele conclusies uit het rapport:

  • De wet op de participatieplaatsen wordt overtreden, omdat mensen werken op plaatsen, die niet additioneel zijn, bijvoorbeeld nachtportier in een hotel, en er is in veel gevallen van te voren volledig duidelijk dat er geen uitzicht is op regulier werk. Langdurige trajecten zoals participatieplaatsen en trajecten om werkervaring op te doen en werknemersvaardigheden te leren worden voor een groot deel ingezet bij mensen die pas kortdurend werkloos zijn en recente werkervaring hebben, terwijl ze bedoeld zijn voor mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. 
  • Inzet van mensen die met behoud van uitkering werken vindt op steeds grotere schaal plaats, duizenden mensen werken in Amsterdam al zo. Daarbij vindt een samenwerking plaats tussen de DWI en allerlei welzijnsinstellingen en instellingen voor daklozen. Werken met behoud van uitkering verdringt reguliere arbeidsplaatsen. Daarvan worden concrete voorbeelden in het rapport genoemd.
  • Social Return contracten en doelgroepenbeleid bij het vervullen van vacatures leiden tot verdringing van andere arbeidskrachten, die daardoor minder of geen kans meer hebben.
  • De autoritaire wijze van optreden van klantmanagers en werkmeesters op de projecten die op of vanuit de Laarderhoogtweg worden opgezet leiden tot overtreding van wettelijke regels voor het opleggen van kortingen, intimidatie, schending van privacy en andere gevolgen. De meerderheid van de mensen die er werkt is angstig, heeft het gevoel in een gevangenis te verblijven. Mensen raken door het werken op de Laarderhoogtweg in de schulden en verliezen daardoor hun sociale contacten omdat zij hun netwerk niet in stand kunnen houden. Veel mensen doen zinloos, geestdodend werk of soms hele uren niets.
  • Er is geen enkele hulp bij het vinden van werk in sommige projecten. Faciliteiten zoals een computer om te solliciteren zijn er niet, er wordt niets gedaan om betaald werk voor de mensen te vinden, sollicitatiecursussen en andere trainingen moeten mensen in hun vrije tijd doen
  • Klantmanagers hebben een grote macht en handelings-beslissingsvrijheid waardoor willekeur ontstaat en de mensen geen idee hebben waar ze aan toe zijn. De mensen krijgen geen contracten waar de afspraken in staan. Vragen als: hoelang moet ik hier werken? worden niet beantwoord. Het kan 3 maanden zijn, een half jaar, 2 jaar, dat is voor iedereen verschillend. Je weet het nooit van te voren.

Wij willen dat er zo snel mogelijk een einde komt aan deze dwangarbeid, slechte behandeling, gebrek aan respect en verplicht werken zonder loon en zonder uitzicht op een betaalde baan voor wie dat wil en kan. Stop dwangarbeid!

Voor meer informatie:
Comité dwangarbeidnee
info@dwangarbeidnee.nl

Verslag van een gesprek met drie ambtenaren van het project ‘Kansen’ van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) d.d. 19-06-2013

Piet vertelt waarom we dit gesprek belangrijk vinden. Er melden zich steeds meer mensen op het spreekuur die een oproep krijgen voor een nieuw gesprek om over ‘mogelijkheden en kansen’ te praten, terwijl die mensen vaak medisch gezien niet hoeven te solliciteren en vrijgesteld zijn van het verrichten van betaalde arbeid. De oproepen leiden tot vragen als: waarom krijg ik nu ineens toch weer een oproep? Ik ben toch afgekeurd? Wat kan ik van het gesprek verwachten? Wat zijn ze nu weer van plan? Ik ben weliswaar niet afgekeurd, maar mijn kansen om aan betaald werk te komen zijn gering, ik heb toch belemmeringen en ik heb al diverse trajecten zonder resultaat doorlopen. Wat willen ze nog met mij?  Etc.

Ook worden klachten over het zogenaamde kansencafe  in de loop van het gesprek over het voetlicht gebracht. En dat er bij de Bijstandsbond in eerste instantie grote onduidelijkheid bestond over de oproepen. Wij wisten eerst ook niet waarom nu ineens weer oproepen op grote schaal. Het bleek ons na enige tijd dat de DWI vorig jaar geld heeft overgehouden. Daarom werd besloten tot een beleidsintensivering, die in de Participatienota is opgenomen. Alle klanten op trede 2 van de participatieladder worden opgeroepen voor een diagnosegesprek.

Het project is opgezet en wordt gemanaged door het gemeentelijk project management bureau, dus door mensen die ook projecten bij andere diensten doen, men beschouwd het project ‘Kansen’ als een  tijdelijke  ínterventie’ in de dagelijkse doorlopende werkprocessen bij de DWI. De projectleider van het project ‘kansen’ geeft een nadere uitleg. Men constateerde, dat in 2011 meer dan 700 klanten op trede 2 toch waren uitgestroomd naar betaald werk. Dus los van de beeindigingen van uitkeringen om andere redenen. Terwijl de DWI niets heeft gedaan om de uitstroom van die groep te bevorderen. Maar men heeft verder geen enkel idee waarom die mensen zijn uitgestroomd naar betaald werk. Dat is gissen. Een van de veronderstellingen is, dat bijvoorbeeld in migrantenfamilies iemand een restaurant heeft of een ander bedrijf, en dat die dan zegt ik heb iemand nodig daar en daar voor, dat kan mijn broer mooi doen.  Het is niet helemaal duidelijk of die uitstroom van meer dan 700 er ieder jaar is.  Men vraagt zich af of middels een ‘beleidsintensivering’ dit aantal van 700 niet kan worden opgevoerd. Daarom is men alle klanten op trede 2 gaan oproepen.  Men is nu een week of 7 bezig en men hoopt voor kerstmis alle klanten op trede 2 te hebben opgeroepen. Dat zijn er 15.000. Ongeveer een kwart van die 15.000 betreft alleenstaande ouders. Er zal dan wat betreft het ‘Kansencafe’ nog een uitloop zijn naar februari.

Men heeft veel gediscussieerd over de vraag, of wel iedereen zou moeten worden opgeroepen, bijvoorbeeld ook mensen boven de 60 of 62. Maar men vond het met het creeren van allerlei uitzonderingen een beetje te gecompliceerd worden, dus men heeft gezegd: we roepen iedereen op, ook mensen van 64.
De schatting is dat een kwart tot een derde van de mensen die worden opgeroepen zullen worden doorverwezen naar het Kansencafe. Bij deze mensen moet nog worden gewerkt aan de motivatie om aan de slag te gaan, gericht op participatie of betaald werk. Het Kanscafe bestaat uit een training van 8 dagdelen, verspreid over een maand, waar mensen in de gelegenheid worden gesteld om na te denken over hun mogelijkheden, want het gaat uitdrukkelijk om de mogelijkheden en kansen en niet om de belemmeringen.

Als uitkomst van het kansencafe wordt dan een ontwikkelingsplan gemaakt. Daarbij zijn er verschillende mogelijkheden:
De klant kan snel aan het betaalde werk en gaat naar het  ‘uitstroomteam’.

De klant kan nog niet onmiddellijk aan het werk maar op termijn misschien wel, er moeten nog werknemersvaardigheden aangeleerd worden. Deze klanten worden doorverwezen naar het Reintegratie Bedrijf Amsterdam. (RBA). Met dit RBA heeft het projectmanagement afspraken gemaakt over hoe de trajecten van deze mensen er uit moeten zien. Men stelt bijvoorbeeld dat bij moeders met kinderen soepel overleg mogelijk moet zijn om eerder met werken op te houden, in verband met het ophalen van de kinderen. Ook kan het zijn dat iemand zegt: ik ben niet meer zo gewend zo vroeg mijn bed uit te komen, kan ik niet iets later komen. En men begint in eerste instantie bijvoorbeeld 2 dagdelen in de week. Er wordt echt rekening mee gehouden dat men een grote afstand heeft tot de arbeidsmarkt en als trede 2 klant kwetsbaar is. De meeste mensen worden wel verwezen naar het RBA, maar slechts een klein gedeelte komt terecht bij de Laarderhoogteweg-Praktijkcentrum. Anderen gaan naar bijvoorbeeld de tuinderij. Ook is men bezig met de opzet van een gereedschapsherstel project.

Een derde conclusie van het Kanscafe kan zijn, dat betaald werk er niet in zit. De klant is wel in staat te participeren, maar kan niet betaald werk verrichten. Deze mensen worden verwezen naar de stadsdelen. Zij komen in een traject zorg, waarover nog niet veel afspraken zijn gemaakt, een traject schuldhulpverlening of een taaltraject of ander vrijwilligerswerk.

Bij de selectie van mensen voor het Kanscafe is dus niet het criterium wel of geen betaald werk op termijn kunnen verrichten. Ook mensen waar er wat dat betreft twijfels bestaan, en waarvan achteraf gezegd moet worden: het zat er niet in, betaald werk, een participatietraject is het hoogst haalbare, kunnen worden uitgeselecteerd. Deelname aan het Kanscafe is verplicht. Wie niet komt opdagen, of zich eraan onttrekt, kan te maken krijgen eerst met een schriftelijke waarschuwing en daarna een korting van 30%. Deelname aan het participatietraject, dat wordt uitgezet voor de mensen uit de derde van bovenstaande groepen, dus mensen die niet kunnen worden verwezen naar het uitstroomteam of het RBA maar in een participatietraject komen  dat kan volgen op het Kanscafe is echter vrijblijvender: men wordt er niet toe verplicht.

Tot nu toe hebben wij het gehad over de klanten die verwezen worden naar het kanscafe. Dat is ongeveer een derde tot een vierde van het totale aantal. Van de anderen kan worden gezegd, dat ze al voldoende participeren en dat kan worden gezegd: meer zit er eigenlijk ook niet in, het is mooi zo.

We praten door over de medische ontheffingen. Is het zo, dat mensen ook kan worden verplicht deel te nemen aan het Kanscafe, of aan andere trajecten, terwijl er naar het oordeel van een keuringsarts een medische ontheffing van trajecten richting betaalde arbeid ligt, moet er dan niet eerst weer een medische beoordeling plaatsvinden over de actuele situatie? Geantwoord wordt dat bij het wel of niet opleggen van reintegratieinspanningen richting betaald werk of participatie eerst wordt gekeken of ene arts een uitspraak heeft gedaan. Daar wordt terdege rekening mee gehouden. Men is zich ervan bewust dat er veel medische problemen zijn. Daarom zal eventueel altijd worden gekeken of er geen aangepast werk mogelijk is. Of dat bestaand werk kan worden aangepast. Er zijn wat betreft medische ontheffingen in trede 2 veel gradaties.
Er is wel een urenbeperking, bijvoorbeeld kan maximaal 20 uren in de week werken.
Betaald werk is niet mogelijk, en een volledige urenbeperking, dus ook geen 20 uur werken, maar participeren op andere wijze is wel mogelijk
Men krijgt ontheffing op basis van artikel 9a WWB men heeft een kind onder de 5 jaar.
Trede 1 zijn dan de mensen die voor alles afgekeurd zijn, ook voor participatie. Zij hebben een dubbele ontheffing.

Daarnaast kunnen in trede 2 mensen zitten, die geen medische ontheffing hebben, maar die wel een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben en met allerlei belemmeringen te maken hebben.
Men voert dit project ook uit, om de trede 2 groep scherper in beeld te krijgen: sommige mensen bijvoorbeeld gaan naar trede 1. Aan de andere kant van het spectrum gaan mensen naar het uitstroomteam.
Degene die bij de oproep het diagnosegesprek voert is niet de klantmanager maar een reintegratiemanager. Het is een interventie in de reguliere werkprocessen van de DWI. Bij de gesprekken wordt een speciale gespreksmethode toegepast, ieder reintegratiemanager heeft een opleiding gehad voor die gesprekstechniek. De bedoeling is om een correcte bejegening van de klant vorm te geven, op een waarderende manier gesprekken voeren. Het is een feedback methode om goeie gesprekken te krijgen. Het gaat daarbij om de zogenaamde ‘appreciative inquiry’:  de waarderende gespreksmethode. Meer over deze methode is te vinden op http://www.appreciative-inquiry.nl/ en op http://www.lerendoorwaarderen.nl/?page_id=4 .

Het is de bedoeling, deze gesprekstechniek DWI breed uit te rollen. Dus dat alle klantmanagers ermee gaan werken. We moeten de oproepen voor het project dus onderscheiden van de reguliere werkprocessen, waarin ook oproepen kunnen zitten. Wij lezen de tekst voor van een brief met een oproep, die een bezoeker van het spreekuur heeft gekregen. Dit is niet de brief die in het kader van het project wordt toegestuurd. Dat is een standaardbrief, die zich onderscheidt van andere brieven uit het reguliere werkproces. Wij krijgen zo’n standaardbrief, waaraan overigens nog geschaafd wordt, toegestuurd. De reintegratiemanager heeft een uur voor het gesprek, een half uur voorbereiding inzage van het dossier en een half uur administratieve afhandelingen. Over het algemeen heeft de klantmanager een tamelijk grote beslissingsvrijheid over wat er met de klant moet gebeuren. Hij of zij kan de afstand tot de arbeidsmarkt, de problematiek die er speelt, de leeftijd,  afwegen en een beslissing nemen.

Aan het eind van het gesprek wordt gememoreerd, dat er vanwege de bezuinigingen ‘meer doen met minder’ wordt nagedacht over meer groepsgewijs werken. Zoals het Kanscafe. Dus dat klanten geen individuele oproep meer krijgen, maar groepsgewijs worden opgeroepen. Dit sluit ook aan op het participatiebeleid in de stadsdelen, waar toch de kennis over de participatieplaatsen ligt. Overigens registreren sommige stadsdelen wel, wie er waar participeert, maar sommige stadsdelen weigeren die registratie.

PvdL

De gevaarlijke borreltafelpraatjes van Jos Dautzenberg

CWI projectleider probeert werklozen, werkenden, Polen, Nederlanders en
illegalen tegen elkaar uit te spelen.

Enige tijd geleden kwamen Poolse slaplukkers in het nieuws, die
weigerden na 12 uur arbeid voor 5 euro per uur nog eens 4 uur door te
werken, en die daarop op staande voet werden ontslagen. Met de steun van
FNV Bondgenoten hebben de slaplukkers actie gevoerd, en de rechter gaf
hen gelijk, ze mochten niet ontslagen worden. De zaak geeft wel aan, dat
het met de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden in de tuinbouw niet best
gesteld is. Langdurig zware arbeid op een tijdelijk contract en tegen
een laag loon. Het project Seizoensarbeid van het Centrum voor Werk en
Inkomen (CWI), gemeenten, uikeringsinstantie UWV en land en
tuinbouworganisatie LTO poogt Nederlandse werkzoekenden te vinden voor
het zware werk in de tuinbouw. Ruim 10.000 werklozen werden het
afgelopen jaar benaderd om te werken als sla- of tomatenplukker, of als
aspergesteker. Tegelijkertijd nam de regering de maatregel, dat voor
Poolse arbeiders die naar Nederland komen om in de tuinbouw te werken
een uitzondering geldt: zij ondervinden geen enkele belemmering meer die
in andere sectoren nog wel geldt als overgangsmaatregel voor vrij
verkeer van personen tussen de nieuwe EU-landen en Nederland. Er waren
850 Nederlandse werklozen die als slaplukker of in een andere functie in
de land en tuinbouw aan de slag gingen.
Het CWI probeert in navolging van de maatregelen van de Nederlandse
regering duidelijk de Nederlandse en Poolse werklozen tegen elkaar uit
te spelen om hen te dwingen de slechte arbeidsvoorwaarden en
omstandigheden te aanvaarden. Nederlandse werklozen worden bedreigd met
strafkortingen of zelfs stopzetting van de uitkering als ze het zware
werk onder de huisige omstandigheden niet aanvaarden, de Polen zijn wel
gedwongen, gezien de massa-werkloosheid in eigen land, zonder goede
werkloosheidsuitkering, de onaanvaardbare toestanden in de tuinbouw te
aanvaarden.
Jos Dautzenberg, projectleider van het project Seizoensarbeid, geeft op
19-10 2005 een interview aan de Telegraaf waarin hij de Nederlandse werklozen
nog eens extra in een kwaad daglicht zet, om zo de druk verder op te
voeren. Meneer Dautzenberg zegt dat de Nederlandse werklozen door de
telefoontjes merkten dat ze aan de slag moesten. Ach, meneer
Dautzenberg, dat was blijkbaar nog niet tot hen doorgedrongen met al die
strenge maatregelen van tegenwoordig. ‘Veel werklozen zagen een baan op
het land niet zitten en solliciteerden gauw ergens anders’ zegt meneer
Dautzenberg. Hoe hij dat weet? ‘We hebben geen exacte cijfers, maar het
is opvallend dat mensen na maanden werkloosheid ineens weer werk vonden
en geen uitkering meer hoeven’. Meneer Dautzenberg weet donders goed dat
statistisch gezien al jaren een groot deel van de werklozen sowieso na
verloop van tijd weer aan het werk gaat als ze eindelijk iets hebben
gevonden. Dat is allang zo. Dus het is maar de vraag, wat dat ene
telefoontje nu voor invloed heeft. Dat weet meneer Dautzenberg ook niet,
want hij heeft geen exacte cijfers. Het is maar een vage impressie van
meneer Dautzenberg om zijn eigen winkeltje als belangrijk naar voren te
schuiven. Borreltafelpraat dus uit de categorie: ik ken verschillende
werklozen uit mijn omgeving die niet willen werken, dus de werklozen
willen niet werken. Maar er zijn inderdaad werklozen die een
strafkorting hebben gekregen of wier uitkering werd stopgezet omdat ze
weigerden. En terecht.
De borreltafelpraatjes van Jos Dautzenberg zijn niet zonder gevaar. Zijn
opmerkingen dragen bij aan het tegen elkaar opzetten van verschillende
groepen, om hen te dwingen de soms onaanvaardbare arbeidssituaties in de
land en tuinbouw te aanvaarden door hun onderlinge concurrentie te
verscherpen. Daar trappen wij niet in. Samen strijden voor betere
arbeidsvoorwaarden en omstandigheden. De Nederlandse werklozen, die
weigeren onaanvaardbare arbeidsomstandigheden te aanvaarden en de Poolse
actievoerders, die strijden voor verbetering van hun situatie. Duidelijk
is dat ze daarvoor niet bij meneer Dautzenberg moeten zijn.

Bent u al een fictieve werknemer?

Gepubliceerd in vakbondsmagazine Solidariteit

Steeds meer werklozen gaan uitzendwerk doen of nemen een of ander flexibel baantje. Het arbeidsbureau gaat steeds meer met commerciele uitzendburo;s samenwerken en zet de werklozen onder druk om alles maar te accepteren. Door de grote werk­loosheid kunnen werkgevers altijd wel iemand vinden voor tijdelijk rot werk dat slecht betaalt. De arbeidskracht als wegwerpartikel. Een korte beschouwing over de commer­cialise­ring van de arbeidsbemiddeling in Amster­dam en de opmars van de fictieve werknemers.

Eerst iets over de aantallen uitkeringsgerechtig­den in de bijstand die in Amsterdam naast hun uitkering uitzendwerk of ander flexibel werk verrichten. Er zijn momenteel in Amsterdam ongeveer 65.000 bijstandsgerechtigden. 7000 van hen verrichten naast hun uitkering betaald werk. Dus ongeveer 1 op de 10. Het gaat hier om part-time banen, meestal tijdelijk, waarbij de inkomsten onvoldoende zijn om van te leven. Hoeveel uitzen­dar­beid daar bij is, is niet bekend. In de oude bijstandswet was er een bijverdiensteregeling, waarbij je 25% van wat je verd­iende mocht houden tot een maximium van ongeveer 280,- Geen vetpot, maar bij de schrale bijstandsuitkering een welko­me aanvulling. In de nieuwe bijstandswet hebben de gemeenten de vrijheid, een eigen regeling in te vullen. In Amsterdam bete­kent het, dat voor grote groepen de 25% regeling is afge­schaft. Daarvoor in de plaats is -in combinatie met bezuini­gingen- een ingewikkeld stelsel van scholings- en activerings­premies gekomen, waar bijna niemand iets aan heeft. Nu zou je misschien verwachten, dat door de slechtere regeling minder mensen erbij gaan werken. Maar dat is niet zo. Twee jaar geleden werkten op 70.000 bijstandsge­rechtigden nog 3500 naast hun uitkering, en nu zijn dat er dus 7000. De hele diskussie over de noodzaak van een groot ver­schil tussen minimum cao-lonen en bijstand om de werklozen financieel te prikkelen aan het werk te gaan is dus onzin. De markt voor flexibele arbeid wordt steeds omvangrijker, en als er werk is, zijn er heel andere veel belangrijker motieven voor werklozen om te gaan werken.

Naast die 7000 is er nog een omvangrijke categorie die dan weer een poosje werk heeft en dan weer niet. Dat kunnen mensen zijn die een tijdje WW afwis­selen met betaald werk, maar er zijn ook mensen die weer in de bijstand terechtkomen (free-lancers). In Amsterdam zijn er bij de sociale dienst per maand 1500 mutaties: mensen die instromen omdat ze werkloos worden, en mensen die uitstromen omdat ze werk hebben gevon­den. Hoe­veel mensen dan weer terugkomen in de bijstand is niet bekend. Ik heb wel eens pogingen gedaan, erachter te komen hoe groot de groep is-naast de min of meer permanente groep werk­lozen- die jarenlang afwisselend een uitkering en werk heeft. Bij de bedrijfsver­enigingen geeft men echter geen antwoord op schrij­ftelijke vragen dienaangaande. En bij de sociale dienst heeft men, voorzover mij bekend, de gegevens niet.

additionele arbeid

En tenslot­te is er de ‘additionele arbeid’ de banen­pools en de Melkertbanen. De banenpool is sowieso een vorm van uitzen­darbeid: je bent in dienst van een werkgever, een soort ge­meentelijke pool, die je tijdelijk uitleent aan een andere instelling. De inlenende organisatie heeft vrij veel mogelijk­heden om je weer aan de dijk te zetten. In 10% van de gevallen werkt de banenpooler bij een inlenende organisatie, die de inleen-premie niet kan betalen. Deze mensen worden binnenkort weer aan de dijk gezet en je moet maar afweachten, waar je dan terecht komt. In de Melkert 2 rege­ling komt uitzendarbeid ook voor, bv de pool voor het midden en klien bedrijf in het Westerpark. In advertenties worden werkgevers als volgt aange­sproken: “MKB-pool voor al uw klussen. Werkjes waar­aan u niet toekomt. Of pieken met extra drukte. Te weinig werk om iemand in dienst te nemen. Maar af en toe iemand inhuren voor kort, flexibel werk, dat zou de oplossing zijn. De MKB-pool neemt mensen in dienst en leent die uit aan diver­se bedrijven. Per dag, of zelfs een paar uur”. De bedoeling is, voorlopig 50 werklozen op die manier aan het werk te zetten, wie niet mee wil doen riskeert een strafkorting. En Manpower, het uitzend­bureau dat het organiseert heeft grootse landelijke plannen met deze formule. De werknemers verdienen het wette­lijk mini­mumloon (fl 2234,- bruto per maand). Maar… de inlenende middenstander betaalt slechts fl 5,- per uur, dank­zij

18.000,- Melkertsubsidie per arbeidsplaats, waar de gemeente nog eens fl 14.000 bijlegt. Dat hier verdringing van bestaande betaalde arbeid zal optreden, hoeft geen betoog. Zlefs de partijen in het paarse kabinet hebben hun bedenkingen bij deze werkwijze. “De arbeidsmarkt moet geen De Slegte worden” zei het kamerlid Bakker (D’66). En concurrent Randstad ziet niets in het project: ” De betrokkenen hebben geen betere kans op de arbeidsmarkt” en: “lagere loonkosten helpen in doorsnee sle­chts een klein beetje”.

Al met al kunnen werkgevers voor het invul­len van hun op­roep-uitzend- en andere flexibele arbeid in toenemende mate putten uit een groot reser­voir aan werkzoekenden, die geen andere mogelijkheden hebben om aan het werk te komen. Voor de werkge­vers die hun aantallen flexibele arbeidskrachten willen uit­breiden is zo,n groot reservoir aan vaak wanhopige werkzoeken­den maar wat nuttig.

spreekuurvragen

Als het gaat om het vraagstuk van flexibele arbeid en uitzen­darbeid in combinatie met een uitkering komen er twee soorten vragen op ons spreekuur:

  1. Uitzendbureau’s worden in toenemende mate ingeschakeld in het systeem van arbeidsbemiddeling. De arbeidsbemiddeling wordt steeds meer een commerciele zaak. Handel in adressen en privegegevens van consumenten/clienten wordt steeds meer een miljoenenbusi­ness, waar enkele handige jongens en meisjes veel geld mee verdienen, zonder dat de gemiddelde werkzoekende er wat aan heeft. De krenten worden uit de pap gevist, de wat moei­lijker bemiddelbare werkzoekenden kunnen barsten. Hun gegevens komen ook terecht bij commerciele instellingen en bedrijven; solliciteren naar betaald werk waarbij je jezelf van je beste kant laat zien heeft dan helemaal geen zin meer. Hierbij komt het vraagstuk van de privacy om de hoek kijken. Clienten van de sociale dienst worden onder druk gezet zich in te schrijven bij uit­zendbureau’s en daar hun hele hebben en houden op tafel te leggen. De vraag is dan in hoe­verre ze je daartoe kunnen ver­plichten, net als bij het ar­beidsbu­reau. Een nieuwe ontwik­keling is, dat arbeidsbu­reau’s die dossiergege­vens van de ingeschrevenen doorsturen naar uitzendbureau’s. Dit gebeurt landelijk en op grote schaal. Het arbeidsbureau stuurt je een briefje dat je dossiergegevens aan het uitzend­bureau worden gegeven tenzij je via een bijgevoegd formulier­tje bezwaar maakt. Nergens staat vermeld wat ze gaan doorgeven en aan welke uitzendbureau’s. Ze vragen om een vrijbrief. Je moet zelf reageren als je het niet wilt. Dat heet negatieve optie. Volgens de privacy-wetgeving mag dat niet. In Utrecht, Amsterdam en Leeuwarden hebben belangenorganisaties stappen ondernomen tegen deze gang van zaken. Er is oa geprotesteerd bij de Registratiekamer.
  2. De tweede categorie problemen heeft betrekking op het feit, dat de nieuwe vormen van tijdelijk, flexibel werk en uitzen­darbeid totaal niet aansluiten op het huidige arbeids­recht en sociaal-zekerheidsrecht. In het arbeidsrecht kent men maar twee smaken: werknemers en ondernemers/werkgevers. Om te bepalen of iemand werknemer is, zijn allerlei criteria ontwik­keld. Er wordt loon betaald, je hebt een gezagsverhouding met je baas, etc. Maar op flexibel werk is die definitie vaak niet van toepassing. Staat een oproepkracht in een gezagsverhouding met zijn/haar baas? En wanneer dan? Juridisch gezien gaat het bijvoorbeeld bij free-lance werk om een over­een­komst tot het verrichten van enkele dien­sten. Maar is de opdrachtgever dan werkgever en de free-lancer werknemer? Dat is vaak ondui­de­lijk. Met alle gevolgen van dien. Heb je recht op een uitke­ring bij werkloos­heid of arbeidsongeschikt­heid? Ben je verze­kerd? Is er een cao van toepassing? Daarom hebben de bedrijfs­verenigingen en de belas­ting­dienst het begrip ‘fictieve ar­beidsovereenkomst’ ingevoerd. Dat wil zeggen: voor de belas­tingen en het arbeids­recht ben je een zelfstandige, maar voor de sociale verzeke­ringen ben je een werknemer, omdat ze iets verschillende definities hanteren.

Ach, vroeger was alles duidelijk. Je had arbeiders, die in loondienst waren bij kapitalisten. Tegenwoordig ben je ‘fic­tieve werknemer’. Daar kun je hooguit een fictieve identiteit aan ontlenen en dat zal ook wel de bedoeling zijn. Of is er niets nieuws onder de zon?

Piet van der Lende

De geruchtenmachine

De geruchtenmachine draait sowieso al op volle toeren als het om de sociale dienst gaat. Er verschijnen soms vage berichten in de krant over calamiteiten bij de sociale dienst, terwijl clienten bij ons op het spreekuur komen met verhalen over haperingen in de uitbetaling van uitkeringen. Bijvoorbeeld in het Overtoomse veld, waar op een donderdag (uitbetalingsdag) honderden bijstandsgerechtigden naar het kantoor trokken omdat de uitkeringen niet gestort waren. Er ontstond een oploop en een gespannen sfeer, die gesust werd door aanwezige personeelsleden en bewakers en waarbij de mensen via het loket een contant bedrag kregen. Dergelijke gebeurtenissen worden versterkt door allerlei geruchten over wat er nu weer fout gaat.
De geruchtenmachine kwam echter pas goed op gang toen een groepje ambtenaren en anderen die betrokken waren bij de arbeidsbemiddeling in Amsterdam naar het Amerikaanse Wisconsin trokken om daar de methode van arbeidsbemiddeling in ogenschouw te nemen. De deelnemers aan de reis kwamen enthousiast terug. Zoiets moesten we in Amsterdam ook hebben! 
Maar voordat het model in Amsterdam kon worden gerealiseerd, moest er eerst nog heel wat worden overlegd en ruzie gemaakt. Wij hebben gesprekken gevoerd met diverse mensen, maar de interviews leverden geen duidelijk beeld op. Het bezoek aan Amerika en het vervolgoverleg vond plaats op initiatief van het onderzoeksinstituut Nijfer. Achter gesloten deuren vergaderden de ambtenaren van de sociale dienst, medewerkers van organisaties als Maatwerk, NV Werk, Arbeidsvoorziening en medewerkers van adviesbureau’ s die door de verschillende gesprekspartners waren ingehuurd. Wij voerden gesprekken, maar veel kwam daar niet uit. Wat wel? 

Nu al kan worden opgemerkt, dat gemeenteraadsleden in het geheel niet betrokken waren bij de besprekingen. Hoewel, het gerucht gaat dat er ook gesprekken plaatsgevonden hebben met de toenmalige minister Melkert, die al in een vroeg stadium de grenzen van de mogelijkheden zou hebben aangegeven: geen privatisering van de uitkeringsverstrekking, wel van de arbeidsbemiddeling.

Tijdens onze gesprekken werd duidelijk, dat een experiment in Zuid-Oost met het Wisconsinmodel opgestart zou worden. Maar na enige tijd kwam het gerucht, dat door het leven gaat als de ‘ nacht van schiller’ . Hier had de samenwerking definitief moeten worden bezegeld,  maar de verschillende gesprekspartners hadden grote ruzie  gekregen zodat alles weer op losse schroeven stond.  Onder de clienten van de sociale dienst zoemde wel het gerucht rond: alles wordt strenger, ze gaan ons dwingen verplicht vrijwilligerswerk te doen, en andere laakbare dingen, mensen werden bang en wantrouwig. De onderhandelingen mochten dan grotendeels achter gesloten deuren plaatsvinden buiten de Amsterdamse gemeentepolitiek om, er verschenen grote artikelen in vele kranten over de Amsterdamse plannen.  

Van de ‘ nacht van Schiller’ bestaan verschillende versies. Een daarvan is, dat de toenmalige directeur van de sociale dienst, Hans Denijs binnengekomen zou zijn, toen iedereen al rond de tafel zat, en hij zou alle externe adviseurs de deur uitgestuurd hebben. Daarna had hij de andere aanwezigen een voor een de huid vol gescholden en had hij het hele experiment opgeblazen. Wat uiteindelijk uit de bus kwam, was een experiment in Zuid-Oost waarbij alleen de sociale dienst en arbeidsvoorziening gesprekspartners waren. Zo is het experiment er ook gekomen. 

De NV Werk startte echter -buiten directeur Denijs van de sociale dienst om- onderhandelingen met wethouder Krikke (VVD) van economische zaken over nog zo’ n experiment. De hoofdrolspelers- Denijs en Verhey waren in dezelfde week in onderhandeling met resp. de wethouders van sociale zaken en van economische zaken over de financiering van de projecten.  Dit leidde uiteindelijk tot een experiment in Bos eb Lommer, waar NV Werk onderaannemer is van de sociale dienst en een soortgelijk experiment als in Zuid-Oost van de grond kwam.

Wij zouden hier verder de onderhandelingen van de afgelopen jaren kunnen proberen te reconstrueren uit de vele geruchten die de ronde doen, maar dat is niet de bedoeling van dit stukje. De bedoeling is duidelijk te maken, dat de gesprekken en onderhandelingen buiten de gemeentepolitici om achter gesloten deuren plaatsvonden, en dat pas achteraf en dan nog slechts gedeeltelijk debatten in de gemeenteraad plaatsvonden over het beleid. En er mochten dan voortdurend berichten in de krant verschijnen over de Amsterdamse plannen, die vaak hele of halve waarheden bevatten, omdat de journalisten vaak ook maar een of enkele onbevestigde versies van het verhaal kenden, een maatschappelijk debat tussen het maatschappelijk middenveld in Amsterdam, de politiek en de ambtelijke beleidsmakers was ver te zoeken, terwijl er toch ingrijpende beleidswijzigingen op het programma stonden. 

Hoe slecht de ontwikkeling van de afgelopen jaren geweest is, blijkt wel als we de geruchtenmachine verder analyseren. Zoals in het begin al opgemerkt wordt de machine gecompleteerd met geruchten van onderop, van de clienten, die met de nieuwe systemen van arbeidsbemiddeling worden geconfronteerd. Deels zullen hun verhalen tot stand komen door het aloude mechanisme, dat aan het begin van de straat iemand zijn pink heeft gebroken en dat-als het vele malen is doorverteld zo iemand aan het eind van de straat al zijn ledematen heeft gebroken. Maar de geruchtenmachine van onderop wordt ook veroorzaakt door het feit, dat de lagere ambtenaren, waar clienten mee te maken krijgen vaak ook niet weten wat de stand van zaken is, waarna ze maar wat tegenover de clienten beweren. Zoals het gerucht over Amsterdam Noord, waar werkgevers onder druk gezet zouden zijn. 

Een van de belangrijkste schakels in de geruchtenmachine is Het Parool. Jos Verlaan gunt ons regelmatig een kijkje in de diepste ziele roerselen van wethouders, gemeenteraadsleden en hoge ambtenaren en hij geeft naar eigen zeggen ware informatie over geheime onderhandelingen en machtsspelletjes op het stadhuis. Kees tamboer verwerkt in zijn artikelen regelmatig citaten uit geheime concept notaas, die vaak qua tekst aanzienlijk afwijken van wat de gemeenteraad onder ogen krijgt. De tekst verschillen tussen door niemand te verifieren concept notaas en de definitieve versies worden door Tamboer gebruikt om de wethouder van sociale zaken een veeg uit de pan te geven.
En de clienten van de sociale dienst of andere werkzoekenden lezen die artikelen in Het Parool dan weer, en zo komen de geruchten van bovenaf en van onderop bij elkaar, en vormen een geheel, de geruchtenmachine.
Een centraal gecoordineerd voorlichtingsbeleid over al die onderhandelingen ontbreekt.

De gemeenteraad lijkt pas bij de plannen te worden betrokken, als alles al in kannen en kruiken is.

En het wantrouwen van clienten van de sociale dienst en hun organisaties groeit. Iedereen die in de geruchtenmachine meespeelt heeft zo zijn belangen, meningen, contacten, gesprekken en onderhandse onderhandelingen. Niemand schijnt de regie in handen te hebben.

PvdL

Verslag bijeenkomst met ambtenaren van het stadhuis over de werkgelegenheid en de arbeidsbemiddeling

 d.d. 17-05-2000
Aanwezig: een stuk of zeven ambtenaren, Harry, Piet, Els.
Het blijkt vooral een gesprek te zijn waarin de ambtenaren uitleggen hoe een en ander in elkaar zit.
Eerst wordt de organisatie bij de gemeente uitgelegd. De ambtenaren op het stadhuis maken deel uit van  een Bestuursdienst, die verdeeld is in 5 sectoren. Een van die sectoren is de MEC (Maatschappelijke, Economische en Culturele sectie?). Een van de poten van de MEC is de poot werk. Daaronder vallen drie dingen:
¨      De IDE banen en de NV Werk
¨      De KSR regeling, waaruit projecten betaald worden die uitgevoerd worden op stadsdeelniveau. Het was me niet duidelijk, of de KSR regeling een rijksoverheidsregeling is of een gemeentelijke, waarbij de budgetten uit de gemeentelijke begroting komen.
¨      Flankerend beleid. Dit heeft betrekking op het creeren van voorwaarden die het mogelijk maken dat mensen uitstromen naar werk. (Zoals kinderopvang)
Daarnaast is er nog -tijdelijk- de regie unit WIW. Daarvoor zijn twee wethouders verantwoordelijk. (Krikke en Kohler). Deze regie unit coordineert de geldstromen van het werkfonds WIW en sluit contracten af met onderaannemers. Het grootste deel van het werkfonds WIW gaat naar de dienst Maatwerk dienstbetrekkingen. Daarnaast gaat een deel naar de NV Werk, die de WEP plaatsen uitvoert.
Verder is er nog de sociale dienst, die voor scholing en activering weer contracten afsluit met onderaannemers voor scholing en actvering. Een deel van dit geld gaat naar de regio’s. Inzet Zuid-Oost en Werk Mee Bos en Lommer worden gefinancierd uit het scholings en activeringsbudget.
De sociale dienst als uitvoerende instelling valt onder Kohler, voor de NV Werk en Maatwerk als uitvoerende instellingen is Krikke verantwoordelijk. Voor het flankerend beleid is Kohler verantwoordelijk.
Tatjana legt uit, dat er een probleem is, nl dat de instroom naar gesubsidieerde banen moeizaam verloopt. Daarom zijn er samenwerkingsverbanden met de sociale dienst.
En daarom zijn ook de projecten Bos en Lommer en Inzet Zuid-Oost opgezet. De eerste wordt uitgevoerd door de NV Werk, de tweede door het arbeidsbureau, waarbij mensen van de sociale dienst zijn gedetacheerd bij het project.
Gezien het probleem van de instroom in gesubsidieerde banen, is het ‘case-management’ ontwikkeld. De definitie daarvan wordt verderop uitgelegd.
Vervolgens komt iemand aan het woord, die het ‘Arena-initiatief’ uitlegt. Het ‘Arena-initiatief’ heeft geen rechtspersoonlijkheid, het is ook geen organisatie, er is geen beleidsplan, er staat eigenlijk niks op papier, het is een ‘state of mind’. Dwz het is een manier waarop instellingen/instituties en personen die met werkgelegenheid en arbeidsbemiddeling te maken hebben informeel met elkaar in overleg gaan om het vraagstuk van de werkloosheid op te lossen. Het is begonnen dat de top van allerlei organisaties  van elkaar erkennen dat zij belang hebben bij het oplossen van de werkloosheid, zoals werkgevers, zelforganisaties van Antillianen, Surinamers, Ghanezen en commerciele arbeidsbemiddelaars zoals Randstad en Content. Werkgevers hebben er belang bij, dat vacatures worden vervuld, mensen hebben belang bij werk, etc. Zo ontstaat er een win-win situatie. Bemiddelaars waren altijd schematisch bezig, altijd bezig met een onderdeel, maar nu in het Arena initiatief zijn de lijnen korter, kan snel en informeel worden gewerkt. Op deze wijze is een grote pool aangeboord van mensen, die wel geschikt bleken te zijn. Gevolg: de werkloosheid is sterker gedaald dan elders ook bij de clienten van de derde en vierde fase.
Er gaat nu in Amsterdam West iets soortgelijks opgezet worden. Het probleem is daar wel, dat er een groot bestand aan werklozen is, die moeilijk te plaatsen zijn. Dus zijn er meer ‘aanloop-projecten’ nodig, met een langere aanlooptijd; in Zuid-oost was eer een groot bestand van mensen die makkelijk te plaatsen waren.
Het succes van het Arena initiatief is de haal en breng garantie, bedrijven aan de ene kant van de spoorlijn zeggen: we hebben die en die vacatures, zorgen jullie aan de andere kant van de spoorlijn voor scholing, etc dan nemen wij die.
Een voorbeeld is de grote bioscoop in Zuid-oost, die mensen uit ZO in opleiding genomen heeft. Dit willen ze ook in de haven.
Maar nogmaals, men wil de vormen van samenwerking die in Zuid-oost zijn ontstaan ook in West.
Emil Smit legt de kenmerken van de sluitende aanpak uit. Volwassenen die instromen in de bijstandsuitkering krijgen binnen twaalf maanden een aanbod wat hun kansen op betaald werk vergroot. Dit is dus anders dan vroeger, toen veel te laat werd gereageerd. Er ligt nu een wettelijke verplichting om binnen twaalf maanden een aanbod te doen, varierende van scholing, taaltraining en gesubsidieerde arbeid of werkervaringsplaatsen. De regeling heet ‘‘sluitende aanpak instroom moeilijk plaatsbare werkzoekenden’ . In Amsterdam is er de ambitie, om de feitelijke regeling breder te maken en ook te kijken naar andere dingen zoals schulden saneren, kinderopvang, behandeling van verslaafden in de Jellinek, etc. Zowel het aanbod als de doelgroep wil men verbreden. De komende vijf jaar moet de sluitende aanpak stadsbreed worden opgezet, om langdurige werkloosheid te voorkomen. Daarbij moet er zoveel mogelijk sprake zijn van een aanbod op maat. We hebben het economisch tij mee, er is meer geld beschikbaar, en de groep waar het om gaat wordt kleiner. Daarnaast is meer kennis nodig van wat mensen nodig hebben. Daarvoor is het ‘case-management’ ontwikkeld. Daarbij wordt als het ware per individu gekeken, wat heeft die nodig om aan het werk te komen en moeilijkheden op te lossen en de desbetreffende persoon wordt intensief gevolgd in zijn/haar pogingen, de problemen op te lossen.
Het case-management is het uitgangspunt bij:
¨      Sluitende aanpak (Niet regionaal georganiseerd)
¨      De inzet van prjecten per wijk (Wel regionaal georganiseerd)
¨      2400 jongeren project (sluitende aanpak voor alle jongeren tot 23 jaar)
Toelichting op dit laatste: er waren nog jongeren met een zo grote achterstand dat ze in de bijstand terecht kwamen. Door het nieuwe beleid moet dat worden veranderd.
¨      Bij het aanbieden van trajecten moet gezorgd worden voor:
¨      Zorg
¨      Flankerend beleid
¨      Doorstroom van mensen uit WIW banen naar de arbeidsmarkt.
Binnenkort is een eerste evaluatie van het case-management te verwachten. We kunnen dan zeggen: hoe ziet die groep eruit? Wat zijn de knelpunten?
Harry vraagt zich bij dit alles af, hoe het zit met de werkgevers. Worden die benaderd? Is er samenwerking mee? Wordt actief geworven om werkgevers zover te krijgen mensen uit de doelgroepen te nemen?
Het antwoord daarop is dat men er alles aan doet, om de werkgevers warm te maken voor het beleid. Er is veel publiciteit. In het kader van het Arena-initiatief wordt een sectorbeleid gevoerd, dat vermeld staat in het Actieplan Economische Structuur II
In het Actieplan staan voorbeelden van branches waarmee de gemeente aan de slag wil. Midden en klein bedrijf, 10.000 allochtonen aan de slag via arbeidsvoorziening, ICT call-centers.
Ook de horeca en de zorgsector zit in het sectorbeleid. In de toekomst komen daar het onderwijs en de industrie bij.
De ontwikkeling is goed; per maand komen er 1600 banen bij in de regio Amsterdam. Tegen de werkgevers in een bepaalde sector wordt gezegd: meld ons de vacatures, zodat wij de mensen kunnen opleiden.
Tenslotte: Volgend jaar zal een project starten, om 3500 mensen die bij Maatwerk werken extra te kijken, of die kunnen doorstromen.

Enkele opmerkingen bij het projekt Inzet in Amsterdam Zuid-Oost

Dit artikel verscheen ook in het actieblad Ravage.

Met op de achtergrond een sterke lobby in de gemeentepolitiek, die oa bestaat uit directeuren van gemeentelijke diensten, geprivatiseerde instanties die zich met werkgelegenheid bezig houden, het onderzoeksinstituut ‘Nijfer’ en de fractie van D’66, wordt in de gemeenteraad het plan ‘Ínzet Zuid-Oost’ besproken. Kern van het plan is, dat vanaf september de sociale dienst en de arbeidsvoorziening met op termijn de Uvi’s in een projekt gaan samenwerken, waarbij alle clienten van de sociale dienst in een bepaald postcodegebied – en later misschien WW-ers en WAO-ers-verplicht zullen zijn aan het experiment mee te werken en waarbij zaken als arbeidsbemiddeling, verstrekking van uitkeringen, schuldhulpverlening, kinderopvang, scholing en psycho-sociale therapien vanuit een projekt worden georganiseerd. Daarmee gaat dit plan veel verder dan en loopt vooruit op de discussie over de CWI’s die op stapel staan en hoe die lokaal moeten worden ingevuld. Er vindt in het projekt nadrukkelijk geen privatisering van de uitvoeringstaken van de sociale dienst plaats. Ondertussen werkt de bovengenoemde lobby echter aan een ander plan, waarin dit wel het geval zal zijn. Dit plan is in hoofdlijnen reeds klaar. De discussie dreigt zich daardoor toe te spitsen op wel of niet privatiseren, waarbij andere uitgangspunten van beide projekten onderbelicht blijven.  
Het projekt in Zuid-Oost kan worden gezien als het sluitstuk van een beleid, dat de afgelopen tien jaar werd gevoerd. In de afgelopen jaren is de druk op de werklozen, iedere vorm van betaald werk te aanvaarden  opgevoerd. Door middel van strafkortingen, verplichte begeleidingsgesprekken, afschaffing van het begrip passende arbeid, herinvoering van sollicitatieplicht voor mensen ouder dan 57 en een half jaar, de Wet Boeten en
Maatregelen en de formulering van een gemeentelijk uitstroombeleid werd getracht, het aantal werklozen terug te dringen. De meeste werkzoekenden en werkenden hebben inmiddels de flexibiliteit van een skippybal. Een groot deel van de bijstandsgerechtigden stroomt na kortere of langere tijd uit de bijstand. Het aantal werkenden, dat wisselende banen heeft, neemt toe. De baan voor het leven is er allang niet meer. 70% van alle werknemers heeft te maken met enigerlei vorm van interne of externe flexibilisering. Door middel van verlaging van loonkosten voor werkgevers is er een ongerichte ekonomische groei, die in beperkte mate extra banen oplevert. Voornamelijk flexibele deeltijdbanen met tijdelijke contracten.
Op het personeelsbeleid van de werkgevers wordt door de overheid nauwelijks invloed uitgeoefend. Er wordt slechts getracht, de aanpassing van de arbeidskrachten aan het soort banen dat ontstaat te bevorderen.
Zoals gezegd beschouwen wij de sluitende aanpak van het projekt in Zuid-Oost als een sluitstuk van dit beleid. Aan de banen die de werkgevers aanbieden worden in het plan vier regels gewijd; de rest van het plan gaat over hoe de werklozen te begeleiden, belemmeringen in de persoon weg te nemen, werklozen bij te scholen, etc.
Er wordt ongeveer fl 20.000,- per werkloze geinvesteerd. Dat is- als het experiment van toepassing zou zijn op alle uitkeringsgerechtigden, fl 20.000,- maal 60.000 is fl 12.000.000.00,- Er is geen sprake van dat de gemeente dit bedrag heeft of krijgt om alle werklozen te begeleiden. Er wordt juist bezuinigd op de arbeidsvoorziening. De arbeidsvoorziening Amsterdam heeft momenteel nauwelijks voldoende geld de salarissen van het personeel te betalen. Het experiment kan dus in deze vorm nooit naar de hele stad worden uitgebreid.
De financiele filosofie achter dit beleid en achter het projekt in zuid-oost is echter, dat op deze wijze de werkloosheid wordt teruggedrongen en dat daardoor uitkeringsgelden worden bespaard en er geld overblijft voor weer nieuwe opjaagprojekten. Je kunt de uitkering van iemand kapitaliseren en dan dat geld in een kortere periode gebruiken om in de desbetreffende persoon te investeren. Dan is ie uit de uitkering en bespaart de overheid uiteindelijk geld en kunnen de sociale premies omlaag. Het is echter sterk de vraag, of dit werkt. Daar bestaat geen enkele zekerheid over. Als er ergens anders iemand weer werkloos wordt, blijft het aantal uitkeringsgerechtigden gelijk en wordt geen geld bespaard. De terugloop in de bijstand is voornamelijk een gevolg van de doorstroom van moeilijker bemiddelbare werklozen naar de gesubsidieerde arbeid in de WIW. Maatschappelijk gezien heeft dit beleid bovendien desastreuze gevolgen. Werkenden voelen zich onder druk gezet, toch maar vooral niet in de bijstand terecht te komen, werklozen voelen zich onder druk gezet, door middel van contracten waar veel algemene plichten en weinig rechten in staan alles maar te aanvaarden. En er zijn steeds meer uitvallers. Mensen met het ‘burn-out’ syndroom, een somatisering van de spanningen op het werk, de onzekerheid over je toekomst, de noodzaak je steeds weer te moeten aanpassen. Er ontstaat dan ook alweer een discussie over het groeiend aantal wao-ers. Bij dit beleid is een discussie over verlaging van uitkeringen of verdere beperking van groepen, die voor een uitkering in aanmerking komen onvermijdelijk.
En dan nog: in het projekt worden slechts 350 mensen begeleid naar betaald werk. Althans, dat wordt in de wandelgangen gezegd. In het rapport van het projekt ‘Ínzet’ zelf wordt geen enkele indikatie gegeven van de mogelijke resultaten. Er worden miljonene uitgetrokken voor met een volstrekt onzeker en van te voren vaststaand mager resultaat.  
Voor minimaal 350 mensen waarvan duidelijk wordt, dat ze in feite arbeidsongeschikt zijn volgens de criteria van de beleidsmakers komen er op basis van vage contracten activiteiten, zoals therapien en cursussen ‘omgaan met de heersende normen en waarden’ waarvan volstrekt vaag is, in hoeverre dit verplicht is.  
Onze ervaring met de reeds bestaande  toeleidingscentra is, dat de clienten contracten onder hun neus krijgen geduwd en onder druk worden gezet die te tekenen, waarbij de inhoud van het contract slechts bestaat uit de opsomming van algemene verplichtingen voor clienten mee t6e werken. Verplichtingen van het toeleidingscentrum worden niet geformuleerd en vastgelegd. Je tekent als client slechts, dat je aan alles meewerkt. Wij vragen ons af, wat de juridische basis is van dergelijke contracten en in hoeverre alle clienten, die verder niets gemeenschappelijk hebben dan het feit, dat ze een uitkering hebben in een bepaald postcodegebied zonder onderscheid des persoons verplicht kunnen worden een dergelijk algemeen contract te ondertekenen en aan het projekt mee te werken. Volgens ons staat deze verplcihting niet in de bijstandswet geformuleerd, en ook niet in nadere Maatregelen van Bestuur of gemeentelijke verordeningen die naar aanleiding van die wet zijn geformuleerd.
Om een voorbeeld te noemen: een client die op medische gronden arbeidsongeschikt is verklaard, kan niet worden verplicht een contract te tekenen, waarin hij/zij zich in feite vastlegt een therapie te volgen of vrijwilligerswerk te doen op voorstel van de begeledingsambtenaar wanneer op geen enkele wijze is geformuleerd of en zo ja hoe de begeleiding leidt tot betaald werk.
Bij de discussie over de nieuwe bijstandswet in de Tweede Kamer is nadrukkelijk vastgesteld, dat de verplichting tot het verrichten van vrijwilligerswerk alleen in uitzonderingsgevallen tijdelijk mogelijk is, wanneer duidelijk is, dat het deel uitmaakt van een van te voren vastgelegd traject dat leidt naar betaald werk.
Een en ander betekent volgens mij dat:
a)     Clienten die arbeidsongeschikt zijn of waarvan duidelijk is, dat ze nooit meer betaald werk kunnen verrichten niet verplicht kunnen worden aan het projekt mee te werken. Zij hebben slechts de verplichting, al die inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om de rechtmatigheid van het verstrekken van een uitkering te kunnen beoordelen.
b)     Bij clienten die wel worden begeleid naar betaald werk in het contract van te voren vastgelegd dient te worden welke contrete activiteiten vanuit ‘Inzet’ zullen worden geinitieerd om het doel-betaald werk- te bereiken.
Dit bericht is geplaatst in arbeidsmarktpolitiekreintegratie werklozen.