Het sociale zekerheidsstelsel in Nederland en België en de tegenprestatie

Op vrijdag 21 november ben ik op een ‘trefdag’ van de actiegroep ‘De Lege Portemonnees’ in Gent (België) geweest waar ik in een workshop heb gediscussieerd over de overeenkomsten en verschillen tussen Nederland en België wat betreft het werken met behoud van uitkering. De studiedag met verschillende workshops en inleidingen op de Hogeschool van Gent droeg als titel: ‘Activering zoals het is. (Over)leven op de arbeidsmarkt’.

De actiegroep De Lege Portemonnees is een netwerk van individuen en organisaties die zich verzetten tegen armoede en sociale uitsluiting. Via maandelijkse bijeenkomsten en diverse acties komen ze op voor waardig werk en een menswaardig inkomen voor iedereen. De Lege Portemonnees is een samenwerking van vakbondsgroepen, plaatselijk welzijnswerk en andere groepen.

Ik heb een paper geproduceerd over de situatie in Nederland dat gebruikt werd bij de discussie. In Nederland kennen we verschillende vormen van werken voor je uitkering, oftewel dwangarbeid. Naast participatieplaatsen kunnen hier verschillende vormen van reïntegratie toe worden gerekend, en met de invoering van de Participatiewet is de tegenprestatie (iets terugdoen voor je uitkering) als algemene mogelijkheid geïntroduceerd. In België willen de rechtse regeringen nu een vergelijkbaar systeem invoeren, daar ‘gemeenschapswerk’ of verplicht vrijwilligerswerk genoemd. Tijd dus om onze ervaringen met het systeem met de Belgen te delen.

De sociale zekerheid in België zit in verschillende opzichten anders in elkaar dan bij ons. Men heeft daar een werkloosheidsuitkering, die onbeperkt is in duur. Wel zijn de uitkeringen vrij laag. In de eerste maanden van werkloosheid slechts 60% van het laatstverdiende loon. Er zijn daardoor vrij weinig bijstandsgerechtigden, daar ‘leefloners’ genoemd. Om de gedachten te bepalen: in Vlaanderen waren er in 2010 bijna 44.000 leefloners.

Voor de werklozen en de leefloners zijn verschillende vormen van werken met behoud van uitkering ontwikkeld. Voor de leefloners is er de zogenaamde artikel 60 regeling. De sociale dienst van het OCMW (vergelijkbaar met onze Dienst Werk en Inkomen) stelt leefloners tewerk onder een arbeidsovereenkomst. De betrokkene wordt tewerk gesteld binnen het OCMW zelf of bij een sociale organisatie. Het soort werkzaamheden dat verricht wordt is hetzelfde als in Nederland. Na verloop van tijd echter, anders dan bij ons, ontstaat voor deze leefloners recht op een werkloosheidsuitkering. Ze gaan dan dus uit de bijstand en komen in een betere regeling terecht.

Naast het bovenstaande kent men in België tewerkstelling via de PWA’s. (Plaatselijke Werkgelegenheids Agentschappen). Uitleg van dat systeem kun je vinden op een site van de Belgische overheid. Het gaat dan om werkzaamheden als thuishulp met een huishoudelijk karakter, waarvoor men meer recent een systeem van dienstenchecques heeft ingevoerd, tuinonderhoud bij particulieren, hulp bij formulieren invullen, stadswachter, seizoensgebonden activiteiten in de tuinbouw.

En nu wil men dus toe naar uitbreiding van dergelijke systemen door de introductie van ‘gemeenschapswerk’, dat verplicht wordt gesteld. De werklozen moeten strenger worden aangepakt. Met dezelfde ideologische frasen van rechts die we in Nederland ook kennen. Het systeem gaat waarschijnlijk worden, dat iedereen die 24 maanden werkloos is een job neemt, door Open VLD (Open Vlaamse Liberalen en Democraten) in de Vlaamse regering ‘activa jobs’ genoemd, waarbij men gedurende twee halve dagen per week gaat werken voor de ‘gemeenschap’. Te denken valt aan bezoeken senioren, voorlezen of toezicht op scholen, hulp bij het verenigingsleven.

Tijdens de workshop hebben we de argumenten tegen deze vorm van dwangarbeid op een rijtje gezet. Net als bij ons wordt het argument gebruikt, dat als de gemeenschap een prestatie levert, je ‘iets’ moet terugdoen, de tegenprestatie. Een uitkering is dan geen recht meer of een verzekering waarvoor je premies hebt betaald. Ook zit in gemeenschaps werk de ‘pedagogische’ component: de werklozen moeten gedisciplineerd worden leren op tijd komen, een arbeidsritme houden, etc. In feite gaat het erom, zoveel mogelijk werklozen en anderen flexibel inzetbaar te maken op de arbeidsmarkt, waarbij je van het ene baantje naar het andere holt zonder vooruit te komen. Een argument wat ook naar voren kwam is, dat al die terwerkstellingsmaatregelen net als bij ons de kansen op een reguliere baan niet vergroten. Wat dat betreft werkt het systeem niet. En tenslotte levert een systeem van tegenprestatie leveren of gemeenschapstaken uitvoeren een verdringing van bestaande betaalde arbeid op.

In Belgie staat de invoering van het systeem nog in de kinderschoenen. Maar nu al wil men via de Lege Portemonnees e.d. welzijns en sociale organisaties benaderen om niet aan de systemen mee te doen. Zij moeten immers de arbeidsplaatsen regelen/organiseren die de werklozen krijgen. Daarbij kijkt men naar Engeland, waar de Boycott Workfare acties veel resultaat hebben geboekt met hun ‘naming and shaming’ campagnes.

Piet van der Lende

Deze blog is ook verschenen op de site van Doorbraak.eu. Daar heeft O.P Merker de volgende opmerkingen geplaatst.

Een drietal op- en aanmerkingen op bovenstaande situatieschets van België:
1)
Er wordt gesteld dat de zo genaamde art. 60 regeling een vorm van werken met behoud van uitkering is. Dit klopt niet. Weliswaar wordt gesteld dat leefloners te werk worden gesteld onder een arbeidsovereenkomst, maar daarbij wordt ook het gewaarborgd minimumloon met een paar andere “extralegale voordelen” verdiend. Dit loon wordt uitbetaald door het OCMW.
Uiteindelijk bestaat die constructie art. 60 dan ook eerder om leefloners lang genoeg te laten werken zodat ze uitkeringsgerechtigd kunnen worden. Waarvoor men, wat naast het leeftijdsgebonden is, een “te bewijzen minimum aantal arbeidsdagen in loondienst en referteperiode” dient te overleggen:
Jonger dan 36 jaar
– ofwel 312 dagen gedurende de 21 maanden voorafgaand aan uw aanvraag;
– ofwel 468 dagen gedurende de 33 maanden voorafgaand aan uw aanvraag
– ofwel 624 arbeidsdagen gedurende de 42 maanden voorafgaand aan uw aanvraag.
Van 36 tot 49 jaar
– ofwel 468 dagen gedurende de 33 maanden voorafgaand aan uw aanvraag;
– ofwel 624 arbeidsdagen gedurende de 42 maanden voorafgaand aan uw aanvraag;
– ofwel 234 dagen tijdens de 33 maanden + 1.560 dagen tijdens de 10 jaar die voorafgaan aan deze 33 maanden;
– ofwel 312 dagen tijdens de 33 maanden + voor elke dag die ontbreekt om tot 468 dagen te komen, 8 dagen tijdens de 10 jaar die deze 33 maanden voorafgaan.
Vanaf 50 jaar
– ofwel 624 dagen gedurende de 42 maanden voorafgaand aan uw aanvraag;
– ofwel 312 dagen tijdens de 42 maanden die uw aanvraag voorafgaan en 1560 dagen tijdens de 10 jaar die deze 42 maanden voorafgaan;
– ofwel 416 dagen tijdens de 42 maanden + voor elke dag die ontbreekt om tot 624 dagen te komen, 8 dagen tijdens de 10 jaar die deze 42 maanden voorafgaan.
Met andere woorden de leefloner werkt normaliter als een “normale werknemer” afhankelijk van de leeftijd met die art. 60 constructie voor 1 jaar, anderhalf jaar of 2 jaar. Daarna is deze uitkeringsgerechtigde en gaat via de Belgische staat – met de RVA (Rijksdienst Voor Arbeidsvoorziening) als uitbetalende instelling – een uitkering uitbetaald krijgen.
Echter normaliter heeft de uitkeringsgerechtigde geen direct contact met de RVA, alleen maar in het geval van (her)controle, of deze genoeg gesolliciteerd heeft. De RVA is de instantie die ook sanctioneert. De uitbetalingen zelf en de administratie daaromtrent wordt door de vakbonden gedaan en indien niet gesyndicaliseerd door de hulpkas (de HVW, Hulpkas Voor Werkloosheidsuitkeringen, is een openbare instelling van sociale zekerheid die werkloosheidsuitkeringen en aanverwante uitkeringen – jeugdvakantie, activering, PWA – betaalt). De uitkeringsgerechtigde vraagt dus ook via of de vakbond of de hulpkas zijn of haar uitkering aan.
De VDAB (Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding) vervolgens volgt de uitkeringsgerechtigde op in verband met het zoeken naar betaalde arbeid, sollicitatietrainingen, om- her- en bijscholingen en deze heeft ook de mogelijkheid externe instellingen in te schakelen om de uitkeringsgerechtigde middels trajectbegeleidingen een (vaak) “nutteloze” bezigheid te geven.
Tijdens de regering voor deze regering, Di Ruppo 1 (een coalitie van de PS, sp.a, MR, Open Vld, CD&V en cdH – oftewel de Vlaamse en Waalse socialisten, liberalen en katholieken -) zijn er een aantal federale bevoegdheden naar de gewesten overgeheveld (de 6e staatshervorming genoemd. België kent drie gewesten met elk ook een gewestregering: Vlaanderen, Wallonië en Brussel), die nu met deze regeringen sinds 25 mei 2014 in voege getreden zijn. Onder andere dat de gewesten de volledige bevoegdheid hebben gekregen over de activering van de werklozen en bijbehorende sancties. Waarbij dus de VDAB sancties kan opleggen, dat momenteel uitgewerkt wordt door de rechtse Vlaamse regering (een coalitie van de N-VA, CD&V en Open Vld – Vlaams nationalisten, katholieken en liberalen -).
Het leefloon is trouwens een maandelijks vast bedrag en een uitkering is een dagbedrag, waarbij alleen de zondag niet geteld wordt als dag. Dus met een uitkering ontvangt men iedere maand een ander bedrag, afhankelijk van het aantal dagen de voorgaande maand had. Zowel het leefloon als de uitkering kent geen aparte vakantiegeld uitkering (eens per jaar), zoals dat in Nederland gebruikelijk is. Verder wordt er betrekking hebbende op de hoogte van het bedrag bij beide uitkeringen gekeken naar in welke situatie de uitkeringsgerechtigde persoon zich bevindt, alleenstaand, samenwonend en dergelijke.
(Noot: hierboven is de Vlaamse situatie beschreven. De andere twee gewesten is hanteren een soortgelijke constructie, echter daar hanteert men andere – Franstalige – benamingen voor de genoemde instellingen)
2)
Sinds 1 november 2012, tijdens en door Di Ruppo 1 verwezenlijkt, zijn de uitkeringen degressief gemaakt. Wat impliceert dat wie lange tijd werkloos is, zijn uitkering stelselmatig zal zien verminderen.
3)
Het systeem van “gemeenschapsdienst” ( = dwangarbeid) dat men in België in wil gaan voeren, is federale materie. De federale regering, Michel 1 ( Charles Michel is een liberaal van de MR) is een rechtse regering bestaande uit de N-VA (Vlaams nationalisten), CD&V (Vlaamse katholieken) en de Vlaamse en Waalse liberalen, de Open VLD en MR. Deze coalitie wordt ook wel de kamikaze coalitie genoemd, daar de MR de enige Waalse partij is die zitting genomen heeft in deze coalitie. Dit terwijl Wallonië een PS bolwerk is.
Ter informatie en tot slot bestaat
– de Waalse regering uit de PS en de cdH, socialisten en katholieken en
– de Brusselse Hoofdstedelijke Regering hebben de Franstalige partijen PS, FDF (Waalse nationalisten) en cdH een coalitie gevormd samen met de Nederlandstalige partijen Open Vld, sp.a en CD&V.

Euromarsen tegen dwangarbeid

Persbericht

De ‘Europese marsen tegen werkloosheid, onzekere flexibele arbeid en sociale uitsluiting’ is een Europees netwerk van vakbondsgroepen en werklozenorganisaties. Het netwerk neemt deel aan een demonstratie in Brussel op 4 april die wordt georganiseerd door het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) waarvan in Nederland het FNV deel uitmaakt. De demonstratie wordt gehouden aan de vooravond van de Europese verkiezingen en vindt plaats in het kader van de EVV campagne ‘een nieuw pad voor Europa’. Het EVV verzet zich tegen het huidige beleid, dat leidt tot aanzienlijke verslechteringen arbeidsvoorwaarden en omstandigheden in verschillende landen. De EVV heeft een plan ontwikkeld voor  meer investeringen, duurzame groei en kwalitatief goede banen.

De Euromarsen hebben naar aanleiding van de demonstratie en verklaring uitgegeven over dwangarbeid voor werklozen in allerlei projecten. Deze politiek wordt in toenemende mate in verschillende landen uitgevoerd. Het pamflet zal uitgedeeld worden tijdens de demonstratie.

De Euromarsen verzamelen om 10.30 uur bij Metro Rogier bij het begin van de Boulevard duu Jardin Botanique. Daarna sluit het blok zich aan bij het begin van de demonstratie, op Boulevard Pacheco (tussen metro Rogier en metro Botanique). De demonstratie eindigt om 14.00 uur in het Parq du Cinquantaire.

Hieronder de tekst van het pamflet.

Werken voor je uitkering? Dat is dwangarbeid!

In verschillende Europese landen voert men een beleid, waarbij een werkloosheidsuitkering of bijstand geen algemeen recht meer is, wanneer men niet over andere bestaansmiddelen beschikt. Werklozen worden verplicht in de bijstand een tegenprestatie te leveren of te werken voor hun uitkering om die uitkering te kunnen krijgen. Wie op deze wijze wordt verplicht te werken krijgt geen loon.
Maar de bijstand is een vangnet voor mensen die geen betaald werk hebben en die zonder geld zitten. Je hebt geen keus om zelf werk te kiezen en je kunt niet weigeren. Wanneer je de opgelegde dwangarbeid weigert, krijg je met zware sancties te maken of met stopzetting van je uitkering. Daarom is werken voor je uitkering een vorm van dwangarbeid.
In het kader van de overheidsbezuinigingen wordt dit beleid steeds meer doorgevoerd. Werklozen kunnen het werk dat eerst betaalde krachten deden mooi gratis doen. Dat gebeurt in de verschillende Europese landen in meerdere of mindere mate. Maar de denkrichting is overal hetzelfde. In Nederland gebeurt het al op vrij grote schaal. Werknemers, die voor een loon diensten verrichten, bijvoorbeeld bij de overheid, worden ontslagen, werklozen nemen hun plaats in. Ook in commerciële bedrijven werken gratis arbeidskrachten. Dat is verdringing van betaalde arbeid. Bestuurders worden niet moe te zeggen dat dit niet voor mag komen. In werkelijkheid gebeurt het toch. En de lonen van degenen die nog betaald werk hebben dalen, omdat zij soms moeten concurreren met werklozen die voor hun uitkering werken.
Deze werklozen hebben niet de rechten, die werknemers met een loon hebben. Zoals een arbeidscontract, een cao of een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Zij blijven onder het regiem van de bijstand en werken als werklozen zonder rechten. Men verkoopt deze maatregelen met de leugen, dat werklozen eerst ‘werknemersvaardigheden’ moeten leren, om hun kansen op betaald werk te vergroten. Op deze wijze wordt gesuggereerd, dat de werklozen zelf schuldig zijn aan hun werkloosheid. Maar de oorzaak van werkloosheid is niet een gebrek aan ‘werknemersvaardigheden’ maar een gebrek aan banen.

De Europese Marsen tegen werkloosheid, onzekere flexibele arbeid en sociale uitsluiting eisen:
Geen dwangarbeid voor werklozen
Geen verlagingen en kortingen op de uitkeringen
Stop de strafsancties tegen werklozen.
Een uitkering is een recht, wanneer je geen andere     bestaansmiddelen hebt.
In alle landen van Europa moet er een leefbaar sociaal minimum zijn. Daarvoor moeten criteria op Europees niveau ontwikkeld worden.
Scheppen van voldoende arbeidsplaatsen. Arbeidstijdverkorting met behoud van loon.
Een leefbaar Wettelijk Minimum Loon in alle Europese landen

Europese Marsen tegen werkloosheid, onzekere flexibele arbeid en sociale uitsluiting, een Europees netwerk van vakbondsgroepen en uitkeringsgerechtigdengroepen.
Da Costakade 162 – 1053 XD Amsterdam. 020-6898806. euromarsen@dds.nl

Duitse vertaling van het pamflet:

Arbeiten für Sozialhilfe?

Das ist Arbeitszwang!

In verschiedenen europäischen Ländern wird eine Politik entwickelt, wobei Sozialhilfe oder ein Schutz gegen Arbeitslosigkeit kein allgemeines Recht mehr ist, wenn man sonst über keine anderen Existenzmittel verfügt. Arbeitslose werden verpflichtet, für Leistungen aus der Sozialhilfe oder des ALG II zu arbeiten. Du musst eine “Gegenleistung” erbringen, um eine soziale Leistung zu bekommen. Wer auf diese Weise verpflichtet wird, für eine Sozialleistung zu arbeiten, bekommt keinen Lohn.

Aber eine Sozialleistung ist ein Auffangnetz für Menschen ohne bezahlte Arbeit und ohne Geld. Die zwangsweise zugewiesene Arbeit kann man sich nicht aussuchen und man kann sich nicht verweigern. Wenn du dich weigerst, wird dir die Sozialleistung gestrichen oder du bekommst schwere Sanktionen und kannst in aller Freiheit verhungern. Arbeitslosen eröfnet sich damit keine Perspektive auf eine bezahlte Arbeit. Deshalb ist Arbeit für Sozialleistung ein Form von Arbeitszwang.

Mehr und mehr setzt sich diese Politik als ein Teil der Kürzung von Ausgaben durch. Das geschieht in den verschiedenen EU-Ländern mit unterschiedlicher Geschwindigkeit. Aber die Richtung ist für alle dieselbe. In den Niederlanden ist es schon so. Arbeiter, die gegen Lohn für die Gemeinde Dienste verrichten, werden entlassen, Arbeitslose kommen an ihre Stelle. Auch Betriebe bekommen gratis Arbeitskräfte und entlassen dafür bezahlte Beschäftigte. Das ist Verdrängung von bezahlter Arbeit. Zwar behaupten Politiker, das würde nicht passieren, in Wirklichkeit aber geschieht es doch. Und die Löhne der Beschäftigten sinken, weil sie konkurrieren müssen mit Arbeitslosen, die nur für ihre Sozialleistung arbeiten.

Solche Gratisbeschäftigten haben natürlich nicht die Rechte, die normal entlohnte Beschäftigte haben, etwa einen Arbeitsvertrag, einen Tarifvertrag oder eine Versicherung gegen Arbeitsunfähigkeit. Sie bleiben unter dem Regime der Sozialhilfe und arbeiten als Arbeitslose ohne Rechte.

Man verkauft diese Massnahmen mit der Lüge, Arbeitslose müssten “Arbeitnehmerfähigkeiten” erst wieder lernen, um ihre Chancen auf bezahlte Arbeit zu vergrössern. Auf diese Weise wird gesagt, die Arbeitslosen sind selbst schuld an ihrer Arbeitslosigkeit. Aber die Ursache von Arbeitslosigkeit ist nicht der Mangel an Arbeitnehmerfähigkeiten. Die Ursache ist ein Mangel an ausreichenden Arbeitsplätzen.
Die Europäischen Märsche gegen Erwerbslosigkeit, ungeschützte Beschäftigung und Ausgrenzung fordern:

* Kein Arbeitszwang fur Arbeitslose
* Keine Kürzungen von Sozialleistungen
* Stoppt die Sanktionen gegen Arbeitslose
* Sozialleistung ist ein Recht, wenn man ohne Existenzmittel ist
* In allen Ländern Europas muss es ein auskömmliches soziales Mindesteinkommen geben. Dafur müssen Kriterien auf europäischer Ebene entwickelt werden
* Schaffung von ausreichend Arbeitsplätzen; Arbeitszeitverkürzung bei vollem Lohnausgleich

* Auskömmlicher gesetzlicher Mindestlohn in allen europäischen Ländern.

Euromarsen brengt bezoek aan Europees parlement

Op dinsdag 14 april hebben ongeveer 25 leden van het Europese netwerk van de Euromarsen tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting een bezoek gebracht aan het Europees parlement op uitnodiging van Euro parlementariër Helene Flautre van de fractie van de Groenen. Er waren delegaties uit Frankrijk, Nederland, België en Duitsland. Nadat wij de nodige veiligheidsmaatregelen hadden doorstaan begon enigszins verlaat het programma. Eerst vergaderden wij in een grote zaal met professionele tolken, comfortabele fauteuils en alle faciliteiten (wat een luxe) onder elkaar ter voorbereiding van het gesprek met Europarlementariërs. Ziehier voor een verslag

Van rechten naar kansen op rechten. De sociale rechten in de Europese grondwet

Velen spraken van een historisch moment. Op de ‘top van Laken’ op 14 en 15 december  2001 installeerden de Europese regeringen een Conventie. Deze moest zich buigen over de toekomst van Europa en een ‘Ontwerpverdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa’ opstellen. De Conventie kreeg van de regeringsleiders de opdracht regels op te stellen die de Europese Unie ‘tot een stabiliserende factor en een lichtbaken in de nieuwe wereldorde’  maken. In het navolgende zal ik trachten enkele aspecten van dit ‘lichtbaken in de nieuwe wereldorde’ nader over het voetlicht te brengen. De Conventie bestond uit vertegenwoordigers van regeringen, nationale parlementen en het Europees parlement. Daaraan voorafgaand was er reeds een andere Conventie geweest, die een Handvest van grondrechten produceerde, dat op een top van regeringsleiders in Nice in december 2000 werd aangenomen. Later bleek dit Handvest eenvoudigweg opgenomen te worden in de op te stellen grondwet voorzover het de grondrechten betreft. (Deel II van de ontwerptekst)  Op 13 juni en 10 juli 2003 werd de ontwerp- grondwet ‘bij consensus’ aangenomen door de Europese Conventie. Op 18 juli 2003 werd de gehele tekst voorgelegd aan  Berlusconi, die toen voorzitter was van de Europese Raad. Na langdurig slepende onderhandelingen tussen regeringsleiders, waarbij het niet zozeer ging om heldere formuleringen van grondrechten maar om de macht en invloed van afzonderlijke landen en de besluitvormingsprocedures werd de grondwet op een top van regeringsleiders in Brussel op 19 juni 2004 vastgesteld. Veel wijzigingen ten aanzien van de grondrechten zijn op de top in Brussel in juni 2004 niet aangenomen, zodat ik de hierna genoemde publicatie tot uitgangspunt neem bij een kritiek op de grondwet waar het de sociale rechten betreft. (Ontwerp verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa. Voorgelegd aan de voorzitter van de Europese Raad te Rome. Luxemburg, Bureau voor officiele publicaties der Europese Gemeenschappen, 2003. )
Voorwaardelijke rechten
Reeds het Handvest van grondrechten riep veel reacties op. Tienduizenden demonstreerden in de straten van Nice tegen dit Handvest. Algemene kritiek was, dat de sociale en democratische grondrechten zoals die in de lidstaten bestonden met dit Handvest werden verkwanseld. Het ging volgens de demonstranten om een neo-liberaal project, waarbij het dogma van de vrije markt vooropstaat en waaraan de rechten van de burgers ondergeschikt worden gemaakt. Het Handvest voorziet wel in individuele rechten zoals vrijheid van meningsuiting, godsdienst enzovoort. Men weigerde echter in het Handvest op dezelfde wijze het recht vast te leggen op een baan waarin je je kunt ontplooien en waarvan te leven valt. In het Handvest wordt het recht op goede huisvesting of een redelijk inkomen niet rechtstreeks geformuleerd, laat staan dat de staten de verplichting hebben iemand te ondersteunen wanneer hij of zij door omstandigheden niet in zijn onderhoud kan voorzien. Wat dit betreft is het een stap terug ten opzichte van de Nederlandse grondwet, waarin deze verplichting wel staat. In het Handvest worden verschillende van deze sociale rechten, voorwaardelijk geformuleerd, in tegenstelling tot het recht op vrijheid van meningsuiting en andere burgerlijke vrijheden. Bij een deel van het onderwijs, bij sociale zekerheid en bijstand, bij de gezondheidszorg, de toegang tot diensten van algemeen economisch belang en op andere plaatsen wordt de formulering ‘het recht op toegang tot’ gebruikt in plaats van ‘het recht op’. (Zie oa deel II van de grondwet artikel II-34 lid 1) Tevens staat op verschillende plaatsen ‘onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden’. (Zie oa deel II van de grondwet artikel II-34 lid 2) Ook het recht op het gebruik maken van diensten van algemeen belang is vaag geformuleerd. In het betreffende artikel staat dat de Europese Unie overeenkomstig de grondwet de toegang tot diensten van algemeen economisch belang die in de nationale wetgeving en praktijken is geregeld ‘erkent en eerbiedigt’. Deel II artikel II-36) De Europese Unie erkent en eerbiedigt het wel als het bestaat, maar als het niet bestaat kun je geen beroep doen op de grondwet. En wat moeten we met een formulering als: ‘in het beleid van de Europese Unie wordt zorg gedragen voor een hoog niveau van consumentenbescherming’?. (Deel II artikel II-38).
De staten cq de Europese Unie zijn wel verplicht toegangsmogelijkheden te formuleren en te stimuleren, kansen te creeren, kansen om rechten uit te oefenen. Wie door omstandigheden niet in staat is deze kansen te benutten heeft pech gehad. Tevens hebben de nationale staten het recht ‘voorwaarden’ voor het verkrijgen van een uitkering te formuleren. Dit opent de deur niet alleen tot het formuleren van toegangsvoorwaarden op het gebied van samenstelling van de huishouding, arbeidsverleden, etc. maar ook om het tekenen van strenge contracten van de uitkeringsgerechtigden te eisen, waarin hem of haar een bepaald gedrag wordt opgelegd. Staten zijn volledig vrij om het principe ‘geen recht tenzij’ naar eigen goeddunken in te vullen. Deze formuleringen zijn overigens niet zonder slag of stoot in de grondwet terecht gekomen. In december 2003 werd op het laatste moment, toen alle andere werkgroepen van de Conventie hun werkzaamheden al bijna afgerond hadden, een werkgroep ‘sociaal Europa’ ingesteld, uit onvrede over de formulering van de sociale rechten en de positie van de openbare diensten. In de Commissie voor economische en monetaire zaken werd het rapport van de werkgroep over de sociale dimensie echter ingetrokken nadat een reeks amendementen de strekking ervan zouden ontkrachten.  Ten aanzien van verschillende sociale rechten zagen voorgaande teksten van de grondwet er nog slechter uit, oa ten aanzien van het stakingsrecht, dat uiteindelijk toch in de grondwet terecht is gekomen na oa een intensieve lobby van de vakbonden (deel II artikel II-28)
Neo-liberale politiek
Vele protesten volgende op de demonstratie in Nice waar het Handvest van grondrechten onder kritiek stond. Thessaloniki was in juni 2003 het decor van een nieuw sociaal protest bij een top van Europese regeringsleiders. Opnieuw was de discussie rond het concept van een Europese grondwet en de daarbij behorende grondrechten een belangrijk onderwerp. En nog steeds was de kritiek, dat  de neo-liberale politiek tot grondwet wordt verklaard, zonder ruimte voor sociale rechten.  Het ontbreken van sociale rechten in het Handvest en in de latere concept-grondwet berust niet op een moment van vergetelheid, maar is bewuste bedoeld als onderdeel van een neo-liberale strategie. De neo-liberale politiek is al in verschillende Europese verdragen verankerd. Steeds meer op het gebied van arbeidsomstandigheden, arbeidsmarktbeleid en sociale zekerheid wordt op Europees niveau geregeld. Tijdens de top van regeringsleiders in Lissabon in 2000 is de doelstelling van de Europese Unie tot 2010 geformuleerd als een ontwikkeling naar de meest competitieve kennis economie van de wereld. Ieder voorjaar wordt tijdens een top van regeringsleiders een tussenbalans opgemaakt van de in Lissabon uitgezette strategie. Onderwerpen van gesprek zijn: de invoering van Informatie en Communicatie Technologie (ICT), de bevordering van een gunstig ondernemingsklimaat, de privatisering en het tot stand brengen van een Europese markt. De nadruk ligt op de hervorming van de arbeidsmarkten, de kern van de in Lissabon besproken strategie. Centraal in deze hervorming staat het begrip ‘employability’: de volledige en flexibele inzetbaarheid van werknemers op de arbeidsmarkt om de arbeidsparticipatie van de Europese bevolking te bevorderen. De verantwoordelijkheid voor deze inzetbaarheid wordt bij de werknemer gelegd. De overheden beperken zich tot ondersteuning.
Naast de aanbevelingen van de regeringsleiders heeft de Europese Commissie een reeks beleidsnotities opgesteld  en het laat zich aanzien dat de beslissingen die de ministers van economie en van financien (de Ecofin-raad) nemen de daarin geformuleerde beleidsintenties naar de letter zullen volgen. Deze beleidsnotities monden uit in de Globale richtsnoeren voor het Economisch Beleid (GREB). Hoofd-doelstelling van het GREB is het drukken van de loonkosten voor de werkgevers. Men spreekt in het verlengde van de Lissabon-strategie van rationalisatie van de Europese processen, die ontwikkeld zijn ten behoeve van de coordinatie van het bestrijden van  sociale uitsluiting,  van de Europese strategie voor de werkgelegenheid, van de ontwikkeling van de interne markt (privatisering van de publieke sector). De om de drie jaar geformuleerde GREB zullen de aanjager zijn van de beleidsontwikkelingen. Met het oog daarop heeft de Ecofin-raad aangekondigd dat boven alles gestreefd moet worden naar een strenger beleid ten aanzien van personen, die werkloos zijn of dat dreigen te worden of anderszins tot de categorie sociaal uitgeslotenen behoren. Van de lidstaten wordt geeist dat ze hun uitkeringsstelsels herijken, om te bewerkstelligen dat ze bijdragen aan een grotere participatie op de arbeidsmarkt en voorkomen dat mensen blijven vastzitten in armoede en baanloosheid. In werkelijkheid is dit ene strategie om de mensen te dwingen laag betaalde flexibele baantjes te nemen en om de sociale zekerheid af te breken.  De ministers van economie en van financien dringen ook aan op een grote inspanning om belemmeringen op de arbeidsmarkt op te heffen, om de mobiliteit van de werknemers te vergroten, en om de inzetbaarheid van ouderen, vrouwen, immigranten en jongeren te vergroten.
Geheel in overeenstemming met de ontwerp grondwet creëert de overheid kansen: kansen op toegang tot rechten, kansen op een goede baan als je voldoet aan bepaalde voorwaarden en zelf zorgt dat je kennis en vaardigheden up to date blijven. Alleen de flexibele werknemer die in staat is zich aan te passen aan de eisen van de arbeidsmarkt in de nieuwe economie heeft kansen. Pas als hij deze kansen grijpt ontstaan er rechten. Aan de vooravond van het referendum over de Europese grondwet zien we zowel in de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden als in het nationale en Europese overheidsbeleid een trend waarbij de werknemer wordt beschouwd als een soort ondernemer: hij verkoopt het product arbeidskracht op de markt en hij wordt volledig zelf verantwoordelijk om zich via particuliere verzekeringen te verzekeren tegen de gevolgen van werkloosheid, ziekte en ouderdom. Bovendien moet hij de waarde van zijn arbeidskracht op peil houden door permanente scholing. Deze ontwikkeling komt duidelijk tot uitdrukking in de toename van het aantal Zelfstandigen Zonder Personeel (ZZPers). In plaats van werken volgens een dienstverband met bijbehorend salaris en sociale voorzieningen ontvangt de ZZPer een brutobedrag waarvan hij zelf alle sociale verzekeringen et cetera moet regelen. Collectieve regelingen komen onder druk te staan.
Om een beeld te vormen van een toekomst, zoals die besloten ligt in de heersende ideologie van de Europese instituties, is het noodzakelijk het verband te zien tussen enerzijds het  proces van gelijkschakeling van de economische politiek van de lidstaten, de vrije marktpolitiek, liberalisering  van de publieke sector, de gezondheidszorg en de pensioenen en anderzijds het schrappen van het recht op uitkering uit de lijst van grondrechten voor de lidstaten van de EU.
Het mag dan zo zijn dat de lidstaten nog steeds vrij zijn om te doen wat ze willen op het terrein van de sociale zekerheid, maar dus wel op voorwaarde dat ze de kosten daarvan terugdringen. Wat betreft de bescherming van de zwakkeren wordt niks dwingend opgelegd. Een eerlijker inkomensverdeling staat niet op het programma.
Rechten worden ondergeschikt gemaakt aan de wetten van de markt. Deze wetten van de markt worden expliciet vastgelegd in de ontwerp grondwet waar wordt gesproken over ‘de eerbieding van het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging’. (Deel III Hoofdstuk II artikel III-69 lid 1)  De wetten van de markt zijn heilig. Sociale rechten worden daaraan ondergeschilt gemaakt.
Decentralisatie
De Europeanisering gaat hand in hand met een tweede ontwikkeling: decentralisatie, de delegatie van bevoegdheden naar lagere bestuursorganen gecombineerd met de wens tot bezuinigen. In Nederland valt wat dit betreft te denken aan de reorganisatie van de Algemene Bijstandswet. De nieuwste bijstandswet (WWB) die op 1 januari van kracht werd is geen ‘open eind regeling’ meer. Gemeenten krijgen aan het begin van het jaar een vast budget waarmee ze het moeten doen. Wordt het aantal bijstandsgerechtigden groter dan verwacht dan moeten gemeenten de oplossing binnen de eigen begroting zoeken. De bevoegdheden van de gemeenten zijn vergroot onder andere wat betreft de besteding van het budget. Als gemeenten er in slagen het aantal werklozen of uitkeringen terug te dringen, dan mogen ze het geld dat ze daardoor overhouden naar eigen inzicht besteden aan andere zaken. Een ander voorbeeld van het samengaan van decentralisatie en bezuinigingen is het beheer en de bouw van sociale huurwoningen.
Decentralisatie is vaak een reactie op een toenemende complexiteit van de omgeving. Bij de internationalisering van de productie en de overdracht van bevoegdheden aan de Europese Unie verliest de nationale staat een deel van haar vermogen tot coördinatie. Decentralisatie maakt het mogelijk dat lagere bestuursorganen in het kader van de nationale staat adequaat reageren op economische ontwikkelingen. Bij de nieuwe bijstandswet zijn financiële prikkels ingebouwd voor de gemeenten. Die leiden ertoe dat gemeenten nadenken over maatregelen om het aantal werklozen op welke wijze dan ook terug te dringen, zonder dat er vanuit de nationale staat een heel scala aan regelingen bedacht hoeft te worden.
Dilemma’s en scheidslijnen
Door de ontwikkeling van Europeanisering en decentralisatie worden de vakbeweging en de politieke partijen die streven naar een bepaalde mate van bestaanszekerheid voor mensen in mijn ogen voor een dilemma geplaatst. Enerzijds moeten we de huidige Europese grondwet afwijzen. De voorstanders van de grondwet zeggen: het is een stap vooruit en we moeten ons vervolgens blijven inzetten voor de opbouw van een sociaal Europa. Maar zoals hiervoor bleek is de Europese grondwet op belangrijke onderdelen een verslechtering in vergelijking met de Nederlandse grondwet. Hoe kun je het recht op bestaanszekerheid op Europees niveau verder regelen, als dit niet goed is geregeld in de basis, de Europese grondwet?. Anderzijds is het volgens sommigen nog steeds mogelijk om op nationaal niveau zaken als arbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid en bestaanszekerheid te regelen terwijl er tegelijkertijd een interne markt bestaat. Dat lijkt me een illusie. Europa cq de Europese sociale bewegingen en de nationale sociale bewegingen (die in beperkte mate Europees georganiseerd zijn) moeten zich juist intensief bezig houden met de doelstelling: het regelen van sociale zekerheid op Europees niveau. Door het ontstaan van een interne markt en de daarbij behorende deregulering en privatisering, zal er steeds meer oneigenlijke loonconcurrentie ontstaan waardoor Nederlandse bedrijven en werknemers uit de markt gedrukt kunnen worden. Belangrijke reden daarvoor is dat het vrij verkeer van diensten niet aan banden is gelegd. Werknemers die over de grens werken, hebben volgens het zogenaamde werklandbeginsel wel recht op de in Nederland geldende regels voor minimumloon, vakantie, werktijden en arbeidsomstandigheden. Dat geldt niet voor sociale premies en pensioenpremies, daarvoor gelden de regels van het land van herkomst. Bij het vrij verkeer van diensten is de bepaling ingevoerd dat de lidstaten een dienstverlenende onderneming toestemming kunnen geven om te werken onder de wet en regelgeving van het land waar de onderneming zijn hoofdvestiging heeft. Dit zal leiden tot grote beleidsconcurrentie tussen staten.
Dit past in de ontwikkeling waarbij geheel volgens de neo-liberale ideologie iedereen concurreert met iedereen. Dit betekent een poging tot afbraak van de onderlinge solidariteit. De veranderingen in de organisatie van de productie werken door in alle sociale verhoudingen tussen mensen in en rond de productieorganisaties. En zo ook op hun mogelijkheden om in die productieorganisaties tot collectieve actie te komen.
Nu liggen er steeds moeilijk te overwinnen obstakels om tot een sociale en politieke eenheid te komen van alle werkenden.Hoewel de inkomensverschillen in Nederland tot nu toe niet sterk toenemen is er toch een tendens tot een tweedeling van de bevolking: enerzijds mensen die het zich financieel kunnen veroorloven bestaanszekerheid voor hun hele leven te kopen, anderzijds mensen voor wie het moeilijk of onmogelijk is (mensen)rechten te kopen. Deze sociale polarisering schept een gedifferentieerde, heterogene arbeidersklasse die wordt geconfronteerd met vermogensbezitters die geen solidariteit betonen met de anderen, en een ideologie ontwikkelen waarbij de eigen rijkdom temidden van de armoede van anderen wordt gerechtvaardigd. Het onderscheid tussen welvaartseilanden en armoederegio’s wordt groter, binnen Nederland en wereldwijd. Dit onderscheid is steeds minder aan nationale grenzen gebonden.De splitsingen tussen loonafhankelijken die door het neoliberale wordt bevorderd, gaat vaak gepaard met discriminatie naar nationaliteit, geslacht, leeftijd en kwalificatie. Deze ontwikkeling betekent dat op de werkplaatsen een generatie arbeiders is ingestroomd zonder enige ervaring met (vakbonds)strijd. Deze generatie werknemers is direct onder een neoliberaal en vakbondsvijandig regime aan het werk gegaan. Aan de andere kant is er de positieve ontwikkeling van de mondialiseringbeweging. Ook dit is in mijn ogen een uitdrukking van de wijzigingen in de sociale en culturele verhoudingen in de arbeidersklasse. Ik ontleen deze conclusie aan de diversiteit van invalshoeken en organisaties in die beweging en haar pluriforme karakter. Het blijkt dat de mondialiseringbeweging de ‘oude’ verdeling, die langs allerlei inhoudelijke en groepsscheidslijnen liep, in de praktijk heeft doorbroken. Ik denk dat in die gevarieerde beweging de meer fundamentele vraag naar de verdeling van de rijkdom in de wereld een centrale plaats zal innemen: de verdeling van de totale welvaart dus niet alleen de lonen. De eis van de Euromarsen voor een Europees minimuminkomen en het vraagstuk van de financiering van de sociale zekerheid sluiten daar op aan. De FNV doet mee aan de organisatie van het Nederlands Sociaal Forum die in het najaar wordt gehouden. Dergelijke Fora kunnen ook op lokaal niveau georganiseerd worden. Wellicht dat deze samenwerkingsvormen in het verlengde van de mondialiseringsbeweging nieuwe perspectieven bieden. Daarbij zal de suggestie van onvermijdelijkheid van het neo-liberale beleid doorbroken moeten worden. Deze suggestie van onvermijdelijkheid heeft oa betrekking op de noodzaak van rigoreuze bezuinigingen in de sociale zekerheid om de concurrentiestrijd met andere regio’s vol te houden zonder dat er alternatieven voorhanden zijn.

22/06/2004/Piet van der Lende

De acties van de Franse werklozen. Wie misère zaait zal colère oogsten

De Franse werklozencomitees weten van geen ophouden. De actiebereidheid is nog steeds groot. Na drie maanden aktievoeren gingen de uitkeringsgerechtigden op 7 maart en 8 april weer de straat op. De kwaadheid (Frans: colère) over de armoede en werkloosheid is groot. In de woorden van een Vlaams spandoek: ‘wie misère zaait zal colère oogsten’. En er zijn grote plannen voor akties in de maanden mei en juni, waarbij Duitse en Franse organisaties gaan samenwerken. Maar de beweging moet vele hindernissen nemen. In de woorden van Christophe Aguiton, een van de organisatoren van de Franse acties: ‘de beweging stuit op grenzen. Actieve solidariteit van de werkenden blijft uit’.
Vrijdag 6 maart gingen vier vertegenwoordigers van de Bijstandsbond en de Werklozen Belangen Vereniging naar Parijs om deel te nemen aan de akties van Franse werklozen voor verhoging van de uitkeringen en arbeidstijdverkorting/ recht op werk. We gingen als vertegenwoordigers van het Nederlandse netwerk van de Euromarsen tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, die op 15 juni in amsterdam geleid hebben tot de grote demonstratie waar 50.000 mensen aan deelnamen. Er gingen ook mensen uit Utrecht naar Parijs. (Van de Werklozenbond en van het Samenwerkingsverband Mensen Zonder Betaald Werk).
Zaterdags namen we deel aan een demonstratie in Parijs. Op die dag gingen in vijf verschillende Franse steden de werklozen weer de straat op. In Marseille waren er 10.000 demonstranten, in Toulouse, Nancy en Rennes waren er vele duizenden. De grootste demonstratie vond echter plaats in Parijs, waar tussen de 15.000 en 20.000 demonstranten waren, die in een meer dan zes uur durende demonstratie van het Gare du Nord naar de Place de la Nation liepen. Centrale eisen waren evenals bij voorgaande akties verhoging van de minimumuitkeringen met 1500 Francs en de innvoering van een RMI (vergelijkbaar met onze bijstand) voor jongeren onder de 25 jaar. Daarnaast waren er in de verschillende blokken nog andere eisen, zoals een drastische arbeidstijdverkorting. De demonstraties waren georganiseerd door de vier belangrijkste organisaties van werklozen: APEIS, Action Chomage, de MNCP en de werklozencomitees van de CGT. Opvallend was, dat er ook vele organisaties van de ‘sans beweging’ aanwezig waren. (sans papier, sans logis, sans droit). 
Wij liepen mee in het ‘Euromarsenblok’, dat bestond uit Italianen, Belgen, Duitsers en Nederlanders.
Het was een enerverende demonstratie, met veel spandoeken, balonnen en gezang. De demonstratie was een groot succes, vooral omdat in de maand februari de akties een beetje leken te zijn ingezakt.
evaluatie
Aguiton zei na afloop op een vergadering waar de aktie geevalueerd werd, dat deze nationale aktie met demonstraties in vijf verschillende steden voor de organisatoren een beetje een gok was: zou men in staat zijn, nu weer massademonstraties van de grond te krijgen?. Het antwoord luidde dus: ja. De beweging is nu sterk genoeg om periodiek akties op nationale schaal te organiseren. Het inzakken van de beweging in febnruari was gedeeltelijk ook schijn. Een vertegenwoordiger van de CNT, een anarcho-syndikalistische vakbond, die ik voor de demonstratie sprak zei, dat de overheid de bezettingen van uitkeringskantoren en blokkades van wegen in eerste instantie accepteerde, maar dat na verloop van tijd steeds sneller en harder door de politie werd ingegrepen; ontregelingsakties die wat langer duren zijn nu niet meer mogelijk. Bij de laatste bezettingen werden ook mensen gearresteerd, vier werklozen hebben twee weken vastgezeten. Hun proces vindt eind maart plaats en dan zijn er ook weer allerlei solidariteitsakties. De werklozen hielden in februari de moed erin door picketlines en andere kleinere demonstraties te organiseren, maar die waren minder spectaculair dan de bezettingen, zodat de media er weinig aandacht aan hebben besteed.
plannen regering
Toch heeft de sociale beweging met moeilijkheden te kampen. De regering heeft naast het hardere politieingrijpen- tegenvoorstellen gedaan, waarvan de wet tegen de uitsluiting van minister Aubry wel de belangrijkste is. In drie jaar tijd wordt voor maatregelen in het kader van de wet 30 miljard Francs uitgetrokken. Ook voor de jaren daarna wil men geld uittrekken. Dat lijkt veel, maar een groot deel is in feite bedoeld om reeds bestaande maatregelen op het gebied van werkgelegenheid te financieren. Daarnaast wil men verbetering van de arbeidsbemiddeling en meer scholingsmogelijkheden voor werklozen. De ‘verbetering’ van de arbeidsbemiddeling doet denken aan de werklozenbestrijding in ons poldermodel, die eind jaren tachtig begon met de ‘heroerientatiegesprekken’ met langdurig werklozen op initiatief van de toenmalige minister van sociale zaken de Koning. In Frankrijk konstateert men hetzelfde als bij ons toen: 57% van de werklozen heeft hooguit eenb gesprekje van tien minuten gehad met de ANPE (vergelijkbaar met ons arbeidsbureau) en 29% van de werklozen heeft sinds de inschrijving nog nooit een gesprek gehad. Nu wil men binnen zes maanden langdurige gesprekken met een half miljoen jongeren, en binnen tien maanden zulke gesprekken met een miljoen andere werklozen. Onze oude brochure ‘heroerientatie is geen werk. De straf moet eraf’ uit 1989 nog maar eens uit de kast halen. Misschien kan iemand die vertalen. Aubry is overigens op deze gedachten gekomen naar aanleding van de europese werkgelegenheidstop in Luxemburg….. De Franse regering spreekt over een ‘soutien personalise’: vrij vertaald: individueel maatwerk. Daarbij komen er -net als in Nederland- mogelijkheden contracten af te sluiten met individuele werklozen, die zich in ruil voor hun uitkering verplichten individuele trajecten richting arbeidsmarkt te volgen. De individualisering en depolitisering van het werkloosheidsvraagstuk komt ook in Frankrijk van de grond. Verder wordt er voor 60.000 randgroepjongeren een soort Jeugd Werk garantie Wet ingevoerd, en komen er riumere bijverdienstemogelijkheden naast de ASS (de werkloosheidsuitkering). Op groind van meer dan tien jaar ervaring met soortgelijke maatregelen kunnen wij wel stellen, dat dit soort werklozenbestrijding de werkloosheid niet oplost en ook geen oplossing is voor de tweedeling tussen arm en rijk.
nieuwe plannen
Hoezeer er ook meningsverschillen in de beweging aan het daglicht treden, over een ding is iedereen het eens: de plannen van de regering Jospin zijn volstrekt onvoldoende en nieuwe akties zijn nodig.
Men heeft daarbij twee doelen: uitbreding van de coalitie met de vrouwenbeweging en met de ‘sans’ beweging en internationalisering van de akties. Op de evaluatievergadering van de genoemde organisaties werd een veelheid aan aktieplannen besproken. De Duitsers waren op deze vergadering met een sterke delegatie aanwezig. Zowel op de korte als op de lange termijn worden nieuwe akties gepland van Duitse en Franse werklozen gezamenlijk. Er is een gemeenschappelijke groep gevormd, die de aktie gaat voorbereiden. Op 8 mei voerden de werklozen uit de twee landen gezamenlijk aktie in de grenssteden van de twee landen, met name in Keulen en Straatsburg. Daarbij werd de brug op de weg tussen de twee steden geblokkeerd. De Duitse werklozen hebben op 11 september in Berlijn een grote massa-demonstratie gepland, die het voorlopig eindpunt is van de akties die nu gevoerd worden. Tot die tijd zijn er aan het begin van iedere maand akties als de werkloosheidscijfers in Duitsland bekend worden gemaakt. (de eerstvolgende aktiedag was 5 april). Op de grote demonstratie in Berlijn zullen de Fransen met vele honderden aktievoerders aanwezig zijn. En….voorjaar 1999 moet een nieuw hoogtepunt worden, met een massademonstratie in Keulen tijdens de Eurotop, die dan in deze stad wordt gehouden. En dit is nog maar een greep uit de vele plannen.
De Fransen van hun kant plannen voor de maand mei een nieuwe aktiemaand. Met name tussen 1 mei en 6 juni, wanneer de plannen van Jospin en Aubry in het parlement behandeld zullen worden.

Piet van der Lende

Het poldermodel “We moeten een nieuwe sociale kwestie stellen”

Demonstreren in Luxemburg

Op vrijdag 21 november was er in Luxemburg een overleg van de Europese regeringsleiders over werkgelegenheid. Het Euro­pees Verbond van Vakverenigingen (EVV) riep op tot een demon­stratie aan de vooravond van de top, op donderdag, met als een van de cen­trale eisen: een effectieve, drastische arbeids­tijd­verkor­ting om de werkloosheid te verminderen. De FNV deed echter niet mee. Het komitee dat in Neder­land de Euromarsen tegen werk­loos­heid, armoede en sociale uitsluiting had georga­niseerd besloot daarop, een delegatie naar Luxewmburg te sturen. Zo namen toch nog ruim 50 demon­stranten uit Nederland deel aan de grote demonstratie, die ruim 25.000 mensen telde. Enkele ervaringen.
s’Morgens om zeven uur vertrok de bus achter het Centraal station in Amsterdam. In Utrecht en Eindhoven werden nog groepjes demonstranten opgehaald, en toen zat de bus vol. Aangekomen in de stad Luxemburg reden we naar het station van de spoorwegen, waar de demonstratie begon. We stapten uit en voegden ons bij het blok van de Euromarsen. Alle demonstranten in dit blok hadden zwart-witte hesjes met het embleem van de Euromarsen erop. En op de achterkant: Chomage Ya Basta!. Het was een kleurige demonstratie met rode, groene en blauwe hesjes van de verschillende blokken. Men demon­streerde in de verschillende blokken vooral voor arbeids­tijd­verkorting met herbe­zet­ting. We liepen de Avenue de la Li­berte af, een grote Boule­vard van 25 meter breed. Zo ver je kon kijken waren er demon­stranten. Zij liepen in de blokken van hun vakbonden, vooral Belgi­sche en Franse. Maar er waren ook Grieken, Italia­nen en Span­jaarden en veel Duitsers. Een Neder­lander vertelde mij, dat hij met de bus uit Duisburg was gekomen. De Duitse vakbonden hadden niet opgeroe­pen tot de demonstratie, maar veel kaderle­den waren toch tot mobiliseren overgegaan. Zo waren er oa drie bussen uit Duisburg. Het was een levendige demonstratie met vuur­werk, gezang, muziek, toortsen en grote ballonnen. Uit een grote luidspreker op een auto schalde een Vlaamse versie van het Mariannelied. Dit riep bij mij gemengde gevoelens op. Aan de ene kant: een meer dan honderd jaar oud, prachtig lied uit een mooie tradi­tie. Aan de andere kant besefte ik, hoe ver de grote groep van werklozen in zijn/haar dagelijkse leefwereld inmiddels verwij­derd is van deze tradi­tie, vooral in Neder­land.
bekenden
Tij­dens de demon­stra­tie heb ik allerlei beken­den ontmoet uit de tijd van de Euromar­sen. In dit blok van ongeveer 2000 mensen waren veel vertegenwoordigers van het Franse Action Chomage en van de vakbond SUD. Er waren veel beken­den van AC! Gironde, die ook meegelopen hebben in de Euromar­sen. Veel Fransen waren met een trein gekomen. Zij hadden enkele dagen eerder in Parijs een pamflet verspreid, waarin opgeroepen werd op de twintigste om acht uur s’morgens te verzamelen bij het Gare de l’Est. Daar zou men eisen, dat er een trein naar Luxemburg zou gaan, zonder dat de reizigers hoefden te beta­len, zodat ook mensen met weinig geld konden deelnemen aan de demonstratie. De trein is inderdaad in Luxem­burg aangekomen. Maar vrijdag­nacht zijn de ongeveer twee­hon­derd treinreizigers bij terug­komst in Parijs gearresteerd. Ik weet niet, hoe het hen verder is vergaan.
Bij het eindpunt verliep de demonstratie. Er was geen centrale manifestatie. Iede­reen liep via de winkel­straten in het cen­trum een park in, terug naar de par­keerplaats voor de bussen. Het netwerk van de Euromarsen had wel een manifes­tatie georga­niseerd, in de halle de Victor Hugo. Maar de zeer grote hal nauwelijks gevuld met mensen. De meesten van het Euromar­sen­blok waren direct met de bus terug­ge­gaan naar huis. Het was sommigen ook niet duide­lijk, dat er na afloop nog een manifes­tatie was, en de halle Victor Hugo was ook niet eenvou­dig te vinden. 
FNV doet niet mee
Wat moet je verder denken van zo’n demonstratie? Je kunt je op het standpunt stellen van Lodewijk de Waal, voorzitter van de FNV, die in een brief aan de bestuurders van de aangesloten bonden schreef, dat demonstreren op dit moment geen zin heeft. Beter is overleg met de werkgevers en met Kok en lobbywerk achter de schermen. Behalve de beinvloeding van de top heeft zo’n demonstratie echter ook als functie: een bijdrage in het opbouwen van een Euro-kritische beweging van onderop, waarbij een veelheid van internationale contacten ontstaat. De vakbe­weging ontleende in het verleden haar macht en invloed aan de mobili­satie van de achter­ban, waarbij mid­dels een grote varie­teit aan aktievormen druk werd uitgeoefe­nd op werkgevers en overheid. Deze lijn lijkt De Waal te hebben verlaten. Alles wordt op het overleg gegooid, waar­bij men in feite de voor­waarden van de tegenpar­tij accepteert. De leiding van de Neder­landse vakbewe­ging accepteert de uitgangspunten van het pol­dermodel en van de invoering van de Europese munt, die grote overheids bezuinigingen met zich meebrengt. Uit het proefschrift van Ruud Vlek -‘Inactieven in actie’ blijkt, dat de vakbewe­ging geen prioriteit geeft aan de belan­gen van de laagstbe­taalden, met hun flexibele arbeid, en de werklozen en arbeids­ongeschik­ten, die vaak moeten rond­komen van een mini­mumuitke­ring. De verdediging van hun belangen wordt gesmoord in de vaak stroperige en bureacratische besluitvormingsproce­dures van de bonden.
resultaten top
De activiteiten van Action Chomage in Frankrijk, de Euromar­sen, de demonstratie in Luxemburg en andere akties hebben ertoe bijgedragen, dat het vraagstuk van de werkloosheid op de Europese agenda is geplaatst. Vooralsnog zijn de afspraken die in Luxemburg werden gemaakt echter boterzacht. Men wil binnen vijf jaar stage­plaatsen of werk regelen voor jongeren die werkloos zijn, maar landen met een grotere werkloosheid mogen er langer over doen. Er wordt op de Europese begroting een miljard uitgetrokken voor startende ondernemers. De lidstaten moeten verder werken aan nationale banenplannen, maar harde verplichtingen voor de landen zitten daar niet aan vast. De lidstaten gokken op lastenverlaging voor werkgevers, die meer werk zou opleveren. Nederland probeerde op de top in Luxemburg haar poldermodel te exporteren. Het is nu zaak, de kritiek op dit model te intensiveren en alternatieven aan te dragen.
Piet van der Lende

Het Andere Europa – beoordeling Euromarsen Stap naar nieuwe, sociale beweging

Solidariteit nr. 80. september 1997.

Werklozen zijn nauwelijks in kollektief verband georganiseerd, ook niet in de FNV. Meestal wordt hiervoor de zogenaamde bronnentheorie aangevoerd: uitkeringsgerechtigden beschikken niet over de materiële en immateriële bronnen (arbeidsproduktiviteit) om voor hun rechten op te komen. Werpen de Euromarsen een nieuw licht op deze theorie?

HET MAG WAAR ZIJN dat uitkeringsgerechtigden beperkingen kennen, als het gaat om de organisatie en verdediging van hun rechten. De betekenis hiervan moet niet genegeerd warden. Maar we moeten ons er ook niet op blindstaren. De bronnentheorie kent haar beperkingen. Ook al erkent zij dat organisatie van uitkeringsgerechtigden mogelijk is, wanneer anderen, werkenden, hun materiële en immateriële bronnen ter beschikking stellen en gaat zij ervan uit dat met solidariteit veel te bereiken is, toch blijft de politieke dimensie wat onderbelicht. De strategie van de nationale elites, wanneer het om organisatie van uitkeringsgerechtigden gaat – hun propaganda en subsidiebeleid – blijft buiten beschouwing.

Hele en halve psychologen

De subsidiëring van belangenorganisaties valt in het niet bij de vele miljoenen die uitgetrokken warden voor de propaganda door de overheid. Naast daadwerkelijke arbeidsbemiddeling leggen hele en halve psychologen in dure heroriëntatie-kursussen uit dat werkloosheid een individueel en niet een maatschappelijk probleem is. (Ben jij niet gekozen uit driehonderd sollicitanten? Dan ontbreekt er jets aan je gedrag en opstelling.) In de bronnentheorie wordt de strategie van bestuurders en topambtenaren om de werklozen te disciplineren en het effekt daarvan, bijvoorbeeld in het kader van het ‘poldermodel’, niet aan een historiese analyse onderworpen. Althans ik ken geen uitgebreide analyse in dit opzicht. Het wachten is op de publikatie van Ruud Vlek die op 1 december op dit onderwerp hoopt te promoveren. De oorzaken van passiviteit en het onvermogen tot belangenbehartiging te komen, worden ook in de bronnentheorie eenzijdig gezocht in kenmerken van het individu, of van specifieke subgroeperingen en hun belangenverschillen. Niet in de meer algemene maatschappelijke verhoudingen, waarbij bepaalde partijen (werkgevers, overheidsorganen, delen van de vakbeweging) er belang bij kunnen hebben dat de belangenbehartiging van de uitkeringsgerechtigden of werklozen binnen bepaalde grenzen blijft en maar in beperkte mate van de grond komt. Vaak voelen werklozen dit allemaal feilloos aan, hoewel het niet altijd in politieke termen wordt vertaald. Er is een diep ingekankerd wantrouwen gegroeid jegens de overheid, de ambtenaren, de politiek en ja, ook de vakbeweging.

 Vakbeweging

Ik hoef hier hopelijk niet uit te leggen dat de vakbeweging veel te weinig heeft gedaan om de problemen van het nederlandse ‘poldermodel’ voor het voetlicht te brengen. Sterker nog, het harmonieuze overleg over loonmatiging en afbraak van de sociale zekerheid maakt struktureel deel uit van dit ‘poldermodel’. Iedere werkloze weet dat er in deze onvolprezen polder, volgens officiële CBS-cijfers, 1.117.000 mensen rondlopen die betaald werk zoeken. De internationale waardering voor de polderjongens (‘sociale partners’) zal, vrees ik, het vertrouwen van de werklozen in de FNV niet versterken. Toch is een onafhankelijke, sociale beweging van werkende en niet-werkende gemarginaliseerden mogelijk. Voorbeelden uit de geschiedenis tonen aan dat organisatie van deze groep wel degelijk mogelijk is, wanneer uitkeringsgerechtigden en werklozen maatschappelijke steun weten te mobiliseren van linkse politieke partijen, kritiese vakbonds- en kerkelijke groeperingen of van andere sociale bewegingen (vrouwenbeweging). En ook weten we dat resultaten in de verdediging van rechten kunnen warden geboekt, wanneer de verschillende partijen in een koalitie elkaar aksepteren en serieus nemen. Het franse AC! (Agir contre le Chômage) is daarvan een aktuele illustratie en in Nederland zijn akties van vrouwen in de bijstand tijdens de opleving van het feminisme begin jaren tachtig een goed voorbeeld.

 Euromarsen

De Euromarsen waren voor mij een nieuwe stap op weg naar het doorbreken van onderling wantrouwen en verdeeldheid en naar de opzet van een nieuwe sociale beweging. Enerzijds werden bij de organisatie van de Euromarsen, zowel in Nederland als in de andere landen, de zwakheden van wat wel de uitkeringsgerechtigdenbeweging wordt genoemd, in mijn ogen overduidelijk blootgelegd. Anderzijds heb ik ervaren dat bij werkenden, leden van politieke partijen of kaderleden van vakbonden, vaak sprake was van een pijnlijke onbekendheid met de leefwereld van de uitkeringsgerechtigden en van een onbegrip voor de politieke standpunten die hun organisaties momenteel vaak innemen. Er was soms sprake van onbekendheid met het maatschappelijk krachtenveld, waarin de vaak kleine organisaties moeten opereren. Dit alles heeft bij de organisatie van de Euromarsen en de slotdemonstratie tot verschillende problemen geleid, terwijl de organisatie soms met kunst en vliegwerk overeind moest warden gehouden. En kijk, op die gedenkwaardige dag in juni waren er meer dan 50.000 demonstranten uit heel Europa!

 Symboliese kracht

Het sukses van deze demonstratie is mijns inziens deels te verklaren uit de symboliese kracht van de Euromarsen die eraan voorafgingen. Ik noem twee aspekten. In de eerste plaats werd de bekende slogan ‘denk mondiaal en handel lokaal’ in de praktijk gebracht. Er waren bij doorkomst van een mars in sommige steden akties voor ondersteuning van arbeiders tegen sluiting van bedrijven. Daarnaast diskussieerden de wandelaars met aktievoerders van de lokale komitees, die zich vaak ook met de lokale politiek bezighouden, over de gevolgen van de europese eenwording voor de lokale gemeenschap. In de tweede plaats sprak veel mensen aan dat de wandelaars, vaak dakloos en/of werkloos of werkzaam in marginale bedrijven, voor deze aktie hadden gekozen. Er was een wandelaarster bij die een maand voor het begin van de marsen uit haar huis was gezet en die voor deze politieke aktie had gekozen om te overleven. Politieke aktie als overlevingsstrategie, dat sprak veel mensen aan. Misschien dat de meeste daklozen dit nog niet zo snel doen. Desondanks zijn de Euromarsen voor mij toch het bewijs dat de beperkingen zoals die in de bronnentheorie worden genoemd, de maatschappelijke tegenwerking en het onderling wantrouwen en cynisme te overwinnen zijn. Er kan daarbij een internationale beweging ontstaan, waarin groepen uit vele steden, dorpen en landen samenwerken om op verschillende nivoos een vuist te maken. Noodzakelijk voor de duurzaamheid van die beweging is wel dat er een goed evenwicht wordt gevonden tussen de invloed en zelfstandigheid van lokale groepen enerzijds en de europese koördinatie anderzijds.

Piet van der Lende (Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam)

Overzicht van de marsen voorafgaande aan de grote demonstratie in Amsterdam

Mars komende vanaf Grenoble.
13 en 14 mei in Straatsburg. Ontvangst in het Europese parle­ment.
De mars Van de Alpen naar de Rijn passeert de 13e Straatsburg waar de lopers werden ontvangen op een manifestatie plaatsvond waar 300 mensen aan deelna­men, en die georganiseerd was door AC, CGT,FSU, SUD en CFDT.
Er waren verschillende ontmoetingen met het europese parle­ment; de 13e aan het einde van de middag werd een delegatie van de lopers ontvangen door het ‘appel voor volledige werkge­legenheid’ dat een initiatief is van de europalrlemenatriër Ken Coates en dat al onderteknd is door meer dan 150 afgevaar­digden van het parlement (communisten, groenen, sociaal-demo­craten).
S’middags op de 15e zijn alle wandelaars ontvangen in de half cirkelvormige zaal van het parlement door vele europese afge­vaardigden, twee intervanties van de wandelaars vonden plaats, de socialistische en groene fracties hadden de ontmoeting georganiseerd.
9 mei- Manifestatie in Turijn, in Italië
In het kader van de Italiaanse initiatieven was de Dag van Europa op 9 mei een gelegenheid voor initiatieven voor de europese marsen in Turijn. Er waren 50 Franse vertegenwoordi­gers uit Grenoble aanwezig.
S’middags werd een meeting gehouden, na een receptie in het hoofdkantoor van de CGIL van Turijn. Bij deze meeting waren 150 personen aanwezig, met discussiebijdragen van de groepen CGIL, CUB, Refondacion Communista, de groenen….
S’avonds was een manifestatie, waar 700 tot 1000 mensen aanwe­zig waren.
Zondag 12 mei- Pont de Normandie-Mars komende vanaf Brest.
ça monte, ça monte…ça monte la colere! (we worden steeds kwader) Enkele honderden personen hadden zondag 12 mei met elkaar afgesproken op de Pont de Normandie. De wandelaars die een maand geleden uit Brest zijn vertrokken werden ontvangen door collectieven uit Le Havre en Rouen, die de verantwoorde­lijkheid nemen voor de organisatie van de stopplaatsen in de komende dagen.
De zondag was begonnen met een tocht in de straten van Hon­fleur. Voor het gemeentehuis werd een dialoog gehouden met een gemeenteraadslid, daaran krgeen de wandelaars eten aangeboden in de salon d’honneur. vervolgens vetrok men in optocht naar de Pont de Normandie. De kwaadheid die steeds groter werd was in de straten te horen en men scandeerde leuzen dichtbij de fabriek van Akai die opgeheven driegt te worden. Na een pick- nick  bij de brug, biedt de manifestatie, versterkt door de inzittenden van twee autobussen die van Alençon en Flers kwamen een prachtig schouwspel. Men steekt de Seine over. Het is mooi weer, de vlaggen en spandoeken van Action Chomage en van de CFDT wapperen in de wind en slogans worden afgewisseld met liederen die gemaakt zijn sins de mars is vertrokken. 
Midden op de brug is er een ontmoeting met het ontvangst comi­te, de emoties stijgen naar een hoogtepunt, verschillende wandelaars die uit Brest zijn vertrokken onderdrukken hun tranen, een vrouwengroep uit Auchan ontrolt haar spandeok. Het is een groots moment, dit bewijst dat ondanks de verkiezingen steeds meer mensen gemobliseerd worden rond de thema’s van werkloos­heid en sociale uitsluiting.
Bij het tolhuis verzamelt een deel van de demonstranten zich dichtbij de plek waar de automobilisten de vrije autoweg naar Caen nemen, en er is een drum concert van de ‘tambouers de Bronx’ door de jeugd van Havre. Daarna verlaten de wandelaars van Brest de halteplaats om aan hun tweede maaand van de mars in te gaan.
15 mei-Parijs-Bezetting van het kantoor van de Banque de France.
De dag voor de aankomst van de marsen in parijs werd de Banque de france bezet.
Deze bezetting werd gecoordineerd door de vakbonden van de bank (SNA, CGT, CFDT) en andere belangengroepen (AC!, DAL en Droit Devant). Deze bezetting maakte het mogelijk dat een delegatie werd ontvangen door M Ferman, de tweede man van de bank en er was een bijeenkomst met M Trichet, gouverneur van de bank.
Deze bijeenkomst gaf de bezetters de mogelijkheid, kritiek te leveren op de Franse en Europese monetaire politiek.
De delegaties werden vergezeld door Leon Schwartzenberg, een medicus en voormalig minister, die erg bekend is vanwege zijn acties voor ‘illegalen’ en door meneer Jacques Gaillot, voor­malig vertegenwoordiger van Evreux, die ook erg bekend is in Frankrijk.
Tijdens de bijeenkomst hebben de aanwezige organisaties hun misnoegen uitgesproken over de monetaire politiek van de Franse Bank en haar Europese medestanders en verder werd er gesteld, dat de strijd tegen de werkloosheid en de sociale problemen de grootste prioriteit moeten hebben voor een ekono­mische en monetaire politiek.
M Trichet heeft aan het einde van het gesprek geaccepteerd, dat er jaarlijks een gesprek komt met de belangenorganisaties van werklozen om aandacht te besteden aan de sociale kwesties zoals die door de belangenorganisaties naar voren worden gebracht.
Denemarken
Het initaitef voor een ander Europa in denemarken is klaar om de deense marsen te lanceren, deze marsen worden gehouden van 18 mei tot 2 juni; het uitgangspunt is, vooral de mobilisatie voor de manifestatie en de tegentop in Amsterdam.
Een zeer grote manifestatie markeerde het begin van de marsen in denemarken. Als vervolg op manifestaties in Stockholm en Malmo namen ook inwonersvan andere noorse landen met name uit Zweden aan de manifestatie deel. De mars in denemarken wordt gehouden in de vorm van een fietstocht, waarbij gedurende 15 dagen evenementen worden gehouden in zo’n vijftig dorpen langs de route. Lokale vakbondsafdelingen, linkse organisaties hebben zich ingeschreven om de fietsers een warme ontvangst te bereiden.
De manifestatie waarbij het startschot werd gegeven vond plaats in Kopenhagen op 18 mei, dit was tevens de datum waarop het een jaar gelden was dat het referendum over het verdrag van Maastricht in Denemarken werd gehouden. Op de manifestatie voerden oa een vertegenwoordiger van renault Vilvoorde, deense en noorse vakbondsleden en twee europese parlementsleden en een deens parlementslid het woord.
De manifestatie is georganiseerd door het Deense Eurmarsenko­mitee samen met de groep ‘vakbondsleden tegen de EU en de afdelingen in Kopenhagen van de anti-Maastricht beweging. (Juni beweging, volksbeweging). En wel op basis van de volgen­de tekst:
” Wij manifesteren tegen de Europese Unie, tegen het verdrag van Schengen en een Europese defensiemacht, voor een ander Europa, gebaseerd op open debatten en een werkelijke democra­tie; het rtecht van allen op werk, op sociale bescherming en op een schoon milieu; de gelijkheid tussen mannen en vrouwen de afkeer van racisme en van discriminatie een open en soli­dair Europa ten opzichte van het Oosten en het Zuiden”.
Er zijn op dit moment in denemarken geen grote sociale akties waarbij aangesloten kan worden, maar in bepaalde streken worden samen met de vakbonden bezoeken aan fabrieken georgani­seerd. de fietstochten zijn tevens bedoeld om een ecologsiche boodschap uit te dragen. Zo doen de fietsers mee aan een meeting en een concert vlakbij Aarhus, om een spoorlijn te eisen op de plaats waar een enorme autoweg is gepland.
Het einde van de tour in denemarken, de tweede juni, (vijfde verjaardag van het nee tegen Maastricht uit 1992) is in esbje­rg, aan de oostkust, waar een feest wordt gehouden. Vandaar af sluiten de denen aan bij de noord-duitse mars, via Kiel en Hamburg. 30.000 exemplaren van het tweede nummer van de cam­pagnekrant zijn verspreid. De Denen komen met bussen naar Amsterdam en zij verkopen kilometerkaarten.
Parijs, 16 mei.
Aankomst van de marsen op Orly.

Verslag internationale coördinatie Euromarsen tegen werkloos­heid, armoede en sociale uitsluiting

Verslag internationale coördinatie Euromarsen tegen werkloos­heid, armoede en sociale uitsluiting in het gebouw van het Comité Marokkaanse Arbeiders in Nederland-KMAN, Ferdinand Bolstraat 39 in Amsterdam d.d. 10-05-1997.
Aanwezig: Duitsland, Frankrijk, Nederland, Spanje, België, Italië.
Christophe Aquiton opent de vergadering. De Engelsen kunnen vandaag niet aanwezig zijn omdat vandaag de grote meeting is voor de start van de Euromarsen in dat land.
Agenda:
1. De stand van zaken in de diverse landen
2. Discussie over de 14e juni en alles wat daarmee samenhangt.
3. Wat gaan we na de demonstratie doen, welke plannen hebben we voor de toekomst.
Ad 1.
Spanje. Gisteren is in Spanje een bijeenkomst geweest van het ondersteuningskomitee. Dit bestaat uit een betrekkelijk kleine groep, maar er zijn duizenden mensen die op een of andere wijze deelnemen in het geheel. Vele steden in Spanje zijn bij de Euromarsen betrokken. Er zijn betrekkelijk weinig berichten in de nationale pers verschenen, maar wel in de regionale pers. Er is veel propaganda gemaakt, zo zijn er 5000 affiches gedrukt.
De Spanjaarden hebben geageerd tegen het verdrag van Maas­tricht en tegen het neo-liberalisme. Ook zijn er discussies geweest over de verhouding tussen het zuiden en het noorden van Europa. Daarnaast zijn er acties geweest voor migranten en is geprotesteerd tegen het fort Europa. De flexibele arbeid, die steeds meer om zich heen grijpt, was ook een belangrijk discussiepunt. Er zijn in dit verband vele protesten bij bedrijven geweest, die discrimineren in hun personeelsbeleid en groepen mensen uitsluiten. Verder heeft men meegedaan aan milieuakties en zijn er huizen gekraakt. Ten slotte zijn er manifestaties op universiteiten geweest samen met studenten.
In de bijeenkomsten werd de internationale betekenis van de Euromarsen benadrukt. Op deze wijze worden contacten opgebouwd met vele organisaties in andere landen waarbij men gezamenlijk actie voert. De internationale solidariteit op basis van een brede coalitie is erg belangrijk. Er is in de actie een veran­dering opgetreden in de houding van de armen. Wij hebben gevochten voor onze waardigheid als mensen temidden van steeds grotere problemen. Wij maken geen deel uit van politie­ke partijen en zijn geen onderdeel van allerlei instituties. Dat is goed.
In Spanje zijn de Euromarsen de grootste mobilisatie tegen het kapitalisme geweest sinds de marsen tegen de NATO in 1980.
We hebben wel grote financiële problemen. Maar de deelnemers aan de marsen en de mensen eromheen zijn zeer enthousiast, ze willen afmaken waar ze aan zijn begonnen. Ondanks de financi­ële problemen willen we een week eerder komen om deel te nemen aan de marsen in de laatste week. Wij zijn er erg op gespitst om hier enige tijd door te brengen. Maar we hebben geen idee hoeveel mensen dat willen. De afstand Spanje -Nederland is wel een probleem.
Er zijn video-opnamen gemaakt van de diverse acties en wandel­tochten. Er lopen nu 11 spanjaarden in een van de marsen en 6 of 7 in een andere. Zij lopen nu in Frankrijk. En het is niet zeker, of ze helemaal door zullen gaan naar Amsterdam. Er is een verslag gemaakt van de activiteiten per stad in Spanje en van de wandeltochten.
Italië. In Italië doe men nu voor het eerst ervaringen op in het deelnemen aan een internationaal initiatief. Men is in februari begonnen, dat is eigenlijk te laat. Ook al daarom zijn er in Italië niet echt wandeltochten van stad naar stad. We hebben een flexibel nationaal comité met grote politieke verschillen. We nemen deel aan de marsen op basis van de verklaring van Florence, dit is een soort compromis, want bij ons zeggen sommigen dat de verklaring niet radicaal genoeg is en anderen zeggen dat de verklaring te ver gaat. We hebben dus besloten, geen marsen te organiseren maar wel manifestaties met korte wandeltochten in veel steden. Vanaf 14 april zijn er veel initiatieven in het noorden geweest. In mei gaan we lokale marsen organiseren; eerst in het zuiden en dan in het noorden. Er zijn nu 40 initiatieven en eind mei zullen dat er 80 zijn in 60 steden en dorpen. Het is moeilijk in te schatten hoe groot de mobilisatiekracht en de kracht van de coalitie is. In sommige plaatsen is men niet zo sterk, in andere weer meer. Soms zijn er enkele honderden wandelaars. Gisteren waren er in Torino 600. Maar in totaal zijn er vele duizenden deel­nemers. In het Zuiden hebben vooral werklozen deelgenomen; in het noorden was het meer internationaal. Door de initiatieven praten en discussiëren de werklozen met de werkenden en probe­ren ze samen een soort van organisatie van de grond te tillen. We vinden het belangrijk, dat er een goed nationaal comité komt in het kader van een internationale beweging. We focussen nu op de demonstratie in Amsterdam, vanuit het nationale comité. Daarnaast is het zo, dat er ook politieke groeperin­gen en vakbondsgroepen zijn die bijeenkomsten houden om te mobili­seren voor Amsterdam.
Wij hebben geconcludeerd, dat er een grote verdeeldheid is in Italië, maar dat dit vooral ook een kwestie was van het pro­bleem van de communicatie tussen de verschillende groepen..De marsen leiden tot een gezamenlijke discussie. In Milaan en Turijn praten verschillende groepen met elkaar, terwijl ze tot nu toe gescheiden optrokken. In sommige steden hebben de groepen gezamenlijke comités, elders heeft iedere groep een apart comité. (Zie de cijfers 80 comités in 60 steden).
Bij ons is evenals in Spanje het grote probleem: de afstand tot Amsterdam en het geld. Maar de komst van 1500 tot 2000 Italianen is niet onmogelijk. We hebben nog niet beslist hoe we gaan, maar we zullen ons inspannen om gezamenlijk te komen.
Verder hebben er Italianen deelgenomen in de marsen vanuit Grenoble. Er hebben ook Italianen meegelopen in Genève. In Basel waren 15 Italianen. Maar we hebben geen permanente deelnemers aan de routes.
Waarschijnlijk willen 5 tot 10 mensen deelnemen in de laatste week van de marsen.
Nu ontstaat er een discussie over hoeveel marcheerders er in de laatste week bij zullen komen. Hoeveel mensen komen de week van te voren, wel of niet als deelnemer, en hoeveel komen alleen naar de manifestatie? En vervolgens: hoeveel mensen blijven er na de demonstratie?. Deze hamvraag zal nog diverse malen terug komen.
Frankrijk- Enkele jaren gelden is er een werklozenbeweging opgericht die nu vrij sterk is. Je kunt het echter nog geen echte massabeweging noemen. Het houdt ergens het midden tussen een massabeweging en kleine groepen. Omdat de werklozenorgani­saties in frankrijk steeds gestruktureerder gingen werken was het mogelijk, het initiatief te nemen voor de organisatie van euromarsen, dus ook naar andere landen. De acties zijn verbon­den met de ‘Eurostaking bij Renault, we maken deel uit van dezelfde beweging. In verband met de verkiezingen in frankrijk hadden we de hoop dat het onderwerp Europa veel ter sprake zou komen, maar dat gebeurt niet. Het onderwerp ligt zowel voor rechts als voor links moeilijk. Tot nu toe was er een breuk tussen de politieke macht/partijen en de sociale bewegingen. Er is geen verband.
Op dit moment zijn de marsen in frankrijk aan de gang. De resultaten zijn als in Spanje; zeer wisselend. Er zijn bijeen­komsten van 1000 tot 2000 mensen en er lopen nu 50 wandelaars in Frankrijk. Er komt ook steeds meer politieke steun bv vanuit de Parti Socialiste; De verhouding met de vakbonden is zeer complex, zoals met de CGT. Ze nemen deel, maar keuren het officieel af. Er is ook een coalitie tot stand gekomen met milieugroepen en de positie van de intellectuelen in frank­rijk begint te veranderen. Velen verbinden zich weer met de sociale bewegingen en maken daar deel van uit. Al die sociale bewegin­gen steunen de marsen. Deze morele steun is erg belang­rijk. Wat de propaganda betreft: er zijn 30.000 kranten ver­spreid. Daarnaast zijn er video’s en affiches, buttons en T-shirts. Volgende week komen de marsen in parijs. Ook hier is er een groot geldprobleem.
We verwachten voor de slotdemonstratie op zijn minst 5000 Fransen.
Hoe is nu de situatie van de wandelaars in frankrijk?
De marcheerders van de Rijn-route 30 wandelaars.
De route Bordeaux – Vanuit Tanger 20 wandelaars waaronder 11 Spanjaarden en 1 duitser.
De route Lyon zijn 30 wandelaars waarvan 7 spaans.
In Engeland zijn er 20 wandelaars.
Op dit moment wandelen in totaal 100 mensen waarvan 20 spaans. Maar als de mars in parijs aankomt zullen meer mensen gaan deelnemen. Uit Frankrijk zullen uiteindelijk in totaal 150 wandelaars komen. Daarbij komen dan nog de Duitsers en de Engelsen.
In sommige groepen zijn grote problemen; men kan moeilijk met elkaar samenleven. Het zijn groepen met vak­bondsleden en anderen. We zullen de groepen zoveel mogelijk gemengd laten zijn, om het gemakkelijker te maken voor de nederlanders. Je hebt nu eenmaal altijd moeilijkheden tussen mensen, dat nog wordt versterkt door de communicatieproblemen vanwege de verschillende talen. Je loopt daar, en je wilt met de mensen praten en als dat dan niet kan ontstaan er moeilijkheden.
Duitsland- Hier heeft men een decentrale organisatie, dus voornamelijk op lokaal niveau. Wij worden met een dilemma geconfronteerd: enerzijds zijn we hevig bezig met het organi­seren van de marsen, en alle praktische zaken eromheen. Ander­zijds willen we onze energie besteden om een sociale beweging op te bouwen. In Berlijn waren er 10 wandelaars, en is een manifes­tatie gehouden waar 100 mensen aanwezig waren. Dit is klein, maar een goed begin. Er zijn nu ook in Duitsland lokale structuren die met elkaar praten. De eerste afspraken zijn al gemaakt om na de marsen met elkaar samen te werken. De pers en de vakbonden stellen zich zeer vijandig op. Er is zelfs een geruchtenmachine op gang gekomen, waarin wordt beweerd, dat de campagnes van le Pen onderdeel uitmaken van de mar­sen. Hieruit trekken we de conclusie, dat we op de goede weg zijn en dat we belangrijker zijn dan we dachten. Ze zijn bang voor ons. Wij vinden het ook niet erg, dat we onze eigen kracht moeten zoeken naast de vakbonden, want als ze volop mee hadden gedaan hadden ze alles overspoelt en zouden ze alles overgeno­men hebben van bovenaf.
Er zijn in Duitsland vele lokale groepen die meedoen en die bussen naar Amsterdam willen organiseren. Maar het is onbekend hoeveel. Veel mensen willen via Nijmegen naar Amsterdam. Er komen 100 mensen per boot vanuit Duitsland naar Nijmegen. Hoeveel er verder deelnemen aan de mars weten we niet. De mensen die vanuit Nijmegen verder gaan nemen tenten mee. De mars route frankfurt a/d Oder is nu aan de gang. Er nemen drie Fransen aan deel. De andere routes lopen nog niet. In de laatste dagen zal er een fiets­tocht zijn. Er is een verslag van de mars frankfurt van 4 bladzijden. Er heerst een goede atmosfeer. Tot Berlijn waren er 6, in Berlijn werden het 10 en er zijn nu 15 deelnemers. De vakbonden ondersteunen het initi­atief wel lokaal, maar alleen financieel, ze doen verder niets. Alleen de DGB Hannover maakt deel uit van het lokale comité.
Uit Finland, Portugal, Ierland en Engeland zijn verder geen berichten. Griekenland organiseert geen marsen. Maar er is wel een kleine organisatie, die activiteiten aan het organiseren is. De grote vakbond ondersteund de wandelaars.
En zelfs de PASOC steunt het. Christophe is op een meeting van vakbonden geweest, waar duidelijk werd, dat de enige die niet mee wil doen de communistische partij van griekenland is. Ze vinden het initiatief te sociaal-democratisch. Er zal een bus vanuit Griekenland naar Amsterdam vertrekken. Deze bus gaat via Italië. Ook de grieken willen met deze bus een hele week komen. Daarnaast hebben ze een vliegtuig gecharterd voor 1 dag. Zodat er 300 a 400 grieken naar de demonstratie komen. De bus zal 5 juni in Italië zijn.
Er wordt nog gepraat over Engeland.
De Engelsen starten de 17e en de 18e onder andere in preston. Er is een grote maatschappelijke ondersteuning, maar we weten niet, hoeveel er gaan deelnemen. Christophe sprak op 1 mei op een grote meeting waar 40.000 mensen aanwezig waren. De mees­ten kwamen voor de muziek, maar er waren toch ook 2000 tot 3000 ‘millitanten’ aanwezig.
Suzanne heeft met Philippe in Zweden gepraat. Daar gebeurt niets. Misschien gaan enkelen op individuele basis aan de fietstocht deelnemen en misschien komen er enkelen naar Am­sterdam. In Oslo Noorwegen is nu een meeting aan de gang waar een fransman aanwezig is. Ook vandaar willen enkelen naar Amsterdam komen.
In Denemarken willen 200 mensen enkele dagen komen en 500 mensen alleen voor de demonstratie. In Denemarken nemen enkele vakbonden deel, oa de Bouw en Houtbonden. Uit Noorwegen komen 100 tot 200 mensen.
België. Er gaan drie routes door belgië en er worden vier grote steden aangedaan. Dus voor ieder van de 4 grote marsen vanuit Frankrijk is er een afzonderlijke mars in België. (Zie kaart).
In Charleroi is er een groot werklozenkomitee dat veel orga­niseert. Verder zijn er in België geen werklozenkomitees. Er wordt uitgelegd wat de relatie met de vakbonden is. Onduide­lijk vertaald. De vakbonden betalen in feite de uitkeringen. Wat dit voor gevolgen heeft voor de organisatie van de werklo­zen heb ik niet begrepen. In iedere stad in België die wordt aangedaan is een ‘pluralistisch’ comité die voor de logistiek kan zorgen en voor meetings met politieke partijen en vakbon­den. Ze kunnen in totaal in België meer dan 150 mensen aan. In de meeste steden worden de mensen ondergebracht bij particu­lieren. Het gaat om lokale organisaties maar het werkt. Op nationaal niveau wordt niet veel gedaan. Alleen pamfletten verspreiden die worden vermenigvuldigd door de vakbondsafde­lingen op lokaal niveau.
Op 30 mei hebben de wandelaars samen met de vakbonden in Brussel een meeting. Dit is opmerkelijk, gezien het gebrek aan steun van de vakbonden in andere landen en de gebeurtenissen bij renault of de opstelling van de EVV.
In de lokale structuren doet de groene partij ook mee en er is zelfs een samenwerking met arbeidsbureaus e.d. dus de instan­ties die zich met arbeidsbemiddeling bezig houden. De situatie is nu zo, dat politieke figuren vechten om gezien te worden met de wandelaars. Tot nu toe heeft het Europa debat in België nauwelijks gespeeld. de marsen zijn een goede gelegenheid om dit debat nieuw leven in te blazen. In België is er vooral ind e regionale pers veel aandacht voor de marsen. Iedereen weet, dat er in belgië 25% werkloosheid is; de helft krijgt een ww uitkering, de rest leeft maar ergens van. Iedereen ziet dit probleem. Toch zit men in België met enkele vragen. We willen dit Europa niet, maar ook niet de voortzetting van het natio­nalisme. Men is in België bang voor het nederlandse model. Iedereen voelt, dat er op europees niveau iets moet gebeuren, maar wat in de plaats moet komen van Maastricht weten we niet. We willen geen eng-nationalistisch Belgisch economisch sys­teem. Dus moeten we streven naar internationale solidariteit op internationale basis versus het nationalisme.
Er wordt gediscussieerd over de organisatie van de marsen in belgië. Probleem is, dat de vakbonden in het kader van de EVV-dag een manifestatie hebben gepland op de 28ste in Brussel. De wandelaars zijn dan nog bij de grens; in de nationale demon­stratie van de vakbonden spelen de wandelaars dan geen rol. Daarom praat het comité in België met lokale vakbondsafdelin­gen om de wandelaars op die datum van de grens naar Brussel te brengen en s’avonds weer terug, tenminste als de lokale vak­bonden dat willen. Een probleem met de Belgische vakbonden is wel dat wij zeggen bv voor de demonstratie van de 28ste in Brussel, we willen deelnemen, maar ze nodigen ons niet uit. Op de 28ste zijn er veel media, de wandelaars moeten er dan ook zijn. Ook in België is echter de situatie, dat de vakbonden op hoog niveau niet meedoen maar wel de lokale afdelingen. We hebben niet, zoals in andere landen een brief geschreven aan de nationale bonden om te vragen of ze meedoen, want we gingen ervan uit, dat gezien de opstelling van het EVV het antwoord toch nee zou zijn. Lokaal doen ze echter wel mee.
Aguiton wijst erop, dat de wandelaars autonoom zijn. Als ze een tocht van twee maanden maken, kun je niet zomaar zeggen: jullie moeten nu daar en daar naartoe. De voorstellen moeten door de groepen besproken worden en ze moeten het ermee eens zijn. Ook benadrukt Christophe nav de slaapplaatsen regeling in België dat in principe collectieve slaapplaatsen nodig zijn. De groepjes wandelaars willen soms samen slapen. Er is- dit kwam al eerder ter sprake- een geheel eigen groepsdyna­miek, waar je rekening mee moet houden.
Daarom is het beter, dat wanneer de wandelaars in Lille zijn, iemand uit België komt die de routes laat zien, en die uitlegt hoe het in belgië gaat. de wandelaars kunnen daar dan beslis­sen wat ze verder in België wel en niet gaan doen. Tien dagen later moeten nederlanders naar België komen om hetzelfde uit te leggen. Hoe is het eten en slapen geregeld, etc. Het is goed, de verdere werkwijze bij de marsen enkele dagen van te voren aan te kondigen.
In België heeft men vragen gehad van Duitsers, die aan de franse marsen in belgië willen deelnemen. Dat is nog steeds mogelijk. Opgemerkt wordt, dat er wandelaars op de verschil­lende routes moeten worden uitgewisseld, zodat overal ver­schillende nationaliteiten meelopen.
Daarna vinden nog discussies plaats over welke nationaliteiten er nu zijn op welke tochten, welke manifestaties er worden gehouden en er is een discussie over de Belgische en Spaanse vakbonden.
Men komt terug op de situatie in België. Er zijn zeker wel duizenden belgen die naar Amsterdam willen.
Weer wordt gediscussieerd over de vakbonden. De EVV is tegen e marsen. Maar als de vakbonden in Brussel de marsen accepte­ren is dat een ‘split’ in de vakbonden. Dit is temeer belang­rijk, omdat de manifestatie van de 28ste in Brussel symboli­sche betekenis heeft. Deze demonstratie heeft sowieso een interna­tionaal karakter, want Brussel is de ‘hoofdstad’ van Europa, waar vele instellingen zijn gevestigd. De marsen kunnen dan laten zien op de 28ste, dat niet alle vakbonden in europa er gelijk over denken.
In dit verband wordt opgemerkt dat in een van de marsen die uit Spanje komt een vooraanstaand lid van de staalarbeiders­bond aanwezig is, die spreekt op manifestaties tegen zijn eigen organisatie. Hij legt uit, dat internationale solidari­teit noodzakelijk is, omdat terwijl bij renault in België actie wordt gevoerd, de produktie overgaat naar Spanje.
Er wordt gediscussieerd wat de grote vakbonden de 28ste in de andere landen gaan doen. In Italië gaan de mensen die deelne­men aan de marsenorganisatie op de 28ste deelnemen aan de grote vakbondsbijeenkosmten. De vakbonden gaan mobiliseren in de fabrieken en bij de arbeidsbureaus. De Italiaanse vertegen­woordiger zegt, dat men in Italië nadenkt over hoe de organi­satie van de Euromarsen zich op deze dag kan onderscheiden van de vakbonden, je moet iets doen waardoor je opvalt, het moet anders zijn dan wat de Europese vakbonden doen.
Christophe vraagt zich af: als de Belgen kunnen zorgen dat de wandelaars de 28ste in Brussel zijn, en er is ruimte om de euromarsen zichtbaar te maken, worden de vakbonden dan niet boos en willen ze dan op de 30ste nog wel met ons in zee?
De conclusie van de discussie is, dat de relatie met de vak­bonden verschilt van land tot land wat betreft de steun aan de mobilisatie voor de euromarsen. Ook wordt verschillend gemobi­liseerd voor de 28ste. In ieder land moet men maar zien, hoe men daarmee om gaat. In frankrijk is er op de 28ste niets, in verband met de verkiezingen dan. Daar doet men op de 10e juni iets. Er komt een gerucht op tafel dat de duitse bonden zouden oproepen tot een staking van vier uur. Dit gerucht wordt door de duitse vertegenwoordigster ontzenuwt. De DGB mobiliseert nauwelijks. Er is alleen een manifestatie in frankfurt op de 28ste.
Er wordt teruggekomen op de publiciteit in relatie tot wat anderen doen en om daar gebruik van te maken. Hoe kun je je onderscheiden? We moeten gelegenheden vinden om in elk land te laten zien, wat er in andere landen gebeurt. We moeten laten zien, dat het een europees project is. Er moeten veel foto’s van het geheel komen, dat we samen werken naar een grote demonstratie in Holland. Het moet nu bekend gemaakt worden.
Ad 2. We gaan naar het volgende agendapunt, de situatie in Nederland en de organisatie van de demonstratie op 14 juni.
Christophe merkt ter inleiding op, dat op de vorige internati­o­nale bijeenkomst werd vastgesteld, dat de begintijd van de demonstratie 13.30 uur moest zijn. Maar hij heeft begrepen, dat er wat betreft de plaats en de route van de demonstratie problemen zijn.
John legt uit wat de situatie is. Tijdens de Eurotop en de dagen ervoor is een gedeelte van Amsterdam afgesloten gebied. Op het museumplein kunnen we sowieso niet komen, want dat is opgebroken en wordt gerenoveerd. Het is een uitdaging om een andere goede plaats voor het eindpunt te vinden. In de parken in de vooroorlogse gordel kunnen we niet terecht. Bovendien zijn de gesprekken met de gemeente laat gestart. Op dit moment weten we niet wat het gaat worden. We hopen het binnen een week te weten. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal de Dam het startpunt zijn. Dit is vlakbij het Centraal Station. De Dam is op zaterdag geen afgesloten veiligheidsge­bied. Maar hij benadrukt, dat we nog geen officiële toestem­ming hebben voor de Dam als startpunt.
Er ontstaat een discussie nav de bijdrage van John. Waar moeten al die bussen dan staan?. Ze moeten dicht naar het begin van de demonstratie kunnen rijden en daar parkeren. Er wordt gezegd, dat de bussen op de Prins Hendrikkade kunnen staan. Dat is ook vlakbij het Centraal Station en 5 minuten lopen naar de Dam. John zegt, dat we met de politie praten over hoe de mensen uit de bussen komen naar het beginpunt van de demonstratie. De bussen kunnen achter het Centraal Station, waarna ze vertrekken naar een plaats aan de buitenkant van de stad.
Men hiermee geen genoegen. iedere delegatie moet nu weten, waar de bussen komen, hoe laat ze er moeten zijn. Kunnen er wel bv 400 bussen achter het Centraal Station? Wat moeten de aankomsttijden van de bussen zijn? Christophe zegt, dat het verzamelen begint om 14.00 uur op de Dam. We beginnen de demonstratie dan om 14.30 uur. Op de Dam kunnen 5000 mensen, de rest dan in de straten eromheen, bv Damrak. Meer valt er nu niet over te zeggen. Geconcludeerd en besloten wordt, dat we in de laatste dagen voor de demonstratie een ‘technische meeting’ moeten hebben met ongeveer 100 mensen om de laatste informatie uit ter wisselen en dingen te regelen.
Volgende punt. Wie gaan er op de manifestatie spreken? Dus na afloop van de demonstratie. Maar eerst moeten we het erover hebben, hoed e demonstratie verder georganiseerd wordt.
Christophe doet een voorstel. Aan het hoofd van de demonstra­tie de 2 tot 500 wandelaars; geschieden naar landen. Daarna blokeenheden per land. Dus iedere nationaliteit een blok. Het beste is, de mensen die van ver weg komen eerst, dus Finnen, Portugezen, Grieken. Dan Spanje, Engeland, frankrijk. Als laatste Holland. Er wordt opgemerkt dat er relatief veel fransen zullen zijn. Welk land moet het laatst?.
Christophe blijft vasthouden aan de indeling naar nationali­teiten. We moeten geen indeling hebben op politieke of ideolo­gische basis, bv trotskisten, sociaal-democraten, etc.
De vertegenwoordiger van de nederlandse SP merkt op, dat nederlanders niet gewend zijn te demonstreren, en ze zullen daarom zich niet aan de blokken houden en in ieder blok gaan zitten. Het basisidee is niet slecht maar er moeten blokken per land komen, afgezien van nederland.
De franse coördinatie is gisteravond bijeen geweest, en die willen het volgende. Men wil vooraan de wandelaars door el­kaar, een mix, zodat ze met elkaar kunnen praten en zo. Het is een gelegenheid om elkaar te ontmoeten. De franse vertegen­woordiger wil dit ook s’avonds. Dan moeten de mensen elkaar ook kunnen ontmoeten en met elkaar discussiëren, daar moet gelegenheid voor zijn. Die ontmoetingsmix moet er ook verder zijn, dus een groot feest met muziek tot 12 uur s’nachts, niet alleen maar een korte manifestatie na afloop van de demonstra­tie en dan uit elkaar gaan. Het moet meer zijn dan een geza­menlijke demonstratie.
De vertegenwoordiger van de SP zegt, dat het moeilijk is een goede oplossing te vinden. Als je wilt laten zien in de demon­stratie dat er verschillende landen zijn dan is een indeling per blok noodzakelijk. Eerst de groep marcheerders van de Euromarsen, dat is het belangrijkste aspect van de demonstra­tie. Dan de landenblokken. En tenslotte de nederlanders, die achteraan sluiten bij de demonstratie.
De spaanse vertegenwoordiging werpt de vraag op, hoe je een regel voor de indeling per blok kunt bedenken. Je hebt landen met een sterke organisatietraditie en landen waar dat niet het geval is. Dus per blok bijvoorbeeld eerst werklozen, dan de vakbonden en dan de politieke partijen. Je moet daarvoor een regel hebben, anders ontstaan er conflicten in een blok over wie de beste plaats mag innemen.
Verder stelt hij de vraag is het alleen een demonstratie of gebeurt er meer? bv tegelijkertijd acties?. Lopen we alleen of voeren we ook acties uit tegen de symbolen van Europa, zoals de banken. We zouden die kunnen bezetten en onderweg andere gebouwen bezetten of kraakacties uitvoeren. Hij wil gebouwen bezetten. is dat mogelijk?
Nu volgt een discussie in rad Frans die slecht vertaald wordt zodat onduidelijk is wat de argumenten voor en tegen zijn.
Ik vang op, dat er veel mensen meelopen die niet gewoon zijn te demonstreren. Zij moeten niet verloren raken in het geheel. Men komt terug op de kop van de demonstratie. Welke indeling? Voorop de wande­laars met een gemeenschappelijke vlag?
Voorop de wandelaars. Maar dan? De conclusie wordt getrokken, dat vredig moeten demonstreren. We moeten laten zien dat we met elkaar kunnen communiceren. Iemand keurt de verdere inde­ling van landenblokken af. We moeten laten zien, dat we samen optrekken. Niet gescheiden naar politieke partijen en vakbon­den en werklozen. Dat is niet goed. We moeten samen actie voeren.
Vervolgens wordt gezegd, dat er een visueel symbool moet zijn, dat aangeeft dat we er niet alleen zijn om te wandelen.. Wat kunnen we laten zien?
Er wordt opgemerkt dat we een grote kaart van Europa moeten maken met de routes. Een kaart met daarop de namen van de 15 landen. Vervolgens komt 1 werkloze per land, die een bord draagt met de naam van het land. Dan de 300 wandelaars en dan de niet-Europeanen zoals uit Turkije er komen ook mensen uit Mexico en Korea. Dan de landen. Christophe stelt een indeling in landen voor, die daarna weer gewijzigd zal worden. Er wordt nl gediscussieerd over de volgorde van de landen. De Skandina­viers moeten bij elkaar. Daarna Spanje. Het betreft hier gevoelige kwesties. Betreffende Spanjaarden merkt men op, dat er absoluut geen landenvlaggen aan de kop van de landenblokken moeten komen. De Basken en de catelanen hebben hier grote problemen mee. Wel kunnen borden met de naam van het land.
Vanuit Nederland wordt de vraag opgeworpen of de Nederlanders achteraan wel goed is. Meestal houden Nederlanders stille tochten. Voor de dynamiek van de demonstratie is het beter, dat de Belgen en de fransen de stoet sluiten. Verder wordt door iemand opgemerkt, dat naast de werkloze die vooraan een bord draagt ook een werkende moet komen. Aldus wordt defini­tief besloten. Vooraan komen per land een werkloze en een werkende die samen het bord van het land dragen. Daarna komen de wandelaars. Vervolgens de niet-Europeanen.
Daarna komen de landenblokken in de volgende rangorde:
1. Griekenland
2. Portugal
3. Ierland
4. Finland.
5. Noorwegen
6. Zweden
7. Spanje
8. Italië
9. Oostenrijk
10. Zwitserland
11. Engeland.
12. Denemarken
13. Nederland
14. Duitsland
15. Luxemburg
16. België
17. Frankrijk.
Er wordt over gediscussieerd hoe we omgaan met de hotemetoten uit een bepaald land of een groep van landen die mee willen lopen. Komen er Europarlementariërs? Geconcludeerd wordt, dat als bv de Europarlemenariers een eigen blok willen dan is dat goed. Er kunnen ook borden van steden zijn, of van regio’s.
Vervolgens komt aan de orde, in welke taal het spandoek aan de kop van de stoet moet hebben. Iedere taal zou teveel zijn. 4 talen? 8 talen? De spaanse vertegenwoordiging vraagt zich toch af, of het mogelijk is alle talen te hebben. We moeten een eenheid in verscheidenheid laten zien. Het is toch een Europe­se mars tegen werkloosheid of niet soms? Verdere discussie over wat helemaal vooraan. Een symbool van de mensen die de wandeltochten hebben gedaan. Een grote kaart van Europa. Nee, helemaal vooraan een spandoek met de tekst: against unemploy­ment, etc. en in andere talen. Nee, alleen in het engels. Dan een grote kaart met de routes. Een spandoek in het engels? dat symboliseert de veramerikanisering van Europa. Frans kan ook niet, want het is al een frans initiatief, de fransen komen met veel en dan lijkt het, of het alleen een Franse demonstra­tie is. Besloten wordt: Helemaal voorop een spandoek in het nederlands (over deze taal zijn geen politieke moei­lijkheden) met de tekst: euromarsen tegen werkloosheid, armoe­de en socia­le uitsluiting. Opgemerkt wordt nog, dat ‘sociale uitsluiting’ geen goede vertaling is van ‘precarity’. Dit woord is in het nederlands onvertaalbaar. Na het spandoek in het nederlands komt de grote kaart van Europa met de routes van de marsen.
De orde dienst.
Christophe stelt voor, dat ieder land z’n eigen ordedienst heeft. 50 nederlanders, 50 fransen, 20 duitsers, 20 italianen enz. De vraag wordt gesteld hoe we zo’n ordedienst moeten organiseren. Dat kan niet een uur van te voren. We moeten de ordedienst een week van te voren bijeenroepen. De vraag wordt verder gesteld, wat het gedrag van de politie is in Nederland. Spanje zegt: in andere landen weten we, dat de politie ieder moment kan interveniëren in de demonstratie. Moeten we maatre­gelen nemen om onszelf te beschermen?. Christophe concludeert, dat we een leiding moeten hebben voor de demonstratie die invloed kan uitoefenen op incidenten en die problemen tijdens de demonstratie kan oplossen, zodat de politie ziet dat we georganiseerd zijn. De vraag wordt gesteld wat we kunnen doen als de politie de demonstratie wil opbreken. We moeten een groep hebben die hierover beslissingen neemt. Christophe stelt het volgende voor. We hebben:
1. Ieder land moet zijn eigen ordedienst hebben
2. Een coordinatiegroep van de ordedienst van 10 personen
3. Een leiding van de demonstratie die snelle beslissingen kan nemen.
John legt het gedrag van de Nederlandse politie uit. Hij meldt ook, dat er groepen jongeren komen voor de autonomendagen. De politie zal om een ordedienst vragen. Christophe merkt op, dat het gedrag van de politie problemen kan geven. Hij heeft aan nederlandse acties meegedaan, en geconstateerd, dat de politie zich tussen de demonstranten mengt en met paarden tussen de demonstranten gaat rijden. De Spanjaarden zijn dat duidelijk niet gewend, die zullen daar zeer agressief op reageren en de paarden wat doen. Wat het geweld van de autonomen betreft: de straat is vrij, wat die voor zichzelf willen doen moeten zij weten, maar niet tijdens de demonstratie. Daar moeten we een minimumstruktuur voor hebben.
Nederland brengt naar voren, dat overeenkomstig de grootte van de nationale groep door die nationaliteit een ordedienst moet worden samengesteld. Er wordt geconstateerd, dat het nuttig is te communiceren met een communicatiesysteem; Waarschijnlijk zijn walkie talkies nodig voor ieder land. Kan Nederland dit coördineren?
De Spanjaarden brengen naar voren, dat zij in dit land geen ordedienst kennen. Dit is moeilijk voor hen, ze zijn dat niet gewend. Er wordt geïnventariseerd in welke landen dit nog meer problemen oplevert. In andere landen is het geen probleem. Er moeten vertegenwoordigers van tenminste 5 landen komen voor de ordedienst; is 150 personen. Nogmaals de vraag: kunnen neder­landers voor walkie talkies zorgen? Als dat niet kan, kunnen ze aan frankrijk vragen het mee te nemen, zij hebben het.
De voertaal van de ordedienst is engels, dus de afgevaardigden naar de groep van 10 personen moeten engels spreken.
De leiding van de demonstratie. Wie kunnen er de laatste week naar amsterdam komen? Dezelfde mensen organiseren de laatste etappes van de marsen en de demonstratie, dus je moet enkele dagen voor de demonstratie een ruimte hebben in de stad voor de staf. Voor 5 leiders van de demonstratie. Die mensen moeten er 5 dagen van te voren zijn. Ten minste nederlanders en fransen.
Volgende punt. Na de demonstratie? Muziek, sprekers, debat. Het idee was, een feest tot 12 uur in de nacht. Met een soort concert van muziekgroepen.
Eerst kunnen 3 tot 5 mensen de demonstranten toespreken. afgevaardigden van wandelaars en vakbonden. Daarna moet er plaats zijn voor muziek. Ten slotte moeten er twee of drie plaatsen zijn voor debatten. We hebben daarbij wel vertaalpro­blemen. We zouden voor dit laatste gebouwen moeten hebben dichtbij het eindpunt van de demonstratie en het feest, kerken of zo.
De spanjaarden brengen naar voren de vraag wie de sprekers moeten zijn en in welke talen. Spreken we 15 talen? dat is voor ons een belangrijke vraag. Ze benadrukken dat de toespra­ken kort zijn, het moeten teksten zijn waar iedereen het mee eens is de teksten zouden uitgesproken kunnen worden door de wandelaars, maar zonder politieke symbolen.
Opgemerkt wordt dat het moeilijk is sprekers in verschillende talen aan het woord te laten, als de meeste mensen van de demonstranten het niet verstaan. Dus moeten we symbolisch drie of vier talen kiezen. De wandelaars spreken een tekst uit in 3 of 4 minuten in 3 of 4 talen. De Spanjaarden brengen nogmaals naar voren, dat de toespraken kort moeten zijn. Een kort appel, in korte bewoordingen. Zeggen, waarom we marcheren. Dat we doorgaan met de internationale strijd. Kan in 1 minuut. Iedere wandelaar 15 maal 1 minuut is 15 minuten.
De fransen brengen naar voren, dat ieder land d de kans moet hebben om te spreken. Ook is voor de tekst belangrijk, te laten zien welk Europa we willen en hoe we dat uitdragen. Volgt onverstaanbare discussie. Iemand wil nu en hier de eindplaats van de demonstratie vastleggen. We moeten nu de plaats weten.
De Spanjaarden brengen weer naar voren, dat we het eens moeten worden over een tekst en dat die dan voorgelezen moet worden. Hierover wordt verder gediscussieerd.
Na de sprekers moet je een plaats hebben waar muziek is en een informatiemarkt, waar iedere delegatie materiaal kan uitwisse­len. de vraag is, waar kan dat in Amsterdam. Er wordt weer gepraat over wie spreken. Dat kunnen de wandelaars zijn, maar als een land een speciaal persoon heeft, dat is aan dat land, dat is een nationaal probleem.
Er wordt weer op de plaats teruggekomen. De plaats is ook belangrijk voor de bussen, je moet de bus vinden aan het eind van de avond, zodat de bussen niet vertrekken zonder de men­sen. Dus er moet bij het eindpunt een centrale plaats komen voor de bussen.
Er wordt weer gepraat over wie spreekt tijdens de demonstra­tie. ieder land kan dezelfde zin zeggen maar misschien ook iets specifieks over het land, anders verliezen we meerwaarde.
Ook de Belgen willen na de demonstratie plaatsen waar we vrij ideeën kunnen uitwisselen, met elkaar in debat kunnen gaan, er moeten verschillende plaatsen zijn om te spreken. Verder moet er s’morgens een persmeeting zijn. En dan na de demonstratie een ruimte met een vrije microfoon waar ideeën kunnen worden uitgewisseld over wat we verder willen.
John zegt, dat dit de nederlanders allemaal niet verteld is. Bovendien is een probleem, dat de plaats nog niet bekend is. Christphe herhaalt echter wat gezegd is: er moet een centraal podium komen voor de sprekers en de muziek, een informatie­markt voor alle landen om hun materiaal te laten zien en 1,2, of 3 plaatsen voor vrij debat.
Het centrale podium zal alleen een half uur gebruikt worden voor de sprekers.
Iemand merkt op, dat de informatiemarkt wel overdekt moet zijn. Als het gaat regenen, valt alles in het water. De span­jaarden brengen naar voren, dat ervaringen uitwisselen niet perse op deze dag hoeft. We willen ook debatteren op de dagen erna. Weer komt ter sprake wie spreekt op de demonstratie. Wandelaars? bekenden? Spanjaarden willen geen bekenden. Beslo­ten wordt uiteindelijk, dat het internationaal secretariaat een voorstel stuurt naar alle landen, zodat die erover kunnen discussiëren. Welke vorm. Zie discussie hiervoor.
Daarna moet er een pluralistisch, open debat zijn. We hebben een plaats nodig voor de avond vlak bij het eindpunt van de demonstratie.
Ten eerste hier een informatiemarkt. ten tweede 4 plaatsen waar mensen in verschillende talen met elkaar kunnen spreken. De nederlanders moeten de plaatsen vinden voor de facilitei­ten. In iedere workshop heb je dan twee talen, is acht talen. Vertaling in 1 andere taal over en weer.
Een fransman brengt naar voren dat hij dit een veel te veel ingeperkte consensus vindt.
We moeten toch per land een spreker hebben, die laat zien namens wie hijs preekt. We moeten 15 mensen vinden die hun eigen verhaal houden. Geen centrale tekst. Christophe: het internationale secretariaat zal kijken of het mogelijk is.
De vraag wordt opgeworpen wat we doen na de avond van de demonstratie.
De vraag is eigenlijk: hoe kunnen we een netwerk maken op europese basis?. En: wat doen we de eerste dagen na de demon­stratie? John legt wat dit laatste betreft uit, dat voor en na de demonstratie de ‘top van onderop’ wordt georganiseerd waarin op verschillende dagen mogelijkheden bestaan met elkaar in discussie te gaan. Er zijn voor de mensen die blijven openbare debatten met werklozen, de dockers uit Engeland, etc. De Franse vertegenwoordiging neemt aan, dat de debatten goed georganiseerd worden. Maar hoe zit het met de praktische zaken? Waar slapen de mensen die blijven? En: wie kan er eigenlijk blijven? Hoeveel? We moeten dat nu weten. Kunnen alleen de mensen blijven of van te voren komen voor de techni­sche bijeenkomsten of ook anderen. Wat is verder het verband tussen de ‘top van onderop’ en de bijeenkomsten van de marsen? Is er voor de mensen die van ver komen een plaats om te blij­ven?
John vermeld dat het moeilijk zal zijn slaapplaatsen te vinden voor de blijvers. Maar de fransen nemen hier geen genoegen mee. Eind volgende week moet een telefoonnummer in Amsterdam bekend zijn waar de mensen uit Europa naartoe kunnen bellen om een slaapplaats te reserveren. Of kan dat niet?
Christophe: we kunnen alleen overdekte slaapplaatsen vragen aan de nederlanders voor de mensen die van ver komen. En voor de wandelaars. Meer kunnen we niet vragen.
Er wordt gevraagd of er in Nederland genoeg mensen werken aan de organisatie.
Nederland stelt, dat eind volgende week bekend moet zijn, hoeveel extra slaapplaatsen er zijn, vlakbij het eindpunt van de demonstratie. Wat betreft mensen waarvoor geen plaats is, die moeten zich maar inschrijven voor de top van onderop.
Christophe stelt voor, dat centraal per land verzameld wordt hoeveel er overblijven na de demonstratie om te slapen in Amsterdam.
Nu moet nog aan de orde komen de laatste week voor de demon­stratie en de zondagbijeenkomst over de toekomst van de mar­sen.
Ad 1. Er zijn veel mensen, die de laatste week willen meelo­pen, meer dan 200. Daarnaast komen er nog delegaties uit de verschillende landen. De laatste week is de grote week met 500 tot 600 lopers. John zegt dat het van de route afhangt hoeveel er mee kunnen lopen.
De fietsers wordt 150 meer kan niet. Nijmegen 30-40, kan niet meer. Maastricht: als er daar 100 komen, dan kunnen er nog wat bij. Turnhout-Tilburg zit vol; het is al 200 in de laatste week. Ze rekenen niet op meer. Engeland en Rotterdam 60 tot 80 mensen.
Utrecht en Hilversum zijn knelpunten, daar krijgt men 250 tot 300 lopers te verwerken.
De Italianen, die de laatste week willen meelopen moeten dus de route vanaf Maastricht nemen. Zij kennen daar ook mensen van, want het is hun route vanaf Grenoble. Maar de Italianen willen niet in Maastricht maar in Eindhoven starten.
De Spanjaarden willen preciezere informatie. Ze bespreken bussen voor de laatste week. 100 tot 200 mensen. Zij willen weten: wordt er iedere dag gewandeld? Welke route is het? Waar kunnen ze insteken?
Suzan vraagt hen, telefonisch contact op te nemen. Zo groot aantal Spanjaarden kan niet.
Maar het is belangrijk voor ons!. Nederland: dan moet je het zelf organiseren, tenten, campings, want de organisatoren rekenen niet op zoveel mensen.
Er wordt gepraat over hoeveel extra per land er mee mogen lopen. Christophe: ieder land heeft recht op 20 mensen, hoger kun je logistiek niet aan de lokale organisaties vragen. Anderen moeten met tenten komen. Kan niet door de nederlanders geregeld worden.
De extra mensen komen het laatste weekend en de laatste week.
De spanjaarden zeggen, dat het onmogelijk is te slapen int tenten. Tenten voor 30 of 40 personen zijn moeilijk mee te nemen.
Eindhoven moet PSV om ondersteuning vragen. Kan Nederland voor tenten zorgen?
Besloten wordt dat een inventarisatie zal worden gemaakt van grote campings waar de mensen kunnen slapen.
Nederland zal dat aan de lokale comités vragen. Of andere plaatsen waar grote tenten kunnen staan. Ook zal een lijst gemaakt worden van alle campings in de omgeving van amsterdam. zodat mensen drie dagen of meer hier kunnen verblijven zonder de organisatie te belasten.
Is er een mogelijkheid, kantoor etc, voor een coordinatie­punt waarbij een vertegenwoordiger per land aanwezig is en voor de perskontakten in de laatste week. 3 of 5 personen, die engels of frans spreken.
Nederland legt uit dat we bij de voedingsbond kunnen.
Is er fax en telefoon? Ja.
Nederland stelt het geld aan de orde. Christophe: we hebben 50.000 francs nodig voor de demonstratie en voor de avond. Een van de oplossingen is, dat wij technische dingen meenemen, misschien een truck uit Frankrijk met ‘sonorisation’ is moge­lijk. Nederland zegt, dat voor deze dag een begroting gemaakt is en dat er minstens 100.000 francs nodig is.
De discussie wordt verder afgebroken. We kunnen het nu niet oplossen.
Praktische punten: hebben de mensen slaapzakken? Ja. Welke leeftijden in verband met de muziek. Erg gemengd. Meer mannen dan vrouwen. leeftijd rond de 30. De meerderheid is arm en werkloos, en gedeeltelijk dakloos.
Er wordt gediscussieerd of de wandelaars na de demonstratie langer kunnen blijven. Christophe: de debatten gaan door tijdens de europtop. Ieder land moet zelf zorgen voor de personen, die langer blijven, dwz ieder nationaal comité zorgt daarvoor. Wij willen geen beslag leggen op de nederlan­ders na de marsen. Als er mensen willen blijven moeten de nationale comités hun verantwoording nemen.
Antwoord: als de mensen niet teruggaan met de bussen kunnen de nationale comités erg moeilijk zorg dragen voor de mensen.
Spanje kan niet verantwoordelijk zijn voor wat er na de 14e gebeurt. Frankrijk denkt dat er een tegenstrijdigheid is. Je hebt een intensieve actie met een einddemonstratie en s’a­vonds zeg je: in de bus, het is afgelopen. Dit zal een pro­bleem worden. Dus de vraag blijft, wat doen we, als de lopers blij­ven. Anders riskeer je, dat de mensen blijven terwijl ze niets te doen hebben en dat met alle internationale pers erbij. Er wordt geopperd dat de Fransen een bus moeten regelen voor dinsdagavond. Nederland brengt naar voren dat het zeer moei­lijk is in de stad te blijven maandag en dinsdag. Het is onmogelijk, verantwoordelijkheid te nemen voor de mensen op zondag. Dus als  de mensen willen blijven moeten ze contact opnemen met de tegentop. We gaan coördineren, dat 20 officiële marcheerders gast zijn van de tegentop en we moeten met de tegentop contact opnemen om slaapplaatsen te regelen.
Er wordt gepraat over de video’s die uitgekomen zijn.
Laatste punt. Wat gaan we in de toekomst doen?
We hebben nu een europees netwerk wat gaan we daarmee doen? De ENU heeft ons gevraagd, waarom stichten jullie een nieuw netwerk naast ons. Christophe stelt, dat hij niet tegen de ENu is, integendeel, we moeten samen optrekken. De wandeltochten zijn daarvan een voorbeeld. Maar de Italianen zijn geen lid van de ENU. Ons initiatief is ook iets anders, want wij hebben een coalitie van studenten, werklozen, vakbonden. Dit is erg nuttig want in heel Europa bestaat zo’n netwerk niet.
Er wordt gepraat over de data waarbij men weer bij elkaar komt. EAPN heeft een meeting in november waar we ook naartoe moeten. Deze organisatie is niet erg militant, maar we moeten samenwerken. Wanneer kunnen we het beste weer bij elkaar komen? Oktober of januari?
De Fransen willen begin oktober een rondetafel gesprek. België brengt naar voren, dat 15 juni te vroeg is om over de datum van een nieuwe bijeenkomst te beslissen. Wij moeten ook evalu­eren wat uit de Eurotop komt.
Daarom wil hij 30 juni bij elkaar komen, de eurotop evalueren en een voorstel doen voor de herfst. Spanje wil niet afhanke­lijk zijn van de uitslag van de eurotop. We moeten uitgaan van onszelf.
Christophe legt het voorstel op tafel: bij elkaar komen op 4 en 5 oktober in Brussel. We moeten niet te lang wachten, want we moeten de dynamiek vasthouden. Weer iemand anders veronder­stelt dat een internationale meeting niet nodig is en dat in ieder land zo’n meeting moet worden gehouden. Daarnaast deze zomer een kleine meeting waar we beslissen wat te doen.
Nederland benadrukt dat er snel een discussie moet komen anders verdwijnt de dynamiek.
Christophe brengt nogmaals het voorstel naar voren, 4 en 5 oktober voor 150-200 mensen. Zaterdag en zondag. Met twee diskussieonderwerpen:
1. Het vaststellen van de internationale conferentie
2. Welke landen zijn deel gaan uitmaken van de Euro en een debat over de sociale spanningen die dat oplevert.
15 juni bekijken we, of we een ‘workingmeeting’ nodig hebben om dit voor te bereiden
Bovendien moeten de niet-europeanen in de slotverklaring van de 14e aan de orde komen.
15 juni wordt de datum voor de ‘workingmeeting’ vastgesteld. Er worden vast wat voorstellen gedaan: 28 juni of 28 september in parijs. Wordt 15 juni verder besproken.
PvdL/11-05-1997