Werkgelegenheidsbeleid en het project Inzet in Amsterdam Zuid-Oost

Het beeld wat uit de statistieken naar voren komt is dat de stijging van de werkgelegenheid vooral ten goede komt aan twee groepen:
1. Mensen, die niet tot de loonafhankelijke beroepsbevolking behoorden, zoals huisvrouwen en zelfstandigen die een baan in loondienst aanvaarden
2. Jongeren, die nog geen 35 jaar zijn.
Met name onder vrouwen, allochtonen en ouderen boven de 35 blijft de werkloosheid toenemen.
Meer dan de helft van het aantal langdurig werklozen behoort tot de leeftijdscategorie boven de 35 jaar. Van cliënten van de sociale dienst heeft 40% een uitkering van vier jaar of langer. Het aantal mensen, dat langer dan vier jaar werkloos is neemt toe.
Deze groepen worden door de arbeidsbemiddeling nauwelijks bereikt. In 1997 werd door arbeidsvoorziening 15% van de werklozen bemiddeld. 7% van de langdurig werklozen werd bemiddeld. Vooral kleine en middelgrote bedrijven maken gebruik van arbeidsvoorziening, grote nauwelijks. Als je bedenkt, dat plaatsing op een scholings- of bemiddelingstraject en tijdelijk werk ook wordt meegerekend als een succesvolle bemiddeling, is glashelder, dat het huidige systeem niet deugt. Toch gaat men voort op de weg van een onoverzichtelijke lappendeken van projekten en projektjes, waarbij middels voortrajecten ‘soft skills’ worden aangeleerd, zoals sollicitatie en motivatietrainingen in combinatie met de druk van strafkortingen.
Volgens ons moeten de volgende maatregelen worden genomen om de situatie te verbeteren.
1. Met name grote bedrijven moeten op hun personeelsbeleid worden aangesproken. Zij lijken zich aan de door de overheid opgezette werkgelegenheidsprogramma’s te onttrekken. Pogingen vanuit de gemeenschap, langdurig werklozen aan het werk te helpen worden door hen niet gesteund. (uitzonderingen daargelaten). In Zuid-Oost zijn er plannen, bij de vestiging van nieuwe bedrijven, bij de opstelling van een kontrakt voor gronduitgifte het bedrijf te verplichten, mensen uit de wijk in dienst te nemen. Dit gebeurt bij het IJ-burg projekt en bij de MOJO-popconcerten. Dit moet op veel grotere schaal gebeuren. Hierover zou overleg moeten plaatsvinden met het grondbedrijf.
2. Het onder druk zetten van werklozen middels strafkortingen werkt niet. Hun kansen op de arbeidsmarkt worden er niet door vergroot, het heeft eerder een averechts effect, omdat met name langdurig werklozen meer schroom zullen hebben bij de diverse instanties aan te kloppen voor ondersteuning. Deze groep moet in positieve zin worden benaderd, door vrijstelling van de sollicitatieplicht en de betere invoering van premies voor vrijwilligerswerk.
3. Deze positieve benadering moet ook tot uiting komen in een betere bijverdiensteregeling, waarvan nu verschillende groepen zijn uitgesloten. Het is een bekend feit, dat veel mensen bij de aanvaarding van betaald werk er financieel niets mee opschieten. Dit als voorschot op de belastinghervorming; stel werklozen met een gedeeltelijk, door de ficus te verstrekken basisinkomen in staat zowel hun eigen armoedeval te overwinnen en een groot deel van het immense leger trainers, opleiders, scholingsdeskundigen, bemiddelaars en coördinatoren kan iets anders gaan doen.
4. Meer faciliteiten en voorzieningen om langdurig werklozen en anderen, waarbij men uitgaat van de initiatieven van de werklozen zelf. Daarbij kan gedacht worden aan projekten mensen zonder werk, waarbij met betrekkelijk weinig kosten een grote groep werklozen kan worden bereikt.
De Centra voor Werk en inkomen
De CWI’s zullen nog veel discussies losmaken. Dit is nu al het geval over een experiment in Amsterdam Zuid-Oost, waarbij verstrekking van alle uitkeringen en arbeidsbemiddeling worden uitgevoerd door dezelfde commerciële organisatie. Wij willen over dit experiment en de CWI ’s enkele punten noemen.
De (gedeeltelijke) privatisering van de arbeidsvoorziening brengt grote gevaren met zich mee. Nu al; is het zo, dat rechten en plichten van de werkzoekenden en van de overheidsinstanties alleen in algemene termen zijn geformuleerd, en dat er bij konkrete voorstellen van een van beide zijden onduidelijk is, in hoeverre dit verplicht is of niet en een eventuele sanctie kan volgen. Hierdoor is er in de gesprekken tussen arbeidsbemiddelaars of sociale dienst ambtenaren enerzijds en cliënten anderzijds een groot schemergebied, waarin rechten en plichten niet duidelijk zijn geformuleerd. Ook bij wat bekend is over het nieuwe experiment in zuid-oost zijn de rechten van de cliënten vaag gehouden, zodat de funktionarissen alle kanten uit kunnen. Bij privatisering van de arbeidsbemiddeling, waarbij de demokratische controle van de overheid op afstand komt te staan en de bemiddelaar financiële belangen heeft bij de bemiddeling, kunnen de rechten van cliënten nog verder ondergesneeuwd raken en bestaat het gevaar, dat in het geheel geen rekening meer wordt gehouden met hun wensen, waarbij ze op een oneigenlijke manier onder druk worden gezet. Bovendien zullen de commerciële bedrijven de ‘krenten’ uit de pap vissen, waarbij de langdurig werklozen doorgeschoven zullen worden naar de resten van de publieke arbeidsbemiddeling. Bovendien zijn voor deze commerciële instanties werkenden, die ander werk zoeken of mensen die geen uitkering hebben niet interessant, omdat men toe wil naar een systeem, waarbij een deel van het bespaarde uitkeringsgeld ter beschikking komt van de commerciële organisatie.
Er zijn in de nieuwe opzet van de CWI ’s en het experiment in zuid-oost geen garanties op behoorlijk betaald werk. Het enige wat gebeurt is, dat nog zwaarder aan de mensen wordt gesleuteld, maar waar zijn de banen voor die mensen? Individuele beoordeling betekent voor veel werkzoekenden dat hun rechten vaag zijn of afwezig.
Er moet door de centrale stad een duidelijker regie worden gevoerd over het werkgelegenheidsbeleid en de arbeidsbemiddeling, voor zover dat onder haar verantwoordelijkheid valt, in samenwerking met arbeidsvoorziening, waarbij de werkzoekenden in gesprekken met arbeidsbemiddelaars beter weten waar ze aan toe zijn.
De gang van zaken bij de opzet van het experiment in zuid-oost en de onderhandelingen over de nieuwe CWI ’s waarbij hoge ambtenaren in achterkamertjes langdurig onderhandelen waarbij ieder zijn eigen winkeltje wil veiligstellen, zonder dat de politiek erbij betrokken is, is symptomatisch voor de huidige situatie. Er moet een openbaar debat over de organisatie van de arbeidsbemiddeling in Amsterdam komen, voordat alles in binnenkamertjes in feite al besloten is!

PvdL

Loopgravengevechten bij de privatisering

Ook verschenen in: Solidariteit, nr 87, december 1998.

Het doolhof van de arbeidsbemiddeling – de markt

De privatisering van overheidstaken, als laatste stap in de afbraak van de klassieke ‘welvaartsstaat’, lijkt niet meer te stuiten. Vooralsnog is de chaos echter compleet en vechten publieke en private uitvoeringsorganisaties en verzekeringsconcerns om de brokken die de meeste winst opleveren. De vakbonden lijken geen greep te hebben op de ontwikkelingen. Ondertussen werken wetenschappers aan de verdere ontwikkeling van de ‘culturele economie’, waarbij de oorzaken van armoede worden gezocht in het normen- en waardenpatroon en het gedrag van de mensen die arm zijn. De private ‘integratiebedrijven’ moeten de opvattingen en gedragingen van de mensen die in armoede leven, gaan sturen.

Het gaat overigens niet alleen om privatisering van de sociale zekerheid of arbeidsbemiddeling. Ook allerlei vormen van hulpverlening en welzijns- en buurthuiswerk worden geprivatiseerd. Instituten worden geacht het ‘product’ welzijn op de markt te verkopen. Hetzelfde geldt voor sociaal raadslieden, psycho-sociale hulpverleners en anderen. In het marktgerichte welzijnsbeleid koopt de overheid sociale programma’s van deze instituten. Daarbij ontstaan samenwerkingsverbanden met het bedrijfsleven.

Wij-gevoel

In die samenwerkingsverbanden worden projecten opgezet volgens de nieuwste marketing- en reclametechnieken, zoals het project “mooi zo, goed zo. Heb hart voor de stad Amsterdam”. In vele steden draaien dergelijke projecten. “Het gaat om het kweken van een wij-gevoel”, zegt een ondernemer in een boekje over het project. “Niet alleen in het bedrijf, maar ook tussen het bedrijf en de lokale gemeenschap, waar het bedrijf gevestigd is.” ‘Ideële’ instellingen kunnen een aanvraag doen, bijvoorbeeld voor een kantoorinventaris of een bankje in het park voor bejaarden in de buurt. Of meer politiek getinte milieu- en belangenbehartigingsorganisaties, die wat minder uitgaan van een ‘wij-gevoel’ met ondernemingen en overheid, ook voor subsidie in aanmerking komen blijft onduidelijk.
Ook andere verworvenheden van de oude welvaartsstaat worden geprivatiseerd, bijvoorbeeld de schuldhulpverlening. Zo is Planpraktijk een bedrijf dat de schuldhulpverlening ‘rendabel’ heeft gemaakt. Jet Kremers, voorzitster van de CDA-vrouwen, was tot voor kort directeur. Het bedrijf heeft nu een omzet van 7,5 miljoen gulden en 120 werknemers. Eerst wordt bijvoorbeeld onderhandeld met de schuldeisers over afbetaling van een gedeelte van de schuld. Daarna moet de cliënt nog een tijdje een maandelijks bedrag betalen aan Planpraktijk voor de ‘hulpverlening’.

Concurrentie

Ook in de arbeidsbemiddeling slaat de privatisering toe. Dat gebeurt door de vorming van Centra voor Werk en Inkomen (CWI), waarin de Arbeidsbureaus, Sociale Diensten en uitvoeringsinstellingen worden samengebracht. Daarmee is het einde van de ‘gedwongen winkelnering’ in zicht. De uitkeringsinstanties zijn volgend jaar nog verplicht de begeleiding van hun bijstandsgerechtigden, WW-ers en WAO-ers in te kopen bij de Arbeidsbureaus. Vanaf 2001 mogen de uitkeerders kiezen tussen de publieke Arbeidsbureaus en commerciële uitzendbureaus. De laatste moeten ook bij de CWI betrokken worden, zodat concurrentie kan ontstaan.
De uitgaven voor arbeidsbemiddeling uit de publieke middelen worden verminderd. De Arbeidsbureaus krijgen dit jaar in plaats van 1 miljard nog maar 500 miljoen gulden en daarnaast een prestatiebudget van 500 miljoen, waarbij ze afgerekend worden op het aantal geslaagde bemiddelingen. Dit geld wordt in de toekomst ook gebruikt om uitzendbureaus in te schakelen.
Verder zijn er nu al verschillende gemeenten die de uitvoering van de Bijstandswet uitbesteden aan particuliere bedrijven, zoals accountantsbureaus. En vorige week las ik ergens dat werkgevers de WAO massaal particulier gaan verzekeren. Intussen onderhandelen werkgevers, werknemers en overheid over een volledige privatisering van de uitvoering van de werknemersverzekeringen.

Integratiebedrijven

Commerciële ‘reïntegratiebedrijven’ schieten als paddestoelen uit de grond. Zij werken met een team van psychologen, fysiotherapeuten, orthopedisch chirurgen en ergo-therapeuten. Deze deskundigen hebben een financieel belang bij het zo snel mogelijk aan het werk krijgen van zieke werkne(e)m(st)ers. De desbetreffende bedrijven juichen over de resultaten. Velen, die anders in de WAO zouden zijn beland, kunnen weer aan het werk. Het lijkt een beetje op begeleiding van topsporters. Er ontstaat daarbij een gesloten circuit van hulpverleners en bedrijfsartsen die tegelijkertijd voor commerciële verzekeraars en werkgevers werken. Van een onafhankelijke beoordeling is hier geen sprake meer.
Een voorbeeld is het reïntegratiebedrijf AFP-groep, eigendom van Arboned en de verzekeraars OHRA en Nuts. Zo worden twee belangen gediend. Werkgevers trachten de kosten van ziek personeel zo laag mogelijk te houden. De verzekeraars, die met werkgevers verzekeringen hebben afgesloten, proberen het aantal uitkeringen voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
zo laag mogelijk te houden; zo blijven de WAO-premies laag en kunnen zij concurreren met andere verzekeraars.

Onderlinge tegenstellingen

In de overgangsfase naar verdere privatisering zijn er in veel gemeenten grote tegenstellingen tussen de verschillende in de arbeidsbemiddeling betrokken instanties. Dat zal leiden tot loopgravengevechten tussen uitvoeringsinstellingen van de sociale zekerheid, arbeidsbemiddelingsinstanties, gemeenten, Sociale Diensten en de bureaus die aan particuliere verzekeraars gelieerd zijn. De vraag zal zijn wie in de nabije toekomst een sterke uitgangspositie (misschien zelfs monopoliepositie) op de markt kan verwerven.
Een jaar geleden steggelden de Arbeidsbureaus en de uitvoeringsinstellingen al over een onderlinge taakverdeling. Na veel touwtrekken is afgesproken dat in de CWI’s een tweede selectiegesprek door de consulenten van de Arbeidsvoorziening wordt gedaan. Zij adviseren ook over de scholing of training die iemand krijgt. Vervolgens doet het Arbeidsbureau zelf de bemiddeling. De Sociale Diensten en het GAK wilden zelf gaan bemiddelen, maar dat mocht niet. Uiteindelijk is afgesproken dat het Arbeidsbureau bepaalt welk soort begeleiding de werkzoekende krijgt, maar de Sociale Dienst of de bedrijfsvereniging bepaalt wie daadwerkelijk geholpen wordt. Volgens mij is de competentiestrijd tussen de verschillende organisaties hiermee nog lang niet uitgewoed en is de taakverdeling allerminst duidelijk. In het regeerakkoord zijn al weer nieuwe afspraken gemaakt over een verdere privatisering van het tweede gesprek door Arbeidsvoorziening.
Het lijkt erop dat het langs elkaar heen werken van instanties door de privatiseringsgolf alleen maar wordt versterkt. Ze proberen posities in te nemen die het mogelijk moeten maken elkaar straks op de markt op leven en dood te beconcurreren. Het ‘wij-gevoel’ van het project “mooi zo, goed zo” is hier ver te zoeken.

Regie bij ‘marktpartijen’

De politici die bestuursfuncties innemen, hebben de illusie dat bij de privatisering de overheid de regie kan houden over welk beleid wordt geformuleerd en hoe dat wordt uitgevoerd. Uit het voorgaande mag geconcludeerd worden dat dit uitgesloten is. ‘Marktpartijen, dat wil zeggen particuliere adviesbureaus en andere belanghebbenden, onderhandelen over de verdeling van de overheidsgelden en de wijze waarop het beleid (doelstelling) geformuleerd wordt. Bestuurders waren eerst afhankelijk van een ambtenarenapparaat, nu worden ze dat van de ‘marktpartijen’. De overheid komt bij de uitvoering meer op afstand te staan, waarbij alleen het kostencriterium geldt. Wie het goedkoopste is, krijgt het geld van de overheid. Wat er vervolgens bij de uitvoering in de spreekkamers met de cliënt gebeurt en hoe de doelstellingen van de overheid worden verwezenlijkt, is oncontroleerbaar.

Rol vakbeweging

De vakbeweging lijkt nauwelijks nog invloed te hebben op al deze ontwikkelingen. Symptomatisch voor de machteloosheid van de bonden en de stuurloosheid van hun beleid, is de gang van zaken rond het accoord in de Stichting van de Arbeid (STAR).
Lodewijk de Waal riep dit voorjaar ‘stop de privatisering’. Maar op 19 juni 1998 sloten vakbonden en werkgevers in de STAR een accoord over verdere privatisering van de werknemersverzekeringen. Dat zou vrij snel rond moeten zijn, binnen enkele jaren. Daarbij valt de claimbeoordeling (de bepaling van het recht op een uitkering) buiten de commerciële uitvoeringsorganisatie. Deze wordt ondergebracht in een juridisch gescheiden deel van dezelfde uitvoeringsorganisatie, met tripartiete zeggenschap van werknemers, werkgevers en overheid. In september bleek echter dat de vakbeweging nu weer tegen een al te snelle privatisering is (gedacht wordt aan de langere termijn van een jaar of acht) en dat de claimbeoordeling ondergebracht moet worden bij het publieke deel van de op te richten CWI’s.

En het kapitalisme?

Steeds meer verdwijnt bij al die loopgravengevechten uit beeld dat het kapitalisme nog steeds een systeem is waarin de ene mens de andere hier of elders uitbuit. En dat werknemers zich op basis van onderlinge solidariteit in een vakbond moeten verenigen om deze uitbuiting te bestrijden. Zodat ze de werkgevers door middel van collectieve acties en onderhandelingen onder druk kunnen zetten. Het gaat daarbij om een ‘wij-gevoel’ van de arbeiders, van de mensen die door een uitbuitingssysteem getroffen worden. Dat is een heel ander uitgangspunt dan het ‘wij-gevoel’ tussen de onderneming en de lokale gemeenschap. Maar ach, wordt mij tegenwoordig voorgehouden, dit is ouderwetse retoriek die ik maar niet los zou kunnen laten.
In discussies merk ik dat het moeilijk is uit te leggen wat er nou allemaal tegen die privatiseringsgolf is. Jet Kremers verricht goede daden, want ze helpt mensen van de schulden af. Mijn gesprekspartners zijn dan doof voor het argument dat mensen door dit systeem steeds meer in armoede worden gedrukt. De Stichting Inkomens Beheer in Amsterdam heeft een beruchte reputatie. Sommige mensen krijgen een pasje, waarmee ze maximaal vijftig gulden in de week kunnen pinnen. Daar moeten ze van leven.

Keiharde ideologie

Uitleggen wat er verkeerd is aan de privatisering is zo moeilijk, denk ik, omdat het is gebaseerd op een geraffineerd uitgewerkte, maar keiharde ideologie. Verpakt in mooie slogans als ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ en de redenering dat het in het belang is van alle mensen. De ideologen van de privatisering krijgen vanuit de wetenschap de analyses op een presenteerblaadje opgediend. In het voetspoor van Fukuyama doet de ‘culturele economie’ opgang. Daarin bestaat een sterke wisselwerking tussen economie en cultuur: de normen en waarden die mensen in een bepaalde samenleving hebben en die hun persoonlijk gedrag bepalen. Geconstateerd wordt dat er bij ons en vooral in de derde wereld nog steeds veel armoede en werkloosheid bestaat. Bovendien is het op het ene continent (bijvoorbeeld Afrika) erger dan in het andere (West Europa).
Hiervoor wordt een culturele verklaring gezocht. Niet wordt uitgegaan van de analyse dat de welvaart bij ons zo groot is en daar niet, omdat grote ondernemingen uit het westen een rooftocht over de wereld houden. Een rooftocht, waarbij in de ‘ontwikkelingslanden’ de lokale, kleinschalige productiestructuur in de landbouw vernietigd wordt en de mensen gedwongen worden monocultures te produceren, waarbij ze tegen afbraakprijzen grondstoffen leveren voor de multinationals in het westen die er dure eindproducten van maken. Nee, dat is ouderwetse, ongenuanceerde jaren-zeventig-retoriek. Het is een kwestie van cultuurverschil en daaruit voortvloeiend individueel gedrag. Ons systeem van waarden en normen is nu eenmaal zo dat er bij ons welvaart ontstaat en daar niet. De mensen werken hier harder, dat willen ze ook, ze komen op tijd, ze kunnen beter samenwerken enzovoort.
Opgeld doet de ideologie van het ‘maatschappelijk ondernemen’ en het ‘groen beleggen’. Hierin wordt de noodzaak benadrukt van een passend waarden- en normensysteem in de onderneming om armoede, onderdrukking en milieuvervuiling te voorkomen en welvaart voor allen te produceren. Zo’n systeem moet door het ‘wij-gevoel’ ook gedragen worden door de gemeenschap.
In de ideologie van de culturele economie worden de oorzaken van armoede gezocht in het normen- en waardensysteem en het gedrag van de individuele arme. En niet in het systeem van de economie zelf. Naadloos sluiten hierop aan de depolitisering en individualisering van het werkloosheids- en armoedeprobleem, waarbij de overheid en de geprivatiseerde ‘integratiebedrijven’ proberen het gedrag van de individuele werkloze of arme te sturen en hem/haar een andere houding en andere opvattingen bij te brengen. Zo wordt de ‘schuld’ van de armoede bij de mensen zelf gelegd. Ik zie geen verschil met de manier waarop in de negentiende eeuw de gegoede middenklasse haar rijkdom tegenover de bittere armoede van anderen rechtvaardigde. De emancipatie van achtergestelde groepen moet opnieuw beginnen.

Piet van der Lende

(Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam)

Gesprek van Anke en Piet met Jo Kempen van Arbeidsvoorziening Noord-Holland Zuid in Orlyplaza

Donderdag 13-08-1998.
Na een introductie van het sociaal-juridische spreekuur van de Bijstandsbond, het samenwerkingsverband Amsterdam tegen verarming en het belang van informatie over het projekt in zuid-oost voor ons advieswerk legt de heer kempen uit hoe het projekt in elkaar steekt. Aanleiding is het bezoek aan Amerika op initiatief van Bomhoff. De vier directeuren van Arbvo, NV werk, Maatwerk en de GSD, de heren Bugter, Verhey, Van Lijnschoten en Elswijk hebben daarop besloten een projektgroep te vragen enkel elementen uit het Wisconsinmodel uit te werken voor een pilotprojekt in amsterdam. Daarvoor is de projektgroep enige tijd geleden de hei opgegaan. Dit heeft geresulteerd in een werkplan. Dat krijgen we niet. Want het is in de woorden van Kempen een concept, dat nog niet is afgetikt. De projektgroep heeft de vier direkteuren verschillende vragen voorgelegd, waar ze niet goed uitkwamen, en waarvan ze zeiden: gaan jullie daarvan maar zeggen hoe het moet. De vier direkteuren gaan over veertien dagen bij elkaar komen om een en ander te bespreken. In die vergadering zal de heer kempen (is die daar dan ook bij aanwezig??) de direkteuren het vraagstuk voorleggen, wanneer wij het Werkplan krijgen. (Die bijeenkomst moet de ‘nacht van Schiller’ zijn geweest PvdL)
De heer kempen legt uit, wat het cwi-projekt in Amsterdam west inhield. Dit is eigenlijk alleen een gezamenlijke intake balie, waarna een ieder verder z’n eigen werkzaamheden doet. Men heeft bij arbeidsvoorziening ervaren (de heer kempen heeft zich oa met het melkert-conducteursprojekt beziggehouden) dat sommige mensen naast hun werkloosheid soms schulden hebben. Dit verergert de kansloosheid, want werkgevers hebben er een broertje aan dood om iemand in dienst te nemen, waarbij meteen beslag wordt gelegd op het loon, vooral omdat zowel werkgever als werkzoekende konstateren, dat het financieel niets opschiet. Naar aanleiding van de eigen  ervaringen en het projekt in wisconsin wil men nu verder gaan. Er komt een projekt in zuid-oost voor voorzover de heer Kempen nu bekend is voor 1000 fase vier cliënten, waarbij alle hulpverlening, arbeidsbemiddeling, maatschappelijk werk en kinderopvang in een projekt wordt gerealiseerd. De voer organisaties brengen ieder hun deskundigheid, financiën, en werkzaamheden in. Dus ook de uitkeringen worden via de nieuwe BV verstrekt. De heer Kempen zegt hetzelfde als Ben Bugter daarover, nl dat als iemand een fiets of een sollicitatiepak wil, dit snel geregeld moet kunnen worden. Daarnaast worden van bestaande organisaties op het gebied van maatschappelijk werk en schuldhulpverlening en kinderopvang diensten ingekocht. Het is niet de bedoeling, dat naast de al bestaande organisaties nog weer een nieuwe organisatie in dat opzicht in het leven wordt geroepen. Het projekt moet duidelijk ‘geimplanteerd’ worden in de bestaande Amsterdamse situatie. Het is de bedoeling, dat een cliënt een gesprekspersoon van de BV krijgt, waarmee hij/zij alles moet regelen. Wel blijven de gewone beroepsprocedures van de Bijstandswet van kracht. Dus als iemand het niet eens is met de beslissing van de BV kun je gewoon bij B en W in beroep gaan. Voor de selectie van de 1000 cliënten is nog niets bekend. Het gaat niet om een bepaald gedeelte van een bepaald rayon van de sociale dienst. Mensen van bv zestig die bijstand ontvangen vallen er niet onder. Wij vragen of arbeidsongeschikten of gedeeltelijk arbeidsongeschikten hier ook onder vallen die in de bijstand zitten en gekeurd zijn door de GG en GD of de ??? De heer kemepn is hier geen voorstander van. Deze mensen zouden kunnen vallen onder de wet RIA (Reintegratie Arbeidsongeschikten) waarover Arbvo afspraken heeft gemaakt met de gemeente, en die mensen zouden via zo’n trajekt weer aan werk moeten worden geholpen, en niet via het projekt in zuid-oost. Anke zegt, dat ze gisteren in de vergadering van de cliëntenraad gehoord heeft, van de heer Denijs, dat het niet om 1000 clienten gaat maar om 250. De heer Kempen is hier niets van bekend. Hij veronderstelt, dat er wellicht zal worden besloten het experiment in stukjes te knippen: eerst eens 250, en dan weer verder zien, enzovoort.
De heer kempen verklaart nadrukkelijk, dat het slechts in sommige gevallen voorkomt, maar we weten ook wel, dat nu de praktijk is, dat bijvoorbeeld Arbvo een melding stuurt naar de sociale dienst, en dat ze het daar dan druk hebben, en er een tijdje geen aandacht aan besteden, en als het dan ter sprake komt, dan zegt de cliënt: het arbeidsbureau heeft niets gedaan. Dat behoort met dit projekt tot het verleden.

De heer Kempen legt uit, hoe de Arbvo met de gemeente samenwerkt. Gelden die eerst aan Arbvo werden toegewezen worden nu gedeeltelijk aan de gemeenten toegewezen, die dan vrij zijn om ergens inkopen te doen. De gemeente heeft van het rijk in dit verband voor 1998 19 miljoen gekregen. 12 miljoen daarvan is vastgelegd in een kontrakt tussen Arbvo en de gemeente, dus daarmee kan de sociale dienst scholing, arbeidsbemiddeling e.d. van het Arbeidsburo inkopen/gebruiken. Blijft over zeven miljoen. 1 miljoen daarvan wordt gebruikt voor het projekt Keerpunt. Blijft over zes miljoen die gebruikt kan worden voor het projekt in zuid-oost. Daarnaast zeggen de vier direkteuren: er is sowieso geld voor schuldsanering en kinderopvang, een deel van dat geld kan gebruikt worden voor de desbetreffende aktiviteiten in het kader van het projekt. Daarnaast investeren bv Verhey en Bugter in acquisitie van Melkertbanen en banenpoolplaatsen, begeleiden mensen e.d en een deel van dat geld kan voor die aktiviteiten ook ingezet worden in het projekt. Dit is de zogenaamde kleine geldstroom. Daarnaast is er de grote geldstroom van de uitkeringen. Het projekt krijgt bv drie jaar uitkeringsgeld van een werkloze, en als ze de desbetreffende persoon binnen drie jaar aan werk helpen, bespaart de overheid geld. Maar, zeggen wij, dan moet het wel zo zijn dat het totale aantal uitkeringsgerechtigden ook daadwerkelijk terugloopt, dwz dat niet anderen in de plaats van de aan het werk geholpenen werkloos worden. Exact, zegt de heer Kempen, en daarover is ook overleg met het ministerie, waar men ervan overtuigd moet worden dat er daadwerkelijke besparingen plaatsvinden. Het miniserie zegt eigenlijk: dat geld strijken we mooi op, en dan kunnen we het financieringstekort terugbrengen, en de vier direkteuren zeggen: investeer nou een gedeelte of geheel van dat geld aan de begeleiding van de fase vier cliënten naar de arbeidsmarkt. De BV gaat winst maken, maar zegt de heer Kempen dit geld moet wel weer ten goede komen aan de verdere begeleiding van nieuwe cliënten. Overigens zijn prestatiebeloningen en incentives voor medewerkers die goed scoren geen punt. Dat gebeurt bij arbeidsvoorziening nu ook al. Overigens maakt hij bezwaar tegen de one-liner, dat mensen die eigenlijk komen voor schuldsanering, na een gesprek van drie uur worden weggestuurd met de opdracht, dat men maar een oproepbaantje aanneemt. Voor veel mensen is een langzame, stapsgewijze aanpak nodig, waar de Melkertbanen en zo ook bij horen, een instrument wat ze in Amerika niet hebben. Hoe past het vrijwilligerswerk in het geheel? De heer Kempen is er geen voorstander van, dat het vrijwilligerswerk waarbij wordt gezegd: nou, dat is het enige wat er voor die persoon inzit, er is geen kans op betaald werk, laat hem dat maar doen, dat dat onder het projekt gaat vallen. Blijkbaar is daar nog niet over gesproken. Het projekt in zuid-oost in dat verband, waar wij twee jaar geleden geweest zijn, is hem niet bekend. Wel denkt hij, dat bv vrijwilligerswerk, dat een onderdeel is van de fasegewijze stappen richting arbeidsmarkt deel uitmaken van het geheel. Dat moet altijd voorop staan. Want werkzoekenden hebben rechten, maar ze hebben ook plichten. Enerzijds hangt de selectie van eventuele fase vier cliënten en de mogelijkheden van de mensen samen met hun persoonlijke omstandigheden, en of ze sowieso wel kunnen werken. Maar anderzijds hangt het ook samen met de situatie op de arbeidsmarkt. Er zijn nu heel wat fase drie cliënten, die zo aan het werk komen. Werkgevers zijn meer bereid te investeren in mensen. Eisen die een jaar gelden volkomen normaal waren op de arbeidsmarkt worden nu niet meer gesteld.  
PvdL

Verslag gesprek met Paul Verhey van de NV Werk

d.d. 29-06-1998
Aanwezig: Anke, Paul Verhey en ik. (Dit verslag is een weergave uit m’n hoofd na afloop van het gesprek, de diskussie is uit elkaar gehaald, eerst volgt een weergave van de standpunten van Verhey, dan onze standpunten)
Verhey begon met uit te leggen, dat er in de bijstand een groep is van ongeveer 20.000 fase 4 clienten die eventueel wel weer aan het werk zou kunnen. Hij heeft alle oplossingen niet voorhanden en wil daarom een gesprek om samen naar oplossingen te zoeken. Het gaat nadrukkelijk niet om het Wisconsinmodel, dit is niet de bedoeling en schept verwarring. Hij heeft tijdens zijn verblijf in amerika samen met anderen die hij had meegenomen gekonstateerd, dat er veel kritiek is, oa op de kinderopvang, van mensen die het betrof. (De kinderopvang werkt van geen kant). De praktijk is in de verschillende landen steeds weer anders, en je kunt niet zomaar elkaars modellen overnemen. Enerzijds zou je in de Melkert 1 regeling de selectiecriteria lager moeten stellen. Nu is het zo, dat daar voornamelijk kansrijke mensen in terechtkomen, die anders ook wel zouden zijn doorgestroomd. Dit zou anders moeten. Je zou dsan met die mensen tweejaars contracten kunnen afsluiten, waarbij je na anderhalf jaar gaat kijken, nou, die komt nooit meer aan het reguliere betaalde werk, dus daar creeren we een aangepaste arbeidsplaats voor in een voortgezette melkertregeling, of die kan doorstromen naar betaald werk, of die is in feite arbeidsongeschikt en moet in het zorgtraject. Anderszijds, als je het zo doet, en je laat zien, dat je met die groep iets doet, dan ontstaat ook meer een maaschappelijk draagvlak in de politiek om de andere groep fase 4 clienten vrij te stellen van de socillicitatieplicht en anderszinds voor deze groep facilitair bezig te zijn,  en om de uitkeringen iets te verhogen.
Het gaat Verhey nav opmerkingen van ons hierover in eerste instantie echter om die groep van 20.000. Daarnaast is het zo, dat er sprake moet zijn van een geintegreerde aanpak en een strikt individuele aanpak. Dus mensen zouden terecht moeten kunnen in een soort buurtwinkel of buurtservice punt, waar je huursubsidie formulieren kunt invullen, je schulden sameren, een uitkering aanvragen, werk zoeken, etc. Dit buurtservice punt moet dicht bij de mensen staan, een soort inloopwinkel waar je met een diversiteit aan problemen terecht kunt. Daarbij is samenwerking met bv schuldhulpverlening, sociaal raadslieden, maatschappelijk werk e.d. noodzakelijk. Overigens heeft hij ruzie gehad met Ben Bugter, die verkeerde informatie verstrekt over de plannen. Zo zou er volgens het parool een intern rapport over een experiment in zuid-oost zijn. Er is nog helemaal niet besloten over een experiment in zuid-oost en een intern rapport bestaat niet. Verhey werd al gebeld uit zuid-oost met de opmerking: waarom weten wij hier niets van. Maar er is nog niets besloten. Alle gesprekken zijn nog in een orienterende fase. Het gaat ook helemaal niet om het overnemen van het wisconsinmodel. Naast samenwerking met sociaal raadslienden en maatschappelijk werk is belangrijk in het hele model dat Verhey voor ogen staat, wel de samenwerking met maatschappelijke (buurt) organisaties. In dit verband liet hij in de loop van het gesprek een rapport van de Werkmaatschappij Zuid-Oost zien, waarin een statistiekje stond over 189 fase 4 clienten, die door de werkmaatschappij aan een melkert 1 baan waren geholpen. Van deze 189 was ik geloof 60% binnengekomen via de kerken en belangenorganisaties. Slechts 20% via het arbeidsbureau.
Belangrijk is, een maatschappelijke steun voor het plan op te bouwen. Het moet niet zo gaan als bij het mislukte experiment in de staatsliendenbuurt voor het een loketsysteem, waarbij de grote drie-arbeidsvoorziening, de UVI’s en de sociale dienst om de tafel gingen ztten, het grote probleem midden op tafel legden en vervolgens ging men de leuke dingen naar zichzelf toeschuiven en werden de vervelende dingen naar de ander geschoven. (Dit nav mijn opmerking, dat de bedrijfsvernigingen niet bij het plan betrokken waren). De bedrijfsverenigingen vallen in eerste instantie buiten het plan. Wel heeft Verhey over deze plannen overleg met de schuldhulpverlening en de vakbonden. Gezien de competentiestrijd tussen de vele organisaties probeert de NV Werk het initatief voorlopig onder zich te houden. We moeten een goed overleg hebben en praktisch beginnen. Niet allerlei teoretische stellingen laten bedenken door de grote instellingen. Vanuit zo;n praktsiche beginsituatie- hij noemde het een soort super CWI, waarvoor je wel uitgangspunten moet formuleren, al zoiekenden laten zien hoe het kan, en dan gaan anderen vanzelf wel die kant op kijken, en kun je altijd nog gesprekken aanknopen. In het gesprek kwam ook nog ter sprake, dat zo’n buurtservice punt eiegenlijk voor alle buurtbewoners zou moeten gelden. Daar was hij het wel mee eens, maar het bleef in het vage, of de ‘super CWI” die hij in zijn hoofd heeft in eerste instantie ook die kant op gaat.
Wij hebben de volgende punten naar voren gebracht.
1. Het is zeer de vraag, of het gaat om 20.000 clienten. Volgens ons zijn het er minder. (Tenzij je natuurlijk, maar dit is in het gesprek niet expliciet aan de orde gekomen, mensen die in feite arbeidsongeschikt zijn in de melkert 1 regeling wilt duwen)
2. Er is in het kader van de participatiemonitor die in het kader van het te maken sociaal struktuurplan is aangekondigd, een onderzoek nodig naar wie die fase 4 clienten nou eigenlijk zijn en wat ze zelf willen. Daarnaast is er een grote groep, die niet permanent in de bijstand zit maar wel af en toe. Die verdwijnt buiten beeld. Wat zijn daar de knelpunten? In dit kader zou geinvenatriseerd moeten worden, wat de knelpunten zijn in het aansluiten van sociale zekerheid op betaald werk en wat de gemeente daar aan kan doen. Een recent rapport wijst uit, dat een derde van de mensen met flexibele kontrakten recht heeft op ww of ziekengeld, maar dit niet aanvraagt.
Verhey zei hier echter van, dat onderzoek mooi is, en dat we dit moeten doen, maar het gaat nu erom, op korte termijn al een plan te maken, waarmee je kunt gaan werken.
3. Een centraal aanspreekpunt voor werkzoekenden en belangenorganisaties, waar je over de aansluiting van sociale zekrerheid en betaald werk dingen te weten kunt komen en waar men op de hoogte is van de vele projekten en regelingen. Dit verbond Verhey met een verhaal over hoge dremples, die je juist moet slechten.
4. In het najaar, wanneer de nieuwe armoedekonferentie wordt gehouden, zou dit plan onderdeel moeten uitmaken van discussie, want daar zijn bijvoorbeeld behalve de belanbgenorganisaties ook maatschappelijk werk en sociaal raadslienden aanwezig. Hier reageerde hij niet op.
5. Tijdens de diskussie hebben wij het volgende naar voren gebracht. Er is niets op tegen, als buurtbewoners naar een buurtservicepunt kunnen, dat dicht bij de mensen staat, waar je zo binnen kunt lopen en waar je met een breed scala aan problemen kunt worden geholpen. Maar zo eenvoudig is het niet.  Dre client is afhankelijk van de sociale dienst en heeft ten opzichte van die dienst geen onderhandelingsruimte. En het is zo, dat de staat cq de sociale dienst vertegenwoordigd wat de bestuurders willen, die zeggen het algemeen belang te vertegenwoordigen (dus het ekonomisch belang van een bepaalde groep) en anderzijds is er de client, die zich graag wil ontplooien en voor zijn eigen belang opkomen. Die twee kunnen overeenstemmen, maar soms niet. Mensen zijn geen robots, en het is belangrijk, dat er een maatschappelijk werk en sociaal raadslieden zijn, die vanuit een onafhankelijke postie vertrouwelijke gesprekken kunnen voeren met de clienten, zodat hun onderhandelingspositie ten opzichte van de staat wordt versterkt en een goede oplossing uit de bus komt. Het maatschappelijk werk en de schuldhulpverlening zal die onafhankelijke positie willen behouden, dat past in hun hulpbverleningsmethodiek, dat je op die manier de mensen het beste kunt helpen. Het is de vraag, hoe die onafhankelijkheid kan worden gerealiseerd in een projekt, ewaarbij alles in elkaar wordt geschoven. De sociale dienst deelt sancties uit, de afgelopen drie jaar is het aantal sancties ieder jaar verdubbeld. Mensen worden onder druk gezet, bepaalde dingen te aanvaarden. Dit schept wantrouwen en een niet-gebruik van de voorzieningen. Verhey antwoordde hierop, dat een evenwichtige oplossing moest worden gevonden, en dat we maar moesten beginnen. Maatschappelijk werk en sociaal raadslienden- en ook andere instanties op het gebied van arbeidsbemiddeling en de vele projketen en uitvoeringsorganisaties zien wij niet zo snel opgaan in een organisatie.
Tijdens het gesprek maakte ik de opmerking, dat de drie criteria voor vrijwilligerswerk en additionele arbeid (dat moest ik niet zo nomen) een probleem waren. En dat het helemaal niet zo erg zou zijn, als langdurig werklozen met een duwtje in de rug iemand anders tijdelijk zonder betaald werk laten zitten. In dit verband zei hij, dat in de melkert 1 regeling in feite ook is afgesproken, dat het verdringingscriterium niet meer zal gelden, ze hebben nog wel wat crietria, en voorlopoig voor een jaar als eerste opzet. We zitten nu in een periode van hoogconjunctuur,e n die mensen die vast werk hebben houden dit toch wel, of vinden snel weer ander werk. Wel wordt streng vastgehouden aan het criterium van de concurrentievervalsing. Dit omdat anders een sector van zwaar gesubsidieerde bedrijven ontstaat, die anderen uit de markt prijst die wel volledig op zichzelf kunnen werken.
Hoewel de konkrete uitwerking in het vage blijft, wil Verhey lobbyen bij iedereen die voor het model belangrijk is, voor de volgende punten, die gemeenschappelijk zijn met de amerikaanse aanpak.
1. Een integrale totaal aanpak. Er worden buurtservicepunten opgericht, die tot doerl hebben, de totaalsituatie van de client in ogenschouw te nemen en een totaalpakket aan te bieden. Sanering van schulden, eventuele oplossing van gezinsporblemen, en daarna een melkertbaan. Hoe de koppeling wordt tussen die twee is onduidelijk.
2. Noodzakelijk voor die totaal aanpak is een individuele benadering van de client, waarbij de medewerking wordt gevraagd van schuldhulpverlening zoals die nu ind e regio bureau’s wordt opgezet, en op wat langere termijn instituten als sociaal raadslienden en maatschappelijk werk, die de professionele hulpverlening aan verschillende groepen bieden.
3. In Amerika wordt samengewerkt met partikuliere organisaties, zoals de kerken, belangenorganisaties en buurtorganisaties. Zij leveren de clienten aan, en zorgen voor het maatschappelijk draagvlak in de buurten, zodat de mensen niet te wantrouwend zijn om binnen te lopen. Deze aanpak wil verhey ook in amsterdam. Nu al is er een samenwerking tussen de kerken en de werkmaatschappij zuid-oost. Dit zou moeten worden uitgebreid.
4. In principe is er voor iedereen werk, ook voor mensen, die nu als arbeidsongeschikt te boek staan. Daarom wil verhey de toelatingscriteria voor de melkert een banen fors verlagen, eventueel met aangepaste arbeidsplaatsen. Dan wordt na anderhalf jaar gekeken, wat er verder moet gebeuren.

5. Het gaat nu om een experiment, dat hopelijk succesvol is, zodat op wat langere termijn 20.000 fase 4 clienten via deze regeling kunnen instromen. Eenb gedeelte zal ind e regeling blijven. Uitiendelijk gaat het om een groep van 40.000 clienten, waarvan 15.000 zal doorstromen naar regulier betaald werk.

Arbeidsbureau’s schenden privacy

Op 24 maart heeft Marijnissen van de Socialistische Partij in het wekelijks vragenuurtje van de Tweede kamer vragen aan minister Melkert gesteld over de schending van privacy door arbeidsbureau’s en de privatisering van de arbeidsbemiddeling.

Er is veel te doen geweest over een brief die het arbeidsbureau naar alle werkzoekenden stuurde. In de brief stond, dat het arbeidsbureau informatie die ze van je hadden wilde doorgeven aan oa uitzendbureau’s. Je kon bezwaar maken tegen het doorgeven van deze prive-gegevens. Deed je dit niet, dat werden de gegevens doorgegeven. Wat dit betreft konstateerde Marijnissen, dat er zich een soort kwartetspel ontwikkelt, waarbij uitzendbureau’s en arbeidsbureau over en weer met informatie van werkzoekenden gaan schuiven. Marijnissen kreeg een vieze smaak in de mond van het voorstel. Hij stelde de minister verschillende vragen.

Wordt de privacy van de werkzoekende niet geschonden? Kan iemand die zich inschrijft bij een arbeidsbureau onder druk gezet worden?. Wellicht komen er zelfs sancties, indien iemand niet meewerkt aan het uitleveren van zijn persoonlijke gegevens?. Start en Vedior beschikken al over de gegevens van werkzoekenden die zijn ingeschreven bij het arbeidesbureau.
Hoe kan dat?
De minister heeft hier geantwoord, dat Marijnissen er maar aan moet wennen dat publiek en privaat meer zullen gaan samenwerken op het gebied van arbeidsbemiddeling. Verder geeft de minister nauwelijks antwoord op de gestelde vragen. Niet over mogelijke sancties als iemand niet wil dat zijn gegevens worden doorgegeven, en niet over het feit, dat Start en Vedior nu al beschikken over de gegevens.
Marijnissen citeert een brief van de Registratiekamer, waarin staat: “Het is de registratiekamer echter gebleken dat ook gegevens van diegenen die uitdrukkelijk bezwaar hebben gemaakt, worden verstrekt aan uitzendbureau’s binnen het samenwerkingsverband”. Blijkbaar gebeurt het gewoon, of je daarvoor wel of geen toestemming hebt gegeven. Marijnissen herhaalt aan de hand van brief van een advokaat uit Roermond nog eens, dat de werkzoekende bezwaar kan maken, en dat de gegevens worden doorgegeven als de werkzoekende dat niet doet.
Dit zou anders moeten. Er zou gevraagd moeten worden of men het goed vindt, dat de gegevens doorgestuurd worden en niet dat de gegevens doorgestuurd worden als men niet reageert.  Het arbeidsbureau rechtvaardigde de handelwijze met de volgende tekst: “dat het vragen van schriftelijke toestemming praktisch niet goed uitvoerbaar is en een belemmering vormt voor effectieve uitwisseling van gegevens met andere intermediairs, zoals uitzendbureau’s.” De minister heeft oa  
geantwoord, dat er binnenkort een rapport van de Registratiekamer zal verschijnen, waar op deze kwestie wordt ingegaan.

Over de uitwisseling van gegevens tussen arbeidsbureau’s en bedrijven verscheen een gedegen artikel in het maandblad Doen van Robert Loeber. Het artikel werd ookgepubliceerd in Kleintje Muurkrant uit Den Bosch.

De organisatie van de arbeidsbemiddeling in Nederland in 1998

In Nederland is de organisatie van de arbeidsbemiddeling een onoverzichtelijke lappendeken van allerlei organisaties. Arbeidsbureaus, gemeen­telijke instellingen, zorgverzekeraars, uitzendbureaus etc. Al die instellingen houden zich bezig met de uitvoering van allerlei regelingen, maar ook met arbeidsbemiddeling, omscholing, trajectbegeleiding, sollicitatiecursussen, etc. Allemaal ac­tiviteiten om de werkzoekende klaar te stomen voor de kennis en vaardigheden die de werkgever eist. Het is een erg onoverzichte­lijk geheel van instel­lingen, die langs elkaar heen werken of elkaar beconcurreren.
Toch zal ik proberen, in het volgende enige lijnen van de arbeidsbemiddeling in Nederland aan te geven.
In het poldermodel zijn er globaal 4 methoden, om de deelname van de beroepsbevolking aan betaalde arbeid te bevorderen. Ten eerste de algehele loonkostenverlagingen voor werkgevers op basis van belastingverlagingen en loonmatiging. In dit artikel komt dat verder niet ter sprake; het is een macro-ekonomisch verhaal, dat een beetje buiten de organisatie van de arbeidsbemiddeling valt. Ten tweede door een systeem van arbeidsbemiddeling, waarbij getracht wordt vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Ten derde door gerichte subsidiëring van werkgevers, om bepaalde groepen, bijvoorbeeld langdurig werklozen- weer aan werk te helpen.
En tenslotte door de opzet van de zogenaamde additionele arbeid, de creatie van door de overheid betaalde ? banen.
Ik ga eerst in op de organisatie van de arbeidsbemiddeling. 
arbeidsvoorziening
Op landelijk niveau is er de Arbeidsvoorziening Nederland. Daaronder ressorteren Regionale Besturen Arbeidsvoorziening. (RBA’s), die voor de arbeidsbemiddeling in een bepaalde regio zorgen. In het bestuur van Arbeidsvoorziening Nederland en de RBA’s zitten vertegenwoordigers van de overheid, de werkgevers en de werknemers. De arbeidsvoorzieningsorganisaties zijn verantwoordelijk voor de volgende taken:
registratie van werkzoekenden en van vacatures, beroeps keuzevoorlichting in samenwerking met de Adviesbureaus voor Opleiding en Beroep, waarvan er een is in iedere regio, arbeids -medische advisering, arbeidsbemiddeling, scholing, behandeling ontslagaanvragen en uitvoering van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV).
De uitvoering van al deze taken van arbeidsvoorziening is in handen van arbeidsbureau’s en de centra voor vakopleiding (CVV’s)
Mensen met een WW of bijstandsuitkering moeten zich bij het arbeidsbureau als werkzoekende laten inschrijven. Maar in principe kan iedereen zich laten inschrijven. Men kan gebruik maken van de vacaturebank. Verder kan men bij het arbeidsbureau terecht voor omscholing, sollicitatiecursussen, beroepskeuzetests, de Wiw, diverse projekten, enz.
andere organisaties
Naast het arbeidsbureau houden verschillende organisaties zich bezig met de arbeidsbemiddeling voor specifieke groepen, zoals de Stichting Inzet (middelbaar en hoger personeel), de AVO en de HSA (voor mensen met een handicap), Emplooi (voor Vluchtelingen), RPD advies (voor een baan bij de rijksoverheid), uitzendbureau Start (oa voor langdurig werklozen).
Daarnaast zijn er nog organisaties die zich met toeleiding naar de additionele arbeid en de zogenaamde trajectbegeleiding bezig houden. Ik kom daar nog op terug.
Het regionaal bestuur arbeidsvoorziening is betrekkelijk autonoom in het te voeren beleid. Ze kijken vooral naar de verhouding tussen vraag en aanbod in de betreffende regio. In de ene regio kan er een tekort zijn aan arbeidskrachten voor een bepaald beroep, en in een andere regio weer niet. Dit kan er toe leiden, dat je de scholingskos­ten voor een bepaalde opleiding in de ene regio wel vergoed krijgt (het is nood­zakelijke scholing) en in een andere regio weer niet.
Maar uitgangspunt zijn eigenlijk altijd de wensen van de werkgeve­rs. Die zijn auton­oom in hun personeelsbeleid, en zij beslissen of ze iemand wel of niet aannemen. Vervolgens wordt gezocht naar (langdurig) werklozen die moeten worden klaar ges­toomd voor die werkgevers-eisen. In dit kader kunnen de consulenten gesprekken voeren met werklozen om bijvoorbeeld een omscholingsc­ursus, of een sollicitatietraining te volgen. Ook zijn er ‘Melkert consulenten’ die mensen moeten selecteren voor de additionele arbeid.
regelingen
We komen nu op de tweede methode om de werkgelegenheid te bevorderen en mensen aan het betaalde werk te helpen, nl de loonkostensubsidies voor specifieke groepen, meestal regelingen, die ook door het arbeidsbureau worden uitgevoerd.  Het zijn loonkostensubsidies voor werkgevers. Consulenten van het arbeidsbureau kunnen deze regelingen gebruiken, om een werkgever ertoe te bewegen een werkloze of een andere werkzoekende in dienst te nemen. Er zijn veel van die regelingen. Er is bijvoorbeeld gerichte subsidiëring om in bepaalde sectoren meer laag­ betaalde, ongeschoolde arbeid te scheppen. Een voorbeeld van dat laatste zijn de wettelijke maatregelen van afdrachtsver­minde­ring op loonkosten.
Werkgevers kunnen een afdrachtskor­ting van fl 3660,- gulden krijgen wanneer ze iemand voltijds in dienst nemen op het niveau van maximaal 115% van het Wettelijk minimumloon. Dit geldt dus niet alleen voor langdurig werklozen.
Dan is er nog de premievrijstelling bij kortdurende arbeid door uitkeringsgerechtigden. Voor kortdurende arbeid door personen die een WW, WAO of Ziektewet uitkering ontvangen, kan een werkgever vrijstelling van premies voor de werknemers verzekeringen krijgen. Bijvoorbeeld bij seizoenwerk, zoals werk in de aspergeteelt.
Er zijn nog veel meer regelingen, zoals de kaderregeling uitzen­darbeid, subsidies van de Europese Unie en de regeling marktverruiming schoonmaakbranche. Verder de bijdrage regeling bedrijfstakgewijze scholing werklozen. Maar het zou hier te ver voeren alle regelingen op te sommen en uit te leggen.
Fasering van werklozen
Werklozen die zich aandienen, worden eerst op hun kansen op werk beoordeeld en in vier categoriën ingedeeld. Dit wordt aanbodanalyse genoemd. De indeling wordt gemaakt door een Ar­beidsbureau-consulent. Hierbij wordt tijdens een mondeling gesprek met de cliënt een inschatting van de mate van bemiddelbaarheid gemaakt.
Hierbij worden vier categorieën gehanteerd: fase een goed bemiddelbaar, fase twee bemiddelbaar na inzet van instrumentarium arbeidsbureau, fase drie pas bemiddelbaar na intensief traject waarbij het arbeidsbureau en anderen (sociale diensten, gemeenten) samenwerken en fase vier zijn mensen, die niet bemiddelbaar zijn.
Het Arbeidsbureau verzorgt in beginsel bij alle gevallen de bemid­deling naar betaalde arbeid op de reguliere arbeidsmarkt, al dan niet na enig traject.
De mensen die in fase 4 vallen worden door de GSD begeleid. Hierbij heeft de GSD drie mogelijkheden, namelijk een uitstroomtraject, zorg/inkomenstraject en (uitsluite­nd) inkomenstraject. Wordt van je de inschatting gemaakt dat je nog kansen hebt op de arbeidsmarkt of een gesubsidieerde baan na enige scholing/begeleiding, dan wordt je overgeheveld naar 3 of hoger. Zijn je arbeidskansen klein dan val je in het zorg/inko­menstraject, waarbij je te kennen kunt geven dat je zorg nodig hebt, en waarbij je doorverwezen wordt naar een zorginstelling. Heb je geen hulp nodig, val je in het inkomenstraject, waarbij je met rust gelaten wordt. Zonodig worden je kenmerken geregistreerd, zoals “arbeidso­ngeschikt, lichamelijk, of gees­telijk gehandicapt”. In totaal zijn de mensen in de zogenaamde fase 4 weer ingedeeld in 15 verschillende kategorien.
Met name de gemeenten subsidiëren wel of niet met gelden van de rijksoverheid of van het Europees sociaal fonds projekten, In Amsterdam zijn daarvoor bijvoorbeeld zogenaamde toeleidingscentra opgericht. Deze toeleidingscentra houden zich bezig met sociale activering en toeleiding naar allerlei ook vaak weer door de overheid gesubsidieerde zelfstandige projekten, die mensen weer klaar moeten stomen voor de arbeidsmarkt.
In de toeleidingscentra worden cliënten op zogenaamde vóór-trajecten worden geplaatst. Je volgt allerlei cursussen of gesprekken en je wordt soms doorverwezen. Is een voor-traject met goed gevolg doorlopen, dan volgt verwijzing naar een consulent van het Arbeidsbureau, die dan voor bemiddeling naar de arbeidsmarkt zorgt. Eigenlijk mogen de ‘bemiddelaars’ van de ‘toeleidingscentra’ die de voor-trajecten uitvoeren niet aan arbeidsbemiddeling doen. Cliënten worden naar die toeleidingscentra verwezen door Ar­beidsbureau en Sociale Dienst. Voorbeelden zijn het C.O.P in Zuid-Oost, het Brugproject, Centrum Oost Vooruit, Werkwinkel Plus, Instapcentrum Nieuw West. In totaal zijn er zeven van zulke ‘toel­eidingscentra’ in Amsterdam.
een loket
Bedrijfsverenigingen, Sociale Diensten en Arbeidsbureaus zijn al jaren bezig te proberen de een-loket gedachte in praktijk te brengen. De werkzoekende krijgt dan slechts een intakegesprek voor meerdere organisaties, en hij/zij hoeft niet iedere keer opnieuw zijn/haar doopceel op tafel te leggen. Bovendien kunnen de versch­illende deelnemers aan het een loketsysteem hun werkzaamheden beter op elkaar afstem­men, zodat de kansen voor de werkzoekende worden vergroot. Dat is tenminste de bedoeling.
Uiterlijk op 1 januari 2001 moeten alle arbeidsbureau’s sociale diensten en uitvoeringsinstellingen opgegaan zijn in een ‘front-office’ in ongeveer 219 Centra’s voor Werk en Inkomen. De werkzoekende komt binnen langs een haag van vacatures en helemaal aan het einde van de gang zit een mannetje voor de aanvraag van de uitkering. Voordat een uitkering sowieso in zicht komt, wordt eerst pogingen in het werk gesteld iemand aan werk te helpen. De druk op de werkzoekenden wordt groter. Dit proces van de een loket ­benadering kent veel moeilijkhe­den, teveel om op te noemen. Com­petentiestrijd, computers die niet op elkaar aangesloten kunnen worden, gebruik van verschillende termen voor hetzelfde, etc.
Ik noem hier kort ook de uitzendbureau’s. Wat doen zij? 5% van de totale werkgelegenheid gaat via uitzendburoos.
Via een uitzendbureau is het mogelijk tijdelijk werk te krijgen. Uitzendbureau’s zijn geen arbeidsbemiddelaars zoals arbeidsbureaus. Uitzendbureau’s stellen arbeidskrachten ter beschikking. Men is in dienst van het uitzendbureau. Uitzendbureau’s mogen uitzendkrachten gedurende een periode van maximaal zes maanden uitlenen aan hetzelfde bedrijf. Overschrijding van deze termijn met ten hoogste een half jaar wordt gedoogd door de Arbeidsinspectie.
Additionele arbeid
De vierde methode om de werkgelegenheid te bevorderen en mensen aan betaald werk te helpen is de invoering van de additionele arbeid. Nederland kende tot 1januari 1998 verschillende regelingen, om langdurig werklozen weer aan het werk te helpen. In de eerste plaats de banenpool en de Jeugd Werk Garantiewet, In de tweede plaats de Melkertregelingen, 1 en 2. In de derde plaats de sociale activering op grond van artikel 144 van de bijstandswet. Tenslotte is er nog de Wet Sociale Werkvoorziening om lichamelijk of geestelijk gehandicapten aan het werk te helpen.
Deze regelingen zijn per 1 januari afgeschaft, en vervangen door de Wet Inschakeling Werkzoekenden (W.I.W), die een integratie van al die regelingen beoogt.
Doelgroepen zijn alle bijstandsgerechtigden, alle werkloze jongeren, andere werklozen die langer dan een jaar bij het arbeidsbureau staan ingeschreven.
De instrumenten die gehanteerd kunnen worden zijn sociale activering (bijvoorbeeld vrijwilligerswerk), scholing, detachering en werkervaringsplaatsen.
Voor elke jongere die zich aanmeldt voor een uitkering of zich inschrijft als werkloze, wordt door de gemeente en het arbeidsbureau een trajectplan gericht op werk opgesteld. Binnen uiterlijk een jaar moet de gemeente met de jongere een dienstverband aangaan. Deze ‘sluitende aanpak’ is in het algemeen beperkt tot jongeren jonger dan 23 jaar.
Gemeenten kunnen bovendien personen uit de doelgroep bij wijze van opstap naar een reguliere baan tijdelijk werkervaring laten opdoen door een werkervaringsplaats bij een werkgever in de markt‑ of collectieve sector. De bemiddeling daarvoor loopt via het arbeidsbureau. De deelnemers hebben een dienstverband van meestal een jaar met de werkgever, die hiervoor subsidie krijgt van de gemeente.
Dan is er nog het W.I.W. dienstverband. Werknemers hebben een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met de gemeente, of een daartoe aangewezen uitvoeringsorganisatie. In Amsterdam bijvoorbeeld zijn de werknemers in dienst van de organisatie Maatwerk. De werknemers worden gedetacheerd bij (inlenende) werkgevers in de collectieve en marktsector. Een detacheringsperiode van een jaar heeft de voorkeur. De arbeidsduur is in beginsel 32 uur. 
De duur van de arbeidsovereenkomst is in eerste instantie beperkt tot maximaal twee jaar met een beloning op het niveau van het wettelijk minimumloon. 
Ik heb nu verschillende maatregelen genoemd om de werkgelegen­heid te bevorderen, nl gerichte en ongerichte lastenverlichting en additionele arbeid, de derde sector, die ontstaat door een deel van de bezuinigingen in te zetten en door het terugploegen van uitkeringsgelden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen om bepaalde groepen die nu buiten de boot vallen omdat ze niet vol­doen aan de eisen van de werkgevers toch aan werk te helpen. Dat zijn oa de Wet gelijke Behandeling van mannen en vrouwen bij de Arbeid (WBA), en de nieuwe wet REA (Reintegratie Arbeidsgehandicapten).
Piet van der Lende

Reactie op ingezonden brieven in Het Parool van de wethouder en de directeur van de Sociale Dienst

In Het Parool van donderdag 6 februari 1997 en van dinsdag 10 februari hebben respectievelijk Hans Denijs, directeur van de sociale dienst in Amsterdam en wethouder Jaap van der Aa, verantwoordelijke wethouder voor de dienst, hun commentaar gegeven op de hoorzittingen in de Tweede Kamer over de nieuwe bijstandswet. Hieronder een commentaar, dat niet is gepubliceerd.
Ik ben blij dat van hoog tot laag het armoedeprobleem eindelijk serieus wordt genomen en dat de schrijvers voorstander zijn van ruimere financiële armslag voor de gemeenten om de armoede te bestrijden. Maar tegelijkertijd getuigt hun visie van verouderde opvattingen over de toekomst van de sociale zekerheid.
De heer Denijs begint met te stellen, dat we in een beschaafd land leven. We hebben de ruimtelijke ordening in de hand, een zorgvuldige euthanasie-wetgeving en ook de sociale zekerheid is een fundament onder onze beschaving. In andere landen hebben ze dat niet zozeer. Deze sociale zekerheid moet drastisch gewijzigd worden. Betere sturing, betere beheersbaarheid en vooral ook betaalbaar houden. Met de inhoud van de nieuwe bijstandswet is niets aan de hand. Het is een pijler onder de nieuwe sociale zekerheid. Het gaat er nu om hem goed uit te voeren. Er zijn echter nog enkele beren op de weg, die de beleidsmakers hebben uitgestippeld om onze beschaving te handhaven. Dat zijn in de eerste plaats de langdurig werklozen en de fraudeurs, en de mensen die wel kunnen werken, maar dat niet willen. Zij veroorzaken, dat de kosten van de bijstand ‘gierend’ uit de hand lopen, ze maken het stelsel onbetaalbaar. De langdurig werklozen mogen wel in de bijstand blijven, want zij kunnen niet werken. De wetgeving van de beleidsmakers is goed. In de tweede plaats is het probleem, dat de wetgever geen rekening houdt met de uitvoeringspraktijk. Er is geen ‘task force’ voor het maken van een uitvoeringsstrategie. En dus loopt de uitvoeringsorganisatie vast. De boodschap van de heren is duidelijk: de uitgangspunten van het (lokale) beleid zijn goed, alleen de vele taken de die gemeente worden opgelegd (uitstroom naar betaalde arbeid, fraudebestrijding) moeten leiden tot meer geld voor de uitvoeringsorganisatie. Ik zal niet uitgebreid ingaan op de visie van de heer De Nijs over onze beschaving, hoewel ik het niet met hem eens ben. Er valt wel wat te zeggen over de vraag, of we onze ruimtelijke ordening in de hand hebben en of de Betuwelijn wel onder de grond wordt gestopt. Ook spreekt uit zijn visie het klassieke superioriteits-besef, dat veel westerse beleidsmakers kenmerkt: ‘wij’ zijn of ‘Nederland’ is beschaafd, in andere landen schieten ze mekaar dood, omdat ‘ze’ niet beschaafd zijn.
fraude
Ik wil het hebben over de visie van de heer Denijs op de cliënten van de sociale dienst en de feiten die hij debiteert. Het beleid is goed, alleen de mensen in de bijstand kunnen en of willen niet. Ze frauderen, of hebben een gebrek. Daarom moet er flink aan hen gesleuteld en gecontroleerd worden, en daarom moet er meer geld komen voor de uitvoeringsorganisatie In enkele zinnen wordt een koppeling gelegd tussen de betaalbaarheid van de sociale zekerheid en het gedrag of de eigenschappen van mensen in de bijstand. Laten we nog eens naar de prioriteiten in het overheidsbeleid kijken.
De ‘omvangrijke’ fraude zou de betaalbaarheid van onze sociale zekerheid in gevaar brengen. Denijs noemt geen cijfers. Dus doe ik dat maar. Het CBS heeft in het kwartaalbericht rechtsbescherming en veiligheid 96/2 een artikel gepubliceerd, dat bij mijn weten het belangrijkste op feiten gebaseerde overzicht is. Het artikel is geschreven door D. Koper en R.P.C. Baak. Een onthullend artikel over de effecten van het overheidsbeleid bij de bestrijding van fraude. In 1995 werd door de sociale diensten 226,58 miljoen aan fraude gekonstateerd. Dit jaarlijkse bedrag is tussen 1992 en 1993 opmerkelijk gestegen, evenals het aantal fraude gevallen, vooral als gevolg van de belastingsignalen. Opmerkelijk is dat absoluut de stijging van het aantal door de uitvoeringsorganen vastgestelde fraudegevallen vooral plaatsvindt in de categorie onbekend (nihil) en minder dan zesduizend gulden als fraudebedrag. Voor de omvang van de schade zijn vooral de fraudegevallen uit de schadecategorie twaalfduizend en meer gulden van belang. Ongeveer driekwart van het totale schadebedrag komt voor rekening van fraudeurs uit deze categorie. De omvang van dit fraudebedrag stijgt door de jaren heen nauwelijks, ondanks de verhalen in de pers over de toenemende fraude van grote criminele organisaties.
Ik pleit niet voor een grote uitbreiding van fraude, maar ik trek uit deze cijfers wel twee conclusies. Ten eerste is het aantal fraudeurs zeer beperkt; ongeveer 79 op de 1000 bijstandsgerechtigden fraudeert. Denijs heeft het alleen over omvangrijke fraude, maar in ieder geval is het kletskoek als hij bedoelt dat de huidige omvang van de kleine fraude (de bijklussende bijstandsvrouw) de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in gevaar brengt. Driekwart van het schadebedrag komt voor rekening van de grote fraudeurs.
En hiermee kom ik op mijn tweede conclusie. De overheid (de heer Denijs incluis) baseren hun beleid van fraude bestrijding op onjuiste uitgangspunten. De fraude is omvangrijk, en brengt de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in gevaar. Dus trekt de overheid alle registers open om alle bijstandsgerechtigden steeds strenger te controleren en om de bijklussende bijstandsvrouw, een minderheid onder de bijstandsgerechtigden te achtervolgen en op te sporen. Uitgebreide inzet van buitendienst ambtenaren, sociale rechercheurs, wat niet al. Daarom meer geld voor de uitvoeringsorganisatie. En.. de grote criminele organisaties waarover Bart Middelkoop in deze krant schrijft en die de bijstand als dekmantel gebruiken voor hun criminele activiteiten blijven buiten schot. Een uitvoeringsprobleempje of fundamenteel verkeerde keuzen in de prioriteiten van het beleid, waarvoor ook de lokale overheid verantwoordelijk is?.
kosten van bijstand.
De heer Denijs veronderstelt ook, dat de kosten van de bijstand ‘gierend’ uit de hand lopen, waarbij dit ook weer gekoppeld is aan het gedrag en de eigenschappen van bijstandsgerechtigden. Laten we weer eens naar het beleid en de cijfers kijken. Het aantal bijstandsgerechtigden stijgt licht, maar ligt al jaren rond de half miljoen. Het bedrag aan bijstandsuitkeringen is de afgelopen vijf jaar gestegen van 11 miljard naar 13 miljard per jaar, voor een groot gedeelte een gevolg van de (onvoldoende) stijging van de uitkeringen als compensatie voor de inflatie.
Wel zijn er prognoses, dat de kosten van bijstand voor de gemeenten de komende jaren met 23% zullen stijgen. Dit is echter een gevolg van het feit, dat de gemeenten een groter deel van de bijstand zelf moeten financieren (er moet 380 miljoen op de bijstand worden bezuinigd) en omdat elders in de sociale zekerheid ook fors wordt bezuinigd waardoor meer mensen een beroep op de bijstand moeten doen. (de invoering van de nieuwe Algemene Nabestaanden Wet). Hoezo armoedebestrijding?. De verlaging van de norm-uitkeringen en het toeslagenbeleid, waarbij de gemeenten een toeslag zelf moeten gaan financieren, is de opmaat van nieuwe bezuinigingen, waarbij de gemeentelijke bestuurders bij het doorvoeren daarvan naar Den Haag kunnen wijzen. Op de inhoud van die wet valt heel wat aan te merken, maar dan zou dit artikel veel te lang worden. 
arbeidsethos
Ook het aantal langdurig werklozen neemt toe, terwijl het aantal werklozen momenteel ongeveer gelijk blijft. Ook Amsterdam heeft daar geen oplossing voor.
De heer van der Aa zegt, dat de gemeenten niet hebben te klagen over de steun van het rijk om mensen weer aan het werk te krijgen. Dus daar kan het niet aan liggen. Met de arbeidsbemiddeling in Amsterdam gaat veel fout vooral als gevolg van een gebrek aan visie van de lokale bestuurders. De arbeidsbemiddeling in Amsterdam zit hopeloos verstopt. Belangenorganisaties hebben de afgelopen tijd bijeenkomsten in verschillende buurten georganiseerd en daarbij kwam het volgende naar voren.
Sommige uitkeringsgerechtigden hangt de voortdurende dreiging van een korting boven hun hoofd als ze niet solliciteren. Ook als duidelijk is, dat al dat solliciteren niet tot resultaat zal leiden. De sollcitatieplicht en de daaraan verbonden sancties leiden niet tot een nieuw perspectief op bestaanszekerheid. De dreiging van sancties op de achtergrond weerhoudt werklozen ervan, contact te zoeken met arbeidsbemiddelaars. Het belemmert zo eerder activering dan dat zij deze stimuleert.
Aan de andere kant worden veel werklozen in de categorie van onbemiddelbaar gestopt, terwijl ze vaak graag betaald werk willen en niet als onbruikbaar aan de kant gezet. Er zijn maar liefst vier categoriën van werklozen, waarbij de vierde categorie weer is ingedeeld in een stuk of twaalf sub-categoriën. De sociale dienst zet werklozen onder druk, die (tijdelijk) tevreden zijn met hun karige uitkering en het vrijwilligerswerk dat ze doen, waarbij ze in een situatie van grote werkloosheid ruimte maken voor mensen, die graag betaald werk willen maar minder kansen hebben. De sociale dienst en het arbeidsbureau zouden meer energie moeten steken in het ondersteunen van de laatste categorie.
Terwijl Utrecht kiest voor een frisse aanpak, in de voorwaarden scheppende sfeer, die vele werkzoekenden ook op korte termijn perspectief biedt, kiest Amsterdam voor de doodlopende weg. Alle energie en financiële middelen worden ingezet om een kleine groep aan betaald werk te helpen. Op 18 februari zal tijdens een feestelijke bijeenkomst worden gevierd, dat 875 moeilijk plaatsbare werkzoekenden via maar liefst zeven toeleidingscentra na intensieve begeleiding aan arbeidsbemiddeling kunnen worden overgedragen. (Daarmee hebben ze nog geen werk). En er zijn 50.000 langdurig werklozen in Amsterdam, dus dat schiet op. Ik pleit niet voor het opheffen van deze bemiddeling, maar de cijfers maken wel duidelijk, dat er meer zal moeten gebeuren in de voorwaarden scheppende sfeer, waarbij de langdurig werklozen nu eens niet worden benaderd als mensen met een gebrek, maar als mensen, die iets kunnen, die misschien vrijwilligerswerk doen, zich nuttig maken voor de maatschappij, waarvoor op korte termijn waardering en erkenning van de overheid tegenover staat zoals vrijstelling van de sollicitatieplicht en een premie.
Maar bij het premiebeleid voor vrijwilligers is een beperkt bedrag uitgetrokken, het beleid is op dit punt nog niet van de grond gekomen en Amsterdam houdt strak vast aan de sollicitatieplicht, waarbij ook weer kleine groepen tijdens een korte periode van intensieve trajectbegeleiding worden vrijgesteld.
Wethouder van der Aa houdt vast aan het klassieke arbeidsethos: alleen betaald werk is echt belangrijk, het geeft niet wat. Dit weerhoudt hem ervan, een beleid te ontwikkelen dat vele langdurig werklozen op korte termijn perspectief biedt en dat de sociale zekerheid werkelijk vernieuwd door een andere opvatting welke arbeid belangrijk is en welke niet.
de wethouder
Wethouder van der Aa sluit zich aan bij het betoog van Denijs waarbij de nadruk wordt gelegd op de uitvoeringsproblemen, die een gevolg zijn van te weinig geld hiervoor van het rijk. Vervolgens benadrukt hij het belang van bijzondere bijstand en legt hij uit, dat Amsterdam al veel doet om de toenemende armoede in de stad te bestrijden. Maar Amsterdam heeft nu zijn financiële grenzen bereikt. De heer van der Aa trekt uit de toenemende armoede niet de conclusie, dat het sociale minimum in de bijstand moet worden verhoogd, zoals men in Groningen en ook vele van zijn partijgenoten wel doen. Hij kiest voor een uitbreiding van de bijzondere bijstand, dat lapmiddel, een methode die veel energie en geld voor de uitvoering kost, en dat met een sociale dienst waar de automatisering mislukt is (gevolg van het rijksbeleid?) en waar de ambtenaren alle energie nodig hebben om de bijstandsgerechtigden te controleren, en nog eens te controleren, en nog eens…
Aardig is de opmerking, dat hulpverleners en belangenbehartigers de armoede uit de dagelijkse praktijk kennen, en dat daarom op lokaal niveau snel en adequaat gereageerd wordt om de problemen die de armoede veroorzaakt aan te pakken. Gelukkig erkent wethouder van der Aa nu ook, dat er een toenemend armoedeprobleem in de stad is en dat er meer maatregelen moeten komen om de armoede te bestrijden. Maar dit is niet zomaar gegaan. De gemeentelijke bestuurders hebben zelf dit probleem slechts schoorvoetend erkent, in de afgelopen jaren. Reeds enkele jaren geleden is vanuit ons komitee erop gewezen, dat de gemeente drie pijlers onder zijn beleid had, nl de onderwijsnota, de ekonomische nota en het plan, om mensen aan het werk te helpen. Wij zeiden; er ontbreekt een vierde pijler, nl de armoedebestrijding voor mensen die nooit meer kunnen of hoeven te werken. Pas na lang aandringen is er een armoedeconferentie gekomen, en werden maatregelen op stapel gezet om tot bestrijding van armoede over te gaan. En nu nog malen de molens langzaam. Pas dit voorjaar, dwz meer dan een jaar na de armoedeconferentie, komt er een ‘armoedenota’ waarin de belangrijkste maatregelen worden opgesomd. Snel en adequaat reageren op lokaal niveau is dit niet.

Piet van der Lende

Actie “niet gezwicht voor de sollicitatieplicht”

Op 23 september 1995 vond in buurthuis De Tagerijn de eerste van een reeks bijeenkomsten plaats over de problemen die werklozen ondervinden door de sollicitatieplicht of door tegenwerking van instanties. De bijeenkomst werd georganiseerd door de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, (W.B.V.A.) de Bijstandsbond en de Werkgroep Uitkeringsgerechtigden (W.U.G.) uit Haarlem. na deze bijeenkomst vonden nog acht bijeenkomsten plaats. Uitwisseling van ervaringen en problemen aangaande de sollicitatieplicht stonden op deze bijeenkomsten centraal. Het aantal sancties dat de sociale dienst oplegt neemt gestaag toe, zonder dat er voor de werklozen meer perspectieven ontstaan. Werklozen die hun eigen weg willen gaan worden onder druk gezet, terwijl anderen die ontzettend graag betaald werk willen aan hun lot worden overgelaten. Op de bijeenkomsten kwam ter sprake hoe werklozen het best kunnen handelen om hun eigen doelstellingen te realiseren (vrijwilligerswerk met behoud van uitkering of juist betaald werk). Verder kwamen de arbeidsvoorwaarden in de additionele arbeid zoals vrijwilligerswerk, banenpool of Melkertbaan aan de orde. Ook werd aandacht besteed aan de vraag, hoe je je bij gesprekken met de sociale dienst of arbeidsbureau het best kunt opstellen. De bijeenkomsten maakten deel uit van een campagne rond de afschaffing van de sollicitatieplicht. Uitgangspunten voor de campagne is het recht van werklozen om op een eigen manier een bijdrage te leveren aan de maatschappij zonder gehinderd te worden door sollicitatieverplichtingen. De ervaringen op de buurtbijeenkomsten zijn vastgelegd in een brochure met als titel: ‘Niet Gezwicht voor de Sollicitatieplicht’. In deze brochure staat informatie over de sollicitatieplicht met praktische tips en adviezen over hoe je je in gesprekken met arbeidsbemiddelaars en sociale dienst ambtenaren het beste kunt opstellen. Daarnaast bevat de brochure informatie over beroepsprocedures en over allerlei regelingen op het gebied van scholing, werken als zelfstandige met behoud van uitkering, etc.

Grote bedrijven in Amsterdam en de arbeidsbemiddeling

Grote bedrijven besteden werk uit aan commerciële uitzendbureau’s en werken nauwelijks samen met het arbeidsbureau. Bij het AMC hebben zo verschillende uitzendbureau’s zelfs een vestiging in het gebouw. De strategie is, mensen niet meer in vaste dienst te nemen maar enkel met een tijdelijk contract. Het is echter duidelijk, dat de mensen liever vastigheid hebben en langer bij dezelfde baas willen werken. Ik vind, dat als bedrijven zich vestigen op industrieterreinen die door de gemeente zijn aangelegd, de gemeente eisen kan stellen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en personeelsbeleid.

Zo wil de gemeente Amsterdam vier miljard investeren in het Noordzeekanaal gebied, waaronder in een sluis bij IJmuiden, die 900 miljoen gaat kosten. Enige jaren geleden werd gezegd dat deze investeringen de komende vijftien jaar 40.000 arbeidsplaatsen zullen opleveren in het Noordzeekanaal gebied. Er zijn rapporten van Coopers en Lijbrant over geschreven die in totaal wel drie kilometer dik zijn. Maar wat is de werkelijkheid ? Nu, vier of vijf jaar later wordt gepraat over 10 tot 27.000 arbeidsplaatsen. En het projektbureau spreekt over nog minder; wethouder Peer heeft een getal van enkele honderden gerealiseerde banen genoemd, en dit betrof enkel een verschuiving binnen de regio.

Er is een tendens, dat werkgevers hun bedrijf van de ene plaats naar de andere verhuizen, omdat ze daar veel subsidie kunnen pakken. Terwijl in de Amsterdamse haven het werk wordt gedaan door kansarmen, die verstrikt raken in de netten van uitzendbureau’s en koppelbazen.

Bij de opstelling van investeringsplannen blijft volstrekt buiten beeld, wat voor werk het is. Men denkt: we investeren als overheid in industrieterreinen en geven de nieuwe werkgever allerlei faciliteiten en subsidies, en dan zoekt hij verder zijn mensen maar. Laten die nieuwe bedrijven, vind ik, eerst maar aangeven om hoeveel mensen en wat voor functies het straks zal gaan. De gemeente zou op dit gebied eisen kunnen stellen!

Het gaat er niet zozeer om, dat Amsterdammers in dienst moeten worden genomen, maar wel dat een koppeling wordt gelegd met de kaartenbakken van het Arbeidsburereau. Zoals het nu gaat, heeft als gevolg, dat veel mensen van hot naar her reizen, en daardoor vaak zeer ongunstige werktijden hebben. Je krijgt nu de situatie, dat het arbeidsbureau in Groningen mensen gaat dwingen om in Amsterdam te gaan werken. De Amsterdamse overheid is tot concurrentie gedwongen met andere stedelijke regio’s, waarbij ze door de bedrijven tegen elkaar worden uitgespeeld. Tot op zekere hoogte zal Amsterdam zeggen, dat ze gedwongen is mee te gaan in die rat-race. Je kunt aan die selectie van personeelsleden niet veel doen. Maar als je als overheid investeert, moet je ook investeren in de controle, of er na zoveel jaar ook zoveel mensen werken. Je zou een norm moeten ontwikkelen, die vastgelegd zou kunnen worden in een sociaal convenant tussen de overheid en het bedrijf dat zich in Amsterdam vestigt.

Het gaat hierbij dus om de vraag: moet je de mensen naar het werk brengen of het werk naar de mensen?