Persbericht Bijstandsbond Amsterdam. Woensdag 27 november 2013 Aanscherping Wet Werk en Bijstand en andere sociale zekerheidswetten

Het kabinet van VVD en PvdA is van plan om uitkeringsgerechtigden per 1 juli 2014 nog harder aan te pakken. Althans dat staat in het wetsvoorstel Wet maatregelen Wet werk en bijstand dat donderdag 28 november a.s. besproken zal worden in een zogenaamd rondetafelgesprek tussen Tweede Kamerleden en insprekers. Ook Jacques Peeters van de Bijstandsbond Amsterdam zal inspreken. De Bijstandsbond is een belangenorganisatie van mensen met een minimuminkomen. Via de wekelijkse spreekuren zijn wij heel goed op de hoogte van wat er leeft bij uitkeringsgerechtigden. Dit wetsvoorstel zal in onze ogen dan ook heel wat ellende teweegbrengen bij de direct betrokkenen. In plaats van werkzoekenden instrumenten aan te bieden dat hun helpt bij hun moeizame tocht naar betaald werk, worden ze weggezet als profiteurs, die keihard moeten worden aangepakt. De kritiek van de Bijstandsbond kunt u terugvinden in het zogenaamde position paper dat u kunt openen door toegevoegde bijlage aan te klikken. Het rondetafelgesprek vindt plaats in het Tweede Kamer gebouw en wel in de Troelstrazaal te bereiken via Plein 2 en zal beginnen om 14.00 uur

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de heer Jacques Peeters, spreekuurmedewerker en ervaringsdeskundige van de Bijstandsbond.

Position paper Bijstandsbond in word

Position paper Bijstandsbond in pdf

Reactie op de sociale nota van het Ministerie van Sociale Zaken gepubliceerd op Prinsjesdag.

De regering sluit de ogen voor het falen van de marktwerking door internationalisering van de arbeidsmarkt. Er dreigt een sociale dumping waarbij de nieuwe migranten onder slechte en onzekere arbeidsvoorwaarden betaald werk verrichten terwijl de werklozen aan de kant blijven staan. Feitelijk wordt een verlaging van het sociale minimum voor grote groepen ingevoerd. Het kabinet legt onvoldoende relatie tussen het beleid op nationaal niveau en de noodzaak, op Europees niveau minimumnormen vast te stellen voor de kwaliteit van de arbeid, de beloningsverhoudingen en een goed stelsel van sociale zekerheid. Formulering van een Europees sociaal minimum is noodzakelijk.
Het kabinet presenteert in haar sociale nota de al veel geproduceerde analyse, dat er enerzijds veel vacatures zijn terwijl anderzijds nog veel werklozen aan de kant staan. Als oplossing wordt gekozen voor intensievere begeleiding van (langdurig) werklozen door de sluitende aanpak, flexibele pensioenregelingen, verscherping van de toetredingsvoorwaarden tot de Werkloosheidswet en de WAO, bevriezing van de huursubsidie om de armoedeval tegen te gaan,  afschaffing van de renteaftrek voor consumptief krediet, verlaging van de rijksbijdragen voor de gemeenten bij de kosten voor de Algemene Bijstandswet. Kortom: het wordt weer moeilijker bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid een uitkering te krijgen, het sociale minimum gaat voor sommige groepen omlaag, en de werkzoekenden moeten worden gekneed en gevormd om te voldoen aan de nog immer hoge eisen van de werkgevers, die volledig autonoom blijven in hun personeelsbeleid. Aan positieve maatregelen denkt het kabinet oa aan extra investeringen in scholing, een leerrekening voor werknemers, extra plaatsen in de sociale werkvoorziening, nieuwe subsidieregelingen voor werkgevers, zoals fiscale tegemoetkomingen voor werkgevers die hun werknemers betaald ouderschapsverlof geven, uitbreiding kinderopvangplaatsen, tegengaan (leeftijds)discriminatie, etc. Dit beleid is echter gedoemd te mislukken omdat een visie op de internationale arbeidsmarktontwikkelingen ontbreekt en de negatieve spiraal naar beneden die daardoor wordt veroorzaakt wordt door de genoemde positieve maatregelen onvoldoende tegengegaan. Het zijn incidentele maatregelen zonder dat de ontwikkelingen werkelijk worden beinvloed. Door voortgaande bezuinigingen op de sociale zekerheid versterkt het kabinet de verarming voor grote groepen eerder dan dat zij die tegengaat.
De oorzaken van een hoog ziekteverzuim, toestroom tot de WAO en een hoge structurele werkloosheid, die het kabinet soms zelf in haar sociale nota noemt  worden niet aangepakt. Het kabinet constateert zelf, dat door de hoge werkdruk en andere stress bevorderende factoren en door de flexibilisering van de arbeid voortdurend arbeidsongeschiktheid of werkloosheid dreigt. Zij trekt hier echter niet de conclusie, dat de marktwerking faalt.
Falen marktwerking
Je zou verwachten, dat door de toename van het aantal moeilijk vervulbare vacatures  werkgevers gedwongen worden  hun eisen  bij te stellen en het werk meer aan te passen aan de leefsituatie en de individuele mogelijkheden van de werknemers, zodat ook de kansen voor langdurig werklozen toenemen. Dit is echter nauwelijks het geval.
In de eerste plaats is het de vraag, of er wel zoveel vacatures zijn. Werkgevers gebruiken het argument, om het bestaande personeel onder druk te zetten, en zich groter voor te doen dan ze in werkelijkheid zijn. Anderzijds wordt de potentiele beroepsbevolking op 1,2 miljoen geschat. En kunnen werkgevers uiteindelijk wel aan personeel komen, zonder de eisen die zij stellen bij te stellen. Dit is wat anders dan de juichende bewoordingen in de sociale nota over de dalende werkloosheid en de goed functionerende banenmachine.
In de tweede plaats zijn de budgetten in de collectieve sector (onderwijs en gezondheidzorg) door de jarnelange bezuinigingen onvoldoende om nu ook een aanpassing van het werk aan de mensen in plaats van andersom mogelijk te maken.
In de derde plaats lijken werkgevers erop te gokken, dat wanneer het vervullen van vacatures werkelijk een probleem wordt bij de productie, ze kunnen overgaan tot werving van nieuwe kant en klare arbeidskrachten en vaklieden uit het buitenland. In andere Europese landen is de werkloosheid groter dan in Nederland en er worden ook van buiten de EG weer op grotere schaal arbeidskrachten geworven. De uitbreiding van de EG met Oost-Europese landen zal dit effect nog versterken. De arbeidsbureau’s gaan steeds soepeler om met de verstrekking van vergunningen in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen en er worden steeds meer inwoners van naburige europese landen in Nederland tewerk gesteld.
Internationale verdragen
Het zou onjuist zijn, de nieuwe migranten te verketteren en hen als bedreigers van de Nederlandse sociale zekerheid te zien. Zij worden vaak door de omstandigheden gedwongen in Nederland te gaan werken. Zij dienen dezelfde rechten te krijgen als andere werknemers. (Geen tijdelijke werving).  Willen het nederlandse sociale stelsel en redelijke arbeidsomstandigheden en voorwaarden stand houden dan zullen op internationaal niveau normen moeten worden vastgesteld. Momenteel onderhandelen de lidstaten van de EG over de opstelling van een grondrechten-charta dat tijdens de Europese top in Nice op 6 december zal worden vastgesteld. Dit charta dreigt een stelsel van vage formuleringen te worden, waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Onderhandelaars namens de Nederlandse regering en het nationale parlement nemen vage standpunten in. De Euromarsen tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, een europese beweging voor redelijke sociale rechten in alle europese landen, eist een Europees sociaal minimum is noodzakelijk.
Dit minimum moet voor alle landen in de EG worden vastgesteld op 50% van het bruto-nationaal product per hoofd van de bevolking. De regering gokt echter eenzijdig op het klaarstomen van de arbeidskrachten voor de eisen van de werkgevers zodat de Nederlandse werklozen zouden kunnen concurreren met buitenlandse arbeidskrachten en laat de internationale ontwikkelingen verder op zijn beloop. Hierdoor komen wij in een negatieve spiraal naar beneden terecht, die ertoe leidt dat op den duur voor de nieuwe migranten, werklozen, arbeidsongeschikten en mensen die in Nederland al langer betaald werk hebben de situatie steeds meer zal verslechteren.
onwerkbare plannen
De verdere verslechteringen in de sociale zekerheid en de monomane visie van het kabinet op het onder druk zetten van werknemers en werklozen, door financiele en organisatorische maatregelen hoe dan ook betaald werk te aanvaarden of te behouden gecombineerd met onvoldoende positieve maatregelen leidt tot sociaal isolement, lagere uitkeringen en slechte arbeidsvoorwaarden.
De scheiding tussen publieke uitvoering van de uitkeringsverstrekking en privatisering van de arbeidsbemiddeling is in de praktijk onwerkbaar. De werkzoekende die in de spreekkamer met een functionaris wordt geconfronteerd, en onder druk wordt gezet een traject te accepteren weet vaak niet of hij met een commerciele arbeidsbemiddelaar of een ambtenaar van de publieke organisatie te maken heeft en in verschillende projecten wordt dit onderscheid door de betrokkenen met opzet vaag gehouden. Werkzoekenden krijgen over hun rechten dingen op de mouw gespeld, die in beroepsprocedures meestal geen stand houden en worden onder druk gezet mee te doen aan het gesjoemel van declaraties bij de subsidiegever door commerciele bemiddelaars. Ervaringen op het spreekuur van bovengenoemde organisaties bevestigen de bevindingen van de Rekenkamer dat er op vrij grote schaal fraude in de arbeidsbemiddeling wordt gepleegd.
Afgezien van het regelrechte gesjoemel en de fraude worden miljoenen besteed aan peperdure cursussen (er zijn eenvoudige cursussen van drie maanden die bijvoorbeeld per persoon fl 15.000,-kosten) waarvan de effectiviteit uiterst twijfelachtig is. Er bestaan op lokaal niveau vaak geen procedures en obkjectieve evaluaties van de resulten van projecten. Aan het beleid van  ‘case-managment’, de individuele begeleiding, en andere trajecten wordt veel geld besteed, lijkt het wel. Zo trekt het kabinet in 2001 308 miljoen gulden uit voor begeleiding van 40.000 werklozen in het kader van de sluitende aanpak. Op het niveau van de individuele werkloze gaat het echter om beperkte bedragen, waarmee niet of nauwelijks de problemen van de doelgroep kunnen worden opgelost door de commerciele bemiddelaars, met hun peperdure cursussen.  Privatisering van de arbeidsbemiddeling leidt op lokaal niveau  tot een onsamenhangend beleid en een lappendeken van projecten en projectjes, waarbij de werkzoekende door de bomen het bos niet meer ziet en de bureacratisering eerder toeneemt dan afneemt. Er moeten ter controle van de commerciele bemiddelaars immers weer allerlei ingewikkelde aanbestedingsvoorwaarden en contracten worden bedacht, waarop door de overheid aangestelde controleurs moeten toezien. Maar het kabinet gaat weer veel (interdepartementale) onderzoekscommssies instellen, kondigt zij aan.
Sociale activering
De sociale activering is een doodgeboren kindje. Door de strakke koppeling van vrijstelling van de sollicitatieplicht  aan het volgen van een traject richting arbeidsmarkt, ook voor degenen, waarvan duidelijk is dat ze nooit meer betaald werk kunnen verrichten en de koppeling aan ‘case-management’ waarbij een ambtenaar het leven van de uitkeringsgerechtigde intensief moet volgen ontstaat veel wantrouwen bij de doelgroep om van de sociale activering gebruik te maken. Eigen initiatieven bloeden dood. Sociale activering en trajectbemiddeling naar (vrijwilligers) werk kennen een sterke bureaucratisering en betutteling, waarbij van bovenaf incidentele vaak tijdelijke projecten worden bedacht door ambtenaren vanachter hun bureau, zonder dat men zich afvraagt wat de betrokkenen nu zelf willen en kunnen. Uitkeringsgerechtigden moeten beloond worden voor hun eigen initiatieven en gestimuleerd worden deze te ontplooien door vrijstelling van de sollcitatieplicht en bijvoorbeeld onkostenvergoedingen.
Piet van der Lende

De wetenschap zegt ons na: minstens 15% extra voor de minima

Vereniging Bijstandsbond Amsterdam
Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam

De wetenschap zegt ons na: minstens 15% extra voor de minima

Op maandag 1 december bij de promotie van Ruud Vlek zullen bovengenoemde organisaties actie voeren in de aula van de universiteit van Amsterdam om 11.00 uur. Het proefschrift van Vlek bevestigd wat wij al vermoedden. De verarming van grote groepen in onze samenleving is volop in discussie. De politici
benadrukken, dat ze er alles aan doen om dit tegen te gaan.
Het proefschrift van Ruud Vlek, ‘Inactieven in actie. Belangen­strijd en belangenbehartiging van uitkeringsgerechtigden in de Nederlandse politiek’ toont ons wat men in werkelijkheid doet:
de bezuinigingen op de sociale zekerheid gaan voort, er wordt een ministelsel ingevoerd en de koopkracht van mensen met een minimuminkomen is onder het kabinet Kok verder teruggelopen.
Het kabinet heeft meer dan 3 miljard bezuinigd op de sociale voorzieningen, zoals bijstand, Wet Sociale Werkvoorziening (de tewerkstelling van arbeidsongeschikten tegen normale arbeids­voorwaarden) en de kinderbijslag, die eigenlijk een volksver­zekering is. Verdere bezuinigingen op de kinderbijslag staan
op het programma. Geen enkel voorgaand kabinet heeft zo sterk op de sociale voorzieningen bezuinigd.

De reeele waarde van de gezinsbijstandsuitkering in prijzen van 1996 is tussen 1980 en 1985 drastisch gedaald (ongeveer 15%). Tussen 1985 en 1992 blijft zij ongeveer gelijk. Na 1993 is er weer sprake van een daling.
De koopkracht van de minima wordt steeds lager, en steeds meer mensen zijn erop aangewezen. Het kabinet voert een ministelsel in. Het percentage minimumuitkeringen in het totale volume van de sociale zekerheid exclusief de AOW zal tussen 1995 en 1998 oplopen van 66% naar 75%.
En de gevolgen worden op het bordje van de gemeenten gelegd zonder dat die daar de financiele middelen voor krijgen.
Tussen 1995 en 1999 lopen de kosten van de kosten van de sociale voorzieningen (voornamelijk bijstand) op van 14 mil­jard in 1995 tot 17 miljard in 1999. 2 miljard van deze kos­tenstijging zal opgehoest moeten worden door de gemeenten, zodat de bijdragen van de gemeenten oplopen van 17,7% tot
25,8%.

Het werkgelegenheidsbeleid van de regering Kok

Deze tekst is eerder gepubliceerd op de website van de Bijstandsbond.

De uitgangspunten van de regering Kok m.b.t. de werkgelegenheid. Hierover doen allerlei propagandapraatjes van politici de ronde. Bij het afsluiten van het regeerakkoord werd gezegd, dat de regering streeft naar 350.000 banen extra in vier jaar. Hier zijn echter ook banen bij van minder dan 12 uur in de week. Uitgedrukt in arbeidsjaren gaat het om veel minder banen. Maar goed, de regering wil 350.000 banen scheppen. Hoe wil de regering dit bereiken?
bezuinigingen
Het is de bedoeling dat de regering Kok 18 miljard bezuinigt in vier jaar tijd. Waarop wordt bezuinigd?. Enkele voorbeel den. Op de studiefinanciering moet ruim twee miljard worden bezuinigd, op arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren anderhalf miljard, invoering ANW moet 820 miljoen opleveren, terugdringing beroep op de WAO meer dan een miljard, kinderbijslag ruim een miljard, op de AOW wordt ruim 400 miljoen bezuinigd, bijdrage gemeentefonds ruim 800 miljoen, en de bezuiniging op het zorgpakket in de gezondheidszorg en invoering eigen risico moet ruim een miljard opleveren.
lastenverlichting
Deze bezuinigingen worden echter slechts gedeeltelijk gebruikt voor verlaging van het financieringstekort. Het financierings tekort moet vooral minder worden door een toename van de werkgelegenheid en een hoge ekonomische groei. De bezuinigin gen worden vooral gebruikt voor negen miljard lastenverlich ting voor burgers en bedrijven. Het overgrote deel van die negen miljard wordt gebruikt om de belastingen en sociale pre mies die werkgevers moeten betalen te verlagen. De overheid gaat ervan uit, dat loonkostenverlagingen voor de werkgevers tot meer banen zullen leiden, met name op het gebied van laagbetaalde ongeschoolde arbeid. Daarnaast wordt een gedeel te gebruikt om met name voor werkenden de lasten te verlagen, waardoor de inkomensverschillen tussen uitkeringsgerechtigden en werkenden groter worden en ook de inkomensverschillen tussen werkenden onderling. Dit gebeurt oa door verhoging van het arbeidskostenforfait en verhoging van de belasting vrije som. Men gaat ervan uit, dat wanneer deze verschillen groter worden, werklozen eerder bereid zullen zijn arbeid op het niveau van het minimumloon te aanvaarden.
gerichte subsidiering
We hebben nu de algehele verlaging van de belasting- en pre miedruk gehad. Ten tweede is er de gerichte subsidering om in bepaalde sectoren meer laagbetaalde, ongeschoolde arbeid te scheppen. Een voorbeeld van dat laatste zijn de wettelijke maatregelen van afdrachtsvermindering op loonkosten. Ten eerste een afdrachtskorting van 1185 gulden voor werkge vers die iemand in dienst nemen op het niveau van het WML. Dit geldt dus niet alleen voor langdurig werklozen. Het aardi ge is, dat het CPB geen werkgelegenheidseffecten van deze korting heeft kunnen berekenen. Het is dus onbekend, wat het effect is. Ten tweede fl 4500 per jaar voor het in dienstnemen van een langdurig werkloze die niet meer verdient dan 130% van het WML. (een jaar ingeschreven bij arbeidsbureau, bij een dienst verband van 32 uur of meer, voor ten hoogste vier jaar,) Ten derde fl 4500,- per jaar per in dienst genomen leerling in het leerlingwezen. ( die bij een werkweek van 32 uur of meer niet meer verdient dan 130% van het WMl voor personen vanaf 23 jaar.)
Daarnaast is er nog de kaderregeling arbeidsinpassing als tegemoetkoming voor de kosten van training en begeleiding. Verder is er nog de Wet Bevordering Arbeidsinpassing, voorheen de wet Vermeend/Moor. Hier krijgen werkgevers voor een bepaalde periode vrijstelling van premiebetalingen tot 16% van de brutoloonsom bij het in dienst nemen van langdurig werklozen voor meer dan 15 uur. Er zijn nog veel meer regelingen, zoals de kaderregeling uitzendarbeid, subsides van de Europese Unie en loonkostensub sidies van het GAK, die vooral betrekking hebben op het weer in het arbeidsproces opnemen van gedeeltelijk arbeidsongeschik ten. Maar de regering en het Centraal Planbureau geven zelf aan, geen idee te hebben wat nu precies de werkgelegenheidsef fecten van deze maatregelen zullen zijn en of de kansen van langdurig werklozen en arbeidsongeschikten ook werkelijk verbeterd worden. In antwoord op kamervragen heeft de regering bijvoorbeeld geantwoord, dat de effecten in de dienstensector niet vast te stellen zijn.
aanvullende werkgelegenheid
We hebben nu de gerichte en algemene lastenverlichting gehad. Daarnaast geeft de regering ongeveer vier miljard uit voor aanvullende werkgelegenheid, met name de Melkert 1 rege ling.-Met een gedeelte van die vier miljard moeten 40.000 ba nen worden geschapen over een periode van vier jaar. Nu doen politici, alsof er daardoor 40.000 banen bijkomen. Maar dat is niet zo. Want er gaan ook weer banen verloren door de 18 miljard bezuinigingen.
Melkert I
Hoe ziet die Melkert I regeling eruit?. Het zijn banen voor langdurig werklozen in de non-profitsector die structureel worden gesubsidieerd door het Rijk. Het gaat met name om banen bij instellingen op het gebied van de veilig heid, toezicht, en zorg. Te denken valt aan functies als stadswacht, flatwacht, tramconducteur, buurtconcierge, kinder opvang, en onderwijsassisstent. In de zorg kunnen de functies gevarieerder zijn. Het gaat om laaggeschoold werk met een salaris op mimumloonni veau. Een alleenstaande in de Melkert regeling heeft het eerste jaar op basis van een 32-urige werkweek ongeveer 1350 gulden. Er zijn Melkertbanen waar iemand ook s’avonds en in het weekend moet werken waarvoor geen toeslagen worden gege ven. Zo iemand komt dus ondanks de onregelmatige werktijden niet boven het bijstandsniveau uit.
Melkert II
Dan is er nog de Melkert II regeling. Hier gaat het erom, dat er boventallige arbeidsplaatsen gecreerd worden in de markt sector. Het gaat uiteindelijk om 20.000 banen. Er gaat een experimentele periode aan de reguliere in diensttreding voor af. Een werkgever kan maximaal 2 jaar een loonkostensubsidie ontvangen van fl 18.000 per jaar. Binnen deze periode dient de werknemer in reguliere dienst genomen te worden. Ook hier gaat het om laaggeschoold werk van gemiddeld 32 uur met een salaris op minimumloonniveau tot maximaal 120% WML.
voorbeelden
Ik noem twee voorbeelden van Melkert II regelingen. De gemeen te Amsterdam wil een arbeidspool voor het midden- en kleinbe drijf maken, waarbij piekwerk wordt gedaan. De langdurig werkloze krijgt een arbeidsovereenkomst voor maximaal twee jaar. Binnen twee jaar moeten die werknemers doorstromen naar regulier werk. Het zal me benieuwen, of die doelstelling wordt gehaald. Een tweede voorbeeld. Met ingang van 1 januari is het mogelijk geworden in een aantal regio’s voor 15 gulden per uur schoonmaakwerkzaamheden in en rond het huis te laten verrich ten. Partikulieren sluiten daarvoor zogenaamde ‘consumenten contracten’ af met schoonmaakbedrijven. De arbeidsvoorwaarden en subsidies zijn verder dezelfde als in de andere Melkert II regelingen. Het komt erop neer, dat de overheid fl 13,- legt naast de fl 15,- die de partikuliere opdrachtgever betaalt. Het is een overeenkomst tussen Melkert en de branche vereni ging van de schoonmaakbedrijven. De schoonmaakbedrijven hebben groot belang bij deze regeling. Want zo kunnen ze de klassieke werkster, die direct in dienst is van een partikulier, uit de markt concurreren. Door de invoering van Melkertbanen vindt dan ook een groot scheepse verdringing van bestaande betaalde arbeidsplaats. De regering gaat er in antwoord op kamervragen zelf van uit, dat de verdringing bij Melkert II ongeveer 10% zal zijn.
Melkert III
Dan is er nog de Melkert III regeling. In het kader van arti kel 144 van de NABW krijgen gemeenten met ingang van 1 januari de mogelijkheid om in het kader van sociale activering te experimenteren door bepaalde artikelen van de NABW buiten beschouwing te laten. Mogelijkheden die hierdoor ontstaan zijn de verplichting om deel te nemen aan bepaalde maatschappelijke activiteiten, ontheffing sollicitatieplicht, het vrijlaten van premies voor onbetaalde arbeid en ruimere mogelijkheden voor bijstandsverlening aan zelfstandigen. Gemeenten moeten een aanvraag indienen bij het ministerie om in aanmerking te komen als experimenteergemeente. Amsterdam heeft alleen aanvragen ingediend voor ontheffing van de sollicitatieplicht en onkos tenvergoedingen voor vrijwilligers in het kader van de bijzon dere bijstand. Daarnaast is het zo, dat bijvoorbeeld in Amsterdam nu al enige tijd onbetaalde arbeid, dus vrijwil ligerswerk wordt gebruikt in een traject, dat toeleidt naar de arbeidsmarkt.
banenpool
Dan hebben we nog de banenpool. Gemeenten kunnen afspraken maken over de instelling van banenpools voor langdurig werklo zen. Voor iedere werkloze in zo’n pool stelt het rijk, naast het aandeel in de uitkering van de betrokkene, jaarlijks fl 7000,- beschikbaar. De inlenende organisatie moet 3500,- betalen. De deelnemers sluiten een arbeidsovereenkomst met de arbeidspool en krijgen werk op een boventallige plaats in de collectieve sector. Op de arbeidsovereenkomst is het gewone arbeidsrecht van toepassing. Ontslagvergunning Arbeidsbureau vereist. Werknemers ontvangen het wettelijk minimumloon Overwerktoeslagen zijn niet mogelijk, maar wel een compensatie in vrije tijd.
JWG
Dan is er nog de JWG. Doel is dat jongeren of werk hebben of op school zitten. de regeling komt in de plaats van eventuele uitkeringen. Er is een wachttijd van een half jaar tot een jaar. De jongere komt in dienst van een gemeentelijke organi satie die de JWG uitvoert. Deze organisatie is verplicht de jongere een werkervaringsplaats of een scho lingsplaats van 32 uur te bieden. De plaatsing duurt zes maanden en kan met zes maanden worden verlengd. De jongere verdient bij een werkweek van 32 uur 80% van het minimumloon of het minimumjeugdloon. De bedoeling is de JWG stapsgewijs uit te breiden tot alle schoolverlaters tot 27 jaar. Per 1-1-1997 worden de banenpool, de WSW en de JWG ondergebracht in de Wet Inschaling Werkzoekenden maar het zou te ver voeren, daar nu op in te gaan.
positieve actiebeleid
Ik heb nu verschillende maatregelen genoemd om de werkgelegen heid te bevorderen, nl gerichte en ongerichte lastenverlich ting en additionele arbeid, de derde sector, die ontstaat door een deel van de bezuinigingen in te zetten en door het terug ploegen van uitkeringsgelden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen om bepaalde groepen die nu buiten de boot vallen omdat ze niet voldoen aan de eisen van de werkgevers toch aan werk te helpen. Dat zijn de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, de WBA, de Wet Arbeid gehandicapte werknemers, de WAGW, en de Wet bevordering Evenredige arbeidsdeelname Allochtonen, de WBAA.
arbeidsvoorziening
Dan is er ook een arbeidsvoorzieningsorganisatie. Er is eigen lijk een heel netwerk van uitvoerende instanties, die allemaal met de uitvoering van de geschetste regelingen te maken heb ben. Arbeidsbureau’s, gemeentelijke instellingen, de zorgver zekeraars, uitzendbureau’s etc. Al die instellingen houden zich niet alleen bezig met de uitvoering van al die regelin gen, maar ook met arbeidsbemiddeling, omscholing, trajectbege leiding, solliciatiecursussen, etc. Allemaal aktiviteiten om de werkzoekende klaar te stomen voor de kennis-en vaardigheden die de werkgever eist. Het is een erg onoverzichtelijk geheel van instellingen, die langs elkaar heen werken of elkaar beconcurreren.
Conclusie:
Politici geven hoog op van de effecten van dit beleid. Zo zouden er de afgelopen jaar 150.000 banen bijgekomen zijn. Dit is echter beperkt waar. In de eerste plaats betreft het deel tijdbanen en in de tweede plaats zijn het vaak tijdelijke banen. Als je de effecten van het regeringsbeleid op de werk gelegenheid zou willen bekijken, moet je een lange termijnper spectief nemen. Dus hoeveel werkgelegenheid er bijgekomen is in de laatste tien jaar. Volgens cijfers van de overheid zelf nam de werkgelegenheid uitgedrukt in arbeidsjaren de afgelopen tien jaar, dus sinds 1985 toe met 738 duizend arbeidsjaren, oftewel 15%. Als je bedenkt dat er alleen al meer dan 700.000 mensen zijn met een werkloosheidsuitkering en daar nog bij rekent, dat er veel mensen wel werk zoeken, bijvoorbeeld vrouwen en gedeelte lijk arbeidsongeschikten, die niet als werkzoekende bij de officiele instanties staan geregistreerd, dan kom je al gauw op een totaal van meer dan 1,2 miljoen werkzoekenden. Wanneer de beroepsbevolking de komendejaren zal blijven groeien, en er weer werkgelegenheid verdwijnt door rationalisatie en automa tisering, dan is het duidelijk, dat over tien jaar de werk loosheid nog even hoog zal zijn als nu. Voor vele werklozen is er geen perspectief op werk in de komende tien jaar. Daarnaast heeft een grote groep uitkerings gerechtigden, zoals AOW-ers niets aan dit kabinetsbeleid. Het beleid van het kabinet Kok leidt door de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de ambtenarensalarissen en de bevordering van laagbetaalde flexibele arbeid tot verarming voor grote groepen, waarbij de inkomensverschillen tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden groter worden, zonder dat het werkgele genheidsperspectief verbetert. Het zijn vooral de werkgevers en de werkenden met een hoger inkomen, die van de toenemende welvaart profiteren.
PvdL/20-2-1996

Kort verslag gesprek met Eelco Brinkman op 25 maart 1993 in Den Haag

25 maart 1993

In het voorjaar van 1993 ben ik met vertegenwoordigers van het toenmalige Komitee Amsterdam Tegen Verarming en van de diaconie van de Hervormde Kerk in Amsterdam naar Den Haag geweest voor een gesprek met Eelco Brinkman, toen fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer tijdens het kabinet Lubbers-Kok. In 1994 zou hij lijsttrekker van het CDA worden, maar de partij leed bij de verkiezingen een historische nederlaag en weer een jaar later verliet Brinkman de politiek. Zie voor een overzicht van zijn carriere in de politiek en het bedrijfsleven Wikipedia. Hieronder een verslag dat ik van het gesprek gemaakt heb. 

Brinkman begint met te zeggen, dat we niet het gevoel moeten hebben, bezig te zijn met een klaagzang, het zijn serieuze punten die naar voren worden gebracht, en politici zitten ervoor om naar de mensen te luisteren en zich op de hoogte testellen van hoe regelingen in het praktische leven werken.
Als volgende punt brengt hij naar voren, dat in achtereenvol­gende kabinetten, afgezien van de politieke samenstelling, eindeloos gediskussieerd is over hoe regelingen eerlijker kunnen uitwerken naar de individuele omstandigheden van demensen. Sommige regelingen werken onrechtvaardig uit; aan de ene kant is er een oneigenlijk gebruik, dat teruggedrongen moet worden, aan de andere kant zijn er de echte minima, die niet rond kunnen komen. Dit is uitdrukking van het feit, dat algemene regelingen onvoldoende inspelen op individuele geval­len. Het betekent, dat de politiek op zoek is naar een sys­teem, dat de uitvoeringsorganisatie dwingt meer naar de indi­viduele omstandigheden te kijken. Dit is een belangrijk punt.
Verschillende dingen zijn moeilijk per man of per vrouw te regelen. Het meest pijnlijk is, dat veel mensen hun hele leven geploe­terd hebben, en naarmate ze ouder worden tot de ontdekking komen, dat ze een laag inkomen hebben. Dit betekent dat Brink­man kijkt naar: kunnen we nou niet in de uitkeringsrechteninbouwen, dat mensen naarmate ze ouder worden meer rechten hebben. Dit betekent, dat de arbeidsjaren moeten meetellen in de hoogte van de uitkering. Jongeren kunnen zich wel bijverze­keren.
De konkrete situatie van het individu moet in ogenschouw worden genomen. (met een schaartje geknipt). De sociale dienst moet kunnen zeggen: u komt wel voor een bepaalde bijdrage cq regeling in aanmerking, en u niet. De bijzondere bijstand is er voor bedoeld om bij te plussen, om iets te doen in die gevallen, waarin dat dringend noodzakelijk is. Overigens is de claim die op de hogere en middeninkomens wordt gelegd terecht.
Een ander punt is de werkgelegenheid. We zijn bezig om mensen aan het werk te krijgen, cq werkgelegenheid te scheppen. Er zijn op dit moment onvoldoende banen te vinden. De diverse kabinetten proberen het investeringsklimaat te verbeteren,zodat werkgevers investeren, ook in werkgelegenheid. Hiermee wordt werkgelegenheid geschapen. De mensen moeten de werkgele­genheid de voorrang geven. Het is zo, dat er begin jaren tachtig fors huisgehouden is in de overheidsuitgaven. Dat heeft resultaten afgeworpen. Het heeft geleid tot een enorme groei van het aantal banen. Zeker ook naar de jeugd toe. We moeten kiezen voor werk boven inkomen. 
Wat de jeugd betreft en het verband tussen de kinderbijslag en de kosten voor de opvoeding van kinderen. Het CDA vindt dat tegen de jeugd kan worden gezegd: de welvaart is opgebouwd door de oudere generaties, nu is het jullie taak om er fors aan mee te helpen om dat in stand te houden. We moeten de jeugd het idee aandragen, dat ze een steentje moeten bijdragen aan het in stand houden van de voorzieningen. Niet vanwege het geld dat daardoor bespaart wordt, maar als ze dat niet doen is het niet uit te leggen aan de ouderen. Daarvoor een klimaatscheppen en een beroep doen op de jongeren is een kwestie van sociale rechtvaardigheid.
Dan heb ik een vraag. U spreekt erover, dat u niet terug wilt naar de dertiger jaren. En ook niet naar hoe toen het diakona­le werk werd uitgevoerd. Het verschil tussen toen en nu is wel, dat nu een hele reeks voorzieningen is opgebouwd. Dus ook het diakonale werk is niet alleen, ook nog wel maar nietalleen een kwestie van voedsel verstrekken. Mijn praktische vraag is dan toch, wat de diakonie in de huidige omstandighe­den kan doen, zonder weer in die sfeer van de dertiger jaren te geraken.
Dan heb ik nog een vraag in verband met de huursubsidie. Is het niet zo, dat in een groot aantal huurhuizen met een lage huur mensen zitten met een vrij hoog inkomen, die eigenlijk best duurder zouden kunnen wonen, maar die blijven zitten? Die mensen, die een te hoog inkomen hebben, die zouden er eigen­lijk uit moeten, zodat de mensen met een laag inkomen daarvoor in aanmerking komen. Wij zouden bijvoorbeeld een bepaalde categorie jeugdigen geen huursubsidie kunnen geven. Waarom moeten die meteen al 100 of 200 gulden erbij hebben?
Wat betreft het bijwerken (van de echtgenote). Wij hebben als CDA een stelling, die een beetje tegen de tijdgeest ingaat, die inhoudt: voorzover twee mensen achter een huisdeur zitten, is het redelijk, dat je de inkomens van die mensen bij elkaar optelt. Dit doen we om te voorkomen, dat daar waar een normaalinkomen binnenkomt, niet gezegd kan worden: we hebben er ook nog een uitkering bij. De uitkeringen zijn vooral bedoeld voor alleenstaanden en anderen, die niet op een andere manier aan geld kunnen komen. Overigens is het zo, dat we bezig zijn te onderzoeken, in hoeverre de bijverdiensteregeling kan worden opgerekt.(als reaktie op de mevrouw wier zoon de hele zaterdag werkt om 25 gulden te verdienen) Is het niet zo, dat we de kinderen kunnen aanspreken op een bijdrage aan hun ouders? Kinderen zullen ook zelf voor veel dingen moeten zorgen. Natuurlijk is het niet de bedoeling, dat we teruggaan naar de kinderarbeid. Maar we kunnen ons wel afvragen: in hoeverre zijn er voor de kinderen mogelijkheden, een bijdrage te leveren?
Dan nog wat opmerkingen over de kinderen. Uw verhalen hebben mij gestrekt in mijn overtuiging, dat de kinderbijslag niet aangetast mag worden. Daarover is nog een diskussie in het kabinet, waarop ik niet vooruit wil lopen. Wel is het zo, dat bijvoorbeeld als er zes kinderen zijn het wat minder kan, maar dat zijn niet zoveel gezinnen.
(als reaktie op de hoge kosten die schoolreisjes e.d voor de kinderen met zich meebrengen). Is het niet zo, dat voor een deel dergelijke kosten vergoed kunnen worden via de bijzondere bijstand?. We zijn met schoolorganisaties ook bezig om daar aandacht voor te vragen.
Wat de bijzondere bijstand betreft, die niet of te weinig wordt aangevraagd: zit dat in de schroom van de mensen of zit dat in de regeling?
Dan wil ik nog een punt naar voren brengen, nl het pensioen, waarbij dat laatste stukje gaat haperen. Hoe zijn dan uw ervaringen met de personeelschefs in de individuele bedrijven? Er worden toch afvloeiingsregelingen en sociale plannen ge­maakt. De vakbeweging schept ook een beeld, dat dit gebeurt, door allerlei overbruggingsregelingen e.d, terwijl nu blijkt, dat dit onvoldoende lukt. In hoeverre is dit een meer algemeen voorkomend probleem? Als dit vaker voorkomt, kunnen wij dat in ons overleg met CNV en NCW als een algemeen punt van zorg naarvoren brengen. We kunnen hen de vraag stellen: letten jullie wel voldoende op de oudere categorie werknemers? In dit ver­band hoopt Brinkman, dat de vakbeweging ook een beetje bij de ouderen begint te redeneren. Dit moeten wij als algemeen punt in onze kontacten meenemen.
Dan wil ik tenslotte nog een punt naar voren brengen. Iemand die aan het werk gaat, wil er ook op vooruit gaan, en nu is het zo, dat onderin het loongebouw alles in elkaar is gedrukt. Vaak gaan mensen die gaan werken er ten opzichte van hun uitkering helemaal niet op vooruit. Juist om die reden zeggen we, onderin dat loongebouw moeten de uitkeringen en de inko­mens uit werk wat uit elkaar worden getrokken, zodat meer mensen op de arbeidsmarkt komen en ook kunnen doorstromen. Daar zit ook een groot probleem. Nu zijn er mensen die zeggen: nu ben ik aan het ploeteren, en andere mensen via allerlei regelingen hebben net zoveel. Ik probeer niet het verhaaltje te verkopen van: zo zit de wereld in elkaar, daar is niets aan te doen, maar dit zijn toch wel dingen waar we op moeten letten.
Dus er zijn twee punten: ten eerste hoe krijgen we in gesprek met de vakbeweging de ouderen boven tafel, en ten tweede het punt van de kosten die de opvoeding van kinderen met zich meebrengt.
Wij hebben als CDA ervoor gevochten, dat in de nieuwe WAO een systeem zou worden ingevoerd, waarbij mensen naarmate ze een langer arbeidsverleden hebben, ook meer rechten hebben.
Diskussiepunten. Wat betreft de taak van de diakonien: Rene 
bracht naar voren, dat de diakonie van de hervormde kerk een stop op het aantal aanvragen had ingevoerd, vanwege het grote aantal. De laatste jaren deden steeds meer mensen een beroep op de diakonie. Met name ook de groep mensen, die geen dak boven zijn/haar hoofd heeft en in erbarmelijke omstandigheden verkeert, neemt toe. Er zijn mensen, die het zo moeilijk hebben, in een uitzichtloze situatie, dat ze niet meer in staat zijn giroo’tjes in te vullen e.d. Brinkman vroeg zich af, als de verstrekking van bijzondere bijstand aan mensen in (financiele) moeilijkheden in individuele gevallen niet goed functioneert, wat de diakonie kan doen. Hij sprak over een “een -tweetje” tussen de diakonie en de bijzondere bijstand, cqsociale dienst. Wij hebben hem duidelijk gemaakt, dat het in de praktijk niet zo gemakkelijk werkt. De sociale dienstambte­naren zijn (telefonisch) niet of nauwelijks bereikbaar, het is een bureaucratische organisatie, waarin alles is geautomati­seerd en via formulieren loopt, en zodra er bij een client een of andere mutatie is kunnen er grote moeilijkheden ontstaan, tot (onterechte) stopzetting van de uitkering aan toe. Ook verloopt het verstrekken van voorschotten moeizaam, mensen moeten soms zes weken op hun geld wachten, gevallen, waarin de diakonie moet bijspringen. De laatste tijd doen ook steedsmeer mensen een beroep op de diakonie voor spreekuurzaken e.d,omdat er wel een systeem van sociaal raadslieden is, maar daar moet je lang wachten voor je aan de beurt bent, die hebben het zeer druk. Maar dat willen we niet. Er is toch een goede voorziening, de sociaal raadslieden, dat werk willen we niet overnemen. De bijzondere bijstand is vaak geen oplossing. In de eerste plaats is er al een eigen bijdrage van 178,- en als je echt gaat onderzoeken, of je ervoor in aanmerking komt, bijvoorbeeld een wasmachine, dan wordt gezegd: je hebt een paar procent in je uitkering om daarvoor te sparen, dus je komt niet in aanmerking voor vergoeding van duurzame gebruiks­goederen via de bijzondere bijstand, of: er is een voorliggen­de voorziening, die het vergoed, dus doen wij het niet. Ofomgekeerd: er is een voorliggende voorziening bijvoorbeeld het ziekenfonds, die het ook niet vergoed, dus doen wij het ook niet. (dit was de motivatie in amsterdam om de sanering van het gebit uit de bijzondere bijstand te halen).Daarnaast ervaren met name AOW ers het vaak als vernederend,wanneer ze een beroep moeten doen op de bijzondere bijstand.
Eigenlijk zou er een standaard verhuiskostenvergoeding voor bejaarden moeten zijn. Tijdens de diskussie werd naar voren gebracht, dat de sociale dienst zich vaak weinig soepel opstelt, als je in april vraagt om een voorschot op je vakantiegeld, om iets te kopen, kan dit niet.
Wat betreft de huursubsidie werd naar voren gebracht, dat in wijken met huizen die een lage huur hebben er nu al een grote doorstroming is; bovendien is de huursubsidie nu al gebonden aan het inkomen; mensen die veel verdienen krijgen geen huur­subsidie. Je zou dit probleem niet moeten oplossen door te gaan knabbelen aan de huursubsidie, maar door bijvoorbeeld een huurbelasting te gaan invoeren, door op het belastingformulier de vraag op te nemen: hoeveel huur betaalt u?
Verder werd in de diskussie uitgelegd, waarom de baanloze scheepsbouwers niet in aanmerking kwamen voor een goede socia­le regeling. Er was geen geld voor. Toen het laatste bedrijf werd gesloten, was er niets meer. 
P vd L 25-3-1993

Investeringspolitiek van Nederlandse scheepswerven

In de jaren zestig begon de aftakeling van de Nederlandse scheepsbouwindustrie. In vijf jaar tijds kelderde het aandeel van Nederlandse bedrijven in de wereldmarkt van 7,4% in 1960 tot 1,6% in 1965. In dat jaar werd de zogenaamde commissie Keyzer ingesteld, die de oorzaken van de zwakke concurrentiepositie van de Nederlandse scheepwbouw moest onderzoeken. Er werd een uitgebreide studie gemaakt van de verschillen tussen Nederlandse en buitenlandse bedrijven. De werforganisatie en de productietechnieken werden daarbij met elkaar vergeleken. De conclusie luidde, dat de Nederlandse werven na 1955 waren achtergebleven in de omschakeling van ambachtelijke naar industriele productie. De diepteinvesteringen waren drastisch gedaald, zodat de stijging van de arbeidsproductiviteit terugliep tot gemiddeld 1,4% per jaar in de periode 1961-1965.
De Nederlandse werven hadden zich niet tijdig gespecialiseerd in seriebouw, aan automatisering werd weinig gedaan en de productieplanning was vaak gebrekkig. De buitenlandse bedrijven waren goedkoper, omdat men zich daar vaak wel had gespecialiseerd in eigen standaardontwerpen, die in serie werden gebouwd. Dit betekende bijvoorbeeld dat in een land als Zweden de schepen die van de helling gleden in 1965 gemiddeld 6% goedkoper waren dan in Nederland, ondanks het feit dat de lonen daar hoger waren dan in ons land. Verder hanteerde men in het buitenland de zogenaamde moduulbouw, waardoor de tijd dat een schip op de helling lag met de helft werd teruggebracht.
Er was in andere landen ook een betere productieplanning en de voorraadplanning was zeer nauwkeurig, zodat de kosten voor het aanhouden van voorraden zo laag mogelijk konden worden gehouden. De commissie keyzer adviseerde, de Nederlandse werven in een of enkele concerns te concentreren en over te gaan tot een snelle modernisering van de productiemiddelen. Daarbij moesten de verschillende werven zich specialiseren in een of enkele typen schepen, zodat binnen het concern als geheel toch veel verschillende typen in serie konden worden gemaakt.
De concentratie is er in de scheepsbouw wel gekomen, maar van de andere voorstellen kwam weinig terecht. In 1966 komt de fusie tussen de Schelde, RDM em de motorenfabriek Tomassen tot stand. In 1971 wordt na de fusie met Verolme het Rijn-Schelde –Verolem concern opgericht (RSV). Verder kwamen er nog enkele losse samenwerkingsverbanden tot stand, zoals HSA en Rijn-Waal. De modernisering van scheepswerven voor de nieuwbouw is echter grotendeels uitgebleven. In de tweede helft van de jaren zestig vonden er vooral breedteinvesteringen plaats; aanapssing aan dokken, kaden en hellingen aan het bouwen  van steeds grotere schepen, waarvan de bouw als eenmalig project werd opgezet. Verolme bouwde bijvoorbeeld voor 34 miljoen een nieuwe helling en kranen voor een order van drie tankers.
Verder investeerde de NDSM 31 miljoen in de verbetering van de helling en de bouw van een grote portaalkraan, ook voor de bouw van mammoettankers. Daarbij paste men in Nederland als een van de eersten de moduulbouw toe, zodat er efficienter gewerkt kon worden. Investeringen die een tijdige omschakeling van tankers op andere schepen mogelijk konden maken vonden echter niet plaats. Dit zal hierna nog ter sprake komen. De standarisatie en seriebouw van speciale schepen bleef voornamelijk beperkt tot marineschepen en visverwerkingsschepen, die met subsidies van de overheid werdne gebouwd.
Verschillende commissies die aan het einde van de zestiger en begin zeventiger jaren werden ingesteld om de problemen in de scheepsbouw te onderzoeken constateerden hetzelfde: er was een grote achterstand in diepteinvesteringen. En wanneer in 1971 als eindresultaat van verschillende fusies de RSV tot stand komt vinden er bijna helemaal geen investeringen meer plaats. Tot 1973 is er zelfs een inveseringsstop. Argument: er moet eerst een herstructurering binnen het concern plaatsvinden, om de bij de fusie ontstane overcapaciteit weg te werken.
Waarom werd er na 1965 zo weinig aan modernisering gedaan en vonden er vooral breedte-inveseringen plaats? Na 1965 werd de problemen van de Nederlandse scheepsbouw wat minder, omdat de vraag naar schepen toenam; de wereldcapaciteit raakte bezet en ook de Nderlandse werven konden wel aan orders komen, temeer omdat zij hun grote troef konden uitspelen: korte levertijden door de nabijheid van de nodige toeleveringsbedrijven. Bovendien werd door de regering in 1976 een rente-overbruggingsregeling ingesteld, die de financiering van orders beter mogelijk maakte. Daarnaast werden de bedrijven in de gelegenheid gesteld, op grote schaal buitenlandse arbeidskrachten te werven, die in het tekort aan personeel konden voorzien. De werving van Joegoslaven  die aanhet einde van de zestiger jaren begon paste in het beleid, om zonder scholingskosten in het benodigde personeel te voorzien. Zoals hiervoor al opgemerkt werd de aandacht volledig geconcentreerd op de bouw van grotere schepen door investeringen in de breedte. Anders gezegd: het aantrekken van de nieuwbouwmarkt werd gebruikt, om via korte termijn investeringen een zo groot mogelijk profijt van de conjuncturele situatie te trekken. Het betekende, dat er geen of weinig investeringen werden verricht om de omschakeling van de bouw van mammoettankers op de bouw van andere schepen tijdig mogelijk te maken. Er werd geen research verricht voor de bouw van nieuwe serietypen. Dit had desastreuze gevolgen voor de NDSM. Toen in 1973 de tankermarkt instortte constateerde men,  dat de RSV jarenlang aan de tankerbouw had verdiend maar dat men het bedrijf nu liet zitten. Het kapitaal werd geinvesteerd in andere sectoren.
De investeringspolitiek van de RSV
Welke waren de sectoren, waarin wel investeringen plaatsvonden? Om dit te onderzoeken zal de investeringspolitiek van de RSV, het grootste Nederlandse scheepsbouwconcern, nader worden bekeken. Vervolgens zal worden nagegaan, hoe de gevolgen van deze investeringspolitiek werden afgewenteld op de gemeenschap.
Er werd reeds vanaf 1966 door de in dat jaar tot stand gekomen ‘Schelde’een bewuste keuze gemaakt voor spreiding van de activiteiten. Diversificatie en internationalisatie werden de parolen van de jaren zeventig. Als voordeel van de fusie die in 1966 tot de ‘Schelde’leidde wordt in het jaarverslag van dat jaar genoemd: ‘er zijn nu grote mogelijkheden voor het verder betreden van nieuwe afzetmarkten, zoals die van de chemie, petrochemie en kernenergie, mede met het oog op de daarmee gepaard gaande productontwikkeling en engineering’. In ieder jaarverslag wordt deze politiek weer opnieuw benadrukt; in dat van 1974 bijvoorbeeld, wanneer de RSV reeds enige jaren bestaat. ‘Het behalen van een voor de continuiteit en werkgelegenheid noodzakelijk rendement op het geinvesteerde vermogen’wordt vooral gezocht in ‘spreiding van het geinvesteerde vermogen door diversificatie en internationalisatie binnen en buiten de EEG’. Men ging dus daar investeren, waar op langere termijn winst werd verwacht. Men koos daarbij voor het wegvoeren van kapitaal uit de scheepsnieuwbouw naar andere, naburige industriele activiteiten, soms in andere landen, en men koos niet voor  het verstereken van de concurrentiekracht en het rendement in de scheepsnieuwbouw door gebruik te maken van overheidssteunen conjunctureel gunstige ontwikkelingen.
‘Landactiviteiten’.
Een sector waarin veel wordt geinvesteerd is die van de zogenaamde ‘landactiviteiten’. Het gaat hierbij vooral om ontwikkelingen op het gebied van machine- en chemische apparatenbouw, kernenergie en electrotechniek. In dit kader wordt een intensief overnamebeleid gevoerd, dat een groot deel van de investeringen opslorpt. Men tracht de activiteiten op het gebied van stoomketelinstallaties en papparaten voor de procesindustrie uit te breiden, onder andere in 1965 door de fusie met de motorenfabriek Thomassen, die gespecialiseerd is in kompressoren voor de chemische industrie en gasturbines. In 1967 wordt de machinefabriek Braat en pannevis overgenomen, bij een overname van Wilton- Feyenoord verwerft men onder andere de machinefabriek de Verenigde Grofsmederijen. En de fusie met Verolme brengt de machinefabrieken Ijsselmonde en Ijmuiden in. In 1971 zijn er nieuwe overanames, onder andere het Algemene Industriele Montagebedrijf. Verder vinden er omvangrijke investeringen in deze sector plaats, zoals bij Thomassen in 1976.
Ook op het gebied van de kernenergie is men actief. In 1969 wordt door Rijn-Schelde samen met oa Philips, Shell en VMF de Ultra-Centrifuge NV opgericht. In 1971 wordt door RSV een reactorvat opgeleverd voor een 300 milliwat centrale in Argentinie. En in 1972 wordt Interfuel opgericht samen met de Shell en het reaktor Centrum Nederland voor het ontwerpen en produceren van splijtstof elementen. Men neemt verder deel in Rotterdam Nucleair, samen met general Electric. Deze laaste invesering vergt in 1975 alleen reeds een invesering van honderd miljoen. Het bedrijf bouwt reactorvaten en binnenwerken van centrales. RSV is na 1974 ook betrokken bij een joint venture voor de bouw van kernenergie centrales in Zuid-Afrika en Zwitserland, samen met oa General Electric, Brown Boveri en Sulzer. De RSV wil zo graag een plaats op deze markt veroveren, dat zij bereid is de vele aanloop verliezen te accepteren. De rendementsverwachtingen worden in dit opzicht echter niet gehonoreerd, temeer omdat de Nederlandse orders om poltieke redenen uitblijven. En de binnenlandse markt is voor het concern toch ook van groot belang, omdat dit een basisomzet garandeerd, terwijl het daarbij voor buitenlandse ondernemingen aantrekkelijker wordt om met de RSV samen te werken en know how te delen.
De tegenvallende bedrijfsresultaten kunnen waarschijnlijk na 1975 voor een deel aan deze ontwikkelingen worden toegeschreven. (Zie ook het staatje van de verliezen en winsten verderop)
Men heeft zich in de RSV verder nog toegelegd op toeleveringsbedrijven voor de bouwnijverheid. Het  zou echter te ver voeren, al de activiteiten van RSV-dochters en deelnames te noemen. Op een aspect zal hierna nog worden ingegaan: het beleid, dat in 1967 begon met de overname van het ingenieursbureau Delta Engineering voor het ontwerpen, construeren en leveren van complete industriele installaties. In verschillende andere ingenieursbureau’s werd in dit kader een meerderheidsbelang verworven. De RSV is een voorbeeld van concentraties die worden gekenmerkt door spreiding van activiteiten, waarbij het gaat om groepsvorming van industriele en dienstverlenende bedrijven, die samen een systeem vormen. Het doel is het leveren van warenpaketten, van urbanisatieprojecten in het Midden-Oosten tot complete fabrieksinstallaties.
Het overnamebeleid van Schelde, RDM en uiteindelijk de RSV is echter ook gericht op versterking van de scheepsreparatiesector. In 1965 is 85% van de investeringen van ‘Schelde’ bestemd voor uitbreiding van de reparatiewerf de ‘ Scheldepoort’ . Enkele jaren later vinden hier nog meer investeringen plaats. Bij de samenvoeging met de RDM ontstaat een bedrijf, dat ook beschikt over de reparatiewerf de ‘ Nieuwe waterweg’. En bij de fusie met de werf Wilton feijenoord komt er een bedrijf bij, waarvan 75% van de activiteiten in de reparatiesector liggen. (De poot feijenoord bronswerk gaat bij de fusie naar de Verenigde machine Fabrieken VMF).
De Rijn-Schelde wordt een reparatieconcern; de omzet in deze sector stijgt van 30% van de totale productie in 1966 naar 50% in 1970. En dan komt er in 1971 nog een nieuwe fusie met Verolme. Hierdoor verwerft men het Prins Alexander dok, met 75 miljoen overheidssteun speciaal gebouwd voor de reparatie van mammoettankers. Verder verwerft men naar aanleding van deze overname in 1973 de nieuwbouwwerf van Verolme in Brazilie. Bovendien wordt via de NDSM die ook tot het Verolmeconcern behoort, toegang verkregen tot de Amsterdamse reparatiemarkt.
En dan wordt er na 1973 druk geinvesteerd in modernisering en uitbreiding van de reparatiewerven; bijvoorbeeld in 1975 wordt de reparatiewerf Waalhaven gerenoveerd, in 1976 de reparatie-dwarshellingen bij Piet Smit. Verder worden er tankerschoonmaakbedrijven opgericht en een zogenaamd reisreparatiecentrum in het Europoortgebied. In de reparatiesector zijn er dus blijkbaar wel mogelijkheden. Men zegt, dat de nederlandse werven door hun gunstige geografische ligging aan de mond van Rijn en Schelde een sterke positie op de markt hebben. Schepen moeten immers vaak in de buurt van drukke waterwegen of havens worden gerepareerd omdat verslepen veel geld kost en soms zelfs onmogelijk is. Bovendien veronderstelt men, dat de fluctuaties op deze markt minder groot zijn dan op die van de nieuwbouw. Daar komt nog bij, dat japan in de reparatiesector weinig actief was.
Uit het bovenstaande moet echter niet worden afgeleid, dat er geen investeringen in de scheepsnieuwbouw meer plaatsvonden. Verschillende werven in het buitenland werden aanzienlijk uitgebreid en gemoderniseerd. Reeds in 1965 nemen verschillende nederlandse bedrijven deel in de oprichting van de Curacaose Dok maatschappij. Deelnemers zijn in de loop van de tijd onder andere RSV, Lisnave Navias de Lisboa, Nederhorst en de Antilliaanse staat. In 1972 werd het grootste droogdok van de Antillen in gebruik gesteld en in 1979 stonden een groot aantal uitbreidingen op het programma, onder andere een nieuw dok van tachtig ton met alle benodigdheden in samenwerking met Small Craft Yarces Antilles NV. Door deze investering kon het personeelsbestand in 1979 van 1026 tot 1500 werknemers worden uitgebreid.
Verder heeft de RSV nieuwbouwwerven in Brazilie en Ierland. Het jaarverslag van 1975 vermeldt, dat de werven in deze twee landen voor 1600 miljoen aan orders hebben, tegen Nederland 400 miljoen. Bij de Brzaliaanse werf gaat het om de ‘ Verolme Estraleiros Reunidas do Brasil SA’ .(VERB)
De positieve resultaten van VERB zijn onder andere het gevolg van steun die de Brazliaanse overheid geeft bij de export van schepen. Zo werd een order van 113 miljoen dollar in de wacht gesleept voor de bouw van vier bulkcarriers voor GULF. Naast de exportsubsidies zijn de Brazliaanse staatsbedrijven Docenave en Petrobras goede klanten. Het Braziliaanse staatsoliebedrijf Petrobras is zelfs de grootste opdrachtgever. De positieve resultaten van de werf worden verder nog veroorzaakt door de slechte arbeidsomstandigheden. De meeste arbeiders verdienen 220 gulden netto per maand en wonen in krottenwijken, de ‘ favellas’ . (Zie het blad ‘ vergelijk’ meinummer 1980). Het werktempo wordt bovendien hoog gehouden, er moet veel overwerk worden verricht en er zijn veel bedrijfsongevallen. Vakbondsactiviteiten zijn verboden buiten de vakbond die door het bedrijf is opgericht en er is een eigen bewakingsdienst van 60 man die de gang van zaken op de werf in de gaten moet houden. De desinvesteringen van RSV in Nederland en de investeringen in Brazilie blijken uit het feit, dat tussen 1975 en 1979 het aandeel van VERB in de omzetwaarde van de productie opliep van 14% tot 54 % in de divisie scheepsbouw.
In de jaren ’75-’77 vinden 17% van de totale investeringen van RSV in Brazilie plaats, terwijl het daar aanwezige bedrijf slechts 6% van de totale omzet levert. Het jaarverslag van 1977 vermeldt, dat investeringen in de scheepsbouw uitsluitend nog in het buitenland plaatsvinden. De verliezen bij VERB in de jaren 77 en 78 worden veroorzaakt door onvoorziene tegenslagen bij het afleveren van twee tankers aan Patrobras. Onenigheid met dit bedrijf over de kwaliteitseisen hebben er uiteindelijk toe geleid, dat de tankers aan ene buitenlandse afnemer werden verkocht.
De steeds belangrijkere positie van VERB en de afbraak van de scheepsnieuwbouw in Nederland is nog duidelijker, wanneer men bedenkt, dat onder het hoofdje ‘scheepsbouw’ geen onderschied werd gemaakt tussen reparatie en nieuwbouw. In de reparatie werdne immers in de zeventiger jaren nog belangrijke investeringen verricht. De omzet van VERB nam ieder jaar toe, ondanks het instorten van de tankermarkt.
Belangrijke oorzaken voor de verliezen van 1975 werden hiervoor al genoemd: de tankermarkt stortte in en de verwachtingen in de kernenergiezector werden niet gehonoreerd. De desinvesteringen in de Nederlandse scheepsnieuwbouw en de diversificatiepolitiek hebben na 1975 niet tot goede bedrijfsresultaten geleid. In de loop van 1976 werd duidelijk, dat er in het concern ingrijpende reorganisaties moesten komen die zouden gaan leiden tot het versneld afstoten van verliesgevende sectoren als de scheepsbouw. De recessie betekende ene versnelling van het saneringsproces. De plannen van de RSV-directie zouden onder andere gana betekenen, dat de spreiding van scheepsbouwactiviteiten over verschillende steden zou worden opgeheven. Toen het concern in 1971 tot stand kwam, had deoverheid bij de fusie bedongen, dat men de zogenaamde ‘ Noord-Zuid’ gedachte in stand zou houden, hetgeen betekende: een grote werf in Rotterdam, en een in Amsterdam, de NDSM. De directie heeft dit uitgangspunt echter nooit zien zitten. In 1977 krijgt het concern een nieuwe structuur met elf divisies, waarvan vier in de scheepsbouwsector.
Hierna zal worden bekeken hoe de RSV erin slaagde, haar reorganisatiepolitiek door te voeren, met steun van de overheid. Na 1969 pompte de Nederlandse staat minimaal 1,5 miljard in het bedrijf. Dat is exclusief de WIR (Wet op de Investerings rekening) en de steun die de Braziliaanse overheid gaf. Vooral na 1976 kreeg het bedrijf veel geld. Wellicht moet de tijdelijke omzetstijging van de divisie scheepsbouw in 1977 hierdoor worden verklaard.
Onderhandelingen over sanering van de scheepsbouw
De moeilijkheden in de scheepsbouw hebben in februari 1976 geleid tot de instelling van de zogenaamde beleidscommissie scheepsbouw, waarin overheid, vakbonden en werkgevers gingen overleggen welke voorstellen moesten worden geformuleerd die tot verbetering van de situatie konden leiden.
De RSV bleef echter buiten dit overleg in deze commissie haar eigen doelstellingen nastreven. 20 december 1976 laat de directie van RSV aan de Industriebond weten, dat de in 1975 gesloten Overenekomst Sociale Begeleiding Herstructurering zou worden opgezegd. Na het bekend worden van de beslissing de OSBH op te zeggen was de verontwaardiging binnen het concern groot. De directie kreeg van verschillende Ondernemingsraadsleden boze brieven, waarin het beleid werd afgekeurd. Op 5 januari hebben de bonden pamfletten verspreid onder de 30.000 werknemers van RSV-vestigingen in Nederland, waarin men tegen de beslissing protest aantekent.
Men verwijt de concerndirectie, met fusiebesprekingen bezig te zijn ten aaanzien van de “off-shore” activiteiten en de zware apparatenbouw, terwijl intern reorganisatieplannen worden opgezet. Verder wordt opgemerkt, dat scheepsbouw orders worden gemist omdat de RSV niet bereid is het rapport van de commissie II te tekenen. Dit rapport beoogt samenwerking tussen de middelgrote werven van RSV en Van der Giessen. Dat de RSV met reorganisatieplannen bezig is zullen de vakbonden al snel merken. Vooreerst is men echter optimistisch. Door de protesten wordt de opzegging van de OSBH herroepen. NKV-bestuurder Waumans ziet de herroeping als een grote overwinning van de kaderleden bij de verschillende bedrijven. De RSV verbindt echter wel de voorwaarde aan het weer accepteren van de beslissing: men wil nieuw overleg met de vakbeweging over eventuele wijzigingen in de regeling. Iets waar de bonden geen bezwaar tegen hadden mits dit niet in het nadeel van de werknemers zou uitvallen. En verder moet dit overleg worden afgestemd op de bemoeienis van de overheid met de herstructurering van de totale scheepsbouwsector.
Eind januari 1977 komt de beleidscommissie Scheepsbouw (BKS) met haar saneringsplan: de capaciteit van de nieuwbouw moet met 30% worden ingekrompen, hetgeen voor eind 1978 gepaard zal gaan met een verlies van 6500 van de 21.000 arbeidsplaatsen. De kosten van de sanering worden geraamd op twee miljard. Iedereen schrikt want… niet de totale scheepsbouw moet met 30% verminderen, nee de capaciteitsvermindering moet worden gevonden door het sluiten van bepaalde afdelingen in bepaalde regio’ s. En iedereen is bang, dat het juist zijn werf is. Er zullen verder een vijftal werfgroepen moeten worden geformeerd, groep I betrof de werven voor grote schepen met als kern de RSV. Iedere groep moest in onderling overleg maar een beleidsplan opstellen om tot capaciteitsvermindering te komen.
De sanering in werfgroep I
In het vervolg zal nog slechts aandacht worden besteed aan de plannen in groep I, die onder andere betrekking hadden op het samenvoegen van reparatiewerven in Amsterdam en het sluiten van de nieuwbouwafdeling van de NDSM en Verschure. De commissie komt met haar verwerping van de Noord-Zuid gedachte een eindweegs tegemoet aan de RSV-directie, al kunnen ook de vakbonden het met sommige voorstellen hartgrondig eens zijn. De commissie adviseert bijvoorbeeld een studie te houden gericht op de toekomstige functies van de scheepsbouw waarbij rekening wordt gehouden met de herstructurering van bedrijven, alsmede een inventarisatie en administratie van de mede daaruit voortvloeiende vacatures binnen de scheepsbouw. In dit kadermoeten er nieuwe scholingsactiviteiten voor de nieuwe functies komen het aantal buitenlandse werknemers moet worden beperkt en er moet werktijdenverkorting komen. Het compromis in de BKS is het resultaat van zes maanden moeizaam onderhandelen en dan moet het plan nog worden voorgelegd aan de leden van de bonden. Er vinden felle discussies plaats tussen voor- en tegenstanders, met name tussen kaderleden die het plan wel willen aanvaarden en personeelsleden van verschillende bedrijven die dat niet willen. Wordt vervolgd.