Draagvlak sociale zekerheid

Er wordt wel eens beweerd, dat we in ‘andere’ tijden leven en dat nu eenmaal de ‘trend’ is dat er strenger en soberder moet worden opgetreden tegen mensen met een uitkering en bijstandsgerechtigden in het bijzonder. En dat een uitkering geen recht is en alleen een voorziening voor noodsituaties en dat wij moeten ‘moderniseren’ om op totaal andere  manieren te werken dan de doorgeschoten traditionele verzorgingsstaat die niet meer van deze tijd zou zijn. Kijk, de Telegraaf heeft iedere dag een ‘stelling van de dag’ waarop wakker Nederland kan reageren. Hier is de uitslag. Het beleid van de staatssecretaris Klijnsma om de bijstand uit te kleden en de rest van de sociale zekerheid heeft geen draagvlak. Ook wakker Nederland is ertegen. Om maar niet te spreken van de rest van de bevolking, die De Telegraaf niet leest. Het gehak van VVD-ers en anderen op de ‘bijstandstrekkers’ leidt er niet toe, dat de meerderheid van de bevolking het met hen eens is. Dit kabinet heeft geen draagvlak voor haar maatregelen op het gebied van arbeid en sociale zekerheid.

piet

Uit de Telegraaf van 26-06. Uitkering verworven recht;
‘Dit plan werkt alleen maar armoede en schulden in de hand’

Mensen komen in de ellende. Schulden lopen op, huisuitzettingen zijn niet te vermijden en ouders kunnen hun kinderen niet meer te eten geven. Dat scenario ligt volgens een meerderheid van de deelnemers aan de Stelling van de Dag op de loer als mensen niet direct recht hebben op een bijstandsuitkering op het moment dat ze hun inkomen of WW-uitkering verliezen.

Staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale Zaken) wil dat mensen pas recht hebben op een bijstandsuitkering als ze eerst vier weken naar werk hebben gezocht. U noemt het ‘schandalig’ dat het kabinet zo te werk gaat. Mensen die al voor een laag loon hebben gewerkt, kunnen echt geen vier weken wachten. Het heet toch niet voor niets bijstand. Het is schaamteloos om de eigen bevolking zo uit te kleden. Het is een ordinaire aanslag op een recht van mensen die vaak tientallen jaren hebben gewerkt en buiten hun schuld in de WW en bijstand zijn beland.

Het voorstel van Jetta Klijnsma is gebaseerd op een experiment in verschillende gemeentes. Daaruit is gebleken dat 30 tot 48 procent van de mensen zich na die wachttijd niet meer aan het bijstandsloket meldde. Bijna de helft van de stemmers verbaast zich daarover. Vooral omdat aangenomen mag worden dat de meeste van deze mensen vanuit een situatie komen dat ze WW kregen en in die periode toch vermoedelijk al druk hebben gezocht naar een nieuwe baan. Als je WW krijgt, heb je immers een sollicitatieplicht. We hebben het over een periode waarin 640.000 mensen werkloos zijn. Denkt deze staatssecretaris nu echt dat de banen voor het oprapen liggen? Ze leeft buiten de werkelijkheid.

Langer wachten op je AOW, langer wachten op bijstand. Waar stopt het? zo vraagt u zich af.

Bezuiniging Driekwart van de respondenten denkt dat het simpelweg om een bezuinigingsmaatregel van het kabinet gaat.

Mocht het plan doorgang vinden, is 68 procent van de respondenten van mening dat een uitzondering gemaakt moet worden voor mensen boven de 50 jaar.

Bijna een derde van u juicht het plan overigens toe. Het krijgen van een uitkering is in Nederland veel te vanzelfsprekend geworden. Het is goed dat de overheid niet meteen klaarstaat met geld. Het is toch gebleken dat het werkt? Doorvoeren dus. Het stimuleert de mensen om de handen uit de mouwen te steken in plaats van de hand op te houden. Een enkeling pleit zelfs voor een wachttijd van drie tot zes maanden. Je eigen broek ophouden is het beste. Pas in uiterste nood moet om een uitkering worden gevraagd. We zijn veel te verwend in Nederland.

Op de vraag of u zelf een periode van vier weken zou kunnen overbruggen antwoordt de helft van niet. Zij zeggen nooit iets te hebben kunnen sparen. Vierenveertig procent zegt er altijd voor te zorgen dat ze een appeltje voor de dorst hebben.

U heeft daar bovendien een advies bij: Zorg altijd dat je wat geld achter de hand hebt en leer het ook je kinderen. Dit hoort gewoon bij de opvoeding.

Armoede werkt niet

De SP is een actie met een petitie begonnen onder de titel: ‘armoede werkt niet’. U kunt de petitie tekenen op http://www.armoedewerktniet.nl/

De petitie is een protest tegen het nieuwe regeringsbeleid, waarbij vooral of eigenlijk alleen de mensen met de smalste beurzen in het kader van de bezuinigingen worden gepakt. Men schept bewust of onbewust een soort onderklasse die het lot treft dat zij tot in lengte van dagen onder een soort bijstandsregiem met vermogens en partnertoets de hele week arbeid moeten verrichten waarbij ze een loon krijgen dat beneden het wettelijk minimum ligt zonder perspectief op beter en zonder dat zij dezelfde vrijheden genieten als bevoorrechte werkenden die wel een volledig salaris hebben. Deze bewust of onbewust geschapen onderklasse wordt vervolgens met strenge controlemaatregelen in toom gehouden en moet als schrikbeeld dienen voor de meer bevoorrechten, die hun onlustgevoelens op deze groep kunnen projecteren, zodat de aandacht wordt afgeleid van het belangrijkste: dat slechts een klein groepje met fabelachtige vermogens beslist over de gang van zaken in onze maatschappij. Jammer is wel dat de SP van te voren geen samenwerking heeft gezocht met anderen, om de petitie gezamenlijk op te zetten. Of is dat wel gebeurd, maar hadden andere grote organisaties die er toe doen (zoals de FNV) er geen trek in? De FNV heeft anders een vrij ferme verklaring uitgegeven. Ach, de organisaties waarin ik werk doen de dingen ook niet altijd samen met anderen. Maar juist nu en zeker op dit punt is het van belang de krachten zoveel mogelijk te bundelen lijkt mij.

PvdL

Recensie van het boek ‘straf de armen’

De liberale strafstaat

zondag, 07 oktober 2007 13:13

De bijstand en het gevangenissysteem zijn twee communicerende vaten

Lezing van het boek ‘straf de armen’ van de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant en van enkele publicaties van Nederlandse criminologen leidde tot onderstaand discussiestukje.

In de afgelopen decennia is geleidelijk aan de liberale strafstaat ingevoerd. Wat is de liberale strafstaat? Dit is een overheidsbeleid, waarbij sterk wordt bezuinigd op de sociale voorzieningen en strafmaatregelen worden ingevoerd om de onderste lagen van de maatschappij te disciplineren en op hun plaats te houden. Zij moeten de in toenemende mate gedesocialiseerde loonarbeid verrichten die als gevolg van de flexibilisering van de arbeid ontstaat. (Het begrip gedesocialiseerde loonarbeid wordt onderaan uitgelegd) Aan deze arbeid kun je in toenemende mate geen materiele en immateriele bestaanszekerheid ontlenen. Wie rebelleert tegen deze situatie of ontsnappingsroutes zoekt wordt opgesloten en uitgesloten. In Nederland en Amerika is er een explosie van het aantal gedetineerden.
Het Work First principe is komen overwaaien uit Amerika, waar het als straf en disciplineringsmaatregel is ingevoerd na de afschaffing van de bijstand onder president Clinton. Werklozen die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien worden in ruil voor voedselbonnen gedwongen arbeid te verrichten. Mensen die rebelleren tegen het systeem, of om andere redenen uit de boot vallen, zijn aangewezen op de informele sector en de illegale straathandel om in hun levensonderhoud te voorzien. En daarvoor worden ze ook weer gestraft. Er is een explosie van het gevangenissysteem in de Verenigde Staten qua aantallen gevangenen, vooral uit de getto’s. De situatie in Amerika is geanalyseerd door de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant, die een ook in het Nederlands vertaald boek heeft geschreven getiteld ‘straf de armen’, waarin hij aantoont dat de bijstand en het gevangenissysteem twee communicerende vaten zijn: wanneer de bijstand wordt afgeknepen, gaan mensen naar de informele sector om in levensonderhoud te voorzien, als ze geen andere mogelijkheden zien, en daarvoor worden ze gestraft met opsluiting. Nederland is wat dit betreft het enige Europese land dat met de VS kan worden vergeleken. In ons land is het aantal civielrechtelijke detenties tussen 1985 en 2005 verviervoudigd. Dit zijn detenties dus van mensen die geen criminelen zijn zoals uit huis plaatsingen, jeugdinrichtingen, ter onderscheiding van strafrechtelijke detenties. Criminologen beargumenteren, dat dit een rechtstreeks gevolg is van bezuinigingen op de jeugdzorg en de opvang van psychiatrische patienten. Bovenstaande gegevens haal ik uit een artikel van de criminologen M. Boone en M. Moerings, de cellenexplosie; voorlopig gehechten, veroordeelden, vreemdelingen, jeugdigen en tbs in Justitiele verkenningen van het WODC hier te downloaden.
De Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling heeft onlangs de redenen onderzocht voor het toenemend aantal psychiatrische patienten in de strafrechtsector (Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling: straf en zorg, een paar apart; passende interventies bij delictplegers met psychische en psychiatrische problemen. Amsterdam, SWP 2007) Zij komen tot dezelfde conclusies als Boone en Moerman.
Waarom wordt de neo-liberale strafstaat ingevoerd?
Een belangrijke vraag voor iedere samenleving is hoe de samenleving bij elkaar wordt gehouden, hoe een situatie kan ontstaan dat groepen en individuen vreedzaam naast elkaar leven. Het liberalisme bevordert de concurrentie van allen tegen allen en de overheid bezuinigt sterk op de sociale voorzieningen, dus de bestaansbasis van de mensen die niet door middel van reguliere betaalde arbeid in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De concurrentie tussen mensen wordt dus scherper. Tegelijkertijd leidt migratie tot een veelheid aan verschillende groepen met een cultureel verschillende achtergrond. Wie om wat voor reden dan ook niet meekan in de concurrentie race komt langdurig aan de kant te staan. Tegelijkertijd zijn steeds weer nieuwe mensen nodig met kant en klare nieuwe kennis en vaardigheden. Naast structurele werkloosheid ontstaan grote tekorten op de arbeidsmarkt. Dit bevordert weer de migratie. Kant en klare arbeidskrachten worden uit het buitenland gehaald. Werkgevers willen niet voor de opleiding van nieuwe arbeidskrachten betalen, tenzij de overheid hen subsidie geeft.
Er is een veralgemeende en geestelijke onzekerheid, die door het liberalisme wordt opgeroepen en die nog versterkt wordt door de verspreiding van de gedesocialiseerde loonarbeid.
Om de mensen onder deze omstandigheden bij elkaar te houden en de mensen te dwingen ondanks de desocialisatie van de arbeid mee te blijven draaien in de caroussel van de flexibele arbeid is de neo-liberale strafstaat ontwikkeld. Dit is in feite een politiek van uitsluiting, waarbij de economisch overbodigen uitgesloten worden van de maatschappij en ‘onschadelijk’gemaakt. Het strafsysteem heeft een drieledige functie:
Ten eerste dienst onderaan de sociale ladder dient straf om de overtollige delen van de bevolking op te slaan en fysiek te neutraliseren, met name leden van gestigmatiseerde groepen die in de armoede zijn beland en volharden in de sociale rebellie tegen hun sociale omgeving.
Een sport hoger op de maatschappelijke ladder vervult het netwerk van sociale diensten, politie, inburgeringsorganisaties en het gevangenissysteem een functie dat ze de discipline oplegt aan de betere lagen van de bevolking en die delen van de middenklasse, die het moeilijk hebben en in bestaansonzekerheid leven. De prijs die ze betalen voor een ontsnappings en verzetsstrategie wordt alsmaar hoger.
Op een derde meer symbolisch niveau vervult het strafinstituut de functie van een hernieuwde bevestiging van het gezag van de staat en de hervonden wil van de politieke elite om duidelijke grenzen af te bakenen en er respect voor af te dwingen door in haar uitsluitingspolitiek een onderscheid te maken tussen verdienstelijke burgers en groepen met afwijkend gedrag, tussen ‘goede’en ‘slechte’armen, tussen hen die het verdienen ‘geintegreerd’ te worden in het circuit van de precaire loonarbeid en degenen die op een index terechtkomen en worden uitgesloten of opgesloten. De conclusie van Boone en Moerman is duidelijk:
‘Nederland is van een land dat bekend stond om zijn tolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag, verworden tot een land dat zijn problemen met minderheidsgroepen en probleemgroepen oplost door hen op te sluiten’
Wat is de desocialisatie van de loonarbeid?
Afname van zeggenschap in je werk. Door de groei van de communicatie-technologie kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de bureaucratische hierarchien, de administratieve of productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen. Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven aan het werk dat ze doen.
Structurele werkloosheid naast tekorten op de arbeidsmarkt. Automatisering leidde ertoe, dat de bureacratische pyramides in organisaties ingrijpend veranderden. De basis van de pyramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel bij hand arbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door innovaties als barcodelezers, stemherkenningstechnologie, en micromachines die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse landen een permanente, structurele werkloosheid heerst.
Toename flexibele arbeid.
De overheid bevordert flexibele arbeid door afschaffing van rechtsbescherming voor werkenden, het mogelijk maken van tijdelijke contracten en het bevorderen van uitzendwerk door de oprichting van uitzendbureau’s.
Geen mogelijkheden meer een netwerk van sociale relaties op te bouwen. In de bureaucratische productiestructuren van vroeger hadden mensen voor langere tijd een vaste functie, waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap over de inrichting van hun werk wanneer ze tenminste niet aan de lopende band stonden. Ze waren trots op de organisatie waar ze werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen.
Het ‘sociaal kapitaal’ verdwijnt uit de productie-organisaties. De voortdurende organisatorische veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder werknemers en verzwakking van de institutionele kennis.
————————
Straf de Armen, Het Nieuwe Beleid van de Sociale Onzekerheid: isbn: 9789064454028 · 2006 · paperback (15 x 22,5 cm) â 360 p. Oorspr.titel: Punir les pauvres. Le nouveau gouvernement de l’insecurite sociale – uit het Frans vertaald door Wim de Neuter
Dit bericht is geplaatst in controlestaat. Bookmark de permalink

Het armoededebat

Het armoededebat.

In Nederland wordt op allerlei nivo’s gediscussieerd over het thema : armoede in een welvarende samenleving. De Rijksoverheid heeft het initiatief genomen om jaarlijks een
‘armoedeconferentie’ te organiseren, waarbij voorafgaande aan deze conferentie overal in het land bijeenkomsten worden gehouden, waar belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden, vakbonden en
hulpverleningsinstellingen met elkaar discussieren. Ook op het nivo van de grote steden vinden dergelijke discussies plaats.
Het is echter een ‘wit’, nederlands debat. Belangenorganisaties van vluchtelingen of allochtonen zijn bij
dit debat afwezig. Zij houden zich vooral bezig met het ‘minderheden, antiracisme en integratie debat’ waarbij in het kader daarvan ook het vraagstuk van de armoede aan de orde komt. En bij dit debat zijn de Nederlandse uitkeringsgerechtigden en hun organisaties weer niet aanwezig.
Aldus bestaan er twee gescheiden circuits van debatten en soms acties, waartussen niet of nauwelijks verbindingen bestaan.
Hieraan kan worden toegevoegd, dat in de grote vakbonden vooral de werkende Nederlandse man de boventoon voert.
Natuurlijk is dit een schematische weergave. Er zijn misschien wel voorbeelden te noemen van samenwerking tussen organisaties, en er zijn zeker personele verbindingen. (Mensen
die in beide circuits actief zijn). Maar van coalities op wat grotere schaal en wat langere termijn, die struktureel zijn is geen sprake. Dit heeft zo zijn consequenties. In het debat van uitkeringsgerechtigden is de internationale dimensie en het vraagstuk van de migratie afwezig. Ondanks het bestaan van initiatieven als ENU en EAPN en Euromarsen. Toch was en is meer samenwerking in mijn ogen noodzakelijk. Waren er al internationale verbindingen door de komst van migranten uit de Middellandse zee gebieden en de voormalige kolonien, nu met de Europese eenwording dringt de internationale dimensie van het armoedevraagstuk zich wel aan ons op. Neem alleen al dit: nu we in een hoogconjunctuur zitten(hoe lang nog?) ontstaan er vacatures op deelmarkten naast grote strukturele werkloosheid.

Zowel in het migratiedebat als in het anders denken over arbeid debat is er een gemeeschappelijk kritiekpunt op de huidige maatschappij: mensen worden gereduceerd tot arbeidskrachten, waarbij andere dimensies van het menszijn niet aan de orde komen.

Een veelkoppig monster in verschillende gedaanten

De Armoede is in de afgelopen 20 jaar al diverse malen ‘ontdekt’. Telkens duiken er weer discussies op over grote groepen mensen in onze overigens welvarende samenleving, die financieel en anderszins geen perspectief meer hebben. Waarna de discussie gaat over: wat eraan te doen.  Maar armoede heeft wel wat weg van een veelkoppig monster.

Om met een van die koppen te beginnen: meestal wordt het inkomen als criterium genomen, om te bepalen of iemand wel of niet in armoede leeft. Wetenschappelijke onderzoekers houden enquetes, verwerken
statistieken en meten de koopkracht. Daaruit blijkt dat de mensen met een minimaal inkomen er de laatste vijftien jaar minstens 15% in koopkracht op achteruit zijn gegaan. Maar een verhoging van de uitkeringen om dit in te halen zit er niet in. Op basis van macro-economische argumenten over lastenverlichting, werkgelegenheid en de noodzaak van een zuinige overheid is daar geen geld voor, beweren de meeste
politici in Den Haag. Toch moet er iets gebeuren. Naast alle bezuinigingen wat extra’s voor de bijzondere bijstand of voor specifieke groepen. Op basis van de gegevens die de wetenschap aandraagt wordt een op maat gesneden inkomenspolitiek ontworpen, waarbij men beperkte hoeveelheden geld uittrekt voor de groepen, die er het slechtst aan toe zijn.
Uitgangspunt van het overheidsbeleid is verder, dat de schuldenproblematiek en de armoede vaak het gevolg is van individueel gedrag, dus daarvoor is een speciale interventiepolitiek nodig, een politiek van stimulansen en sancties op basis van allerlei regelingen, maar ook het individueel bijsturen van gedrag door de hulpverlening, of door mensen op te roepen voor persoonlijke gesprekken. En natuurlijk de een loket gedachte van de Centra voor Werk en Inkomen, de nieuwe Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW), etc.
Helpt het wel? Het aantal mensen met schulden of op het absolute minimum blijft in deze tijd van hoogconjunctuur ongeveer gelijk. Het aantal banen groeit, maar het aantal langdurig werklozen loopt met name in de grote steden nauwelijks terug.

In het overheidsbeleid bestrijdt men het veelkoppige monster van de armoede door hier en daar wat koppen af te hakken, waarna even verderop nieuwe koppen aangroeien. Alles is gericht op betaald werk. Als je weer betaald werk hebt, hoor je weer bij de samenleving en ontstaan weer perspectieven is de redenering. Maar door de toenemende flexibilisering van de arbeid zijn velen in toenemende mate op die arbeid aangewezen.
Er dreigt een groep werkenden te ontstaan, voor wie de perspectieven nog steeds minimaal zijn, de ‘working poor’.

andere koppen

En het monster heeft veel koppen…. De schattingen lopen uiteen, maar ongeveer een miljoen inwoners van ons land kan niet lezen en schrijven of beheerst deze vaardigheden slecht. En het gaat daarbij niet alleen om allochtonen, die in het land van herkomst deze vaardigheden niet hebben geleerd. Dus gaat men weer een op maat gesneden interventiepolitiek bedenken. Er worden discussies gevoerd over zwarte en witte scholen, financieel stimuleren van scholen in achterstandsgebieden, die wetenschappelijk nauwkeurig in kaart
worden gebracht, en zijn er discussies over de noodzaak van kleinere klassen.

Nog een kop: er is de veelbesproken kloof tussen de burgers en de politiek. Veel Nederlanders, zo niet de meeste ervaren de discussies over de toekomst van ons land als langdradig en vervelend, men begrijpt vaak niet waar het over gaat, en in veel gevallen is werkelijke zeggenschap niet geregeld. Steeds minder Nederlanders worden lid van of zelfs aktief in een politieke partij, waarbij ze zich sterk betrokken voelen bij
de discussies over de besluiten die de overheid van plan is te nemen. De kloof tussen de burgers en de politiek betekent niet, dat men in het publieke domein niet meer aktief is; men komt echter op allerlei manieren op voor deelbelangen en sluit zich zoals gezegd niet meer aan bij politieke partijen, die de
deelbelangen proberen te verenigen.  Je zou het ook een soort verarming kunnen noemen: het verdwijnen van het besef van de samenhang tussen deelbelangen waarbij de emancipatie van de groep waar men zich toe rekent wordt geplaatst in het kader van een meer algemene maatschappijanalyse.

een ander monster

Je kunt als wetenschapper, politicus, bestuurder, hulpverlener, het monster van de verarming beschrijven,
opmeten, en maatregelen bedenken om het te bestrijden. Maar er is met dat monster iets aan de hand. Het heeft niet alleen veel koppen, het neemt ook verschillende gedaanten aan. Hoe duidelijk de hiervoor genoemde verarming ook is, zeker voor de mensen die het treft, juist bij hen leeft het besef, dat de methode en de opvattingen waarmee al die beleidsmakers het monster bestrijden, zelf in sommige opzichten een armoedige en monsterlijke vertoning is. Uitkeringsgerechtigden spreken over betutteling van uitkeringsinstanties, schending van de privacy, de geslotenheid van de politieke cultuur, de lange duur van de afhandeling van aanvragen en van beroepsprocedures, het langs elkaar heen werken van instanties, van het kastje naar de muur gestuurd worden, fouten in de uitvoering van de sociale zekerheid. Mensen worden soms ontmoedigd initiatieven te nemen om zo zelfstandig te worden terwijl de beleidsmakers zeggen dat dit juist wel de bedoeling is. Maar de uitkeringsgerechtigden zeggen ook dat er niet naar hen geluisterd wordt, dat met hun wensen geen rekening wordt gehouden.
Het monster, zeggen veel burgers, dat is eigenlijk de verfijnde interventiepolitiek zelf die de wetenschappers,
bestuurders, de politici, ambtenaren ter bestrijding van de armoede ontwerpen en gebruiken.

verschillende talen

Waarom kijken de betrokkenen zo verschillend naar armoede en de bestrijding ervan? Tussen enerzijds de beleidsmakers die de interventiepolitiek bedenken en anderszijds de mensen die objekt zijn van onderzoek en die benaderd worden is een fundamenteel verschil in positie van waaruit je redeneert, van leef-en denkwereld, van uitgangspunten op basis waarvan een mens kan zoeken naar een evenwicht met zijn omgeving. Lolle Nauta heeft op het verschil in belevingswereld, uitgangspunten en daarop gebaseerd taalgebruik gewezen in een essay over culturele armoede. ( Lolle Nauta. ‘culturele armoede’ in: ‘De factor van de kleine c. Essays over culturele armoede en politieke cultuur’. 1987 Van Gennep, Amsterdam.)
Hij noemt in zijn essay een V.P.R.O documentaire uit 1987, waarin een langdurig werkloze pogingen doet, de beleidstaal van politici te begrijpen en met hen in contact te komen. De werkloze snapt niet, waarom hij ondanks vele sollicitaties niet aan de bak komt. Zijn vrienden in de kroeg vermoeden, dat het iets met politiek te maken heeft. De werkloze schaft zich daarop van z’n laatste centen een net pak aan, en koopt
kranten, waaruit hij artikelen knipt over ekonomie, werkgelegenheid, en aanverwante onderwerpen. Hij vraagt allerlei beleidsnota’s op en begint die aandachtig te lezen.
Hij noteert uitspraken van politici wanneer die op de televisie verschijnen en bezoekt vergaderingen van politieke partijen. Zo maakt hij zich het taalgebruik van bestuurders eigen. ‘Mijnheer de voorzitter!  De lastenverlichting en de ombuigingen in het kader van de budgettering zullen zeker leiden tot een gunstiger verhouding tussen het aantal aktieven en het aantal in-aktieven’. De werkloze raakt steeds verder in
een isolement. Zijn vrienden begrijpen hem niet meer. Maar ook alle politieke deuren blijven voor de werkloze gesloten. Bij een vergadering van een kamercommissie over werkloosheid wordt hij buiten de deur gezet. ‘Meneer, wij praten hier niet over’. De werkloze gooit vervolgens zijn nieuwe aktetas in de
Hofvijver, en keert terug naar zijn vrienden in de kroeg.
Hij slaagt er niet in, zijn persoonlijke situatie, waarvan de werkloosheid deel uitmaakt, te vertalen in termen van beleid en politiek. Bij zijn pogingen daartoe lijkt het, alsof zijn persoonlijke situatie in de politiek helemaal niet bestaat.
Zijn situatie is weggedefinieerd. De werkloze tracht criteria uit de wereld waarin mensen elkaar herkennen in buurt, gezin en cafe toe te passen op een wereld, waarin niet herkenbaarheid en vriendschap maar efficiency, strategisch handelen en doelmatigheid binnen teoretische macro-ekonomische modellen het laatste woord hebben. Zo communiceert hij telkens op de verkeerde manier.

culturele verarming

De documentaire brengt ons op het spoor van armoede, die meer is dan het ekonomische probleem van inkomsten en uitgaven en eventuele sociale problemen die daarmee kunnen samenhangen.
Armoede is ook een cultureel probleem, een probleem van de manier waarop individuen en groepen -rijk en arm- reageren op de materiele en sociale omstandigheden waarin zij verkeren, de verklaringen die zij daarvoor geven, het handelen dat daarop gebaseerd is en de gevolgen die dit heeft. Het gaat hier dus om het begrip cultuur dat breder is dan de kunst met een grote K. Over wat ik de ideologische component van cultuur noem, zegt Nauta, dat ‘individuen relatief zelfstandige symbolische nissen vormen, waarbinnen oplossingen worden gezocht voor de problemen die materiele en sociale omstandigheden opwerpen’. Er kunnen daarbij verschillende nivo’s worden onderscheiden waarin het verschil tussen de cultuur, de ideologie en het daarbij behorend taalgebruik uit de dagelijkse wereld van de werkloze en die van de politici tot uitdrukking komen.
Ik voeg aan de nivo’s die Nauta onderscheidt de knelpunten toe, die er m.i uit voortvloeien. In de eerste plaats is er het individuele nivo van de zingeving en de rechtvaardiging van het eigen handelen. Op dit nivo liggen de spanningen en de communicatiestoornissen tussen de werkzoekende en de sociale dienst -ambtenaar, die het door de politici geformuleerde beleid moeten uitvoeren. Klachten over onheuse bejegening zijn het gevolg. Op het tweede nivo ligt de identifikatie met een groep (belangenorganisatie, sociale beweging, club, vakbond).
Hier uit het verschil in cultuur en taalgebruik zich in het gebrek aan invloed van belangenorganisaties van
uitkeringsgerechtigden, of de ondergeschiktheid van de belangen van mensen met een minimuminkomen aan die van anderen (in de grote vakbonden). ‘Deskundigen’ die de taal van de beleidsmakers spreken onderhandelen vaak voor de armen in plaats van de armen zelf of hun vertegenwoordigers die verantwoording moeten afleggen. Op het derde nivo ligt de intellectuele konfrontatie in het politieke debat. Mensen wensen met argumenten te komen, zich een mening te vormen endie mening te konfronteren met die van anderen. Hier worden de mensen met een laag inkomen vaak gebruikt als ‘excuus-truus’. Ze mogen hun persoonlijke verhaal vertellen in hun eigen taal, op de televisie, in de krant, tijdens politieke bijeenkomsten,
waarbij iedereen begrijpend knikt en men weer overgaat op die andere taal, de taal van de beleidsmakers, omdat na het persoonlijke verhaal de ‘deskundigen’ komen uitleggen hoe het allemaal zo gekomen is, en wat de politiek eraan gaat doen.

slachtoffergroepen en ekonomische modellen

Wanneer Nauta vervolgens het begrip culturele armoede verder analyseert, doet hij echter hetzelfde wat de bestuurders ook doen: culturele armoede wordt uitsluitend gedefinieerd als een gebrek van mensen aan de onderkant van de samenleving.
Werklozen zouden zich op individueel nivo pessimistisch, machteloos en moedeloos voelen. Ze zouden zich alleen aansluiten bij slachtoffergroepen (wij gehandicapten, wij bijstandsmoeders) en niet bij partijen of bewegingen die een meer algemeen programma voorstaan waarin de verschillende belangen worden afgewogen. Ze zijn tot een intellectuele konfrontatie niet in staat, omdat ze geen geld hebben om een krant te kopen, laat staan een hele studie te bekostigen, en zich zo te ontwikkelen.
Aan deze culturele armoede moet gesleuteld worden, vindt Nauta. Het is de vraag of, de waarneming van Nauta klopt. Onderzoekingen naar de leefwereld van uitkeringsgerechtigden tonen aan, dat werklozen dikwijls helemaal niet zo pessimistisch en moedeloos zijn als vaak wordt aangenomen en de hierboven genoemde kloof tussen de burgers en de politiek is niet een specifiek minimaprobleem. Zie oa: Drs A.J.E. Edzes en drs A.C. van Bruggen. ‘Fase 4 gefaseerd’. Centrum voor Arbeid en Beleid BV. Mr S.D.
Korevaar. Taskforce Kwaliteit Bijstand.

Natuurlijk moeten er materiele en immateriele voorzieningen zijn die alle burgers in staat stellen zich te ontplooien. Nauta veronderstelt echter, dat de ideologie, de taal van de bestuurders de juiste is en dat mensen die in armoede leven zich hierbij maar moeten aanpassen. Door deze aanpassing kunnen ‘sociaal en cultureel isolement, segregatie en gebrek aan sociale cohesie in de samenleving worden opgeheven’. Hierbij gaat hij voorbij aan de culturele armoede van de bestuurders.
De politici zitten verstrikt in macro-ekonomische modellen, die maar een beperkt deel van de maatschappelijke werkelijkheid definieren en analyseren. Dit komt tot uiting in het denken over arbeid. Nu worden afhankelijkheid en onafhankelijkheid uitsluitend gedefinieerd in termen van het wel of niet hebben van betaald werk. Maar er zijn vele andere, misschien wel belangrijker criteria, die iemand afhankelijk of
onafhankelijk maken. Ook de zin of het nut van arbeid wordt voornamelijk afgemeten aan wel of niet betaald. Nut of zin worden afgemeten aan een ekonomisch nut, dat kortzichtig gedefinieerd is. Opvoeding, gemeenschapszin, solidariteit en andere belangrijke waarden in de samenleving die essentieel zijn voor het funktioneren ervan blijven buiten beschouwing.
De boodschap die bestuurders uitzenden is daardoor tegenstrijdig: ekonomisch gezien worden individuen geacht met elkaar te concurreren, maar tegelijkertijd wordt opgeroepen tot de waarden die hierboven werden genoemd. Deze tegenstrijdigheid heb ik aan de orde gesteld in het artikel ‘De slachtoffers van de dynamiek van het poldermodel’. (In: Maarten Baltussen en Johan van Workum red.’De rijke kant van Nederland. Armoede staat zelden op zichzelf’. Van Gennep Amsterdam 1998.)

Als Ricardo Petrella spreekt over de ekonomische modellen die in Europa opgang doen, waarbij in het kader van loonkostenverlagingen als oplossing voor de werkloosheid programma’s worden ontwikkeld om werklozen laagbetaald, additioneel werk te laten doen, zegt hij: ‘Een maatschappij die alleen nog kan kiezen tussen het in hun afhankelijkheid bestendigen van werkloze steuntrekkers of het vergoeden van arme en steeds verder verpauperende bedienden en arbeiders, is een samenleving die, in de greep van het recht van de sterkste en de ‘struggle for life, alle gevoel voor sociale verbanden en voor de lange termijn
verloren heeft’. (Ricardo Petrella. ‘De Klippen van de monidalisering’. ‘De dringende noodzaak van een nieuw sociaal contract’. In: Tijdschrift ‘De Witte Raaf’. nr 74. juli/augustus 1998)

Piet van der Lende

Persbericht overnemen huurschulden door de sociale dienst

21-10-1997
Vereniging Bijstandsbond Amsterdam
persbericht
Bijdrage aan de diskussie over de sanering van schulden bij minima in de gemeente Amsterdam. De beslissing van President Rechtbank gaat verder dan het voorstel van de VVD-gemeen­te­raads­fractie.

De President van de Rechtbank in Amsterdam vindt, dat huur­schulden van minima die gepaard gaan met een dreiging van huisuitzetting overgenomen moeten worden door de Gemeentelijke Sociale Dienst.
De President van de Rechtbank gaf vorige week opdracht aan de Gemeentelijke Sociale Dienst, de huurschuld van fl 7000,- van een alleenstaande moeder met kinderen onmid­delijk te betalen, zodat huisuitzet­ting kon worden voorkomen. De presi­dent over­woog daarbij, dat de over­heid op grond van de bijstandswet en het beleid van de Gemeentelijke Sociale Dienst in Amsterdam verplicht is, mensen in dergelijke situaties te helpen en de schulden te betalen. Volgens officieel beleid van de Gemeente­lijke Sociale Dienst moet die instantie de schulden overnemen als er sprake is van dreigende uitzetting uit de woning, openbare verkoop van noodzakelijke gebruiksgoederen of afslui­ting van energievoorziening. Dan moet er bijzondere bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening. Deze regels gelden overigens niet alleen voor mensen in de bij­stand, maar ook voor bijvoorbeeld mensen met alleen AOW of een WAO-uitke­ring.
De President van de Rechtbank deed zijn uitspraak naar aanlei­ding van een voorlopige voorziening, die was aangevraagd door Mr M. van Hoof, advokaat bij het advokatenkantoor De Lauwere, Ruygrok en Fijn van Draat. De uitspraak van de rechtbank kan de gemeente Amsterdam veel geld gaan kosten, omdat de gemeente in de toekomst verplicht kan worden, alle schulden die gepaard gaan met een dreigende uitzetting, openbare verkoop van ge­bruiksgoederen of afsluiting van energie te betalen.
De uitspraak gaat verder dan het voorstel van de gemeen­te­raadsfractie van de VVD, die gisteravond op AT5 televisie bij monde van Ferry Houterman heeft verklaard, dat de gemeente bovenop de 25 miljoen extra voor armoedebestrijding van het Rijk tussen 10 en 20 miljoen gulden moet uittrekken voor een eenma­ligesanering van schulden bij mensen op een minimuminko­men, te financieren uit de algemene reserve.
Voor meer informatie en voor de tekst van de uitspraak:
Mr M van Hoof
U kunt ook bellen met:
P. van der Lende
Vereniging Bijstandsbond Amsterdam

De revolutie in de kerken en het armoedevraagstuk. Tien jaar werkgroep ‘De Arme Kant van Nederland’

Ook verschenen in Diskkreet, blad van DISK, Dienst Industriele Samenleving vanwege de Kerken. 

De kerkelijke werkgroep ‘De Arme Kant van Nederland’ bestaat tien jaar. Tien jaar lobbyen, krantjes en brochures uitgeven, lokale werkgroepen van informatie voorzien, de pers bestoken, dominees, diakenen, en kerkgangsters uitleggen dat armoedebe­strijding meer is dan charitas, manifestaties en demonstraties organiseren, coalities aangaan met belangengroepen van armen, wat niet al. Tijd voor een terugblik, want dat hoort bij jubile­a, al kan lang niet alles behandeld worden, want dat zou een heel boek vergen. Maar toch: wat is er in die tien jaar veran­derd, ten goede of ten kwade, en welke rol hebben de kerken, met name de ‘Arme Kant van Neder­land’ hierin gespeeld?
In de uitnodiging voor de jubileumbijeenkomst van ‘De Arme kant’ lees ik: ‘ op de vijfde dinsdag in september 1987 vond de eerste kerkelijke conferentie tegen verarming in Nederland plaats. Op de vijfde dinsdag in september 1997 bent u welkom op de jubileumbijeenkomst ‘de arme kant van nederland tien jaar later. Op dezelfde plek als toen: de Mozes en Aaronkerk in Amsterdam.’
     Om de veranderingen van de afgelopen tien jaar op het spoor te komen begin ik met een vergelijking van die eerste bijeenkomst en het programma van de jubileumbijeen­komst. Voor een verslag van de eerste bijeenkomst ga ik te rade bij het boek ‘armoede opgelost? Vergeet het maar! Dit boek is een terugblik op de kerkelijke campagne tegen verar­ming in de eerste vier jaar.[1]In het boek wordt een indrukwek­kende opsom­ming gegeven wat de kerken in de eerste vier jaar landelijk en lokaal allemaal hebben gedaan om de verarming onder de aan­dacht te brengen.
     Die eerste bijeenkomst was doortrokken van een loodzware ernst m.b.t. de verarming in Nederland. Er was een openings­toespraak van ds W.R. van der Zee, toen secretaris van de Raad van Kerken. Hij betitelde armoede als onrecht. Armoede is geen noodlot, dat nu eenmaal altijd bij het leven van mensen op deze aarde heeft behoort, nee, het hing samen met politieke keuzes waarvoor de gekozen bestuurders verant­woorde­lijkheid dragen. Hij sprak over een revolutie in de geschiede­nis van de kerken, omdat de kerken de armoedeproble­matiek onder het hoofd ‘gerechtigheid’ hadden gezet, en niet onder ‘barmhartigheid’ of ‘liefdadig­heid’. Toch perkt ook van der Zee de activiteiten van de kerken enigzins in. ‘Horen en roepen, dat kunnen we doen. Niet meer en niet minder’. De kerken willen wel getui­gen, maar nee, een coalitie met de vakbonden om stakingen te ondersteunen, of een coalitie met belangenorgani­saties van armen, die meer willen dan alleen roepen, nee, dat zit er niet in.
     Het programma van de conferentie weerspiegelt de ernst waarmee de organisatoren de problematiek willen benaderen. Het bevat theologische reflectie, weergave en beoordeling van het beleid van achter­eenvolgende kabinetten en redevoeringen van uitke­ringsgerechtig­den. Er werd een ontwerpslotverklaring bespro­ken. In die slotverklaring werden de kerken opgeroepen deel te nemen aan de strijd zoals armen en hun organisaties die zelf voeren. De weg van de liefdadigheid wees men af. Nodig was een bondge­nootschap tussen kerken en armen, ook al was zo’n bondgenootschap zoals we boven zagen aan grenzen gebonden.
     De conferentie kreeg een grote publiciteit, en had een grote uitstraling. Er werden provinciale en gemeentelijke groepen gevormd, die weer allerlei activiteiten organiseerden voortbordurend op de landelijke konferentie. Dit leidde oa tot een tweede landelijke konferentie op 4 oktober 1988.
    
jublieumbijeenkomst
     Laten we nu eens kijken naar het programma van de jubi­leumbijeenkomst. Ik lees, dat er een terugblik komt in de vorm van een ‘cabaret’. Er zijn ludieke intervieuws, sketches en een quiz over toekomstperspectieven, dan is er soep met brood­jes, en in het vervolg zijn er gevarieerde intervieuws van twee panels van ervaringsdeskundigen. Dan komen er amusante stemronden, waarin het publiek overlegt en stemt over voor­stellen, en volgt een internezzo in het debat met ‘een inspi­rerende band’. Vervolgens komt het slotwoord met smartlappen en muziek. Tenslotte is er een afsluitende informele borrel.
De organisatoren hebben duidelijk moeite gedaan het geheel een luchtig karakter te geven, en de mensen niet alleen te over­tuigen van de ernst van de situatie, maar ook naar de bijeen­komst te lokken met amusement.
Diskussieren en aktievoeren moet leuk blijven. Je moet er een opgewekt gevoel van krijgen. Een heel verschil met die eerste konferentie! Het gaat me er nu niet om, te bepalen welke aanpak de beste is, maar om de kultuurverandering te signale­ren. In het navolgende zal ik proberen de achtergronden daar­van te belichten.
nieuwe wegen
Blijkbaar moesten er in de afgelopen tien jaar nieuwe wegen worden gevonden om de kerken, en ook de bondgenoten, de belan­genorganisaties van de armen, bij de problematiek betrokken te houden. De revolutie in de kerken waar van der Zee over sprak was toch niet zo eenvoudig te realiseren. En ook het over­heidsbeleid, dat toch fundamenteel moest veranderen, bleef in veel opzichten hetzelfde. Het paarse kabinet Kok (zonder het CDA!) bezuinigde 18 miljard op de sociale zekerheid, en ge­bruikte dit geld niet in de eerste plaats, om het overheidste­kort terug te dringen, of om voor­zieningen op peil te houden. Nee, het werd in de vorm van lastenverlichting teruggeven aan de bedrijven en in zeer beperkte mate aan de partikulieren. Hierdoor werden de inkomensverschillen en de kloof tussen arm en rijk vergroot. Door loonkostenverla­ging zou er ekonomische groei en werk voor allen komen. 18 miljard bezuinigingen op de sociale zekerheid en gokken op een hoge ekonomische groei, en dat terwijl de kerken zeiden, dat velen het water tot de lippen stond, en dat een hoge ekonomi­sche groei tot grote milieupro­blemen zou leiden.
Amsterdam Tegen Verarming
Lokale groepen raakten verwikkeld in een taaie strijd met de lokale overheid voor het behoud van voorzieningen en uitkerin­gen. Het Komitee Amsterdam Tegen Verarnming is daarvan een voorbeeld. Enige maanden voor de eerste kerkelijke konferentie in 1987, op 2 juni, werd in Amsterdam een sociaal beraad gehou­den op initiatief van DISK. In dit beraad zaten een groot aantal aktiegroepen en belangenorganisaties. Uit dit beraad is vervolgens het Komitee Amsterdam Tegen Verarming ontstaan, als een coalitie van kerkelijke groeperingen, organisaties van uitkeringsgerechtigden en vakbonden.
Ook dit komitee heeft vele aktiviteiten ontplooit. In het najaar van 1994 en het voorjaar van 1995 werd de campagne ‘schrijf het van je af’ georganiseerd, waarbij klachten werden verzaneld over het gemeentelijk minimabeleid en de sociale dienst en waarbij minima getuigden van de vaaak moeilijke leefomstandigheden. Het ‘klachtenboek’ dat hieruit voortkwam en de aktiviteiten erom­heen hebben in Amsterdam een grote invloed gehad op de diskussie over de invoering van de nieuwe bijstandswet en het heeft geleid tot een serie openbare dis­kus­sies over wat de gemeente kan doen aan de bestrijding van de armoede. In 1997 werd een vergelijkbare campagne, met de presentatie van een nieuw klachtenboek, georganiseerd.
Het voorgaande geeft eigenlijk al aan, dat ondanks het door­zet­ten van de verkeerde bezuinigingspolitiek op landelijk nivo zeker op lokaal nivo wel degelijk resultaten zijn bereikt in de taaie strijd voor verbetering van de positie van de minima.
politieke mogelijkheden
Zowel de ‘Arme Kant van Nederland’ als het Komitee Amsterdam Tegen Verarming hebben echter meer invloed gehad. Uitkerings­gerechtigden en andere minima zijn eigenlijk slecht georgani­seerd en hebben weinig invloed op de politiek, terwijl andere belangengroepen en bijvoorbeeld milieuorganisaties dat meer hebben en ook op onderdelen meer resultaten boeken. Dit ver­schil aan invloed is oa een gevolg van het feit, dat de ‘stru­ktuur van politieke mogelijkheden’ samenhangt met het onder­werp van discussie. Werkgelegenheid, financieringstekort, loonkosten voor werkgevers en het beslag van de sociale zeker­heid op de openbare middelen worden door de bestuurders gezien als van direct ‘levensbelang’ voor het voortbestaan van de staat en de samen­leving als geheel. Zij luisteren vooral naar de werkgevers en de leiders van de grote vakbon­den. Die vak­bonden willen opkomen voor de belangen van vaak verschil­lende groepen, ook degenen met een hoger inkomen. Mensen met een minimuminkomen hebben in deze vakbonden weinig invloed. Poli­tici en ‘sociale partners’ timmeren compromissen dicht, waar je moeilijk invloed op kunt uitoefenen. Po­litici zijn daarom weinig geneigd te luisteren naar vaak kleine belangen­organisa­ties van minima laats staan dat aan deze organisa­ties conces­sies worden gedaan. Dit heeft weer tot gevolg, dat minima slecht georgani­seerd zijn, omdat ze denken dat aktievoeren en organiseren toch niet helpt. Overigens zijn er voor de lage organisatiegraad ook andere redenen, maar dat valt buiten het bestek van dit artikel. Milieuproble­men bijvoorbeeld worden ook als heel be­langrijk gezien, maar de uitbrei­ding van Schip­hol of de be­perkte invoering van een ‘ecotax’ worden door de bestuurders minder gezien als van levensbelang voor het voort­bestaan van de staat. Het is in dat opzicht meer een ‘low-profile’ onder­werp. Wie is er nou tegen een schoon milieu? Bij de belangen van bijstandsvrouwen of werklozen krijg je soms diskussies als: ze scheiden om aan een extra uitkering te komen of: werklozen dien zelf ook niks. Daarom kunnen ook  betrekkelijk kleine milieuorgani­sa­ties op een bepaald punt soms scoren en nemen ze deel aan discus­sies, waar belang­rijke besluiten worden geno­men.
     De ‘Arme Kant’ en het komitee atv werken aan het force­ren van openingen naar de politiek toe, zodat de ‘struk­tuur van politieke moge­lijkheden’ verbetert en daarmee de kansen voor minima om zich te organiseren.
Kenmerk van de aktiviteiten van het Komitee Amsterdam Tegen Verarming is ook, dat gestreefd wordt naar een verbinding tussen vertegenwoordigers van verschillende groepen van minima en professionele instellingen, die met de armoede worden gekonfronteerd, zoals bijvoorbeeld Buro’s voor Rechtshulp en HVO, om gezamenlijk op te treden tegen het gemeentebeleid. Dit heeft ook resulta­ten gehad. Bij de invoe­ring van de nieuwe bij­standswet heeft het komitee het initaitef genomen deze groepen bij elkaar te halen en er zijn daarna door gezamenlijk lobby-werk aanzienlijke verbete­rin­gen ten opzichte van de oorspronkelij­ke voorstellen verwe­zen­lijkt. Ook zijn de jaar­lijkse armoed­econd­ferenties van de gemeente en andere bijeen­komsten waar vele groepe­n op demokratische wijze in de open­baarheid hun zegje kunnen doen en waarbij ze de bestuurders onder druk kunnen zetten, mede het resul­taat van het lobby- en aktiewerk van het komitee. Een concreet voorbeeld van het opengooien van politieke kanalen en het verbeteren van de ‘struktuur van politieke mogelijkheden’. Ambtelijk hoger en middenkader en politieke bestuurders in amsterdam waren tot nu toe niet geneigd, dit soort bijeenkom­sten te houden en overleg te plegen, waarbij de invloed van de organisaties op de gang van zaken groot is. Nog steeds [probeert de sociale dienst min of meer besloten bijeenkomsten voor kleine groepen te organi­seren. Het komitee heeft zich de afgelopen jaren niet laten inpak­ken en toch overlegt en gelobbyt, waarbij informatie werd geprodu­ceerd over hoe erg het is terwijl de politici daar­mee besto­okt.
De toekomst
In de diskussie over verarming en verrijking beluister ik hier en daar een inhoudelijke verandering ten opzichte van de eerste kerkelijke konferentie in 1987. Bestaat er wel een verband tussen verarming en verrijking? Betekent een grote rijkdom automatisch armoede voor de ander? Dit is een razend ingewikkelde kwestie, waarop nauwelijks een antwoord te geven is, zegt een ekonoom als Goudswaard. We moeten de rijken niet verketteren, (ze niet verantwoor­delijk stellen??) maar de dialoog met hen aangaan. Hoewel ik voor een dialoog ben, zou ik -wellicht ten overvloede- willen terugkomen op de woorden van van der Zee tijdens de eerste konferentie: armoede is geen door de natuur gegeven noodlot, dat met charitas moet worden bestreden, het is het gevolg van politieke keuzen van burgers, van be­stuurders die door die burgers gekozen zijn en die uiteinde­lijk verantwoorde­lijk zijn voor het beleid.
Ik denk dat het komitee amsterdam tegen verarming vast moet houden aan de hierboven beschreven strategische lijn. Wethou­der van der Aa, die de afgelopen jaren in Amsterdam verant­woorde­lijk was voor de portefeuille van Sociale Zaken, wordt lijst­trekker van de PvdA bij de gemeente­raadsverkiezingen. Wij zullen hem weten te vinden! En wat die revolutie in de kerken betreft: daarover is het laatste woord nog niet gezegd, want na van der Zee kwam Muskes. 
Piet van der Lende



    [1]. Peter de Bie e.a., Armoede Opgelost? Vergeet het maar!. Kerkelijke campag­ne tegen verarming in Nederland. Leidschendam 1991 

Werkconferentie over de problematiek van minima en armoede in Amsterdam

Werkconferentie over de problematiek van minima en armoede in Amsterdam d.d. 24 april 1996 in het stadhuis van Amsterdam.
Aanvullingen op de verslagen die zijn gemaakt en gepubliceerd in het rapport ‘Amsterdamse Cahiers’ onder red. van Els de Boer en Jeroen Slot.
De toespraak van E. J. Goosen, wnd directeur Crediam is niet goed verslagen. Hij somde de diverse knelpunten mooi op die in de schuldhulpverlening zitten, maar daarvan kwam weinig terug in het verslag. Er is een cie afstemmingsoverleg, die een signaleringsfunctie heeft. De verschillende organisaties die zich met schuldhulpverlening bezig houden zitten op eilanden, de communikatie tussen de organisaties moet beter worden. De cie afstemmingsoverleg zal voortgangsrapportages maken. Daarin staan bevindingen met aanbevelingen. De uitvoering van het noodfonds gaat naar de kredietbank. Er is ook nog een schuldhulpfonds. Gemiddeld wordt er 2300,- aam krediet verstrekt in totaal 2,3 miljoen. De voorwaarden om voor zo’n schuldhulpfonds in aanmerking te komen zijn onvoldoende bekend. Er zijn vele andere knelpunten.
1. Er is geen geintegreerde schuldhulpverlening. De verschillende organisaties werken langs elkaar heen.
2. Er is een diversiteit van normen bv bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit bij de verschillende instanties. De Kredietbank gaat uit van 94% van het minimum. Alles wat daarboven zit kan gebruikt worden voor schuldaflossing. Er zijn ook normen vatsgelegd door het overleg van crediteuren en volkskredietbanken. Daar is een soort gedragscode uitgerold De crediteuren spelen de verschillende organisaties die zich met schuldhulpverlening bezig houden tegen elkaar uit. De gedragscode schuldenregeling zou bij alle organisaties van toepassing moeten zijn.
3. het komen en gaan van commerciele bemiddelingsbureau’s is ook een belangrijk knelpunt. (zie de juwelier op de Albert Cuypmarkt). Bureau’s die zich rechtstreeks tot de clienten wenden zijn over het algemeen onbetrouwbaar. Vaak worden er hoge bedragen voor de bemiddeling gevraagd. Deze gevallen zijn aangemeld bij de Economische Controle Dienst (ECD)
Er zijn ook commerciele bureau’s die iets betrouwbaarder zijn (?) en die zich op de bestaande instellingen richten. Zij hebben een soort bemiddelingsrol. Ten aanzien van deze bureau’s wil het afstemmingsoverleg geen kwalitatief oordeel uitspreken.
4. Een volgende knelpunt is het wel of niet adequate inkomensbeheer. Er zijn veel organisaties, maar veel mensen komen niet voor bemiddeling in aanmerking. Sommigen werken met een budgetregeling, anderen met een zakgeldregeling en weer anderen met een doorbetalingsregeling. Dit zijn primair taken die door een gemeentelijke instelling uitgevoerd zouden moeten worden.
De cie afstemmingsoverleg wil:
– trajecten met integrale schuldhulpverlening op poten zetten.
– De bekendheid van het schuldhulpfonds moet groter worden.
-inkomensbeheer moet voor iedereen toegankelijk worden. Ook kijken naar participatie en nut. De cie afstemmingsoverleg heeft een verzoek gericht aan de gemeente om tot een stedelijk bureau voor schuldhulpverlening te komen.
verslag diskussie in de werkgroep uitsluiting activering en maatschappelijke participatie
Officiele verslag gemaakt door jens Roep
Er is een sector maatschappelijke opvang en zorg van de afdeling MGZ. (Kan inmiddels veranderd zijn met de reorganisaties van MGZ). Deze afdeling houdt zich bezig met de “uitvallers”
Er is opvang voor vrouwen in onhoudbare gezinssituaties, opvang van psychiatrische patienten en van daklozen. Door de gemeente wordt 23 miljoen uitgegeven voor maatschappelijke opvang van deze groepen. maar een groot gedeelte van de opvang wordt gefinancierd door de AWBZ en de psychiatrie. Er is een overlap tussen maatschappelijke opvang en psychiatrie. Tussen de 2 en de 50% van de daklozen heeft psychische problemen. De aantallen daklozen in Amsterdam is onbekend. Er zijn wel steeds schattingen. In de loop van een jaar komen er vele duizenden daklozen aanwaaien en verdwijnen weer. Er zijn op zeker moment 2000 verschillende mannen in de opvangcentra. Het zijn vele nationaliteiten, het is een mondiaal probleem. Iedere nacht slapen 250 mensen buiten. Er zijn 160 plaatsen in het passantencircuit en 1000 (2000?) plaatsen in de sociale pensions. Daarnaast is er een uitgebreid circuit van begeleid wonen. Voor de vrouwenopvang zijn 300 plaatsen beschikbaar terwijl het aantal aanmeldingen vorig jaar 3800 was. Daarvan zijn er 1400 gehonoreerd. De helft is afgewezen omdat er geen plaats is. Die zijn elders ondergebracht (?)
2000 mensen per jaar worden opgenomen in de psychiatrie waarvan de helft meerdere opnamen heeft. Er zijn ook veel mensen die met strafontslag uit de gevangenis worden gestuurd. Dit is een grote groep potentiele daklozen.
Vervolgens doet zich de vraag voor, hoe dakloosheid en psychiatrische problemen kunnen worden voorkomen door de overheid.
Er zijn drie nivoos.
1. de primaire preventie. Hoe kun je als overheid voorwaarden creeeren dat de problemen niet ontstaan. Goed onderwijs/betaalbare woningen inkomenspolitiek. Het effect van deze maatregelen is niet te meten.
2. Secondaire preventie. Risicogroepen via een gerichte aanpak benaderen en maatregelen nemen dat ze niet uit de boot vallen.
3. tertiaire preventie. Zosnel mogelijk mensen laten terugkeren in de hoofdstroom van de samenleving en voorkomen dat het nog erger wordt. De literatuur over dit onderwerp belicht twee kanten, nl het persoonlijk onvermogen van de betrokkene en de strukturele en maatschappelijke redenen. Beide moeten bij een preventief beleid aan de orde komen.
Wethouder van der Geissen zal in dit verband een actieplan preventie produceren waarbij vooral de problematiek van dak-en thuislozen en vrouwen aan de orde zal komen. We moeten niet alleen denken aan het creeeren van voorzieningen, we moeten het breder zien, verhuurders van woningen en stedelijke diensten moeten op hun beleid worden aangesproken. Binnenkort komt de nota uit.
Er zijn dus drie belangrijke dingen:
1) huisvesting 2) inkomenspositie 3) samenhang in het circuit van de hulpverlening. Hierbij kan een les worden getrokken uit het incident in de Vrolikstraat.
Daarover wordt in de werkgroep uitgebreid gediskussieerd.
Er is eigenlijk in de stad een enorme hulpverleningsdichtheid, maar de mensen werken langs elkaar heen, wat ook al bij de schuldhulpverlening ter sprake kwam. De dader was al diverse malen door buurtbewoners bij diverse instellingen gesignaleerd, maar die deden niets. Eigelijk bestond er een systeem van gespreide verantwoordelijkheid, waardoor niemand zich verantwoordelijk voelde. De verschillende instellingen zijn er alleen maar op gespitst, hun terrein af te bakenen. Er was in dit geval een te late en en een te weinig op elkaar afgestemde interventie.
Een van de discussianten haalt het verhaal van Jos van der Lans aan – het nieuwe paternalisme. Die kant moeten we op. We moeten voorkomen, dat mensen uit hun huis gezet worden. Er moet voor de diverse instellingen een draaiboek komen hoe om te gaan met huurschulden. Netwerkbenadering met alle instellingen van belang. Proberen alle signalen op een plek te krijgen=op elkaar afgestemde hulpverlening. De vrouwenhulpverlening moet beter worden aangepakt. Daders plus weerbaarheidstraining. Meer crisisachtige voorzieningen = passantenvoorzieningen. Snel en kort en intensief intervenieren. Risicogroepen vroegtijdig opsporen en een op elkaar afgestemnde aanpak. In het Westerpark is een netwerk burenoverlast. Vroegtijdige interventie/ uitval voorkomen en integratie bevorderen. Er worden 1100 mensen per jaar uit hun huis gezet.

P vd Lende