Verslag van een gesprek met drie ambtenaren van het project ‘Kansen’ van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) d.d. 19-06-2013

Piet vertelt waarom we dit gesprek belangrijk vinden. Er melden zich steeds meer mensen op het spreekuur die een oproep krijgen voor een nieuw gesprek om over ‘mogelijkheden en kansen’ te praten, terwijl die mensen vaak medisch gezien niet hoeven te solliciteren en vrijgesteld zijn van het verrichten van betaalde arbeid. De oproepen leiden tot vragen als: waarom krijg ik nu ineens toch weer een oproep? Ik ben toch afgekeurd? Wat kan ik van het gesprek verwachten? Wat zijn ze nu weer van plan? Ik ben weliswaar niet afgekeurd, maar mijn kansen om aan betaald werk te komen zijn gering, ik heb toch belemmeringen en ik heb al diverse trajecten zonder resultaat doorlopen. Wat willen ze nog met mij?  Etc.

Ook worden klachten over het zogenaamde kansencafe  in de loop van het gesprek over het voetlicht gebracht. En dat er bij de Bijstandsbond in eerste instantie grote onduidelijkheid bestond over de oproepen. Wij wisten eerst ook niet waarom nu ineens weer oproepen op grote schaal. Het bleek ons na enige tijd dat de DWI vorig jaar geld heeft overgehouden. Daarom werd besloten tot een beleidsintensivering, die in de Participatienota is opgenomen. Alle klanten op trede 2 van de participatieladder worden opgeroepen voor een diagnosegesprek.

Het project is opgezet en wordt gemanaged door het gemeentelijk project management bureau, dus door mensen die ook projecten bij andere diensten doen, men beschouwd het project ‘Kansen’ als een  tijdelijke  ínterventie’ in de dagelijkse doorlopende werkprocessen bij de DWI. De projectleider van het project ‘kansen’ geeft een nadere uitleg. Men constateerde, dat in 2011 meer dan 700 klanten op trede 2 toch waren uitgestroomd naar betaald werk. Dus los van de beeindigingen van uitkeringen om andere redenen. Terwijl de DWI niets heeft gedaan om de uitstroom van die groep te bevorderen. Maar men heeft verder geen enkel idee waarom die mensen zijn uitgestroomd naar betaald werk. Dat is gissen. Een van de veronderstellingen is, dat bijvoorbeeld in migrantenfamilies iemand een restaurant heeft of een ander bedrijf, en dat die dan zegt ik heb iemand nodig daar en daar voor, dat kan mijn broer mooi doen.  Het is niet helemaal duidelijk of die uitstroom van meer dan 700 er ieder jaar is.  Men vraagt zich af of middels een ‘beleidsintensivering’ dit aantal van 700 niet kan worden opgevoerd. Daarom is men alle klanten op trede 2 gaan oproepen.  Men is nu een week of 7 bezig en men hoopt voor kerstmis alle klanten op trede 2 te hebben opgeroepen. Dat zijn er 15.000. Ongeveer een kwart van die 15.000 betreft alleenstaande ouders. Er zal dan wat betreft het ‘Kansencafe’ nog een uitloop zijn naar februari.

Men heeft veel gediscussieerd over de vraag, of wel iedereen zou moeten worden opgeroepen, bijvoorbeeld ook mensen boven de 60 of 62. Maar men vond het met het creeren van allerlei uitzonderingen een beetje te gecompliceerd worden, dus men heeft gezegd: we roepen iedereen op, ook mensen van 64.
De schatting is dat een kwart tot een derde van de mensen die worden opgeroepen zullen worden doorverwezen naar het Kansencafe. Bij deze mensen moet nog worden gewerkt aan de motivatie om aan de slag te gaan, gericht op participatie of betaald werk. Het Kanscafe bestaat uit een training van 8 dagdelen, verspreid over een maand, waar mensen in de gelegenheid worden gesteld om na te denken over hun mogelijkheden, want het gaat uitdrukkelijk om de mogelijkheden en kansen en niet om de belemmeringen.

Als uitkomst van het kansencafe wordt dan een ontwikkelingsplan gemaakt. Daarbij zijn er verschillende mogelijkheden:
De klant kan snel aan het betaalde werk en gaat naar het  ‘uitstroomteam’.

De klant kan nog niet onmiddellijk aan het werk maar op termijn misschien wel, er moeten nog werknemersvaardigheden aangeleerd worden. Deze klanten worden doorverwezen naar het Reintegratie Bedrijf Amsterdam. (RBA). Met dit RBA heeft het projectmanagement afspraken gemaakt over hoe de trajecten van deze mensen er uit moeten zien. Men stelt bijvoorbeeld dat bij moeders met kinderen soepel overleg mogelijk moet zijn om eerder met werken op te houden, in verband met het ophalen van de kinderen. Ook kan het zijn dat iemand zegt: ik ben niet meer zo gewend zo vroeg mijn bed uit te komen, kan ik niet iets later komen. En men begint in eerste instantie bijvoorbeeld 2 dagdelen in de week. Er wordt echt rekening mee gehouden dat men een grote afstand heeft tot de arbeidsmarkt en als trede 2 klant kwetsbaar is. De meeste mensen worden wel verwezen naar het RBA, maar slechts een klein gedeelte komt terecht bij de Laarderhoogteweg-Praktijkcentrum. Anderen gaan naar bijvoorbeeld de tuinderij. Ook is men bezig met de opzet van een gereedschapsherstel project.

Een derde conclusie van het Kanscafe kan zijn, dat betaald werk er niet in zit. De klant is wel in staat te participeren, maar kan niet betaald werk verrichten. Deze mensen worden verwezen naar de stadsdelen. Zij komen in een traject zorg, waarover nog niet veel afspraken zijn gemaakt, een traject schuldhulpverlening of een taaltraject of ander vrijwilligerswerk.

Bij de selectie van mensen voor het Kanscafe is dus niet het criterium wel of geen betaald werk op termijn kunnen verrichten. Ook mensen waar er wat dat betreft twijfels bestaan, en waarvan achteraf gezegd moet worden: het zat er niet in, betaald werk, een participatietraject is het hoogst haalbare, kunnen worden uitgeselecteerd. Deelname aan het Kanscafe is verplicht. Wie niet komt opdagen, of zich eraan onttrekt, kan te maken krijgen eerst met een schriftelijke waarschuwing en daarna een korting van 30%. Deelname aan het participatietraject, dat wordt uitgezet voor de mensen uit de derde van bovenstaande groepen, dus mensen die niet kunnen worden verwezen naar het uitstroomteam of het RBA maar in een participatietraject komen  dat kan volgen op het Kanscafe is echter vrijblijvender: men wordt er niet toe verplicht.

Tot nu toe hebben wij het gehad over de klanten die verwezen worden naar het kanscafe. Dat is ongeveer een derde tot een vierde van het totale aantal. Van de anderen kan worden gezegd, dat ze al voldoende participeren en dat kan worden gezegd: meer zit er eigenlijk ook niet in, het is mooi zo.

We praten door over de medische ontheffingen. Is het zo, dat mensen ook kan worden verplicht deel te nemen aan het Kanscafe, of aan andere trajecten, terwijl er naar het oordeel van een keuringsarts een medische ontheffing van trajecten richting betaalde arbeid ligt, moet er dan niet eerst weer een medische beoordeling plaatsvinden over de actuele situatie? Geantwoord wordt dat bij het wel of niet opleggen van reintegratieinspanningen richting betaald werk of participatie eerst wordt gekeken of ene arts een uitspraak heeft gedaan. Daar wordt terdege rekening mee gehouden. Men is zich ervan bewust dat er veel medische problemen zijn. Daarom zal eventueel altijd worden gekeken of er geen aangepast werk mogelijk is. Of dat bestaand werk kan worden aangepast. Er zijn wat betreft medische ontheffingen in trede 2 veel gradaties.
Er is wel een urenbeperking, bijvoorbeeld kan maximaal 20 uren in de week werken.
Betaald werk is niet mogelijk, en een volledige urenbeperking, dus ook geen 20 uur werken, maar participeren op andere wijze is wel mogelijk
Men krijgt ontheffing op basis van artikel 9a WWB men heeft een kind onder de 5 jaar.
Trede 1 zijn dan de mensen die voor alles afgekeurd zijn, ook voor participatie. Zij hebben een dubbele ontheffing.

Daarnaast kunnen in trede 2 mensen zitten, die geen medische ontheffing hebben, maar die wel een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben en met allerlei belemmeringen te maken hebben.
Men voert dit project ook uit, om de trede 2 groep scherper in beeld te krijgen: sommige mensen bijvoorbeeld gaan naar trede 1. Aan de andere kant van het spectrum gaan mensen naar het uitstroomteam.
Degene die bij de oproep het diagnosegesprek voert is niet de klantmanager maar een reintegratiemanager. Het is een interventie in de reguliere werkprocessen van de DWI. Bij de gesprekken wordt een speciale gespreksmethode toegepast, ieder reintegratiemanager heeft een opleiding gehad voor die gesprekstechniek. De bedoeling is om een correcte bejegening van de klant vorm te geven, op een waarderende manier gesprekken voeren. Het is een feedback methode om goeie gesprekken te krijgen. Het gaat daarbij om de zogenaamde ‘appreciative inquiry’:  de waarderende gespreksmethode. Meer over deze methode is te vinden op http://www.appreciative-inquiry.nl/ en op http://www.lerendoorwaarderen.nl/?page_id=4 .

Het is de bedoeling, deze gesprekstechniek DWI breed uit te rollen. Dus dat alle klantmanagers ermee gaan werken. We moeten de oproepen voor het project dus onderscheiden van de reguliere werkprocessen, waarin ook oproepen kunnen zitten. Wij lezen de tekst voor van een brief met een oproep, die een bezoeker van het spreekuur heeft gekregen. Dit is niet de brief die in het kader van het project wordt toegestuurd. Dat is een standaardbrief, die zich onderscheidt van andere brieven uit het reguliere werkproces. Wij krijgen zo’n standaardbrief, waaraan overigens nog geschaafd wordt, toegestuurd. De reintegratiemanager heeft een uur voor het gesprek, een half uur voorbereiding inzage van het dossier en een half uur administratieve afhandelingen. Over het algemeen heeft de klantmanager een tamelijk grote beslissingsvrijheid over wat er met de klant moet gebeuren. Hij of zij kan de afstand tot de arbeidsmarkt, de problematiek die er speelt, de leeftijd,  afwegen en een beslissing nemen.

Aan het eind van het gesprek wordt gememoreerd, dat er vanwege de bezuinigingen ‘meer doen met minder’ wordt nagedacht over meer groepsgewijs werken. Zoals het Kanscafe. Dus dat klanten geen individuele oproep meer krijgen, maar groepsgewijs worden opgeroepen. Dit sluit ook aan op het participatiebeleid in de stadsdelen, waar toch de kennis over de participatieplaatsen ligt. Overigens registreren sommige stadsdelen wel, wie er waar participeert, maar sommige stadsdelen weigeren die registratie.

PvdL

Subsidiestromen voor reintegratie en de nul-uren trajecten voor arbeidsongeschikten van de gemeente Amsterdam

Persbericht Bijstandsbond /14-02-2008
Een vreemde gang van zaken

Volledig arbeidsongeschikten met een bijstandsuitkering moeten in de gemeente Amsterdam staan ingeschreven als werkzoekende bij het Centrum voor Werk en inkomen. Deze inschrijving wordt vereist omdat op die wijze ESF financiering kan worden gerealiseerd. Dit is in strijd met de regels van het ESF. Een gemeente kan alleen subsidie verkrijgen voor arbeidsgeschikten. Ons is gebleken dat een heel aantal bijstandsgerechtigden die arbeidsongeschikt zijn verklaard door een arts door de DWI de verplichting is opgelegd om zich in te schrijven als werkzoekende. Dit is onjuist gebruik van ESF-financiering.
Bijstandsgerechtigden die van alle verplichtingen zijn vrijgesteld worden bijvoorbeeld toch in een reintegratie-traject geplaatst met als inhoud dat ze zijn vrijgesteld van alle verplichtingen. Een zogenoemd ‘ nul uren traject’ . De betrokkenen zijn verplicht dit traject te ondertekenen. Anders loopt hun uitkering gevaar. Feitelijk gebeurt er dus niets met deze mensen. Wel moeten zij zich inschrijven bij het CWI en zijn dus formeel werkzoekende. Ook zitten zij in een traject en op deze wijze wordt voldaan aan de vereisten van ESF subsidie. Het trajectplan is niet bedoeld voor re-integratie. Het is een ‘zorgtraject’. Maar welke zorg?
Ook komt het voor, dat mensen die arbeidsongeschikt zijn verklaard door een arts weliswaar formeel vrijgesteld worden van de sollicitatieplicht, maar niet vanwege hun arbeidsongeschiktheid, maar vanwege hun afstand tot de arbeidsmarkt, waarmee de suggestie wordt gewekt, dat deze mensen wel arbeidsgeschikt zijn. Ook van deze mensen wordt vervolgens geeist dat zij zich inschrijven als werkzoekende bij het CWI. Deze werkwijze is al geruime tijd aan de gang.
De Bijstandsbond heeft contact gehad met de politiek en met de Dienst Werk en Inkomen en wij hebben vernomen dat het beleid zal worden gewijzigd.
Reeds in september vorig jaar heeft de Bijstandsbond erop gewezen, dat de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam arbeidsongeschikten allerlei verplichtingen oplegt, ook als de keuringsarts adviseert hen met rust te laten. De beschikkingen van de DWI en het opleggen van een trajectplan bij mensen die ziek zijn en arbeidsongeschikt leverde bij hen extra geestelijk lijden op en veel angsten frustraties en woede. Wij zijn blij dat uit contacten met de gemeente blijkt dat het beleid nu wel gewijzigd gaat worden.

Voor meer informatie:

Piet van der Lende
020-6181815
020-6898806
info@bijstandsbond.org
Advocaat Marc van Hoof

De geruchtenmachine

De geruchtenmachine draait sowieso al op volle toeren als het om de sociale dienst gaat. Er verschijnen soms vage berichten in de krant over calamiteiten bij de sociale dienst, terwijl clienten bij ons op het spreekuur komen met verhalen over haperingen in de uitbetaling van uitkeringen. Bijvoorbeeld in het Overtoomse veld, waar op een donderdag (uitbetalingsdag) honderden bijstandsgerechtigden naar het kantoor trokken omdat de uitkeringen niet gestort waren. Er ontstond een oploop en een gespannen sfeer, die gesust werd door aanwezige personeelsleden en bewakers en waarbij de mensen via het loket een contant bedrag kregen. Dergelijke gebeurtenissen worden versterkt door allerlei geruchten over wat er nu weer fout gaat.
De geruchtenmachine kwam echter pas goed op gang toen een groepje ambtenaren en anderen die betrokken waren bij de arbeidsbemiddeling in Amsterdam naar het Amerikaanse Wisconsin trokken om daar de methode van arbeidsbemiddeling in ogenschouw te nemen. De deelnemers aan de reis kwamen enthousiast terug. Zoiets moesten we in Amsterdam ook hebben! 
Maar voordat het model in Amsterdam kon worden gerealiseerd, moest er eerst nog heel wat worden overlegd en ruzie gemaakt. Wij hebben gesprekken gevoerd met diverse mensen, maar de interviews leverden geen duidelijk beeld op. Het bezoek aan Amerika en het vervolgoverleg vond plaats op initiatief van het onderzoeksinstituut Nijfer. Achter gesloten deuren vergaderden de ambtenaren van de sociale dienst, medewerkers van organisaties als Maatwerk, NV Werk, Arbeidsvoorziening en medewerkers van adviesbureau’ s die door de verschillende gesprekspartners waren ingehuurd. Wij voerden gesprekken, maar veel kwam daar niet uit. Wat wel? 

Nu al kan worden opgemerkt, dat gemeenteraadsleden in het geheel niet betrokken waren bij de besprekingen. Hoewel, het gerucht gaat dat er ook gesprekken plaatsgevonden hebben met de toenmalige minister Melkert, die al in een vroeg stadium de grenzen van de mogelijkheden zou hebben aangegeven: geen privatisering van de uitkeringsverstrekking, wel van de arbeidsbemiddeling.

Tijdens onze gesprekken werd duidelijk, dat een experiment in Zuid-Oost met het Wisconsinmodel opgestart zou worden. Maar na enige tijd kwam het gerucht, dat door het leven gaat als de ‘ nacht van schiller’ . Hier had de samenwerking definitief moeten worden bezegeld,  maar de verschillende gesprekspartners hadden grote ruzie  gekregen zodat alles weer op losse schroeven stond.  Onder de clienten van de sociale dienst zoemde wel het gerucht rond: alles wordt strenger, ze gaan ons dwingen verplicht vrijwilligerswerk te doen, en andere laakbare dingen, mensen werden bang en wantrouwig. De onderhandelingen mochten dan grotendeels achter gesloten deuren plaatsvinden buiten de Amsterdamse gemeentepolitiek om, er verschenen grote artikelen in vele kranten over de Amsterdamse plannen.  

Van de ‘ nacht van Schiller’ bestaan verschillende versies. Een daarvan is, dat de toenmalige directeur van de sociale dienst, Hans Denijs binnengekomen zou zijn, toen iedereen al rond de tafel zat, en hij zou alle externe adviseurs de deur uitgestuurd hebben. Daarna had hij de andere aanwezigen een voor een de huid vol gescholden en had hij het hele experiment opgeblazen. Wat uiteindelijk uit de bus kwam, was een experiment in Zuid-Oost waarbij alleen de sociale dienst en arbeidsvoorziening gesprekspartners waren. Zo is het experiment er ook gekomen. 

De NV Werk startte echter -buiten directeur Denijs van de sociale dienst om- onderhandelingen met wethouder Krikke (VVD) van economische zaken over nog zo’ n experiment. De hoofdrolspelers- Denijs en Verhey waren in dezelfde week in onderhandeling met resp. de wethouders van sociale zaken en van economische zaken over de financiering van de projecten.  Dit leidde uiteindelijk tot een experiment in Bos eb Lommer, waar NV Werk onderaannemer is van de sociale dienst en een soortgelijk experiment als in Zuid-Oost van de grond kwam.

Wij zouden hier verder de onderhandelingen van de afgelopen jaren kunnen proberen te reconstrueren uit de vele geruchten die de ronde doen, maar dat is niet de bedoeling van dit stukje. De bedoeling is duidelijk te maken, dat de gesprekken en onderhandelingen buiten de gemeentepolitici om achter gesloten deuren plaatsvonden, en dat pas achteraf en dan nog slechts gedeeltelijk debatten in de gemeenteraad plaatsvonden over het beleid. En er mochten dan voortdurend berichten in de krant verschijnen over de Amsterdamse plannen, die vaak hele of halve waarheden bevatten, omdat de journalisten vaak ook maar een of enkele onbevestigde versies van het verhaal kenden, een maatschappelijk debat tussen het maatschappelijk middenveld in Amsterdam, de politiek en de ambtelijke beleidsmakers was ver te zoeken, terwijl er toch ingrijpende beleidswijzigingen op het programma stonden. 

Hoe slecht de ontwikkeling van de afgelopen jaren geweest is, blijkt wel als we de geruchtenmachine verder analyseren. Zoals in het begin al opgemerkt wordt de machine gecompleteerd met geruchten van onderop, van de clienten, die met de nieuwe systemen van arbeidsbemiddeling worden geconfronteerd. Deels zullen hun verhalen tot stand komen door het aloude mechanisme, dat aan het begin van de straat iemand zijn pink heeft gebroken en dat-als het vele malen is doorverteld zo iemand aan het eind van de straat al zijn ledematen heeft gebroken. Maar de geruchtenmachine van onderop wordt ook veroorzaakt door het feit, dat de lagere ambtenaren, waar clienten mee te maken krijgen vaak ook niet weten wat de stand van zaken is, waarna ze maar wat tegenover de clienten beweren. Zoals het gerucht over Amsterdam Noord, waar werkgevers onder druk gezet zouden zijn. 

Een van de belangrijkste schakels in de geruchtenmachine is Het Parool. Jos Verlaan gunt ons regelmatig een kijkje in de diepste ziele roerselen van wethouders, gemeenteraadsleden en hoge ambtenaren en hij geeft naar eigen zeggen ware informatie over geheime onderhandelingen en machtsspelletjes op het stadhuis. Kees tamboer verwerkt in zijn artikelen regelmatig citaten uit geheime concept notaas, die vaak qua tekst aanzienlijk afwijken van wat de gemeenteraad onder ogen krijgt. De tekst verschillen tussen door niemand te verifieren concept notaas en de definitieve versies worden door Tamboer gebruikt om de wethouder van sociale zaken een veeg uit de pan te geven.
En de clienten van de sociale dienst of andere werkzoekenden lezen die artikelen in Het Parool dan weer, en zo komen de geruchten van bovenaf en van onderop bij elkaar, en vormen een geheel, de geruchtenmachine.
Een centraal gecoordineerd voorlichtingsbeleid over al die onderhandelingen ontbreekt.

De gemeenteraad lijkt pas bij de plannen te worden betrokken, als alles al in kannen en kruiken is.

En het wantrouwen van clienten van de sociale dienst en hun organisaties groeit. Iedereen die in de geruchtenmachine meespeelt heeft zo zijn belangen, meningen, contacten, gesprekken en onderhandse onderhandelingen. Niemand schijnt de regie in handen te hebben.

PvdL

Reactie op ingezonden brieven in Het Parool van de wethouder en de directeur van de Sociale Dienst

In Het Parool van donderdag 6 februari 1997 en van dinsdag 10 februari hebben respectievelijk Hans Denijs, directeur van de sociale dienst in Amsterdam en wethouder Jaap van der Aa, verantwoordelijke wethouder voor de dienst, hun commentaar gegeven op de hoorzittingen in de Tweede Kamer over de nieuwe bijstandswet. Hieronder een commentaar, dat niet is gepubliceerd.
Ik ben blij dat van hoog tot laag het armoedeprobleem eindelijk serieus wordt genomen en dat de schrijvers voorstander zijn van ruimere financiële armslag voor de gemeenten om de armoede te bestrijden. Maar tegelijkertijd getuigt hun visie van verouderde opvattingen over de toekomst van de sociale zekerheid.
De heer Denijs begint met te stellen, dat we in een beschaafd land leven. We hebben de ruimtelijke ordening in de hand, een zorgvuldige euthanasie-wetgeving en ook de sociale zekerheid is een fundament onder onze beschaving. In andere landen hebben ze dat niet zozeer. Deze sociale zekerheid moet drastisch gewijzigd worden. Betere sturing, betere beheersbaarheid en vooral ook betaalbaar houden. Met de inhoud van de nieuwe bijstandswet is niets aan de hand. Het is een pijler onder de nieuwe sociale zekerheid. Het gaat er nu om hem goed uit te voeren. Er zijn echter nog enkele beren op de weg, die de beleidsmakers hebben uitgestippeld om onze beschaving te handhaven. Dat zijn in de eerste plaats de langdurig werklozen en de fraudeurs, en de mensen die wel kunnen werken, maar dat niet willen. Zij veroorzaken, dat de kosten van de bijstand ‘gierend’ uit de hand lopen, ze maken het stelsel onbetaalbaar. De langdurig werklozen mogen wel in de bijstand blijven, want zij kunnen niet werken. De wetgeving van de beleidsmakers is goed. In de tweede plaats is het probleem, dat de wetgever geen rekening houdt met de uitvoeringspraktijk. Er is geen ‘task force’ voor het maken van een uitvoeringsstrategie. En dus loopt de uitvoeringsorganisatie vast. De boodschap van de heren is duidelijk: de uitgangspunten van het (lokale) beleid zijn goed, alleen de vele taken de die gemeente worden opgelegd (uitstroom naar betaalde arbeid, fraudebestrijding) moeten leiden tot meer geld voor de uitvoeringsorganisatie. Ik zal niet uitgebreid ingaan op de visie van de heer De Nijs over onze beschaving, hoewel ik het niet met hem eens ben. Er valt wel wat te zeggen over de vraag, of we onze ruimtelijke ordening in de hand hebben en of de Betuwelijn wel onder de grond wordt gestopt. Ook spreekt uit zijn visie het klassieke superioriteits-besef, dat veel westerse beleidsmakers kenmerkt: ‘wij’ zijn of ‘Nederland’ is beschaafd, in andere landen schieten ze mekaar dood, omdat ‘ze’ niet beschaafd zijn.
fraude
Ik wil het hebben over de visie van de heer Denijs op de cliënten van de sociale dienst en de feiten die hij debiteert. Het beleid is goed, alleen de mensen in de bijstand kunnen en of willen niet. Ze frauderen, of hebben een gebrek. Daarom moet er flink aan hen gesleuteld en gecontroleerd worden, en daarom moet er meer geld komen voor de uitvoeringsorganisatie In enkele zinnen wordt een koppeling gelegd tussen de betaalbaarheid van de sociale zekerheid en het gedrag of de eigenschappen van mensen in de bijstand. Laten we nog eens naar de prioriteiten in het overheidsbeleid kijken.
De ‘omvangrijke’ fraude zou de betaalbaarheid van onze sociale zekerheid in gevaar brengen. Denijs noemt geen cijfers. Dus doe ik dat maar. Het CBS heeft in het kwartaalbericht rechtsbescherming en veiligheid 96/2 een artikel gepubliceerd, dat bij mijn weten het belangrijkste op feiten gebaseerde overzicht is. Het artikel is geschreven door D. Koper en R.P.C. Baak. Een onthullend artikel over de effecten van het overheidsbeleid bij de bestrijding van fraude. In 1995 werd door de sociale diensten 226,58 miljoen aan fraude gekonstateerd. Dit jaarlijkse bedrag is tussen 1992 en 1993 opmerkelijk gestegen, evenals het aantal fraude gevallen, vooral als gevolg van de belastingsignalen. Opmerkelijk is dat absoluut de stijging van het aantal door de uitvoeringsorganen vastgestelde fraudegevallen vooral plaatsvindt in de categorie onbekend (nihil) en minder dan zesduizend gulden als fraudebedrag. Voor de omvang van de schade zijn vooral de fraudegevallen uit de schadecategorie twaalfduizend en meer gulden van belang. Ongeveer driekwart van het totale schadebedrag komt voor rekening van fraudeurs uit deze categorie. De omvang van dit fraudebedrag stijgt door de jaren heen nauwelijks, ondanks de verhalen in de pers over de toenemende fraude van grote criminele organisaties.
Ik pleit niet voor een grote uitbreiding van fraude, maar ik trek uit deze cijfers wel twee conclusies. Ten eerste is het aantal fraudeurs zeer beperkt; ongeveer 79 op de 1000 bijstandsgerechtigden fraudeert. Denijs heeft het alleen over omvangrijke fraude, maar in ieder geval is het kletskoek als hij bedoelt dat de huidige omvang van de kleine fraude (de bijklussende bijstandsvrouw) de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in gevaar brengt. Driekwart van het schadebedrag komt voor rekening van de grote fraudeurs.
En hiermee kom ik op mijn tweede conclusie. De overheid (de heer Denijs incluis) baseren hun beleid van fraude bestrijding op onjuiste uitgangspunten. De fraude is omvangrijk, en brengt de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in gevaar. Dus trekt de overheid alle registers open om alle bijstandsgerechtigden steeds strenger te controleren en om de bijklussende bijstandsvrouw, een minderheid onder de bijstandsgerechtigden te achtervolgen en op te sporen. Uitgebreide inzet van buitendienst ambtenaren, sociale rechercheurs, wat niet al. Daarom meer geld voor de uitvoeringsorganisatie. En.. de grote criminele organisaties waarover Bart Middelkoop in deze krant schrijft en die de bijstand als dekmantel gebruiken voor hun criminele activiteiten blijven buiten schot. Een uitvoeringsprobleempje of fundamenteel verkeerde keuzen in de prioriteiten van het beleid, waarvoor ook de lokale overheid verantwoordelijk is?.
kosten van bijstand.
De heer Denijs veronderstelt ook, dat de kosten van de bijstand ‘gierend’ uit de hand lopen, waarbij dit ook weer gekoppeld is aan het gedrag en de eigenschappen van bijstandsgerechtigden. Laten we weer eens naar het beleid en de cijfers kijken. Het aantal bijstandsgerechtigden stijgt licht, maar ligt al jaren rond de half miljoen. Het bedrag aan bijstandsuitkeringen is de afgelopen vijf jaar gestegen van 11 miljard naar 13 miljard per jaar, voor een groot gedeelte een gevolg van de (onvoldoende) stijging van de uitkeringen als compensatie voor de inflatie.
Wel zijn er prognoses, dat de kosten van bijstand voor de gemeenten de komende jaren met 23% zullen stijgen. Dit is echter een gevolg van het feit, dat de gemeenten een groter deel van de bijstand zelf moeten financieren (er moet 380 miljoen op de bijstand worden bezuinigd) en omdat elders in de sociale zekerheid ook fors wordt bezuinigd waardoor meer mensen een beroep op de bijstand moeten doen. (de invoering van de nieuwe Algemene Nabestaanden Wet). Hoezo armoedebestrijding?. De verlaging van de norm-uitkeringen en het toeslagenbeleid, waarbij de gemeenten een toeslag zelf moeten gaan financieren, is de opmaat van nieuwe bezuinigingen, waarbij de gemeentelijke bestuurders bij het doorvoeren daarvan naar Den Haag kunnen wijzen. Op de inhoud van die wet valt heel wat aan te merken, maar dan zou dit artikel veel te lang worden. 
arbeidsethos
Ook het aantal langdurig werklozen neemt toe, terwijl het aantal werklozen momenteel ongeveer gelijk blijft. Ook Amsterdam heeft daar geen oplossing voor.
De heer van der Aa zegt, dat de gemeenten niet hebben te klagen over de steun van het rijk om mensen weer aan het werk te krijgen. Dus daar kan het niet aan liggen. Met de arbeidsbemiddeling in Amsterdam gaat veel fout vooral als gevolg van een gebrek aan visie van de lokale bestuurders. De arbeidsbemiddeling in Amsterdam zit hopeloos verstopt. Belangenorganisaties hebben de afgelopen tijd bijeenkomsten in verschillende buurten georganiseerd en daarbij kwam het volgende naar voren.
Sommige uitkeringsgerechtigden hangt de voortdurende dreiging van een korting boven hun hoofd als ze niet solliciteren. Ook als duidelijk is, dat al dat solliciteren niet tot resultaat zal leiden. De sollcitatieplicht en de daaraan verbonden sancties leiden niet tot een nieuw perspectief op bestaanszekerheid. De dreiging van sancties op de achtergrond weerhoudt werklozen ervan, contact te zoeken met arbeidsbemiddelaars. Het belemmert zo eerder activering dan dat zij deze stimuleert.
Aan de andere kant worden veel werklozen in de categorie van onbemiddelbaar gestopt, terwijl ze vaak graag betaald werk willen en niet als onbruikbaar aan de kant gezet. Er zijn maar liefst vier categoriën van werklozen, waarbij de vierde categorie weer is ingedeeld in een stuk of twaalf sub-categoriën. De sociale dienst zet werklozen onder druk, die (tijdelijk) tevreden zijn met hun karige uitkering en het vrijwilligerswerk dat ze doen, waarbij ze in een situatie van grote werkloosheid ruimte maken voor mensen, die graag betaald werk willen maar minder kansen hebben. De sociale dienst en het arbeidsbureau zouden meer energie moeten steken in het ondersteunen van de laatste categorie.
Terwijl Utrecht kiest voor een frisse aanpak, in de voorwaarden scheppende sfeer, die vele werkzoekenden ook op korte termijn perspectief biedt, kiest Amsterdam voor de doodlopende weg. Alle energie en financiële middelen worden ingezet om een kleine groep aan betaald werk te helpen. Op 18 februari zal tijdens een feestelijke bijeenkomst worden gevierd, dat 875 moeilijk plaatsbare werkzoekenden via maar liefst zeven toeleidingscentra na intensieve begeleiding aan arbeidsbemiddeling kunnen worden overgedragen. (Daarmee hebben ze nog geen werk). En er zijn 50.000 langdurig werklozen in Amsterdam, dus dat schiet op. Ik pleit niet voor het opheffen van deze bemiddeling, maar de cijfers maken wel duidelijk, dat er meer zal moeten gebeuren in de voorwaarden scheppende sfeer, waarbij de langdurig werklozen nu eens niet worden benaderd als mensen met een gebrek, maar als mensen, die iets kunnen, die misschien vrijwilligerswerk doen, zich nuttig maken voor de maatschappij, waarvoor op korte termijn waardering en erkenning van de overheid tegenover staat zoals vrijstelling van de sollicitatieplicht en een premie.
Maar bij het premiebeleid voor vrijwilligers is een beperkt bedrag uitgetrokken, het beleid is op dit punt nog niet van de grond gekomen en Amsterdam houdt strak vast aan de sollicitatieplicht, waarbij ook weer kleine groepen tijdens een korte periode van intensieve trajectbegeleiding worden vrijgesteld.
Wethouder van der Aa houdt vast aan het klassieke arbeidsethos: alleen betaald werk is echt belangrijk, het geeft niet wat. Dit weerhoudt hem ervan, een beleid te ontwikkelen dat vele langdurig werklozen op korte termijn perspectief biedt en dat de sociale zekerheid werkelijk vernieuwd door een andere opvatting welke arbeid belangrijk is en welke niet.
de wethouder
Wethouder van der Aa sluit zich aan bij het betoog van Denijs waarbij de nadruk wordt gelegd op de uitvoeringsproblemen, die een gevolg zijn van te weinig geld hiervoor van het rijk. Vervolgens benadrukt hij het belang van bijzondere bijstand en legt hij uit, dat Amsterdam al veel doet om de toenemende armoede in de stad te bestrijden. Maar Amsterdam heeft nu zijn financiële grenzen bereikt. De heer van der Aa trekt uit de toenemende armoede niet de conclusie, dat het sociale minimum in de bijstand moet worden verhoogd, zoals men in Groningen en ook vele van zijn partijgenoten wel doen. Hij kiest voor een uitbreiding van de bijzondere bijstand, dat lapmiddel, een methode die veel energie en geld voor de uitvoering kost, en dat met een sociale dienst waar de automatisering mislukt is (gevolg van het rijksbeleid?) en waar de ambtenaren alle energie nodig hebben om de bijstandsgerechtigden te controleren, en nog eens te controleren, en nog eens…
Aardig is de opmerking, dat hulpverleners en belangenbehartigers de armoede uit de dagelijkse praktijk kennen, en dat daarom op lokaal niveau snel en adequaat gereageerd wordt om de problemen die de armoede veroorzaakt aan te pakken. Gelukkig erkent wethouder van der Aa nu ook, dat er een toenemend armoedeprobleem in de stad is en dat er meer maatregelen moeten komen om de armoede te bestrijden. Maar dit is niet zomaar gegaan. De gemeentelijke bestuurders hebben zelf dit probleem slechts schoorvoetend erkent, in de afgelopen jaren. Reeds enkele jaren geleden is vanuit ons komitee erop gewezen, dat de gemeente drie pijlers onder zijn beleid had, nl de onderwijsnota, de ekonomische nota en het plan, om mensen aan het werk te helpen. Wij zeiden; er ontbreekt een vierde pijler, nl de armoedebestrijding voor mensen die nooit meer kunnen of hoeven te werken. Pas na lang aandringen is er een armoedeconferentie gekomen, en werden maatregelen op stapel gezet om tot bestrijding van armoede over te gaan. En nu nog malen de molens langzaam. Pas dit voorjaar, dwz meer dan een jaar na de armoedeconferentie, komt er een ‘armoedenota’ waarin de belangrijkste maatregelen worden opgesomd. Snel en adequaat reageren op lokaal niveau is dit niet.

Piet van der Lende

Commentaar op de concept nota ‘Beleidsplan Sociale Zekerheid 1997’. Hoofdlijnen van het beleid van 29 oktober 1996

In de concept-beleidsnota ‘sociale activering’ van de Utrechtse Dienst Welzijn staat de volgende formulering: ‘Bin­nen de hedendaagse verzorgingsstaat is sprake van een over­waardering van betaalde arbeid en een onderwaardering van onbetaalde arbeid. In het verlengde daarvan is er een over­waardering van materiele waarden en consumptie tegenover een onderwaardering van kwalitatieve aspecten van het leven van burgers. In die context krijgen mensen aan de onderkant van de samenleving een lage maatschappelijke status toegekend. Socia­le activering beoogt evenwicht te brengen in de verhouding tussen betaalde en onbetaalde arbeid en slaagt wanneer de onmisbare zorg voor leefomgeving, sociale verbanden in de stad Utrecht en mantelzorg een gelijkwaardige status als betaalde arbeid verwerven’.

Over bovenstaande tekst valt veel te zeggen. Zo mag de zinsnede over de onderwaardering van het kwalitatieve aspect van het leven geen alibi zijn om te zeggen: ‘jullie hebben een zeer lage uitkering, maar de kwalitatieve aspecten van het leven worden ondergewaardeerd, dus richt je daar maar vooral op en laat de lage uitkering maar zo’. Van belang is echter de formulering ‘sociale activering beoogt een evenwicht te bren­gen tussen betaalde en onbetaalde arbeid’. Over de verhouding tussen die twee is in de maatschappij uitgebreid gediscus­sieerd, waarbij vooral een technische uitwerking ter discussie staat. Allerwegen is men het er echter over eens, dat onbe­taalde arbeid wordt ondergewaardeerd en dat een nieuw even­wicht tussen betaalde en onbetaalde arbeid tot stand moet worden gebracht, voor zowel mannen als vrouwen. Het besef dat onbetaalde arbeid wordt ondergewaardeerd zal men in de be­leidsnota ‘sociale zekerheid’ van de gemeente Amsterdam ver­geefs aantreffen, zoals verderop nog zal blijken.

Wanneer de Utrechtse beleidsnota spreekt over de ‘blijvers in de bijstand’ wordt gesteld: Ook voor hen gaat het om activiteiten, die aantrekkelijk uitdagend en stimulerend zijn en voor de samenleving in een behoefte voorzien of om andere redenen positief worden gewaardeerd. We hebben daarbij te maken met geemancipeerde, mondige burgers en dat vraagt om tweerichtingsverkeer bij het maken van afspraken over individuele arrangementen.’

In de nota worden concrete voorstellen gedaan voor een voorwaardenscheppend beleid, waar clienten op kunnen bouwen en rechten aan kunnen ontlenen. In het licht van deze uitgangs­punten zoekt de gemeente Utrecht een uitbouw van het minimabe­leid langs vier sporen: participatie, kwijtschelding, schuld­hulpverlening en intensivering van het gebruik van bijzondere bijstand. In de nota worden de grenzen van de gemeentelijke beleidsvrijheid verkent en worden op open wijze de eisen genoemd die het rijk aan experimenten stelt. De moeilijkheid daarbij is, dat het Rijk bij de uitvoering van experimenten met vrijwilligerswerk in principe een uitgebreide controle verlangt, waarbij aan een groot aantal administratieve eisen moet worden voldaan. Bovendien verplicht het Rijk de gemeente te voorzien in een intensieve trajectbegeleiding. Maar in de onderhandelingspositie die de gemeente Utrecht inneemt worden verschillende onorthodoxe voorstellen gedaan, gebaseerd op de visie die hiervoor ter sprake kwam, daarvoor wil men zich sterk wil maken.

Vergelijk dat eens met de beleidsnota van de gemeente Amsterdam! Nadat is benadrukt, dat betaald werk de absolute prioriteit heeft, wordt slechts eenmaal gesteld: ‘maar ook het doen van onbetaald werk is voor onze clienten en voor de stad van maatschappelijk belang’. Verder worden in de nota ‘werk’ en betaalde arbeid voortdurend aan elkaar gelijk gesteld. ‘Wie aan het werk kan wordt daarbij gestimuleerd. Voor wie een betaalde baan nog wat verder weg is, zijn er andere mogelijkheden voor maatschappelijke deelname.’ Wanneer het om zorgar­beid van bijstandsvrouwen of vrijwilligerswerk gaat wordt niet gesproken over werk. Zo weerspiegelt de nota ‘sociale zeker­heid’ de onderwaardering van onbetaald werk en vrijwilligers­werk. Het is eigenlijk geen werk. Voor de schrijvers van de nota zijn er maar twee mogelijk­heden: betaald werk of ‘zorg’ waarbij ook weer ‘werk’ en ‘betaalde arbeid’ aan elkaar gelijk worden gesteld. ‘Clienten waarvoor werk nog niet (direct) bereikbaar is, krijgen zorg aangeboden. Voor wie een betaalde baan nog even op zich laat wachten, geeft een uitkering op grond van de bijstandswet als tijdelijk inkomen een ondersteuning’ (blz 1)

De beleidsnota spreekt steeds over zorgtrajecten, poortwach­tersfunctie, handhaving, repressie, etc. Allemaal begrippen, waarbij de client eenzijdig als een te sturen object wordt gezien en niet als een mondige burger, waarmee een tweerich­tingsverkeer mogelijk is. Niet eenmaal wordt aan de orde gesteld, in hoeverre kan worden aangesloten bij positieve eigenschappen van uitkeringgerechtigden, bij de initiatieven die zij vaak vanuit zichzelf ondernemen om weer een perspectief te krijgen, zoals in de Utrechtse nota wel gebeurt. Niet eenmaal wordt in de beleids­nota de suggestie gewekt, dat vele uitkeringsgerechtigden verantwoordelijkheid tonen voor de maatschappij, dat velen van hen zonder de sociale dienst allerlei werk doen, en hoe wellicht bij deze activiteiten kan worden aangesloten. Uitke­ringsgerechtigden worden eenzijdig gezien als mensen met een handicap, waaraan gesleuteld moet worden om hen weer bij de maatschappij te betrekken. Zij behoeven alleen maar zorg en controle.

In hoofdstuk 3 veronderstelt de sociale dienst, dat zij een grote kennis heeft opgebouwd over de clienten. Maar is dat wel zo?. Geheel in het verlengde van ‘alles of niets’, dus zorg of betaald werk, wordt veronderstelt, dat voor maar liefst 70% van de clienten uit de D categorie een ‘uitstroomperspectief op lange termijn’ bestaat. Deze boute bewering wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Tegenover de optimistische prognoses staan geen konkrete cijfers over de resultaten van het beleid tot nu toe. De beleidsnota is in dit opzicht behoorlijk vaag.

Er worden daarvoor verschillende redenen genoemd. Het is een beetje de redenering: ‘ons beleid van positieve en negatieve prikkels en de grote nadruk op het belang van betaald werk heeft effect, maar we kunnen het helaas niet aantonen. Het moet logisch gesproken wel zo zijn’.

De eenzijdige, gesloten bureaucratische benadering van boven af zoals die in de beleidsnota van de gemeente Amsterdam tot uiting komt roept weerstanden op in de Amsterdamse samen­leving bij individuele clienten maar ook bij organisaties van uitkeringsgerechtigden en andere organisaties die op enigerlei wijze betrokken zijn bij het (preventieve) anti-armoede be­leid.

De schrijvers van de beleidsnota zijn zich van deze weerstanden oproepende eenzijdigheid niet bewust. ‘Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de animo bij de clienten voor het toepassen van verschillende instrumenten voor zorg en herintreding niet heel groot is. In 1997 zullen daarom grote inspanningen moeten worden verricht om het draagvlak bij de clienten te vergroten. In eerste instantie gebeurt dit door positieve prikkels, uiteraard in planmatig overleg met de clienten. Daarbij kan het verstrekken van premies een rol spelen. Maar voor mensen die wel kunnen maar niet willen, zal het sanctiebeleid stringent worden toegepast. Van belang is daarbij de nieuwe wet boeten. Wie niet kan, zal uiteraard worden geholpen binnen de zorginstelling’ (blz 16). Er wordt wel gesproken over een ‘planmatig overleg met clienten’, maar verder wordt alles geinterpreteerd in termen van positieve en negatieve prikkels. Je moet ze prikkelen, anders doen ze niks. Wie kan en niet kan, dat bepaalt uiteraard de sociale dienst in samenwerking met het arbeidsbureau, op basis van een door de sociale dienst uit te voeren ‘individuele diagnose’. (blz 17).

Omdat een visie op de verhouding tussen betaalde en onbetaalde arbeid in de Amsterdamse nota ontbreekt, en niet wordt nage­gaan hoe vanuit deze visie voorwaardescheppend kan worden opgetreden, staan de verschillende soms positief te waarderen voorstellen in de Amsterdamse nota los van elkaar, waarbij ze zonder onderlinge samenhang worden gepresenteerd, of het moest het voortdurend benadrukken van de prioriteit van de betaalde arbeid en de poortwachtersfunctie van de dienst zijn.

In plaats van het ontwikkelen van een visie wordt in de beleidsnota verder veel aandacht besteed aan de technisch bureaucratische problemen van samenwerking met anderen, waarbij een projektmatige aanpak wordt gehanteerd die aansluit op de visie van een client als te sturen object en niet als een persoon, die vaak zelf allerlei oplossingen zoekt om uit de armoede te komen. Voor de opzet van allerlei projekten wordt een nieuwe uitvoeringsorganisatie in het leven geroepen die controlerend en sturend moet optreden of wordt samenwerking gezocht met andere grote organisaties, waartussen afspraken en convenanten worden gemaakt op basis van contracten. Naar onze mening leidt dit in sommige opzichten tot een grote mate van inefficiency. Het kost veel geld (overheadkosten) en er worden slechts kleine groepen bereikt. Het projekt in Zuid-Oost, opgezet door de BZO en de thuiszorg voor de creatie van Mel­kert 3 banen bereikt in het eerste jaar slechts een 120 tal mensen, althans dat is de door een van de medewerkers optimis­tisch ingeschatte prognose. Het ‘vrijwilligers’ project in De Baarsjes kon in het kader van vrijwilligerswerk voor uitkeringsgerechtigden slechts 12 allochtonen aan een vrijwilli­gersbaan helpen. Ook het aantal clienten, dat van een premie­regeling gebruik zal kunnen maken is minimaal. Vernieuwende ideeen om voorwaarden te scheppen voor grote groepen van uitke­ringsgerechtigden die hen weer perspectief en een toekomst geven ontbreken.

De eenzijdige visie van de client als te sturen object, het zoeken van bureaucratisch-technische oplossingen, de projectmatige hap snap aanpak en de grote nadruk op individuele beoordeling zonder een voorwaarden scheppend beleid waaraan clienten rechten kunnen ontlenen weerspiegelt zich in de dage­lijkse contacten van de clienten met medewerkers van de dien­st.

In de eerste plaats kan worden gesteld, dat op het spree­kuur van verschillende belangenorganisaties dagelijks clienten komen, die vertellen over de negatieve manier waarop ze door sociale dienst ambtenaren zijn benaderd. (De goede ambtenaren niet te na gesproken). “Je wordt behandeld als oud vuil’, ‘ik had het gevoel, bij voorbaat in het verdachtenbankje te zit­ten’, ‘als je niet van je afbijt lopen ze over je heen’ en: ‘ik zat te huilen. Toen hebben ze zonder mij te raadplegen een keuringsarts ingeschakeld en mij daarvoor een oproep gestuurd. Maar ik ben niet ziek’. Vaak is er een onontwarbare kluwen ontstaan van administratieve procedures die misgelopen zijn en een negatieve opstelling van ambtenaren. Het Komitee Amsterdam Tegen Verarming schreef het rapport ‘Schrijf het van je af’ waarin vele voorbeelden in dit verband worden genoemd. Dit voorjaar zal een nieuw rapport verschijnen over deze ‘conti­nuing story’.

In de tweede plaats kan worden gesteld, dat de arbeidsbemidde­ling hopeloos verstopt zit, wat niet alleen aan de sociale dienst is te wijten. Er wordt in de beleidsnota van de gemeente Amsterdam verder niets over gezegd, behalve de zin: ‘Wij willen in Amsterdam geen situatie dat een deel van de clienten met premies of straffen worden geprikkeld om te gaan werken, terwijl andere clienten aan hun lot worden overgelaten’ Wij zouden het iets anders willen stellen als het om de effecten van het huidige beleid gaat en om wat de beleidsnota ‘integra­le activering’ noemt:  veel clienten, die zinvol vrijwilli­gerswerk doen, en die (tijdelijk) genoegen nemen met een karige uitkering, worden onder druk gezet betaalde arbeid te aanvaarden en krijgen vaak te maken met sancties die zinloos zijn, veel clienten die graag betaald werk willen krijgen een stempel opgedrukt van D of C categorie waarbij hun kansloos zijn door de bemiddelingsinstanties wordt gereproduceerd. Voorbeelden zijn er in dit verband te over.

De afgelopen maanden organiseerden de W.B.V.A. en de Bijstandsbond acht buurtbijeenkomsten over het functioneren van bemiddelingsin­stanties en de sociale dienst. Op deze bijeenkomsten waren in totaal 150 mensen aanwezig. Wat opviel, was dat clienten die zeer gemotiveerd waren om betaald werk te aanvaarden en die er ook veel naar zochten, in hun dossiers bij de diverse instan­ties allerlei negatieve formuleringen terugvonden, zoals ‘weinig flexibel’, gestresst’ etc. Wanneer je dan probeert te solliciteren op een bepaalde vacature, of een bepaalde scho­ling wilt volgen, wordt je in de voorselectie van het arbeids­bureau al afgewezen, omdat je niet een de gestelde criteria zou voldoen.

Geheel in het verlengde van de eenzijdige visie wordt nergens gesproken over de zeggenschap van de belangenorganisa­ties die opkomen voor de rechten van de minima. In hoeverre is bijvoorbeeld het overleg met de clientenraad, het komitee amsterdam tegen verarming en het stedelijk signaleringsoverleg van belang voor de sociale dienst en hoe wil zij dit verder ontwikkelen?.

Het beleidsplan sociale zekerheid 1997 heeft een dubbele doelstelling: ‘de gemeente Amsterdam beschrijft in dit plan de beleidslijnen voor het begrotingsjaar 1997’ Daarnaast heeft het plan de bedoeling, het kader aan te geven waarbinnen de sociale dienst als uitvoeringsorganisatie haar kerntaken in 1997 verricht. De armoedeconferentie van een half jaar geleden wordt daar niet bij betrokken. Er is een conferentie geweest over armoede in Amsterdam, waarover een rapport ver­scheen en waarin door maatschappelijke organisaties vele con­crete voorstellen werden gedaan die op korte termijn uitvoer­baar zijn. In de beleidsnota wordt gesteld dat ‘de output van de minimaconferentie en de voorstellen uit de ‘andere kant van Nederland’ zullen meegenomen worden in de concrete uitwerking van de beleidslijnen zorg voor 1997′. (blz 12) In de beleids­nota sociale zekerheid wordt hier verder geen aandacht aan besteed. Had een half jaar na de conferentie nu in dit be­leidsplan niet meer aandacht kunnen worden besteed aan de vele voorstellen die daar zijn gedaan? Malen de bureacratische molens zo langzaam?.

In de beleidsnota staat geen duidelijke omschrijving van de doelgroep, waarop de lokale sociale zekerheid in Amsterdam zich richt. Min of meer stilzwijgend wordt er echter van uitgegaan, dat het hier de clienten van de sociale dienst betreft. Met name deze categorie wordt in de beleidsnota tenminste uitgebreid geanalyseerd. Heeft de lokale sociale zekerheid geen betrekking op andere groepen?. Bijzondere bijstand is toch voor alle minima, zoals ouderen?. Op de minimakonferentie is oa gevraagd om een minima-effect rappor­tage en een onderzoek naar de omvang en karakter van armoede in Amsterdam. Wij vinden dat dergelijke voorstellen thuishoren in een beleidsnota over lokale sociale zekerheid. Op de minimakonferentie zijn vele andere voorstellen gedaan voor een beleid op het gebied van lokale sociale zekerheid.

Formulieren. Te uitgebreide vragen formulier en te vergaande vragen over arbeidsongeschiktheid

Ook verschenen in de MUG, Maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam in het octobernummer 1995. In de rubriek ‘De gang van zaken’. 
Formulieren
De laatste tijd brengen verschillende cliënten bij de Bijstandsbond naar voren, dat sommige formulieren van de sociale dienst verkeerd zijn opgezet. De kritiek richt zich vooral op een bepaald heronderzoeksformulier. Het gaat om een uitgebreid vragenformulier, dat zowel wordt gebruikt bij cliënten die voor het eerst een uitkering aanvragen, als bij cliënten die alleen voor een periodiek heronderzoek op het rayonkantoor moeten komen. Iemand die al een uitkering heeft, moet in dit geval een onnodig lange lijst met vragen doorwerken. Dat is meteen het eerste kritiekpunt.
Daarnaast moeten niet alleen de eigen gegevens worden ingevuld, maar ook die van de partner. Wanneer er een partner is, moet de opgeroepene niet alleen alle bewijzen van zichzelf meenemen, maar ook die van de ander, zoals paspoort, giro-afschriften, origineel bewijs van het sofinummer, enzovoort. En dat terwijl de oproep voor hercontrole op een bepaalde naam gesteld is en de ander niet officieel wordt opgeroepen. Dit leidt tot misverstanden. ‘Waarom roept u mijn vriend niet zelf op? Waarom moet ik met zijn paspoort en giro-afschriften over straat gaan sjouwen? We hebben ieder ons eigen leven en ik ga niet zitten snuffelen in de privé-papieren van mijn partner.’ De ambtenaren van de sociale dienst hebben meestal weinig begrip voor de afspraken tussen twee samenwonenden. ‘Dan neemt u hem toch gewoon mee?’
Wanneer je ziek bent, moet op het heronderzoeksformulier de aard van de ziekte worden ingevuld en verder de naam van de behandelende arts en/of van de huisarts. Ook hier hebben veel cliënten bezwaar tegen. Zij vinden dat de sociale dienst hier niets mee te maken heeft. Je bent arbeidsongeschikt, punt uit. De procedure voor cliënten die ziek worden is als volgt: Wanneer je ziek wordt, kun je dit invullen op het werkbriefje. Als het goed is, word je dan na enige tijd opgeroepen door een keuringsarts van de GG&GD. Die voert een gesprek met je, waarin de redenen van de arbeidsongeschiktheid worden vastgesteld. Daarna stelt de keuringsarts een rapportje op voor de sociale dienst, waarin je wel of niet arbeidsongeschikt wordt verklaard. Als je arbeidsongeschikt bent, moet je overgaan van de RWW met sollicitatieplicht naar de ABW zonder sollicitatieplicht. (Dat gaat wel eens fout, omdat de sociale dienst iemand soms jaren in de RWW houdt.) Sommige cliënten vinden dat deze gegevens de sociale dienst niet aangaan. De dienst hoeft niet te weten waarom je arbeidsongeschikt bent, en zeker niet wie de behandelende artsen zijn.
Op het gewraakte formulier staat verder een verklaring, die je moet ondertekenen. Onder punt vijf van deze verklaring staat, dat je aangeeft ermee bekend te zijn, dat de dienst inlichtingen kan inwinnen bij GAK, werkgever, boekhouder, en diverse andere instanties. Sommige cliënten denken, dat dit een soort vrijbrief is voor de sociale dienst om maar bij alles en iedereen naar van alles en nog wat te informeren, zonder dat de cliënt hierover hoeft te worden ingelicht. Is dat geen schending van de privacy? Wij adviseren cliënten de verklaring wel te ondertekenen (anders wordt je uitkering misschien stopgezet), maar op de bladzijde ernaast protest aan te tekenen tegen de verklaring, en een voorbehoud te maken ten aanzien van de instanties, die de sociale dienst zonder je in te lichten mag raadplegen.
Daarnaast adviseren wij, een klacht in te dienen waarin de bezwaren tegen het formulier staan geformuleerd. Er zijn voorgedrukte klachtenformulieren bij de rayonkantoren verkrijgbaar, waarin de procedure staat uitgelegd. Om misverstanden te voorkomen: dit is dus iets anders dan de officiële bezwaarschrift-procedure. De klacht kan worden gericht aan het hoofd van het rayonkantoor of worden toegestuurd aan het antwoordnummer, dat op het formulier staat vermeld. Over het heronderzoeksformulier hebben al gesprekken plaatsgevonden met het hoofd van rayonkantoor De Baarsjes. Wanneer veel mensen een klacht indienen, zal het formulier misschien veranderd worden.
Piet van der Lende

Ambtenaren zonder tijd. Perikelen met bijzondere bijstand en schulden. Ook dreigende schulden

Verschenen in aprilnummer 1995 van Maandblad Uitkeringsgerechtigden MUG

Ambtenaren zonder tijd
Een cliënte gaat in 1989 naar de sociale dienst in verband met schulden. Een van de oorzaken van die schulden is dat iemand anders bij haar bankrekening kan en dat die grote bedragen heeft opgenomen. Na enige bezoeken aan het rayonkantoor krijgt ze te horen dat ze voor wat betreft een huurschuld een brief moet afwachten van de deurwaarder en met die brief naar het rayonkantoor moet komen. Cliënte doet dit en de sociale dienst helpt haar met de huurschulden. Schulden aan het ziekenfonds en de Finatabank worden door de sociale dienst niet betaald, daarvoor moet betrokkene zelf een regeling treffen. Ook een aanvraag voor bijzondere bijstand in verband met baby-spullen wordt niet in behandeling genomen. Cliënte vraagt een voorschot, maar er wordt gezegd dat zij dit pas zal krijgen als zij eerst enkele formulieren ondertekent. De machtigingsformulieren worden vervolgens door cliënte getekend en daarna door de ambtenaar ingevuld.
Vanaf dit moment beginnen de stekeligheden over en weer. Cliënte krijgt het gevoel niet serieus genomen te worden, ook al omdat de teksten op de roze vellen van de bezoeksbevestigingen haar gedicteerd worden, en omdat er misverstanden ontstaan over verschillende inhoudingen. Cliënte begrijpt verschillende bedragen niet die op haar uitkeringsspecificatie worden ingehouden, met name niet inhoudingen voor het energiebedrijf, Dus gaat ze naar de sociale dienst om opheldering te vragen. Er wordt daar tegen haar gezegd dat contact zal worden opgenomen met de boekhouder en dat deze boekhouder weer contact zal opnemen met cliënte. Dit gebeurt echter niet. De ambtenaren hebben ondertussen zeer weinig tijd voor de situatie. Voortdurend geven zij aan slechts een kwartiertje of minder beschikbaar te zijn voor een gesprek.
In het voorjaar van 1991 wordt cliënte opgeroepen voor een heronderzoek. Zij stelt dan dat zij bijzondere kosten heeft voor de verzorging van haar zoontje, die op dieet is. De ambtenaar zegt daarop dat de sociale dienst die niet vergoedt. In juni probeert de cliënte het nog een keer. De desbetreffende ambtenaar weigert wederom de aanvraag in behandeling te nemen en zegt bovendien dat er geen formulieren zijn. De cliënte zegt daarop dat er folders in de wachtkamer liggen, waarin de mogelijkheden voor het aanvragen van bijzondere bijstand worden aangegeven. Volgens de ambtenaar zijn dit echter oude folders, die nog weggehaald moeten worden.
Cliënte begint ook weer over de uitkeringsspecificaties uit 1989 en 1990 waarover zij nooit opheldering heeft gekregen. Zij heeft nooit contact gehad met de boekhouder om een en ander uit te leggen. Weer maakt de ambtenaar fotokopieën van de betreffende specificaties en zegt dat het zal worden doorgegeven aan de boekhouder. Tevens wordt het telefoonnummer van de cliënte genoteerd. Verder gebeurt er niets.
In april 1992 heeft cliënte weer contact met de sociale dienst, waarbij ze het weer heeft over vergoeding van bijzondere kosten voor haar zoontje. Weer wordt gezegd dat ze er niet voor in aanmerking komt. Cliënte begint ook maar weer eens over de gang van zaken met de uitkeringsspecificaties uit 1990. Ook moet cliënte weer haar telefoonnummer geven. Er wordt haar beloofd dat ze wordt teruggebeld. Weer gebeurt er verder niets.
November 1992 belt cliënte weer naar de sociale dienst. Zij wil graag een afspraak maken om eens over een en ander te praten. De ambtenaar vraagt waarover het gaat en cliënte stelt weer de gang van zaken uit 1990 aan de orde. De ambtenaar antwoordt dat de gegevens er niet meer zijn, want het is zo lang geleden. Daarop stelt cliënte dat zij alle papieren nog wel heeft, en dat op basis daarvan misschien een gesprek kan plaatsvinden. De ambtenaar zegt dat hij het dossier erbij zal nemen. Er wordt een afspraak gemaakt voor november 1992. De cliënte verschijnt op de afspraak met al haar gegevens en berekeningen, maar het dossier is niet aanwezig. De ambtenaar herhaalt dat de gegevens er niet meer zijn en dat haar geval speelt vòòr de tijd dat hij op het rayonkantoor ging werken. Cliënte laat daarop de specificatie zien van januari en februari 1990 en vraagt wat de bedragen zijn die worden ingehouden. De ambtenaar komt er niet uit; hij deelt mee dat sommige bedragen nooit op de specificatie hadden mogen staan. Cliënte blijft vragen hoe een en ander zo gelopen is.
De ambtenaar wordt boos en herhaalt dat het allemaal voor zijn tijd speelde en dat de gegevens niet meer te verifiëren zijn, het is allemaal vijf jaar geleden. Weer zegt de ambtenaar dat hij de specificaties en de twee blaadjes met berekeningen van cliënte zelf gaat fotokopiëren, en dat hij het aan de boekhouder zal geven. Cliënte vraagt om een brief uit 1989 van de deurwaarder, die ze toen niet had terug gekregen. Nu gaat de ambtenaar naar achteren om te kopiëren, en komt terug met de brief uit 1989. Het dossier is er dus wel. De ambtenaar wordt weer kwaad en deelt mee dat hij verder niets meer wil horen en dat hij maar een kwartier voor dit gesprek heeft uitgetrokken. Hij vraagt weer om het telefoonnummer van cliënte. Deze wordt daarop ook kwaad en weigert het te geven. ,,U hebt mijn telefoonnummer al tweemaal gehad, kijkt u maar in het dossier.” Daarop loopt de ambtenaar kwaad weg en slaat de deur dicht.
Op 15 juli 1994 vraagt cliënte bijzondere bijstand aan voor vergoeding van de kosten voor een frame-prothese. Zij hoort weer een hele tijd niets en belt in december op om te vragen hoe het met de aanvraag staat. Daarop zegt de contactambtenaar dat hij het veel te druk heeft en dat cliënte moet wachten. Ook kan hij niet zeggen wanneer zij het geld krijgt, want het is in behandeling.
In januari 1995 ontstaan misverstanden over een beschikking die cliënte in de bus krijgt. De sociale dienst gaat over tot terugvordering van bijstand vanwege het feit dat cliënte onjuiste of onvolledige inlichtingen zou hebben verstrekt of op een andere manier niet aan de wettelijke mededelingsplicht zou hebben voldaan. Het blijkt te gaan over kostgeld dat cliënte zou ontvangen voor de vriend van haar dochter, die ook bij cliënte inwoont.
Cliënte gaat naar de Bijstandsbond. Daar krijgt ze te horen dat alles zal worden geregeld, en dat de bijzondere bijstand voor de frame-prothese ook zal worden gestort. Verder wordt inzage in het dossier gevraagd. De ambtenaar geeft echter te kennen bijzonder weinig tijd te hebben. Het dossier moet binnen een kwartier worden doorgenomen. Er worden onder andere gegevens uit het dossier van 1989 en 1990 gekopieerd. Er ontstaan weer problemen. Het blijkt een gebed zonder eind.
Piet van der Lende.

Tekenen ongedateerde machtiging, mutaties van verhuizing traag verwerkt

Verschenen in maart nummer 1995 van de MUG, Maandblad voor Uitkeringsgerechtigden in Amsterdam.

Deze maand weer een voorbeeld van wat er allemaal fout kan gaan bij de Sociale Dienst. We willen trouwens niet ontkennen dat de Sociale Dienst gedeeltelijk gelijk heeft wanneer ze zegt dat er met 70.000 cliënten in het bestand wel eens iets fout gaat. Dit argument moet echter geen dooddoener worden. Wij blijven van mening dat zaken als het onderhavige niet hoeven voor te komen, wanneer een ambtenaar maar de tijd neemt zaken goed te regelen en wanneer er een goed (computer)systeem bestaat, waarbij doorgegeven mutaties op de juiste wijze worden verwerkt. Dat is op dit moment niet het geval. (Zie ook het artikel over de campagne ‘Schrijf het van je af’, op deze pagina.)
Een mevrouw uit Amsterdam Zuidoost tekende enige tijd geleden een ongedateerde machtiging, dat op haar uitkering een bedrag zou worden ingehouden voor een verstrekte lening. Aangezien deze machtiging ongedateerd was, kon hij op ieder willekeurig moment ingaan. Aanvankelijk gaf de mevrouw toestemming 110,- gulden op haar uitkering in te houden, maar na enige tijd werd dit automatisch afgeschreven bedrag zonder enige verdere mededeling of brief veranderd in 150,- gulden. Mevrouw kwam hier achter omdat het op de uitkeringsspecificatie vermeld stond. Toen zij hierover om opheldering vroeg, werd haar meegedeeld, dat zij met de uitkering voor een eenoudergezin bij nader inzien wel 150,- gulden kon betalen, en dat het ingehouden bedrag daarom veranderd was. Mevrouw protesteerde hiertegen en deelde mee, dat het in te houden bedrag weer op het oude niveau moest worden teruggebracht. En toen stapelden de problemen zich op.
Een maand na het voorval van de automatische inhoudingen verhuisde mevrouw, ze gaf dit op tijd door aan de Sociale Dienst, zowel door op te bellen als door het schrijven van een brief. In de laatste week van de maand: geen uitkeringsspecificatie op het nieuwe adres. Wel werd er geld gestort. De uitkeringspecificatie bleek naar het oude adres gestuurd. Daarbij bleek dat de GSD, die iedere maand de huur afhield, de huur voor het oude adres was blijven betalen en dat er geen huur voor het nieuwe adres was betaald.
Weer enige tijd later bleek dat de uitkering volledig was geblokkeerd. De sociale dienst deelde mee dat zij verschillende dingen nader moest uitzoeken in verband met de verhuizing en het feit dat het jongste kind 12 jaar was geworden. Daardoor was mevrouw nu sollicitatieplichtig en ging zij terug naar de norm alleenstaande. Vele telefoontjes met de sociale dienst volgden, waarbij de cliënt naar voren bracht dat de verkeerde huurbetalingen moesten worden hersteld en dat zij bezwaar maakte tegen het opleggen van de sollicitatieplicht, omdat een van de kinderen erg ziek is en verzorging behoeft.
Steeds werd haar beloofd dat voor het einde van de maand alles in orde zou worden gemaakt, maar het heeft uiteindelijk maanden geduurd voordat het zover was.
Piet van der Lende