Onthullend debat over werken met behoud van uitkering oftewel dwangarbeid

;

Een bomvolle zaal tijdens de discussie

*30-01-2014. Foto’s Dejo Overdijk. Gisteravond discussieerden 80 mensen in een overvolle zaal in Amsterdam Oud West over werkenvoor je uitkering oftewel dwangarbeid en over de algemene tegenprestatie die staatssecretaris Klijnsma wil invoeren. Er was een forum met Jeroen Sprenger, voorzitter stichting Herstelling, een controversieel re integratieproject in Amsterdam Zuidoost, Gijsbert Vonk, hoogleraar in Groningen en Ruud Kuin, vicevoorzitter van de FNV. Het debat stond onder leiding van Malene Duijst, actieve buurtbewoner. Het debat werd georganiseerd door de stichting Wereldse Wijk, de Bijstandsbond en het actiecomité Dwangarbeid nee. *

*Over een vertegenwoordiger van de stichting Herstelling, die ontkent dat er misstanden zijn en die zegt dat de getuigen uit hun nek kletsen en dat alles koek en ei is, over een professor die duistere kanten belicht van de revanchegedachte in de sociale zekerheid en die constateert dat er een kanteling is in de discussie over werken met behoud van uitkering en een vicevoorzitter van de FNV die het woord dwangarbeid in de mond neemt.*

Vooral de bijdragen van Jeroen Sprenger riepen heftige reacties op. Verschillende mensen die in een van de projecten van Herstelling werken gaven aan, dat ze er niets leerden, intimiderend behandeld werden, bedreigd met strafkortingen die ook daadwerkelijk worden doorgevoerd, en dat mensen met een hogere opleiding urenlang pagina’s van dossiers moeten tellen of nietjes uit dossiers halen. De werkmeesters zijn niet professioneel en niet op hun taak berekend. Vele klachten werden naar voren gebracht. Jeroen Sprenger kwam niet veel verder dan dat het allemaal niet waar was, dat hij regelmatig sprak met mensen in projecten en dat hij alleen maar positieve verhalen hoorde, wat hem op hoongelach van de zaal kwam te staan. Sprenger schermde ook met het uitstroomcijfer van de projecten. 60% van de mensen die bij Herstelling tewerk worden gesteld zouden uitstromen naar betaald werk. Marc van Hoof, advocaat van de

Marc van Hoof, advocaat

Bijstandsbond ontkende later dat Sprenger dit kon weten. ‘De gemeente Amsterdam houdt helemaal geen uitstroomcijfers bij, men weet niet als mensen uitstromen waarom en waarnaar toe’. De advocaat sprak vanuit ervaring omdat hij bijna dagelijks mensen begeleidt en procedures voert  voor mensen die bij stichting Herstelling een strafkorting hebben gekregen. Ook hij benadrukte dat nietjes uit dossiers halen, pagina’s tellen, of planten water geven en verder niets helemaal niet bijdraagt aan de ontwikkeling van de mensen en hen geen perspectief geeft op betaald werk. Sprenger zei als reactie dat de analyse van Marc van Hoof niet klopte en dat het tegenovergestelde het geval was. Tijdens de discussie kwam naar voren, dat sommige mensen een jaar of langer dit dwangwerk moeten doen. Sprenger ontkende alles. ‘De mensen krijgen een vakopleiding’ zei hij, ‘en je kunt maximaal 6 maanden in het project tewerk worden gesteld’. Afwijkingen waren hem niet bekend. Later had hij het plotseling over ‘6 tot 9 maanden in het project werken’. Hij hoorde graag wat de afwijkingen waren dan zou hij dit aan de orde stellen, zei hij. Ook zei hij dat de deelnemers aan de projecten over het algemeen een criminele achtergrond hebben, of een drugsverleden. Vanuit de zaal werd aangegeven, dat dit onzin was. Bij veel deelnemers is wat dat betreft niets aan de hand. Er vindt een vermenging plaats van mensen die straf krijgen omdat ze een overtreding hebben begaan en werklozen.

Sprenger plaatste het succes van de Herstelling tegenover alle andere re-integratieprojecten o.a. in andere gemeenten, die allemaal mislukt waren, in tegenstelling tot het project met de methode die de Herstelling toepast. Hij noemde de projecten met particuliere reïntegratiebedrijven, de Glenn Mills scholen, projecten uit Rotterdam.

een ervaringsdeskundige van de projecten van de Herstelling
vertelt haar verhaal. Op de achtergrond het forum met links
Jeroen Sprenger

Sprenger benadrukte tegenover de getuigenverklaringen dat gewerkt wordt met de grootst mogelijke erkenning van de mensen. ‘Als mensen niet komen opdagen op afspraken, gaan we correct met ze om. We brengen een bezoek aan de mensen thuis om te kijken wat er aan de hand is’. En ‘ach ja, het is in ieder bedrijf zo, als je bij de poort gaat staan en je gaat mensen interviewen, dan hoor je altijd wel rare verhalen. Maar ja, het is wel zo, veel mensen hebben geen realistisch beeld van zichzelf, dat proberen wij bij te stellen, niet iedereen kan nu eenmaal piloot worden. Mensen hebben ook een slecht beeld van wat het bedrijfsleven vraagt. Daar hoort takken rapen en nietjes uit dossiers halen ook bij. Het is flauwekul dat de mensen dat de hele dag moeten doen. We brengen mensen weer in een kansrijke positie. Het is wel zo, de eerste 14 dagen zijn er wat mensen die eraan moeten wennen, die wat protesteren, maar daarna zijn ze heel tevreden’.

Jacques Peeters van de Bijstandsbond liep naar voren en duwde Sprenger het rapport van het actiecomité Dwangarbeid nee dat in november verscheen en veel discussie heeft opgeroepen onder de neus. ‘Hebt u dit gelezen? Dit was de aanleiding voor de Volkskrantartikelen op 24 december waar iedereen verbijsterd over was. Dan kunt u zien hoe het eraan toegaat’. Sprenger keek verbaasd, of veinsde dat. ‘Ik zie dit rapport voor het eerst’ zei hij. ‘Het is nooit aan mij overhandigd’. In een emailwisseling met leden van het actiecomité Dwangarbeid nee had hij nog gesteld: ‘jullie denken toch niet dat er ook maar iets wat in jullie kringen speelt voor mij verborgen blijft’. Er werd hem gewezen op de vele strafkortingen die de mensen krijgen als dwang en pressiemiddel. ‘Dat is zaak van de Dienst Werk en Inkomen’ ze Sprenger, ‘daar heb ik niets mee te maken, u pist tegen het verkeerde paaltje. U moet bij het DWI zijn’. En weer kwamen getuigenverklaringen naar voren van mensen die in de projecten werkten. Reactie Sprenger: ‘ja, ik ga niet in op individuele gevallen, dat doe ik niet’.

Roel Walraven

Aan het eind van de discussie kwam Roel Walraven ex-wethouder van Amsterdam, naar voren. Hij hield een gloedvol betoog over het tekort aan banen als oorzaak van de werkloosheid en dat projecten als van de Herstelling niet bijdragen aan het perspectief voor mensen. Ook benadrukte hij dat uitkeringsgerechtigden en werkenden samen een coalitie moeten aangaan en strijden voor werkgelegenheid. Reactie Sprenger: ‘nou de oude Walraven daar was ik het wel mee eens, in de tachtiger jaren, maar de nieuwe Walraven met zijn kritiek op de Herstelling niet’.

Ook aan het slot van de discussie kwam een vertegenwoordiger van de ABVA/KABO naar voren. ‘Meneer Sprenger ‘zei hij ‘ik doe een voorstel. Als er nu eens een commissie ingesteld wordt bestaande uit mensen die in de projecten werken, wat vindt u daarvan, en kunt u dan zeggen dat kritische mensen in die commissie niet om die reden met strafkortingen worden geconfronteerd’. Sprenger zag er niets in. ‘Dat is weer een structuurtje optuigen, zei hij, ‘daar hebben we niets aan’. dat wou hij niet doen. Tegelijkertijd benadrukte Sprenger dat de actievoerders de dialoog moesten aangaan en dat ze dat niet deden. ‘Ik heb mensen voor het hek zien staan ‘zei hij, en de kaderleden van de ABVA/KABO binnen, die werken voor het project zeiden: ‘daar heb je ze weer om ons dwars te zitten’. En verder hebben ze niets van de actievoerders gehoord. ‘Vroeger was er overleg met de vakbonden, en nu staan ze voor het hek en verder niets’. Sprenger klaagde zijn nood over de reacties uit de zaal. ‘Ach, vakbondsbestuurders kom bij ons langs, plaats ons niet in het beklaagdenbankje, ik ben ernstig teleurgesteld in het comité Dwangarbeid nee en de uitkeringsgerechtigden’. Over dat hek, rondom het gebouwencomplex op de Laarderhoogtweg voorzien van prikkeldraad, merkte hij ook nog iets op. ‘Dat stond oorspronkelijk ook in het Volkskrantartikel van 24 december ‘ zei hij, maar dat is het enige dat we eruit gekregen hebben’.

Ook benadrukte Sprenger in zijn schets van het ontstaan van de projecten van de Herstelling de hartelijke relaties met de FNV. ‘Herstelling is een reintegratie instelling waar mensen aan werk worden geholpen’ zei hij, en we zijn 15 jaar geleden opgezet door kaderleden van de FNV Bouw. Ons ideaal was, mensen met weinig kansen op de laagste treden van de participatieladder werk te geven op de fortificaties rond Amsterdam. We zijn in dubbel opzicht een succesvol re integratieproject. We helpen afgekeurde ex-werknemers uit de bouw en de metaal aan het werk door hen als werkmeester aan te stellen. Daarnaast helpen wij in de projecten mensen aan werk die een drugs en/of crimineel verleden hebben’. Verschillende belangrijke figuren zouden zich lovend over de projecten van de Herstelling hebben uitgelaten. Hij noemde o.a. Hans de Boer, oud-rijkscommissaris voor het Jeugdbeleid. Verder benadrukte hij de positieve samenwerking met Randstad uitzendbureau.

In de loop van de discussie trad een wetenschappelijk medewerkster van de Vrije Universiteit naar voren die aangaf dat ze daarvoor in de Human Relations sector gewerkt had, en dat ze zich in dat kader bezig hield met social return projecten. (Afspraken waarbij bij opdrachten van de gemeente aan particuliere bedrijven een bepaald percentage werklozen of mensen met een handicap in dienst moet worden genomen.) Ze had daarbij ook vele gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van de Herstelling. Ze ontkende dat de Herstelling alleen maar een reintegratietraject was, want die vertegenwoordigers hielden een heel ander verhaal dan Jeroen Sprenger daarover. Ze presenteerden zich gewoon als een bedrijf, dat bepaalde opdrachten en werkzaamheden kan uitvoeren met werklozen en dat ze dus goed passen in het kader van social return. Sprenger ontkende weer wat er gezegd werd. ‘Nee, zei hij we zijn een reintegratiebedrijf, wij kunnen niet in een korte periode de werkzaamheden verrichten, je kunt niet tegen ons zeggen het moet in een maand klaar zijn, wij doen er langer over’.

De aanwezigen waren na afloop verbijsterd over de manier van reageren van Sprenger. Niemand begreep zijn reacties. Het zal allemaal wel deel uitmaken van de ‘methode herstelling’.

Ruud Kuin

Ook de andere forumleden kwamen aan het woord. Ruud Kuin benadrukte, dat maar 0,8 % van het Bruto Binnenlands Product naar de bijstand gaat en dat er tweemaal zoveel wordt uitgegeven aan de hypotheekrente aftrek. ‘Als we van die mensen ook gaan eisen, dat ze iets terug doen voor de maatschappij, dan wordt het stil op straat’. De FNV stelt zich op het standpunt, dat er in feite maar 2 soorten werk zijn: echt vrijwilligerswerk en betaalde arbeid. In de huidige discussie over de  tegenprestatie worden mensen tegenover elkaar gezet, mensen met een uitkering tegenover mensen met een loon. De FNV is daar mordicus tegen. Het is niet toevallig, dat staatssecretaris Van Rijn aankondigt dat 100.000 banen worden geschrapt in de zorg en dat vervolgens een andere  staatssecretaris, klijnsma zegt, dat het verrichten van mantelzorg ook kan worden gezien als het invullen van de tegenprestatie en dus werken zonder loon. Hij vindt dat als dit zo doorgaat in veel gevallen inderdaad van dwangarbeid kan worden gesproken. Kuin maakt zich erg boos over de tegenstanders van deze term die zeggen: het is geen dwangarbeid, want je hebt de keuze om wel of geen uitkering aan te vragen. Veel mensen hebben geen keuze, en dan wordt het gekoppeld aan allerlei verplichtingen die leiden tot dwangarbeid. Daarom zal de FNV ook beginnen met een en ander juridisch nader te onderzoeken, of het niet in strijd is met internationale verdragen, etc. Kuin was in Stadskanaal waar in de groenvoorziening 9 van de 10 mensen met behoud van uitkering werkt. De gemeente bespaart zo een miljoen op het groenonderhoud. En hij kent het voorbeeld van iemand die maandenlang in een slagerij worsten moest maken met behoud van uitkering. Dat moet betaald werk zijn. Kuin constateerde een voortschrijdende normvervaging ten opzichte van bijstandsgerechtigden. Het vak in de thuiszorg wordt opgeknipt in eindeloze stukjes werk waarbij alles wordt gesplitst. Mensen die dat werk moeten doen werden steeds lager beloond. Eerst zaten ze in salarisschaal 25, toen zijn ze naar 10 gegaan. En nu moeten uitkeringsgerechtigden dat werk gaan doen.

professor Vonk tijdens zijn inleiding

Professor Vonk gaf aan, dat hij eerder op een dergelijke discussiebijeenkomst was geweest in Leeuwarden, georganiseerd door PEL. Hij benadrukte dat steeds meer ervaringsdeskundigen met getuigen verklaringen komen en dat dit minstens zo belangrijk is als de wetenschappelijke rapporten die over de herinrichting van de bijstand en de tegenprestatie worden geschreven. Hij heeft bij de hoorzitting in de Tweede Kamer over de recente maatregelen van Klijnsma gezegd, dat hij wel een hele stapel vuistdikke onderzoeksrapporten en overheidsstukken aan zich voorbij zag trekken, maar dat bij de evaluatie van de maatregelen die tot nu toe zijn genomen in geen enkel rapport de ervaringen en belevingswereld van de bijstandsgerechtigden zelf aan de orde komen. De Kamerleden van geen enkele politieke partij hebben op die opmerkingen gereageerd. Hij heeft deze week een artikel gepubliceerd in het Nederland Juristenblad, waarin hij stelling neemt tegen invoering van de algemene tegenprestatie. Hij constateert dat er sinds drie weken, na de publicatie van de artikelen in de Volkskrant, een kanteling aan de gang is: eerst zaten de bijstandsgerechtigden in het beklaagdenbankje en moesten ze zich verdedigen tegen de aanvallen op hun positie en de vooroordelen tegen werklozen. Nu is het andersom; de politici die de slechte maatregelen nemen worden bekritiseerd en ook mensen met vooroordelen en zij moeten zich verdedigen omdat uitkeringsgerechtigden in toenemende mate hun mond opendoen en ja, nu gaan ze zelf wat terugzeggen.

Vonk vindt de discussie over de tegenprestatie tweeslachtig. Aan de ene kant heb je de mensen, de sociaaldemocraten, die vanuit een positief uitgangspunt graag willen dat mensen actief deelnemen aan de samenleving en die de mensen willen activeren dat te doen. De sociaaldemocraten hebben in dit verband allerlei initiatieven uit de grond gestampt. Maar aan de andere kant komt in toenemende mate de revanchegedachte om de hoek kijken, van: ze hebben een uitkering, die moet ik betalen, laat ze er maar voor werken, je moet ze aanpakken die klaplopers, mensen gebruiken geld van de gemeenschap zet ze maar onder druk, en dan moeten de mensen laten zien dat ze dankbaar zijn. Dit is de duistere kant aan de verplichte tegenprestatie. Waar Vonk in geïnteresseerd is, is dat er wordt geschipperd tussen repressie en verheffing. Waar ligt de grens? Bij de huidige regeringsmaatregelen wordt die grens overschreden. Daar zijn twee redenen voor.

1.De verplichtingen die uitkeringsgerechtigden worden opgelegd en de sancties die erbij horen hebben niet meer als doel om re-integratie in de samenleving te bevorderen, kansen voor de mensen te scheppen. Het gaat nu om heel iets anders. Vanuit de revanchegedachte gebruikt men termen als voor wat hoort wat, voor niets gaat de zon op, iets voor niets moet over zijn. Deze terminologie/ideologie wordt uitsluitend op bijstandsgerechtigden losgelaten.

2.De ingebrachte wetsvoorstellen van Klijnsma regelen alleen de plichten, maar niet de rechten. Dit zet de poort wijd open voor grootschalig misbruik. Er is daardoor een structureel verschil in macht. Klantmanagers e.d. worden opgeleid en getraind, maar aan de hand van het voorbeeld van de Abu Graib gevangenis in Amerika, waar alles op papier goed geregeld was en getrainde troepen de bewaking op zich namen, wordt duidelijk, dat als degenen die volkomen rechteloos zijn er in de praktijk een structureel machtsverschil gaat ontstaan die leidt tot misstanden.

Sprenger reageerde nog op deze analyse van Vonk. Hij vond dat hele verhaal over machtsverschillen onzin. En zeker bij de Herstelling. Wil je meer weten over hoe ze bij de Herstelling het debat interpreteren lees dan hun verslag.

Piet van der Lende

Massawerkloosheid is goedkoop voor werkgevers

Enkele rekensommetjes van het CPB die laten zien wat de motieven zouden kunnen zijn voor het in stand houden van de massawerkloosheid en zelfs uitbreiding ervan (met name vrouwen moeten minder in deeltijd gaan werken en een volledige baan nemen en je moet doorwerken tot je 65ste). Aardig zou zijn om eens uit te rekenen of het opheffen van de massawerkloosheid misschien wel duurder is voor de werkgevers dan het in standhouden ervan door afname van de arbeidsproductiviteit en toename ziekteverzuim…..Commentaar op www.nu.nl : bedrijven wisten het al, maar nu heeft het CPB de cijfers erbij geleverd…

*CENTRAAL PLANBUREAU*
Onderwerp: persbericht
Nummer: 43
Datum: 31 oktober 2005
Gunstige conjunctuur leidt tot meer ziekteverzuim
Bij een gunstige economische ontwikkeling melden meer werknemers zich
ziek. Een daling van de werkloosheid met 1%-punt leidt naar schatting
tot een stijging van het ziekteverzuim met 0,25%-punt. Naast de
conjunctuur hebben ook beleidsmaatregelen en wijzigingen in de
samenstelling van de beroepsbevolking voor veranderingen in het
ziekteverzuim gezorgd.
Dit concludeert onderzoeker Hans Stegeman van het Centraal Planbureau
(CPB) in het vandaag verschenen CPB Document ‘/De
conjunctuurgevoeligheid van het ziekteverzuim/’.
*Kosten ziekteverzuim 6 mld euro*
Het ziekteverzuim is vanaf 1980 trendmatig gedaald. In 1980 werd ruim 9%
van de beschikbare werkdagen verzuimd. Medio jaren negentig was dit
percentage nagenoeg gehalveerd; zowel structurele als conjuncturele
factoren hebben hieraan bijgedragen. In de economisch gunstige periode
daarna is het verzuimpercentage echter weer wat opgelopen.
Het ziekteverzuim vormt een kostenpost voor werkgevers. Zo betalen
bedrijfsleven en overheid in 2005 circa 6 mld euro loon door aan zieke
werknemers, ongeveer 3% van de totale loonsom.
*Het verband tussen conjunctuur en ziekteverzuim*
Bij hoogconjunctuur melden werknemers zich eerder ziek. Dit blijkt zowel
uit een analyse met jaargegevens over de periode 1980-2003 als uit een
analyse van kwartaalcijfers op bedrijfstakniveau voor de jaren
1996-2003. Een daling van de werkloosheid met 1%-punt leidt naar
schatting tot een stijging van het ziekteverzuim met 0,25%-punt. Dit
verband geldt ook bij een stijging van de werkloosheid.
Ook literatuuronderzoek wijst overwegend op een positief verband tussen
conjunctuur en ziekteverzuim. Vermindering van de werkdruk door
laagconjunctuur kan bijvoorbeeld leiden tot een betere gezondheid en
daarmee tot minder ziektegevallen. Daarnaast kan de werkinstelling van
werknemers een rol spelen: een grotere kans op ontslag kan resulteren in
minder verzuim. Ook het aanname- en ontslagbeleid van werkgevers kan van
invloed zijn. Werknemers die in het verleden relatief vaak ziek zijn
geweest, zullen misschien minder snel een baan krijgen of bij
reorganisaties eerder worden ontslagen. Hierdoor is vooral het gezonde
personeel werkzaam als de economie zich in een conjunctureel dal bevindt.
*Structurele invloeden: beleid en samenstelling beroepsbevolking*
Naast de conjunctuur hebben ook beleidsmaatregelen een effect gehad op
de ontwikkeling van het ziekteverzuim. De verlaging van de uitkeringen
bij ziekte en arbeidsongeschiktheid in de jaren tachtig en tal van
instroombeperkende maatregelen in de WAO hebben er aan bijgedragen dat
het verzuimpercentage in Nederland nu structureel lager is dan tien tot
twintig jaar geleden. Het gaat onder meer om de Wet Uitbreiding
Loondoorbetalingsverplichting Bij Ziekte (WULBZ) uit 1996 waarbij de
loondoorbetalingsverplichting van werkgevers eerst tot zes weken werd
verlengd en later tot een jaar. De loondoorbetalingsperiode is overigens
recent nog eens verlengd tot 2 jaar; dit is nog niet in het onderzoek
meegenomen.
Demografische ontwikkelingen, zoals de toegenomen arbeidsparticipatie
van vrouwen en ouderen, hebben de daling van het ziekteverzuim echter
getemperd. Het ziekteverzuimpercentage van vrouwen (exclusief
zwangerschaps- en bevallingsverlof) ligt ruim 1%-punt hoger dan dat van
mannen, terwijl ook ouderen meer verzuimen dan jongeren. Nu vrouwen en
ouderen een groter deel van de beroepsbevolking vormen, komt het
ziekteverzuim hierdoor hoger uit dan het geweest zou zijn bij de
vroegere verhouding tussen ouderen en jongeren en tussen mannen en vrouwen.
CPB Document 99, ‘/De conjunctuurgevoeligheid van het ziekteverzuim/’,
ISBN 90-5833-239-X, is te bestellen bij:
Bibliotheek Centraal Planbureau
Postbus 80510
2508 GM Den Haag
Telefax: 070-3383350
e-mail: bibliotheek@cpb.nl
Prijs: 9,- euro
CPB Document 99 is tevens
(gratis) beschikbaar als PDF-bestand op de website van het CPB
(www.cpb.nl).

De gevaarlijke borreltafelpraatjes van Jos Dautzenberg

CWI projectleider probeert werklozen, werkenden, Polen, Nederlanders en
illegalen tegen elkaar uit te spelen.

Enige tijd geleden kwamen Poolse slaplukkers in het nieuws, die
weigerden na 12 uur arbeid voor 5 euro per uur nog eens 4 uur door te
werken, en die daarop op staande voet werden ontslagen. Met de steun van
FNV Bondgenoten hebben de slaplukkers actie gevoerd, en de rechter gaf
hen gelijk, ze mochten niet ontslagen worden. De zaak geeft wel aan, dat
het met de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden in de tuinbouw niet best
gesteld is. Langdurig zware arbeid op een tijdelijk contract en tegen
een laag loon. Het project Seizoensarbeid van het Centrum voor Werk en
Inkomen (CWI), gemeenten, uikeringsinstantie UWV en land en
tuinbouworganisatie LTO poogt Nederlandse werkzoekenden te vinden voor
het zware werk in de tuinbouw. Ruim 10.000 werklozen werden het
afgelopen jaar benaderd om te werken als sla- of tomatenplukker, of als
aspergesteker. Tegelijkertijd nam de regering de maatregel, dat voor
Poolse arbeiders die naar Nederland komen om in de tuinbouw te werken
een uitzondering geldt: zij ondervinden geen enkele belemmering meer die
in andere sectoren nog wel geldt als overgangsmaatregel voor vrij
verkeer van personen tussen de nieuwe EU-landen en Nederland. Er waren
850 Nederlandse werklozen die als slaplukker of in een andere functie in
de land en tuinbouw aan de slag gingen.
Het CWI probeert in navolging van de maatregelen van de Nederlandse
regering duidelijk de Nederlandse en Poolse werklozen tegen elkaar uit
te spelen om hen te dwingen de slechte arbeidsvoorwaarden en
omstandigheden te aanvaarden. Nederlandse werklozen worden bedreigd met
strafkortingen of zelfs stopzetting van de uitkering als ze het zware
werk onder de huisige omstandigheden niet aanvaarden, de Polen zijn wel
gedwongen, gezien de massa-werkloosheid in eigen land, zonder goede
werkloosheidsuitkering, de onaanvaardbare toestanden in de tuinbouw te
aanvaarden.
Jos Dautzenberg, projectleider van het project Seizoensarbeid, geeft op
19-10 2005 een interview aan de Telegraaf waarin hij de Nederlandse werklozen
nog eens extra in een kwaad daglicht zet, om zo de druk verder op te
voeren. Meneer Dautzenberg zegt dat de Nederlandse werklozen door de
telefoontjes merkten dat ze aan de slag moesten. Ach, meneer
Dautzenberg, dat was blijkbaar nog niet tot hen doorgedrongen met al die
strenge maatregelen van tegenwoordig. ‘Veel werklozen zagen een baan op
het land niet zitten en solliciteerden gauw ergens anders’ zegt meneer
Dautzenberg. Hoe hij dat weet? ‘We hebben geen exacte cijfers, maar het
is opvallend dat mensen na maanden werkloosheid ineens weer werk vonden
en geen uitkering meer hoeven’. Meneer Dautzenberg weet donders goed dat
statistisch gezien al jaren een groot deel van de werklozen sowieso na
verloop van tijd weer aan het werk gaat als ze eindelijk iets hebben
gevonden. Dat is allang zo. Dus het is maar de vraag, wat dat ene
telefoontje nu voor invloed heeft. Dat weet meneer Dautzenberg ook niet,
want hij heeft geen exacte cijfers. Het is maar een vage impressie van
meneer Dautzenberg om zijn eigen winkeltje als belangrijk naar voren te
schuiven. Borreltafelpraat dus uit de categorie: ik ken verschillende
werklozen uit mijn omgeving die niet willen werken, dus de werklozen
willen niet werken. Maar er zijn inderdaad werklozen die een
strafkorting hebben gekregen of wier uitkering werd stopgezet omdat ze
weigerden. En terecht.
De borreltafelpraatjes van Jos Dautzenberg zijn niet zonder gevaar. Zijn
opmerkingen dragen bij aan het tegen elkaar opzetten van verschillende
groepen, om hen te dwingen de soms onaanvaardbare arbeidssituaties in de
land en tuinbouw te aanvaarden door hun onderlinge concurrentie te
verscherpen. Daar trappen wij niet in. Samen strijden voor betere
arbeidsvoorwaarden en omstandigheden. De Nederlandse werklozen, die
weigeren onaanvaardbare arbeidsomstandigheden te aanvaarden en de Poolse
actievoerders, die strijden voor verbetering van hun situatie. Duidelijk
is dat ze daarvoor niet bij meneer Dautzenberg moeten zijn.

Reactie op de sociale nota van het Ministerie van Sociale Zaken gepubliceerd op Prinsjesdag.

De regering sluit de ogen voor het falen van de marktwerking door internationalisering van de arbeidsmarkt. Er dreigt een sociale dumping waarbij de nieuwe migranten onder slechte en onzekere arbeidsvoorwaarden betaald werk verrichten terwijl de werklozen aan de kant blijven staan. Feitelijk wordt een verlaging van het sociale minimum voor grote groepen ingevoerd. Het kabinet legt onvoldoende relatie tussen het beleid op nationaal niveau en de noodzaak, op Europees niveau minimumnormen vast te stellen voor de kwaliteit van de arbeid, de beloningsverhoudingen en een goed stelsel van sociale zekerheid. Formulering van een Europees sociaal minimum is noodzakelijk.
Het kabinet presenteert in haar sociale nota de al veel geproduceerde analyse, dat er enerzijds veel vacatures zijn terwijl anderzijds nog veel werklozen aan de kant staan. Als oplossing wordt gekozen voor intensievere begeleiding van (langdurig) werklozen door de sluitende aanpak, flexibele pensioenregelingen, verscherping van de toetredingsvoorwaarden tot de Werkloosheidswet en de WAO, bevriezing van de huursubsidie om de armoedeval tegen te gaan,  afschaffing van de renteaftrek voor consumptief krediet, verlaging van de rijksbijdragen voor de gemeenten bij de kosten voor de Algemene Bijstandswet. Kortom: het wordt weer moeilijker bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid een uitkering te krijgen, het sociale minimum gaat voor sommige groepen omlaag, en de werkzoekenden moeten worden gekneed en gevormd om te voldoen aan de nog immer hoge eisen van de werkgevers, die volledig autonoom blijven in hun personeelsbeleid. Aan positieve maatregelen denkt het kabinet oa aan extra investeringen in scholing, een leerrekening voor werknemers, extra plaatsen in de sociale werkvoorziening, nieuwe subsidieregelingen voor werkgevers, zoals fiscale tegemoetkomingen voor werkgevers die hun werknemers betaald ouderschapsverlof geven, uitbreiding kinderopvangplaatsen, tegengaan (leeftijds)discriminatie, etc. Dit beleid is echter gedoemd te mislukken omdat een visie op de internationale arbeidsmarktontwikkelingen ontbreekt en de negatieve spiraal naar beneden die daardoor wordt veroorzaakt wordt door de genoemde positieve maatregelen onvoldoende tegengegaan. Het zijn incidentele maatregelen zonder dat de ontwikkelingen werkelijk worden beinvloed. Door voortgaande bezuinigingen op de sociale zekerheid versterkt het kabinet de verarming voor grote groepen eerder dan dat zij die tegengaat.
De oorzaken van een hoog ziekteverzuim, toestroom tot de WAO en een hoge structurele werkloosheid, die het kabinet soms zelf in haar sociale nota noemt  worden niet aangepakt. Het kabinet constateert zelf, dat door de hoge werkdruk en andere stress bevorderende factoren en door de flexibilisering van de arbeid voortdurend arbeidsongeschiktheid of werkloosheid dreigt. Zij trekt hier echter niet de conclusie, dat de marktwerking faalt.
Falen marktwerking
Je zou verwachten, dat door de toename van het aantal moeilijk vervulbare vacatures  werkgevers gedwongen worden  hun eisen  bij te stellen en het werk meer aan te passen aan de leefsituatie en de individuele mogelijkheden van de werknemers, zodat ook de kansen voor langdurig werklozen toenemen. Dit is echter nauwelijks het geval.
In de eerste plaats is het de vraag, of er wel zoveel vacatures zijn. Werkgevers gebruiken het argument, om het bestaande personeel onder druk te zetten, en zich groter voor te doen dan ze in werkelijkheid zijn. Anderzijds wordt de potentiele beroepsbevolking op 1,2 miljoen geschat. En kunnen werkgevers uiteindelijk wel aan personeel komen, zonder de eisen die zij stellen bij te stellen. Dit is wat anders dan de juichende bewoordingen in de sociale nota over de dalende werkloosheid en de goed functionerende banenmachine.
In de tweede plaats zijn de budgetten in de collectieve sector (onderwijs en gezondheidzorg) door de jarnelange bezuinigingen onvoldoende om nu ook een aanpassing van het werk aan de mensen in plaats van andersom mogelijk te maken.
In de derde plaats lijken werkgevers erop te gokken, dat wanneer het vervullen van vacatures werkelijk een probleem wordt bij de productie, ze kunnen overgaan tot werving van nieuwe kant en klare arbeidskrachten en vaklieden uit het buitenland. In andere Europese landen is de werkloosheid groter dan in Nederland en er worden ook van buiten de EG weer op grotere schaal arbeidskrachten geworven. De uitbreiding van de EG met Oost-Europese landen zal dit effect nog versterken. De arbeidsbureau’s gaan steeds soepeler om met de verstrekking van vergunningen in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen en er worden steeds meer inwoners van naburige europese landen in Nederland tewerk gesteld.
Internationale verdragen
Het zou onjuist zijn, de nieuwe migranten te verketteren en hen als bedreigers van de Nederlandse sociale zekerheid te zien. Zij worden vaak door de omstandigheden gedwongen in Nederland te gaan werken. Zij dienen dezelfde rechten te krijgen als andere werknemers. (Geen tijdelijke werving).  Willen het nederlandse sociale stelsel en redelijke arbeidsomstandigheden en voorwaarden stand houden dan zullen op internationaal niveau normen moeten worden vastgesteld. Momenteel onderhandelen de lidstaten van de EG over de opstelling van een grondrechten-charta dat tijdens de Europese top in Nice op 6 december zal worden vastgesteld. Dit charta dreigt een stelsel van vage formuleringen te worden, waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Onderhandelaars namens de Nederlandse regering en het nationale parlement nemen vage standpunten in. De Euromarsen tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, een europese beweging voor redelijke sociale rechten in alle europese landen, eist een Europees sociaal minimum is noodzakelijk.
Dit minimum moet voor alle landen in de EG worden vastgesteld op 50% van het bruto-nationaal product per hoofd van de bevolking. De regering gokt echter eenzijdig op het klaarstomen van de arbeidskrachten voor de eisen van de werkgevers zodat de Nederlandse werklozen zouden kunnen concurreren met buitenlandse arbeidskrachten en laat de internationale ontwikkelingen verder op zijn beloop. Hierdoor komen wij in een negatieve spiraal naar beneden terecht, die ertoe leidt dat op den duur voor de nieuwe migranten, werklozen, arbeidsongeschikten en mensen die in Nederland al langer betaald werk hebben de situatie steeds meer zal verslechteren.
onwerkbare plannen
De verdere verslechteringen in de sociale zekerheid en de monomane visie van het kabinet op het onder druk zetten van werknemers en werklozen, door financiele en organisatorische maatregelen hoe dan ook betaald werk te aanvaarden of te behouden gecombineerd met onvoldoende positieve maatregelen leidt tot sociaal isolement, lagere uitkeringen en slechte arbeidsvoorwaarden.
De scheiding tussen publieke uitvoering van de uitkeringsverstrekking en privatisering van de arbeidsbemiddeling is in de praktijk onwerkbaar. De werkzoekende die in de spreekkamer met een functionaris wordt geconfronteerd, en onder druk wordt gezet een traject te accepteren weet vaak niet of hij met een commerciele arbeidsbemiddelaar of een ambtenaar van de publieke organisatie te maken heeft en in verschillende projecten wordt dit onderscheid door de betrokkenen met opzet vaag gehouden. Werkzoekenden krijgen over hun rechten dingen op de mouw gespeld, die in beroepsprocedures meestal geen stand houden en worden onder druk gezet mee te doen aan het gesjoemel van declaraties bij de subsidiegever door commerciele bemiddelaars. Ervaringen op het spreekuur van bovengenoemde organisaties bevestigen de bevindingen van de Rekenkamer dat er op vrij grote schaal fraude in de arbeidsbemiddeling wordt gepleegd.
Afgezien van het regelrechte gesjoemel en de fraude worden miljoenen besteed aan peperdure cursussen (er zijn eenvoudige cursussen van drie maanden die bijvoorbeeld per persoon fl 15.000,-kosten) waarvan de effectiviteit uiterst twijfelachtig is. Er bestaan op lokaal niveau vaak geen procedures en obkjectieve evaluaties van de resulten van projecten. Aan het beleid van  ‘case-managment’, de individuele begeleiding, en andere trajecten wordt veel geld besteed, lijkt het wel. Zo trekt het kabinet in 2001 308 miljoen gulden uit voor begeleiding van 40.000 werklozen in het kader van de sluitende aanpak. Op het niveau van de individuele werkloze gaat het echter om beperkte bedragen, waarmee niet of nauwelijks de problemen van de doelgroep kunnen worden opgelost door de commerciele bemiddelaars, met hun peperdure cursussen.  Privatisering van de arbeidsbemiddeling leidt op lokaal niveau  tot een onsamenhangend beleid en een lappendeken van projecten en projectjes, waarbij de werkzoekende door de bomen het bos niet meer ziet en de bureacratisering eerder toeneemt dan afneemt. Er moeten ter controle van de commerciele bemiddelaars immers weer allerlei ingewikkelde aanbestedingsvoorwaarden en contracten worden bedacht, waarop door de overheid aangestelde controleurs moeten toezien. Maar het kabinet gaat weer veel (interdepartementale) onderzoekscommssies instellen, kondigt zij aan.
Sociale activering
De sociale activering is een doodgeboren kindje. Door de strakke koppeling van vrijstelling van de sollicitatieplicht  aan het volgen van een traject richting arbeidsmarkt, ook voor degenen, waarvan duidelijk is dat ze nooit meer betaald werk kunnen verrichten en de koppeling aan ‘case-management’ waarbij een ambtenaar het leven van de uitkeringsgerechtigde intensief moet volgen ontstaat veel wantrouwen bij de doelgroep om van de sociale activering gebruik te maken. Eigen initiatieven bloeden dood. Sociale activering en trajectbemiddeling naar (vrijwilligers) werk kennen een sterke bureaucratisering en betutteling, waarbij van bovenaf incidentele vaak tijdelijke projecten worden bedacht door ambtenaren vanachter hun bureau, zonder dat men zich afvraagt wat de betrokkenen nu zelf willen en kunnen. Uitkeringsgerechtigden moeten beloond worden voor hun eigen initiatieven en gestimuleerd worden deze te ontplooien door vrijstelling van de sollcitatieplicht en bijvoorbeeld onkostenvergoedingen.
Piet van der Lende

Enkele opmerkingen bij het projekt Inzet in Amsterdam Zuid-Oost

Dit artikel verscheen ook in het actieblad Ravage.

Met op de achtergrond een sterke lobby in de gemeentepolitiek, die oa bestaat uit directeuren van gemeentelijke diensten, geprivatiseerde instanties die zich met werkgelegenheid bezig houden, het onderzoeksinstituut ‘Nijfer’ en de fractie van D’66, wordt in de gemeenteraad het plan ‘Ínzet Zuid-Oost’ besproken. Kern van het plan is, dat vanaf september de sociale dienst en de arbeidsvoorziening met op termijn de Uvi’s in een projekt gaan samenwerken, waarbij alle clienten van de sociale dienst in een bepaald postcodegebied – en later misschien WW-ers en WAO-ers-verplicht zullen zijn aan het experiment mee te werken en waarbij zaken als arbeidsbemiddeling, verstrekking van uitkeringen, schuldhulpverlening, kinderopvang, scholing en psycho-sociale therapien vanuit een projekt worden georganiseerd. Daarmee gaat dit plan veel verder dan en loopt vooruit op de discussie over de CWI’s die op stapel staan en hoe die lokaal moeten worden ingevuld. Er vindt in het projekt nadrukkelijk geen privatisering van de uitvoeringstaken van de sociale dienst plaats. Ondertussen werkt de bovengenoemde lobby echter aan een ander plan, waarin dit wel het geval zal zijn. Dit plan is in hoofdlijnen reeds klaar. De discussie dreigt zich daardoor toe te spitsen op wel of niet privatiseren, waarbij andere uitgangspunten van beide projekten onderbelicht blijven.  
Het projekt in Zuid-Oost kan worden gezien als het sluitstuk van een beleid, dat de afgelopen tien jaar werd gevoerd. In de afgelopen jaren is de druk op de werklozen, iedere vorm van betaald werk te aanvaarden  opgevoerd. Door middel van strafkortingen, verplichte begeleidingsgesprekken, afschaffing van het begrip passende arbeid, herinvoering van sollicitatieplicht voor mensen ouder dan 57 en een half jaar, de Wet Boeten en
Maatregelen en de formulering van een gemeentelijk uitstroombeleid werd getracht, het aantal werklozen terug te dringen. De meeste werkzoekenden en werkenden hebben inmiddels de flexibiliteit van een skippybal. Een groot deel van de bijstandsgerechtigden stroomt na kortere of langere tijd uit de bijstand. Het aantal werkenden, dat wisselende banen heeft, neemt toe. De baan voor het leven is er allang niet meer. 70% van alle werknemers heeft te maken met enigerlei vorm van interne of externe flexibilisering. Door middel van verlaging van loonkosten voor werkgevers is er een ongerichte ekonomische groei, die in beperkte mate extra banen oplevert. Voornamelijk flexibele deeltijdbanen met tijdelijke contracten.
Op het personeelsbeleid van de werkgevers wordt door de overheid nauwelijks invloed uitgeoefend. Er wordt slechts getracht, de aanpassing van de arbeidskrachten aan het soort banen dat ontstaat te bevorderen.
Zoals gezegd beschouwen wij de sluitende aanpak van het projekt in Zuid-Oost als een sluitstuk van dit beleid. Aan de banen die de werkgevers aanbieden worden in het plan vier regels gewijd; de rest van het plan gaat over hoe de werklozen te begeleiden, belemmeringen in de persoon weg te nemen, werklozen bij te scholen, etc.
Er wordt ongeveer fl 20.000,- per werkloze geinvesteerd. Dat is- als het experiment van toepassing zou zijn op alle uitkeringsgerechtigden, fl 20.000,- maal 60.000 is fl 12.000.000.00,- Er is geen sprake van dat de gemeente dit bedrag heeft of krijgt om alle werklozen te begeleiden. Er wordt juist bezuinigd op de arbeidsvoorziening. De arbeidsvoorziening Amsterdam heeft momenteel nauwelijks voldoende geld de salarissen van het personeel te betalen. Het experiment kan dus in deze vorm nooit naar de hele stad worden uitgebreid.
De financiele filosofie achter dit beleid en achter het projekt in zuid-oost is echter, dat op deze wijze de werkloosheid wordt teruggedrongen en dat daardoor uitkeringsgelden worden bespaard en er geld overblijft voor weer nieuwe opjaagprojekten. Je kunt de uitkering van iemand kapitaliseren en dan dat geld in een kortere periode gebruiken om in de desbetreffende persoon te investeren. Dan is ie uit de uitkering en bespaart de overheid uiteindelijk geld en kunnen de sociale premies omlaag. Het is echter sterk de vraag, of dit werkt. Daar bestaat geen enkele zekerheid over. Als er ergens anders iemand weer werkloos wordt, blijft het aantal uitkeringsgerechtigden gelijk en wordt geen geld bespaard. De terugloop in de bijstand is voornamelijk een gevolg van de doorstroom van moeilijker bemiddelbare werklozen naar de gesubsidieerde arbeid in de WIW. Maatschappelijk gezien heeft dit beleid bovendien desastreuze gevolgen. Werkenden voelen zich onder druk gezet, toch maar vooral niet in de bijstand terecht te komen, werklozen voelen zich onder druk gezet, door middel van contracten waar veel algemene plichten en weinig rechten in staan alles maar te aanvaarden. En er zijn steeds meer uitvallers. Mensen met het ‘burn-out’ syndroom, een somatisering van de spanningen op het werk, de onzekerheid over je toekomst, de noodzaak je steeds weer te moeten aanpassen. Er ontstaat dan ook alweer een discussie over het groeiend aantal wao-ers. Bij dit beleid is een discussie over verlaging van uitkeringen of verdere beperking van groepen, die voor een uitkering in aanmerking komen onvermijdelijk.
En dan nog: in het projekt worden slechts 350 mensen begeleid naar betaald werk. Althans, dat wordt in de wandelgangen gezegd. In het rapport van het projekt ‘Ínzet’ zelf wordt geen enkele indikatie gegeven van de mogelijke resultaten. Er worden miljonene uitgetrokken voor met een volstrekt onzeker en van te voren vaststaand mager resultaat.  
Voor minimaal 350 mensen waarvan duidelijk wordt, dat ze in feite arbeidsongeschikt zijn volgens de criteria van de beleidsmakers komen er op basis van vage contracten activiteiten, zoals therapien en cursussen ‘omgaan met de heersende normen en waarden’ waarvan volstrekt vaag is, in hoeverre dit verplicht is.  
Onze ervaring met de reeds bestaande  toeleidingscentra is, dat de clienten contracten onder hun neus krijgen geduwd en onder druk worden gezet die te tekenen, waarbij de inhoud van het contract slechts bestaat uit de opsomming van algemene verplichtingen voor clienten mee t6e werken. Verplichtingen van het toeleidingscentrum worden niet geformuleerd en vastgelegd. Je tekent als client slechts, dat je aan alles meewerkt. Wij vragen ons af, wat de juridische basis is van dergelijke contracten en in hoeverre alle clienten, die verder niets gemeenschappelijk hebben dan het feit, dat ze een uitkering hebben in een bepaald postcodegebied zonder onderscheid des persoons verplicht kunnen worden een dergelijk algemeen contract te ondertekenen en aan het projekt mee te werken. Volgens ons staat deze verplcihting niet in de bijstandswet geformuleerd, en ook niet in nadere Maatregelen van Bestuur of gemeentelijke verordeningen die naar aanleiding van die wet zijn geformuleerd.
Om een voorbeeld te noemen: een client die op medische gronden arbeidsongeschikt is verklaard, kan niet worden verplicht een contract te tekenen, waarin hij/zij zich in feite vastlegt een therapie te volgen of vrijwilligerswerk te doen op voorstel van de begeledingsambtenaar wanneer op geen enkele wijze is geformuleerd of en zo ja hoe de begeleiding leidt tot betaald werk.
Bij de discussie over de nieuwe bijstandswet in de Tweede Kamer is nadrukkelijk vastgesteld, dat de verplichting tot het verrichten van vrijwilligerswerk alleen in uitzonderingsgevallen tijdelijk mogelijk is, wanneer duidelijk is, dat het deel uitmaakt van een van te voren vastgelegd traject dat leidt naar betaald werk.
Een en ander betekent volgens mij dat:
a)     Clienten die arbeidsongeschikt zijn of waarvan duidelijk is, dat ze nooit meer betaald werk kunnen verrichten niet verplicht kunnen worden aan het projekt mee te werken. Zij hebben slechts de verplichting, al die inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn om de rechtmatigheid van het verstrekken van een uitkering te kunnen beoordelen.
b)     Bij clienten die wel worden begeleid naar betaald werk in het contract van te voren vastgelegd dient te worden welke contrete activiteiten vanuit ‘Inzet’ zullen worden geinitieerd om het doel-betaald werk- te bereiken.
Dit bericht is geplaatst in arbeidsmarktpolitiekreintegratie werklozen.

Werkgelegenheidsbeleid en het project Inzet in Amsterdam Zuid-Oost

Het beeld wat uit de statistieken naar voren komt is dat de stijging van de werkgelegenheid vooral ten goede komt aan twee groepen:
1. Mensen, die niet tot de loonafhankelijke beroepsbevolking behoorden, zoals huisvrouwen en zelfstandigen die een baan in loondienst aanvaarden
2. Jongeren, die nog geen 35 jaar zijn.
Met name onder vrouwen, allochtonen en ouderen boven de 35 blijft de werkloosheid toenemen.
Meer dan de helft van het aantal langdurig werklozen behoort tot de leeftijdscategorie boven de 35 jaar. Van cliënten van de sociale dienst heeft 40% een uitkering van vier jaar of langer. Het aantal mensen, dat langer dan vier jaar werkloos is neemt toe.
Deze groepen worden door de arbeidsbemiddeling nauwelijks bereikt. In 1997 werd door arbeidsvoorziening 15% van de werklozen bemiddeld. 7% van de langdurig werklozen werd bemiddeld. Vooral kleine en middelgrote bedrijven maken gebruik van arbeidsvoorziening, grote nauwelijks. Als je bedenkt, dat plaatsing op een scholings- of bemiddelingstraject en tijdelijk werk ook wordt meegerekend als een succesvolle bemiddeling, is glashelder, dat het huidige systeem niet deugt. Toch gaat men voort op de weg van een onoverzichtelijke lappendeken van projekten en projektjes, waarbij middels voortrajecten ‘soft skills’ worden aangeleerd, zoals sollicitatie en motivatietrainingen in combinatie met de druk van strafkortingen.
Volgens ons moeten de volgende maatregelen worden genomen om de situatie te verbeteren.
1. Met name grote bedrijven moeten op hun personeelsbeleid worden aangesproken. Zij lijken zich aan de door de overheid opgezette werkgelegenheidsprogramma’s te onttrekken. Pogingen vanuit de gemeenschap, langdurig werklozen aan het werk te helpen worden door hen niet gesteund. (uitzonderingen daargelaten). In Zuid-Oost zijn er plannen, bij de vestiging van nieuwe bedrijven, bij de opstelling van een kontrakt voor gronduitgifte het bedrijf te verplichten, mensen uit de wijk in dienst te nemen. Dit gebeurt bij het IJ-burg projekt en bij de MOJO-popconcerten. Dit moet op veel grotere schaal gebeuren. Hierover zou overleg moeten plaatsvinden met het grondbedrijf.
2. Het onder druk zetten van werklozen middels strafkortingen werkt niet. Hun kansen op de arbeidsmarkt worden er niet door vergroot, het heeft eerder een averechts effect, omdat met name langdurig werklozen meer schroom zullen hebben bij de diverse instanties aan te kloppen voor ondersteuning. Deze groep moet in positieve zin worden benaderd, door vrijstelling van de sollicitatieplicht en de betere invoering van premies voor vrijwilligerswerk.
3. Deze positieve benadering moet ook tot uiting komen in een betere bijverdiensteregeling, waarvan nu verschillende groepen zijn uitgesloten. Het is een bekend feit, dat veel mensen bij de aanvaarding van betaald werk er financieel niets mee opschieten. Dit als voorschot op de belastinghervorming; stel werklozen met een gedeeltelijk, door de ficus te verstrekken basisinkomen in staat zowel hun eigen armoedeval te overwinnen en een groot deel van het immense leger trainers, opleiders, scholingsdeskundigen, bemiddelaars en coördinatoren kan iets anders gaan doen.
4. Meer faciliteiten en voorzieningen om langdurig werklozen en anderen, waarbij men uitgaat van de initiatieven van de werklozen zelf. Daarbij kan gedacht worden aan projekten mensen zonder werk, waarbij met betrekkelijk weinig kosten een grote groep werklozen kan worden bereikt.
De Centra voor Werk en inkomen
De CWI’s zullen nog veel discussies losmaken. Dit is nu al het geval over een experiment in Amsterdam Zuid-Oost, waarbij verstrekking van alle uitkeringen en arbeidsbemiddeling worden uitgevoerd door dezelfde commerciële organisatie. Wij willen over dit experiment en de CWI ’s enkele punten noemen.
De (gedeeltelijke) privatisering van de arbeidsvoorziening brengt grote gevaren met zich mee. Nu al; is het zo, dat rechten en plichten van de werkzoekenden en van de overheidsinstanties alleen in algemene termen zijn geformuleerd, en dat er bij konkrete voorstellen van een van beide zijden onduidelijk is, in hoeverre dit verplicht is of niet en een eventuele sanctie kan volgen. Hierdoor is er in de gesprekken tussen arbeidsbemiddelaars of sociale dienst ambtenaren enerzijds en cliënten anderzijds een groot schemergebied, waarin rechten en plichten niet duidelijk zijn geformuleerd. Ook bij wat bekend is over het nieuwe experiment in zuid-oost zijn de rechten van de cliënten vaag gehouden, zodat de funktionarissen alle kanten uit kunnen. Bij privatisering van de arbeidsbemiddeling, waarbij de demokratische controle van de overheid op afstand komt te staan en de bemiddelaar financiële belangen heeft bij de bemiddeling, kunnen de rechten van cliënten nog verder ondergesneeuwd raken en bestaat het gevaar, dat in het geheel geen rekening meer wordt gehouden met hun wensen, waarbij ze op een oneigenlijke manier onder druk worden gezet. Bovendien zullen de commerciële bedrijven de ‘krenten’ uit de pap vissen, waarbij de langdurig werklozen doorgeschoven zullen worden naar de resten van de publieke arbeidsbemiddeling. Bovendien zijn voor deze commerciële instanties werkenden, die ander werk zoeken of mensen die geen uitkering hebben niet interessant, omdat men toe wil naar een systeem, waarbij een deel van het bespaarde uitkeringsgeld ter beschikking komt van de commerciële organisatie.
Er zijn in de nieuwe opzet van de CWI ’s en het experiment in zuid-oost geen garanties op behoorlijk betaald werk. Het enige wat gebeurt is, dat nog zwaarder aan de mensen wordt gesleuteld, maar waar zijn de banen voor die mensen? Individuele beoordeling betekent voor veel werkzoekenden dat hun rechten vaag zijn of afwezig.
Er moet door de centrale stad een duidelijker regie worden gevoerd over het werkgelegenheidsbeleid en de arbeidsbemiddeling, voor zover dat onder haar verantwoordelijkheid valt, in samenwerking met arbeidsvoorziening, waarbij de werkzoekenden in gesprekken met arbeidsbemiddelaars beter weten waar ze aan toe zijn.
De gang van zaken bij de opzet van het experiment in zuid-oost en de onderhandelingen over de nieuwe CWI ’s waarbij hoge ambtenaren in achterkamertjes langdurig onderhandelen waarbij ieder zijn eigen winkeltje wil veiligstellen, zonder dat de politiek erbij betrokken is, is symptomatisch voor de huidige situatie. Er moet een openbaar debat over de organisatie van de arbeidsbemiddeling in Amsterdam komen, voordat alles in binnenkamertjes in feite al besloten is!

PvdL

De organisatie van de arbeidsbemiddeling in Nederland in 1998

In Nederland is de organisatie van de arbeidsbemiddeling een onoverzichtelijke lappendeken van allerlei organisaties. Arbeidsbureaus, gemeen­telijke instellingen, zorgverzekeraars, uitzendbureaus etc. Al die instellingen houden zich bezig met de uitvoering van allerlei regelingen, maar ook met arbeidsbemiddeling, omscholing, trajectbegeleiding, sollicitatiecursussen, etc. Allemaal ac­tiviteiten om de werkzoekende klaar te stomen voor de kennis en vaardigheden die de werkgever eist. Het is een erg onoverzichte­lijk geheel van instel­lingen, die langs elkaar heen werken of elkaar beconcurreren.
Toch zal ik proberen, in het volgende enige lijnen van de arbeidsbemiddeling in Nederland aan te geven.
In het poldermodel zijn er globaal 4 methoden, om de deelname van de beroepsbevolking aan betaalde arbeid te bevorderen. Ten eerste de algehele loonkostenverlagingen voor werkgevers op basis van belastingverlagingen en loonmatiging. In dit artikel komt dat verder niet ter sprake; het is een macro-ekonomisch verhaal, dat een beetje buiten de organisatie van de arbeidsbemiddeling valt. Ten tweede door een systeem van arbeidsbemiddeling, waarbij getracht wordt vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Ten derde door gerichte subsidiëring van werkgevers, om bepaalde groepen, bijvoorbeeld langdurig werklozen- weer aan werk te helpen.
En tenslotte door de opzet van de zogenaamde additionele arbeid, de creatie van door de overheid betaalde ? banen.
Ik ga eerst in op de organisatie van de arbeidsbemiddeling. 
arbeidsvoorziening
Op landelijk niveau is er de Arbeidsvoorziening Nederland. Daaronder ressorteren Regionale Besturen Arbeidsvoorziening. (RBA’s), die voor de arbeidsbemiddeling in een bepaalde regio zorgen. In het bestuur van Arbeidsvoorziening Nederland en de RBA’s zitten vertegenwoordigers van de overheid, de werkgevers en de werknemers. De arbeidsvoorzieningsorganisaties zijn verantwoordelijk voor de volgende taken:
registratie van werkzoekenden en van vacatures, beroeps keuzevoorlichting in samenwerking met de Adviesbureaus voor Opleiding en Beroep, waarvan er een is in iedere regio, arbeids -medische advisering, arbeidsbemiddeling, scholing, behandeling ontslagaanvragen en uitvoering van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV).
De uitvoering van al deze taken van arbeidsvoorziening is in handen van arbeidsbureau’s en de centra voor vakopleiding (CVV’s)
Mensen met een WW of bijstandsuitkering moeten zich bij het arbeidsbureau als werkzoekende laten inschrijven. Maar in principe kan iedereen zich laten inschrijven. Men kan gebruik maken van de vacaturebank. Verder kan men bij het arbeidsbureau terecht voor omscholing, sollicitatiecursussen, beroepskeuzetests, de Wiw, diverse projekten, enz.
andere organisaties
Naast het arbeidsbureau houden verschillende organisaties zich bezig met de arbeidsbemiddeling voor specifieke groepen, zoals de Stichting Inzet (middelbaar en hoger personeel), de AVO en de HSA (voor mensen met een handicap), Emplooi (voor Vluchtelingen), RPD advies (voor een baan bij de rijksoverheid), uitzendbureau Start (oa voor langdurig werklozen).
Daarnaast zijn er nog organisaties die zich met toeleiding naar de additionele arbeid en de zogenaamde trajectbegeleiding bezig houden. Ik kom daar nog op terug.
Het regionaal bestuur arbeidsvoorziening is betrekkelijk autonoom in het te voeren beleid. Ze kijken vooral naar de verhouding tussen vraag en aanbod in de betreffende regio. In de ene regio kan er een tekort zijn aan arbeidskrachten voor een bepaald beroep, en in een andere regio weer niet. Dit kan er toe leiden, dat je de scholingskos­ten voor een bepaalde opleiding in de ene regio wel vergoed krijgt (het is nood­zakelijke scholing) en in een andere regio weer niet.
Maar uitgangspunt zijn eigenlijk altijd de wensen van de werkgeve­rs. Die zijn auton­oom in hun personeelsbeleid, en zij beslissen of ze iemand wel of niet aannemen. Vervolgens wordt gezocht naar (langdurig) werklozen die moeten worden klaar ges­toomd voor die werkgevers-eisen. In dit kader kunnen de consulenten gesprekken voeren met werklozen om bijvoorbeeld een omscholingsc­ursus, of een sollicitatietraining te volgen. Ook zijn er ‘Melkert consulenten’ die mensen moeten selecteren voor de additionele arbeid.
regelingen
We komen nu op de tweede methode om de werkgelegenheid te bevorderen en mensen aan het betaalde werk te helpen, nl de loonkostensubsidies voor specifieke groepen, meestal regelingen, die ook door het arbeidsbureau worden uitgevoerd.  Het zijn loonkostensubsidies voor werkgevers. Consulenten van het arbeidsbureau kunnen deze regelingen gebruiken, om een werkgever ertoe te bewegen een werkloze of een andere werkzoekende in dienst te nemen. Er zijn veel van die regelingen. Er is bijvoorbeeld gerichte subsidiëring om in bepaalde sectoren meer laag­ betaalde, ongeschoolde arbeid te scheppen. Een voorbeeld van dat laatste zijn de wettelijke maatregelen van afdrachtsver­minde­ring op loonkosten.
Werkgevers kunnen een afdrachtskor­ting van fl 3660,- gulden krijgen wanneer ze iemand voltijds in dienst nemen op het niveau van maximaal 115% van het Wettelijk minimumloon. Dit geldt dus niet alleen voor langdurig werklozen.
Dan is er nog de premievrijstelling bij kortdurende arbeid door uitkeringsgerechtigden. Voor kortdurende arbeid door personen die een WW, WAO of Ziektewet uitkering ontvangen, kan een werkgever vrijstelling van premies voor de werknemers verzekeringen krijgen. Bijvoorbeeld bij seizoenwerk, zoals werk in de aspergeteelt.
Er zijn nog veel meer regelingen, zoals de kaderregeling uitzen­darbeid, subsidies van de Europese Unie en de regeling marktverruiming schoonmaakbranche. Verder de bijdrage regeling bedrijfstakgewijze scholing werklozen. Maar het zou hier te ver voeren alle regelingen op te sommen en uit te leggen.
Fasering van werklozen
Werklozen die zich aandienen, worden eerst op hun kansen op werk beoordeeld en in vier categoriën ingedeeld. Dit wordt aanbodanalyse genoemd. De indeling wordt gemaakt door een Ar­beidsbureau-consulent. Hierbij wordt tijdens een mondeling gesprek met de cliënt een inschatting van de mate van bemiddelbaarheid gemaakt.
Hierbij worden vier categorieën gehanteerd: fase een goed bemiddelbaar, fase twee bemiddelbaar na inzet van instrumentarium arbeidsbureau, fase drie pas bemiddelbaar na intensief traject waarbij het arbeidsbureau en anderen (sociale diensten, gemeenten) samenwerken en fase vier zijn mensen, die niet bemiddelbaar zijn.
Het Arbeidsbureau verzorgt in beginsel bij alle gevallen de bemid­deling naar betaalde arbeid op de reguliere arbeidsmarkt, al dan niet na enig traject.
De mensen die in fase 4 vallen worden door de GSD begeleid. Hierbij heeft de GSD drie mogelijkheden, namelijk een uitstroomtraject, zorg/inkomenstraject en (uitsluite­nd) inkomenstraject. Wordt van je de inschatting gemaakt dat je nog kansen hebt op de arbeidsmarkt of een gesubsidieerde baan na enige scholing/begeleiding, dan wordt je overgeheveld naar 3 of hoger. Zijn je arbeidskansen klein dan val je in het zorg/inko­menstraject, waarbij je te kennen kunt geven dat je zorg nodig hebt, en waarbij je doorverwezen wordt naar een zorginstelling. Heb je geen hulp nodig, val je in het inkomenstraject, waarbij je met rust gelaten wordt. Zonodig worden je kenmerken geregistreerd, zoals “arbeidso­ngeschikt, lichamelijk, of gees­telijk gehandicapt”. In totaal zijn de mensen in de zogenaamde fase 4 weer ingedeeld in 15 verschillende kategorien.
Met name de gemeenten subsidiëren wel of niet met gelden van de rijksoverheid of van het Europees sociaal fonds projekten, In Amsterdam zijn daarvoor bijvoorbeeld zogenaamde toeleidingscentra opgericht. Deze toeleidingscentra houden zich bezig met sociale activering en toeleiding naar allerlei ook vaak weer door de overheid gesubsidieerde zelfstandige projekten, die mensen weer klaar moeten stomen voor de arbeidsmarkt.
In de toeleidingscentra worden cliënten op zogenaamde vóór-trajecten worden geplaatst. Je volgt allerlei cursussen of gesprekken en je wordt soms doorverwezen. Is een voor-traject met goed gevolg doorlopen, dan volgt verwijzing naar een consulent van het Arbeidsbureau, die dan voor bemiddeling naar de arbeidsmarkt zorgt. Eigenlijk mogen de ‘bemiddelaars’ van de ‘toeleidingscentra’ die de voor-trajecten uitvoeren niet aan arbeidsbemiddeling doen. Cliënten worden naar die toeleidingscentra verwezen door Ar­beidsbureau en Sociale Dienst. Voorbeelden zijn het C.O.P in Zuid-Oost, het Brugproject, Centrum Oost Vooruit, Werkwinkel Plus, Instapcentrum Nieuw West. In totaal zijn er zeven van zulke ‘toel­eidingscentra’ in Amsterdam.
een loket
Bedrijfsverenigingen, Sociale Diensten en Arbeidsbureaus zijn al jaren bezig te proberen de een-loket gedachte in praktijk te brengen. De werkzoekende krijgt dan slechts een intakegesprek voor meerdere organisaties, en hij/zij hoeft niet iedere keer opnieuw zijn/haar doopceel op tafel te leggen. Bovendien kunnen de versch­illende deelnemers aan het een loketsysteem hun werkzaamheden beter op elkaar afstem­men, zodat de kansen voor de werkzoekende worden vergroot. Dat is tenminste de bedoeling.
Uiterlijk op 1 januari 2001 moeten alle arbeidsbureau’s sociale diensten en uitvoeringsinstellingen opgegaan zijn in een ‘front-office’ in ongeveer 219 Centra’s voor Werk en Inkomen. De werkzoekende komt binnen langs een haag van vacatures en helemaal aan het einde van de gang zit een mannetje voor de aanvraag van de uitkering. Voordat een uitkering sowieso in zicht komt, wordt eerst pogingen in het werk gesteld iemand aan werk te helpen. De druk op de werkzoekenden wordt groter. Dit proces van de een loket ­benadering kent veel moeilijkhe­den, teveel om op te noemen. Com­petentiestrijd, computers die niet op elkaar aangesloten kunnen worden, gebruik van verschillende termen voor hetzelfde, etc.
Ik noem hier kort ook de uitzendbureau’s. Wat doen zij? 5% van de totale werkgelegenheid gaat via uitzendburoos.
Via een uitzendbureau is het mogelijk tijdelijk werk te krijgen. Uitzendbureau’s zijn geen arbeidsbemiddelaars zoals arbeidsbureaus. Uitzendbureau’s stellen arbeidskrachten ter beschikking. Men is in dienst van het uitzendbureau. Uitzendbureau’s mogen uitzendkrachten gedurende een periode van maximaal zes maanden uitlenen aan hetzelfde bedrijf. Overschrijding van deze termijn met ten hoogste een half jaar wordt gedoogd door de Arbeidsinspectie.
Additionele arbeid
De vierde methode om de werkgelegenheid te bevorderen en mensen aan betaald werk te helpen is de invoering van de additionele arbeid. Nederland kende tot 1januari 1998 verschillende regelingen, om langdurig werklozen weer aan het werk te helpen. In de eerste plaats de banenpool en de Jeugd Werk Garantiewet, In de tweede plaats de Melkertregelingen, 1 en 2. In de derde plaats de sociale activering op grond van artikel 144 van de bijstandswet. Tenslotte is er nog de Wet Sociale Werkvoorziening om lichamelijk of geestelijk gehandicapten aan het werk te helpen.
Deze regelingen zijn per 1 januari afgeschaft, en vervangen door de Wet Inschakeling Werkzoekenden (W.I.W), die een integratie van al die regelingen beoogt.
Doelgroepen zijn alle bijstandsgerechtigden, alle werkloze jongeren, andere werklozen die langer dan een jaar bij het arbeidsbureau staan ingeschreven.
De instrumenten die gehanteerd kunnen worden zijn sociale activering (bijvoorbeeld vrijwilligerswerk), scholing, detachering en werkervaringsplaatsen.
Voor elke jongere die zich aanmeldt voor een uitkering of zich inschrijft als werkloze, wordt door de gemeente en het arbeidsbureau een trajectplan gericht op werk opgesteld. Binnen uiterlijk een jaar moet de gemeente met de jongere een dienstverband aangaan. Deze ‘sluitende aanpak’ is in het algemeen beperkt tot jongeren jonger dan 23 jaar.
Gemeenten kunnen bovendien personen uit de doelgroep bij wijze van opstap naar een reguliere baan tijdelijk werkervaring laten opdoen door een werkervaringsplaats bij een werkgever in de markt‑ of collectieve sector. De bemiddeling daarvoor loopt via het arbeidsbureau. De deelnemers hebben een dienstverband van meestal een jaar met de werkgever, die hiervoor subsidie krijgt van de gemeente.
Dan is er nog het W.I.W. dienstverband. Werknemers hebben een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met de gemeente, of een daartoe aangewezen uitvoeringsorganisatie. In Amsterdam bijvoorbeeld zijn de werknemers in dienst van de organisatie Maatwerk. De werknemers worden gedetacheerd bij (inlenende) werkgevers in de collectieve en marktsector. Een detacheringsperiode van een jaar heeft de voorkeur. De arbeidsduur is in beginsel 32 uur. 
De duur van de arbeidsovereenkomst is in eerste instantie beperkt tot maximaal twee jaar met een beloning op het niveau van het wettelijk minimumloon. 
Ik heb nu verschillende maatregelen genoemd om de werkgelegen­heid te bevorderen, nl gerichte en ongerichte lastenverlichting en additionele arbeid, de derde sector, die ontstaat door een deel van de bezuinigingen in te zetten en door het terugploegen van uitkeringsgelden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen om bepaalde groepen die nu buiten de boot vallen omdat ze niet vol­doen aan de eisen van de werkgevers toch aan werk te helpen. Dat zijn oa de Wet gelijke Behandeling van mannen en vrouwen bij de Arbeid (WBA), en de nieuwe wet REA (Reintegratie Arbeidsgehandicapten).
Piet van der Lende

Het werkgelegenheidsbeleid van de regering Kok

Deze tekst is eerder gepubliceerd op de website van de Bijstandsbond.

De uitgangspunten van de regering Kok m.b.t. de werkgelegenheid. Hierover doen allerlei propagandapraatjes van politici de ronde. Bij het afsluiten van het regeerakkoord werd gezegd, dat de regering streeft naar 350.000 banen extra in vier jaar. Hier zijn echter ook banen bij van minder dan 12 uur in de week. Uitgedrukt in arbeidsjaren gaat het om veel minder banen. Maar goed, de regering wil 350.000 banen scheppen. Hoe wil de regering dit bereiken?
bezuinigingen
Het is de bedoeling dat de regering Kok 18 miljard bezuinigt in vier jaar tijd. Waarop wordt bezuinigd?. Enkele voorbeel den. Op de studiefinanciering moet ruim twee miljard worden bezuinigd, op arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren anderhalf miljard, invoering ANW moet 820 miljoen opleveren, terugdringing beroep op de WAO meer dan een miljard, kinderbijslag ruim een miljard, op de AOW wordt ruim 400 miljoen bezuinigd, bijdrage gemeentefonds ruim 800 miljoen, en de bezuiniging op het zorgpakket in de gezondheidszorg en invoering eigen risico moet ruim een miljard opleveren.
lastenverlichting
Deze bezuinigingen worden echter slechts gedeeltelijk gebruikt voor verlaging van het financieringstekort. Het financierings tekort moet vooral minder worden door een toename van de werkgelegenheid en een hoge ekonomische groei. De bezuinigin gen worden vooral gebruikt voor negen miljard lastenverlich ting voor burgers en bedrijven. Het overgrote deel van die negen miljard wordt gebruikt om de belastingen en sociale pre mies die werkgevers moeten betalen te verlagen. De overheid gaat ervan uit, dat loonkostenverlagingen voor de werkgevers tot meer banen zullen leiden, met name op het gebied van laagbetaalde ongeschoolde arbeid. Daarnaast wordt een gedeel te gebruikt om met name voor werkenden de lasten te verlagen, waardoor de inkomensverschillen tussen uitkeringsgerechtigden en werkenden groter worden en ook de inkomensverschillen tussen werkenden onderling. Dit gebeurt oa door verhoging van het arbeidskostenforfait en verhoging van de belasting vrije som. Men gaat ervan uit, dat wanneer deze verschillen groter worden, werklozen eerder bereid zullen zijn arbeid op het niveau van het minimumloon te aanvaarden.
gerichte subsidiering
We hebben nu de algehele verlaging van de belasting- en pre miedruk gehad. Ten tweede is er de gerichte subsidering om in bepaalde sectoren meer laagbetaalde, ongeschoolde arbeid te scheppen. Een voorbeeld van dat laatste zijn de wettelijke maatregelen van afdrachtsvermindering op loonkosten. Ten eerste een afdrachtskorting van 1185 gulden voor werkge vers die iemand in dienst nemen op het niveau van het WML. Dit geldt dus niet alleen voor langdurig werklozen. Het aardi ge is, dat het CPB geen werkgelegenheidseffecten van deze korting heeft kunnen berekenen. Het is dus onbekend, wat het effect is. Ten tweede fl 4500 per jaar voor het in dienstnemen van een langdurig werkloze die niet meer verdient dan 130% van het WML. (een jaar ingeschreven bij arbeidsbureau, bij een dienst verband van 32 uur of meer, voor ten hoogste vier jaar,) Ten derde fl 4500,- per jaar per in dienst genomen leerling in het leerlingwezen. ( die bij een werkweek van 32 uur of meer niet meer verdient dan 130% van het WMl voor personen vanaf 23 jaar.)
Daarnaast is er nog de kaderregeling arbeidsinpassing als tegemoetkoming voor de kosten van training en begeleiding. Verder is er nog de Wet Bevordering Arbeidsinpassing, voorheen de wet Vermeend/Moor. Hier krijgen werkgevers voor een bepaalde periode vrijstelling van premiebetalingen tot 16% van de brutoloonsom bij het in dienst nemen van langdurig werklozen voor meer dan 15 uur. Er zijn nog veel meer regelingen, zoals de kaderregeling uitzendarbeid, subsides van de Europese Unie en loonkostensub sidies van het GAK, die vooral betrekking hebben op het weer in het arbeidsproces opnemen van gedeeltelijk arbeidsongeschik ten. Maar de regering en het Centraal Planbureau geven zelf aan, geen idee te hebben wat nu precies de werkgelegenheidsef fecten van deze maatregelen zullen zijn en of de kansen van langdurig werklozen en arbeidsongeschikten ook werkelijk verbeterd worden. In antwoord op kamervragen heeft de regering bijvoorbeeld geantwoord, dat de effecten in de dienstensector niet vast te stellen zijn.
aanvullende werkgelegenheid
We hebben nu de gerichte en algemene lastenverlichting gehad. Daarnaast geeft de regering ongeveer vier miljard uit voor aanvullende werkgelegenheid, met name de Melkert 1 rege ling.-Met een gedeelte van die vier miljard moeten 40.000 ba nen worden geschapen over een periode van vier jaar. Nu doen politici, alsof er daardoor 40.000 banen bijkomen. Maar dat is niet zo. Want er gaan ook weer banen verloren door de 18 miljard bezuinigingen.
Melkert I
Hoe ziet die Melkert I regeling eruit?. Het zijn banen voor langdurig werklozen in de non-profitsector die structureel worden gesubsidieerd door het Rijk. Het gaat met name om banen bij instellingen op het gebied van de veilig heid, toezicht, en zorg. Te denken valt aan functies als stadswacht, flatwacht, tramconducteur, buurtconcierge, kinder opvang, en onderwijsassisstent. In de zorg kunnen de functies gevarieerder zijn. Het gaat om laaggeschoold werk met een salaris op mimumloonni veau. Een alleenstaande in de Melkert regeling heeft het eerste jaar op basis van een 32-urige werkweek ongeveer 1350 gulden. Er zijn Melkertbanen waar iemand ook s’avonds en in het weekend moet werken waarvoor geen toeslagen worden gege ven. Zo iemand komt dus ondanks de onregelmatige werktijden niet boven het bijstandsniveau uit.
Melkert II
Dan is er nog de Melkert II regeling. Hier gaat het erom, dat er boventallige arbeidsplaatsen gecreerd worden in de markt sector. Het gaat uiteindelijk om 20.000 banen. Er gaat een experimentele periode aan de reguliere in diensttreding voor af. Een werkgever kan maximaal 2 jaar een loonkostensubsidie ontvangen van fl 18.000 per jaar. Binnen deze periode dient de werknemer in reguliere dienst genomen te worden. Ook hier gaat het om laaggeschoold werk van gemiddeld 32 uur met een salaris op minimumloonniveau tot maximaal 120% WML.
voorbeelden
Ik noem twee voorbeelden van Melkert II regelingen. De gemeen te Amsterdam wil een arbeidspool voor het midden- en kleinbe drijf maken, waarbij piekwerk wordt gedaan. De langdurig werkloze krijgt een arbeidsovereenkomst voor maximaal twee jaar. Binnen twee jaar moeten die werknemers doorstromen naar regulier werk. Het zal me benieuwen, of die doelstelling wordt gehaald. Een tweede voorbeeld. Met ingang van 1 januari is het mogelijk geworden in een aantal regio’s voor 15 gulden per uur schoonmaakwerkzaamheden in en rond het huis te laten verrich ten. Partikulieren sluiten daarvoor zogenaamde ‘consumenten contracten’ af met schoonmaakbedrijven. De arbeidsvoorwaarden en subsidies zijn verder dezelfde als in de andere Melkert II regelingen. Het komt erop neer, dat de overheid fl 13,- legt naast de fl 15,- die de partikuliere opdrachtgever betaalt. Het is een overeenkomst tussen Melkert en de branche vereni ging van de schoonmaakbedrijven. De schoonmaakbedrijven hebben groot belang bij deze regeling. Want zo kunnen ze de klassieke werkster, die direct in dienst is van een partikulier, uit de markt concurreren. Door de invoering van Melkertbanen vindt dan ook een groot scheepse verdringing van bestaande betaalde arbeidsplaats. De regering gaat er in antwoord op kamervragen zelf van uit, dat de verdringing bij Melkert II ongeveer 10% zal zijn.
Melkert III
Dan is er nog de Melkert III regeling. In het kader van arti kel 144 van de NABW krijgen gemeenten met ingang van 1 januari de mogelijkheid om in het kader van sociale activering te experimenteren door bepaalde artikelen van de NABW buiten beschouwing te laten. Mogelijkheden die hierdoor ontstaan zijn de verplichting om deel te nemen aan bepaalde maatschappelijke activiteiten, ontheffing sollicitatieplicht, het vrijlaten van premies voor onbetaalde arbeid en ruimere mogelijkheden voor bijstandsverlening aan zelfstandigen. Gemeenten moeten een aanvraag indienen bij het ministerie om in aanmerking te komen als experimenteergemeente. Amsterdam heeft alleen aanvragen ingediend voor ontheffing van de sollicitatieplicht en onkos tenvergoedingen voor vrijwilligers in het kader van de bijzon dere bijstand. Daarnaast is het zo, dat bijvoorbeeld in Amsterdam nu al enige tijd onbetaalde arbeid, dus vrijwil ligerswerk wordt gebruikt in een traject, dat toeleidt naar de arbeidsmarkt.
banenpool
Dan hebben we nog de banenpool. Gemeenten kunnen afspraken maken over de instelling van banenpools voor langdurig werklo zen. Voor iedere werkloze in zo’n pool stelt het rijk, naast het aandeel in de uitkering van de betrokkene, jaarlijks fl 7000,- beschikbaar. De inlenende organisatie moet 3500,- betalen. De deelnemers sluiten een arbeidsovereenkomst met de arbeidspool en krijgen werk op een boventallige plaats in de collectieve sector. Op de arbeidsovereenkomst is het gewone arbeidsrecht van toepassing. Ontslagvergunning Arbeidsbureau vereist. Werknemers ontvangen het wettelijk minimumloon Overwerktoeslagen zijn niet mogelijk, maar wel een compensatie in vrije tijd.
JWG
Dan is er nog de JWG. Doel is dat jongeren of werk hebben of op school zitten. de regeling komt in de plaats van eventuele uitkeringen. Er is een wachttijd van een half jaar tot een jaar. De jongere komt in dienst van een gemeentelijke organi satie die de JWG uitvoert. Deze organisatie is verplicht de jongere een werkervaringsplaats of een scho lingsplaats van 32 uur te bieden. De plaatsing duurt zes maanden en kan met zes maanden worden verlengd. De jongere verdient bij een werkweek van 32 uur 80% van het minimumloon of het minimumjeugdloon. De bedoeling is de JWG stapsgewijs uit te breiden tot alle schoolverlaters tot 27 jaar. Per 1-1-1997 worden de banenpool, de WSW en de JWG ondergebracht in de Wet Inschaling Werkzoekenden maar het zou te ver voeren, daar nu op in te gaan.
positieve actiebeleid
Ik heb nu verschillende maatregelen genoemd om de werkgelegen heid te bevorderen, nl gerichte en ongerichte lastenverlich ting en additionele arbeid, de derde sector, die ontstaat door een deel van de bezuinigingen in te zetten en door het terug ploegen van uitkeringsgelden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen om bepaalde groepen die nu buiten de boot vallen omdat ze niet voldoen aan de eisen van de werkgevers toch aan werk te helpen. Dat zijn de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, de WBA, de Wet Arbeid gehandicapte werknemers, de WAGW, en de Wet bevordering Evenredige arbeidsdeelname Allochtonen, de WBAA.
arbeidsvoorziening
Dan is er ook een arbeidsvoorzieningsorganisatie. Er is eigen lijk een heel netwerk van uitvoerende instanties, die allemaal met de uitvoering van de geschetste regelingen te maken heb ben. Arbeidsbureau’s, gemeentelijke instellingen, de zorgver zekeraars, uitzendbureau’s etc. Al die instellingen houden zich niet alleen bezig met de uitvoering van al die regelin gen, maar ook met arbeidsbemiddeling, omscholing, trajectbege leiding, solliciatiecursussen, etc. Allemaal aktiviteiten om de werkzoekende klaar te stomen voor de kennis-en vaardigheden die de werkgever eist. Het is een erg onoverzichtelijk geheel van instellingen, die langs elkaar heen werken of elkaar beconcurreren.
Conclusie:
Politici geven hoog op van de effecten van dit beleid. Zo zouden er de afgelopen jaar 150.000 banen bijgekomen zijn. Dit is echter beperkt waar. In de eerste plaats betreft het deel tijdbanen en in de tweede plaats zijn het vaak tijdelijke banen. Als je de effecten van het regeringsbeleid op de werk gelegenheid zou willen bekijken, moet je een lange termijnper spectief nemen. Dus hoeveel werkgelegenheid er bijgekomen is in de laatste tien jaar. Volgens cijfers van de overheid zelf nam de werkgelegenheid uitgedrukt in arbeidsjaren de afgelopen tien jaar, dus sinds 1985 toe met 738 duizend arbeidsjaren, oftewel 15%. Als je bedenkt dat er alleen al meer dan 700.000 mensen zijn met een werkloosheidsuitkering en daar nog bij rekent, dat er veel mensen wel werk zoeken, bijvoorbeeld vrouwen en gedeelte lijk arbeidsongeschikten, die niet als werkzoekende bij de officiele instanties staan geregistreerd, dan kom je al gauw op een totaal van meer dan 1,2 miljoen werkzoekenden. Wanneer de beroepsbevolking de komendejaren zal blijven groeien, en er weer werkgelegenheid verdwijnt door rationalisatie en automa tisering, dan is het duidelijk, dat over tien jaar de werk loosheid nog even hoog zal zijn als nu. Voor vele werklozen is er geen perspectief op werk in de komende tien jaar. Daarnaast heeft een grote groep uitkerings gerechtigden, zoals AOW-ers niets aan dit kabinetsbeleid. Het beleid van het kabinet Kok leidt door de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de ambtenarensalarissen en de bevordering van laagbetaalde flexibele arbeid tot verarming voor grote groepen, waarbij de inkomensverschillen tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden groter worden, zonder dat het werkgele genheidsperspectief verbetert. Het zijn vooral de werkgevers en de werkenden met een hoger inkomen, die van de toenemende welvaart profiteren.
PvdL/20-2-1996

Arbeidstijdverkorting geen wondermiddel

Gepubliceerd in Manifest, 27 januari 1994 en in Kabam december 1993. 

Het lijkt zo simpel: er is een grote werkloosheid. Als nu de werkenden hun werkweek verkorten tot 25 uur door het invoeren van deeltijdwerk of collectieve arbeidstijdverkorting (ATV), dan is er voor iedereen die kan werken ook betaald werk. In de praktijk is het niet zo simpel. Bij het aan­treden van het kabinet Lub­bers/Kok bestond er weer optimisme over de oplos­sing van de werkloosheid. De Banenpools en het Jeugd Werk Garantie Plan werden ingevoerd en de FNV kondigde tijdens een demonstratie op 8 oktober 1989 een offensief aan voor ATV. Maar in 1993 bereikte de werkloosheid een na-oorlogs record.
Aan het begin van de jaren tachtig werd de werkweek met enkele uren ingekort. Bovendien nam het aantal mensen dat in deeltijd werkte fors toe; in 1980 bestond de beroepsbevolking uit 5 miljoen personen, aan het einde van de jaren tachtig was dit aantal gestegen tot 6 miljoen, terwijl de hoeveelheid betaalde arbeid, uitgedrukt in arbeidsjaren, gelijk bleef. Er vond dus al een gigantische herverdeling van betaalde arbeid plaats. Deson­danks bleef de werkloosheid groot. In het voorjaar van 1989 kondigde Steke­len­burg van de FNV daarom een hernieuwd offensief aan voor verdere atv. Dit werd nog eens benadrukt tijdens een massa-demonstratie op 8 oktober. Stekelenburg zei, dat er een nieuw soort plan van de arbeid moest komen, met atv in grote stappen. Verder moest worden nagedacht over het financierings­vraagstuk, en allerlei randvoor­waarden, zoals kinderopvang, scholingsaanbod en winkelopeningstij­den. Ook zou een onderzoek moeten worden ingesteld naar de doorwwerking van atv op het belastingstelsel en de sociale zeker­heid. De FNV kondig­de aan, een breed draagvlak in de samenleving te zullen ontwikkelen voor verdere atv, waarbij ook zou worden samenge­werkt mnet groepen buiten de vakbeweging. Van al die plannen is weinig terecht gekomen. De inzet van de FNV bleek toch weer een atv in kleine stappen te zijn. Bij de cao-onderhandelingen voor 1990 vragen om een atv van een werkweek 38 naar 35 uur.
verdeeldheid
De verdeeldheid in de vakbeweging zelf was groot. De animo voor atv bleek bij de achterban van de FNV fors te zijn ge­daald. Men erkende, dat de atv in kleine stappen aan het begin van de jaren tachtig een remmende invloed had op de ontwikke­ling van de werkloosheid. Maar deze invloed was toch gering. Bij de bondsle­den werd atv bepaald door inleveren van loon, geen nieuwe kolle­ga’s erbij en taakver­zwaring.  Door een te geringen herbezetting was de werkdruk toegenomen en werden soms onaangename werktijden ingevoerd. De atv bleek vooral een functie te hebben gehad voor het opvangen van reorganisaties en saneringen. Bovendien werd in veel gevallen gebruik gemaakt van uitzend- en oproepkrachten. Greetje Lubbi verwoordde in een reactie op de voorstellen van Stekelenburg deze kritiek, toen ze zei: de keuze voor atv in kleine stappen is een ver­keerde ge­weest. Werkgevers vulden de gaten in de produktie op door de band een tikje sneller te laten lopen en ze legden een lijst met oproepkrachten aan. Lubbi vond atv een onmisbaar element in een eerlijke herverdeling van betaalde en onbetaal­de arbeid. Maar volgens haar diende deze te worden gekoppeld aan de invoering van een basisinkomen. Pas dan zou de werk­loosheid sterk verminderen. Zij pleitte voor een 25 urige werkweek en het in grote stappen invoe­ren van een basisin­komen.
Ook Van der Weg van de Industriebond bleek tegen het atv-offen­sief van de centrale te zijn. Volgens hem wilde de ach­terban geen collectieve atv. Ook de ABVA-KABO zag niets in het atv-offensief. Van der Weg wilde een palet van maatregelen om de werkloosheid te bestrijden: VUT, scholingsverlof en eventu­eel in bepaalde bedrijven atv. De atv moest worden ingebed in de moge­lijkheden van de bedrijven. De Industriebond koos voor een beleid, dat werd toegepspitst op de wensen van de leden. Als de leden atv willen, prima, maar als ze iets anders willen moet het ook kunnen. Enerzijds sloot dit uitgangspunt aan bij de wensen van de achterban: atv als verbetering van de ar­beidsvoorwaarden werd zeer gewaardeerd. Bijvoorbeeld atv per dag in de vorm van roostervrije dagen. Daarnaast sloot het aan bij het standpunt van bijvoorbeeld leden met een laag inkomen, die bij atv met in ruil geringe looneisen of zelfs gedeelte­lijke inleve­ring van loon hun inkomen teveel zouden zien dalen. Anderzijds sloot het aan bij de wensen van de werkge­vers: zij willen alleen een flexibele atv, verschillend per bedrijf of zelfs afdeling, om zo atv te kunnen inpassen in een verdere flexibilisering van de arbeidsvoorwaar­den en de verde­re doorvoe­ring van reorganisa­ties in de produktie en opvoering van de werkdruk.
dilemma

Uit de reakties van de Industriebond blijkt, dat de vakbewe­ging bij de eisen voor atv in feite voor een probleem wordt geplaatst: ATV zonder invloed op het beleid van de werkgevers tav de herbe­zetting en dus het personeelsbeleid leidt slechts in beperkte mate tot een grotere verdeling van betaalde arbeid en daardoor vermindering van de werkloosheid. Daarnaast leidt het voor grote groepen werknemers tot verslechtering van de arbeidsvoorwaarden, juist in bedrijfstakken, waar de organisa­tiegraad laag is. Aan de andere kant is strijden voor meer zeggenschap over het investerings- en personeelsbeleid van werkgevers een moeilijk na te streven doel, waarbij dan ook weer het vraag­stuk van het corporatisme om de hoek komt kij­ken: in hoeverre willen de vakbonden- samen met werkgevers verantwoor­delijk zijn voor het bedrijfsbeleid?

PvdL