Nieuwe subsidieregeling gemeente Amsterdam: ontslag dreigt voor honderden oud- ID-ers in hun huidige functie

Enige tijd geleden zijn de subsidie regelingen vanuit het Rijk voor mensen met een Instroom-Doorstroom baan (ID banen) afgeschaft. Duizenden ID-ers kwamen in het land weer op straat te staan. De gemeente Amsterdam nam het besluit, dat er geen gedwongen ontslagen mochten vallen en dat zij de financiering van ID-ers die geen ander betaald werk konden vinden zou overnemen. Maar nu dreigen ook in deze gemeente honderden ID-ers hun huidige werk te verliezen en moeten sommigen elders aan de slag via Pantar, de uitvoeringsinstelling van de oud-ID werknemers. Dit op basis van de notitie ‘ Bevordering uitstroom ID en WIW gesubsidieerde werknemers’ die in december door het College van Burgemeester en wethouders is behandeld. De notitie wordt volgende week donderdag in de commissie werk en inkomen van de gemeenteraad besproken. Er zijn momenteel ruim 2700 oud-ID-ers en 600 WIW-ers die door de nieuwe subsidieregeling worden getroffen.
De nieuwe regeling houdt in dat voor oud-ID werknemers waarvoor nog wel kansen op de reguliere arbeidsmarkt zouden bestaan een subsidieplafond voor de werkgever wordt ingesteld. Voor deze werknemers kan de werkgever vanaf juli 2008 nog hooguit 9 maanden subsidie krijgen. Voor de andere oud-ID werknemers wordt de subsidie aan werkgevers in stappen van 10% per jaar afgebouwd. 
Deze maatregel kan alleen gezien worden als een poging de huidige werkgevers hun ID werknemers te laten ontslaan. Immers zij moeten 110-130% van het huidige minimum loon blijven betalen. Op den duur, na een aantal jaren 10% vermindering subsidie, kunnen veel werkgevers dit niet meer opbrengen. Het geeft dus druk op de werkgever niet op de werknemer. Vervolgens neemt Pantar de werknemers in dienst voor het volledig gesubsidieerde minimumloon. Dat is dus het doel van de bezuinginig het overhevelen van de werknemers naar Pantar..
Men wil door de nieuwe regeling de uitstroom van oud-ID-ers verder bevorderen en men stelt dat er een historisch gegroeide situatie is die onwenselijk is. Maar die situatie is wel met medewerking van de gemeente Amsterdam ontstaan. De gemeente heeft indertijd veel huns inziens nuttige instellingen gesteund door hen banenpool, Melkertbanen en later ID banen te geven. Hiermee konden die instellingen gered worden ondanks afname van veel subsidiemogelijkheden door het Rijk. Het is dan ook zo dat veel werknemers te horen kregen dat ze het als een eindbaan konden beschouwen.
Verder zal in de toekomst streng gecontroleerd worden of de oud-ID-ers wel worden begeleid door een betaalde kracht bij de werkgever. Is dit niet het geval, dan zal de subsidie voor de oud-ID-ers bij deze werkgevers op termijn worden beeindigd.
De oud-ID-ers doen op dit moment nuttig werk, waarmee ze tevreden zijn. Maar nu moeten ze, wanneer de werkgever de extra kosten waarmee de gemeente in de nieuwe subsidieregeling hen opzadelt, niet kunnen betalen, elders gaan werken. Daarvoor zijn allerlei ingewikkelde constructies bedacht voor verschillende groepen oud- ID-ers. Dit uitstromen naar ander gesubsidieerd werk, voor de grote groep, die nooit meer regulier betaald werk zal verrichten, is verder niet geregeld. Het is volstrekt duister wat ze moeten gaan doen. Daarvoor moet Pantar klusjes bedenken. Verzin maar wat. Dus nuttig werk waar mensen tevreden mee zijn wordt opgeheven, en er moeten vervolgens bezigheden voor hen worden verzonnen door Pantar. Belachelijk. Wat is er eigenlijk mis met de huidige werkwijze en begeleiding van ID-werknemers naar een reguliere baan?. De gemeente geeft zelf aan dat op basis van de huidige regeling al een grote groep is uitgestroomd. Als dat voor de huidige groep moeilijker is, bereik je de uitstroom niet door alleen maar de geldkraan dicht te draaien. Het lijkt er veel op dat zowel werknemers als de werkgevers het leven moeilijk wordt gemaakt door een combinatie van bezuinigingswoede en het steeds vaker veranderen van subsidierichting…. Het is nu al te voorspellen dat als de huidige regelingen van kracht worden een deel van de ID-ers tegen wil in dienst komen van Pantar in plaats van de huidige werkgevers en daar als onbemiddelbaar blijven steken.
Conclusie: de positie van de oud-ID-ers verslechtert, er ontstaat een gespannen situatie tussen werkgevers en werknemers, onrust en onzekerheid bij de werknemers, nuttig maatschappelijk werk verdwijnt waarmee ook deels het sociale weefsel van de stad Amsterdam, voor een deel van de mensen zal het geen oplossing geven wat betreft regulier werk. Het uitgangspunt dat er geen gedwongen ontslagen mogen vallen is een farce geworden.
Geen gedwongen ontslagen. Iedereen en we mogen aannemen ook de gemeenteraad en de bestuurders bedoelden hiermee bij het overnemen van de subsidieregelingen voor oud-ID-ers door de gemeente dat zolang een oud-ID-er niet kan doorstromen naar een reguliere baan hij/zij kan blijven werken op de plek die hij/zij nu heeft.
Op woensdag 20 februari 2008 om half acht is er een grote protestbijeenkomst in het Dijktheater, Da Costakade 160 in Amsterdam. Tramlijnen 7 en 17.

Contact: Bijstandsbond
Da Costakade 162
1053 XD Amsterdam
020-6898806
info@bijstandsbond.org

Reactie op de sociale nota van het Ministerie van Sociale Zaken gepubliceerd op Prinsjesdag.

De regering sluit de ogen voor het falen van de marktwerking door internationalisering van de arbeidsmarkt. Er dreigt een sociale dumping waarbij de nieuwe migranten onder slechte en onzekere arbeidsvoorwaarden betaald werk verrichten terwijl de werklozen aan de kant blijven staan. Feitelijk wordt een verlaging van het sociale minimum voor grote groepen ingevoerd. Het kabinet legt onvoldoende relatie tussen het beleid op nationaal niveau en de noodzaak, op Europees niveau minimumnormen vast te stellen voor de kwaliteit van de arbeid, de beloningsverhoudingen en een goed stelsel van sociale zekerheid. Formulering van een Europees sociaal minimum is noodzakelijk.
Het kabinet presenteert in haar sociale nota de al veel geproduceerde analyse, dat er enerzijds veel vacatures zijn terwijl anderzijds nog veel werklozen aan de kant staan. Als oplossing wordt gekozen voor intensievere begeleiding van (langdurig) werklozen door de sluitende aanpak, flexibele pensioenregelingen, verscherping van de toetredingsvoorwaarden tot de Werkloosheidswet en de WAO, bevriezing van de huursubsidie om de armoedeval tegen te gaan,  afschaffing van de renteaftrek voor consumptief krediet, verlaging van de rijksbijdragen voor de gemeenten bij de kosten voor de Algemene Bijstandswet. Kortom: het wordt weer moeilijker bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid een uitkering te krijgen, het sociale minimum gaat voor sommige groepen omlaag, en de werkzoekenden moeten worden gekneed en gevormd om te voldoen aan de nog immer hoge eisen van de werkgevers, die volledig autonoom blijven in hun personeelsbeleid. Aan positieve maatregelen denkt het kabinet oa aan extra investeringen in scholing, een leerrekening voor werknemers, extra plaatsen in de sociale werkvoorziening, nieuwe subsidieregelingen voor werkgevers, zoals fiscale tegemoetkomingen voor werkgevers die hun werknemers betaald ouderschapsverlof geven, uitbreiding kinderopvangplaatsen, tegengaan (leeftijds)discriminatie, etc. Dit beleid is echter gedoemd te mislukken omdat een visie op de internationale arbeidsmarktontwikkelingen ontbreekt en de negatieve spiraal naar beneden die daardoor wordt veroorzaakt wordt door de genoemde positieve maatregelen onvoldoende tegengegaan. Het zijn incidentele maatregelen zonder dat de ontwikkelingen werkelijk worden beinvloed. Door voortgaande bezuinigingen op de sociale zekerheid versterkt het kabinet de verarming voor grote groepen eerder dan dat zij die tegengaat.
De oorzaken van een hoog ziekteverzuim, toestroom tot de WAO en een hoge structurele werkloosheid, die het kabinet soms zelf in haar sociale nota noemt  worden niet aangepakt. Het kabinet constateert zelf, dat door de hoge werkdruk en andere stress bevorderende factoren en door de flexibilisering van de arbeid voortdurend arbeidsongeschiktheid of werkloosheid dreigt. Zij trekt hier echter niet de conclusie, dat de marktwerking faalt.
Falen marktwerking
Je zou verwachten, dat door de toename van het aantal moeilijk vervulbare vacatures  werkgevers gedwongen worden  hun eisen  bij te stellen en het werk meer aan te passen aan de leefsituatie en de individuele mogelijkheden van de werknemers, zodat ook de kansen voor langdurig werklozen toenemen. Dit is echter nauwelijks het geval.
In de eerste plaats is het de vraag, of er wel zoveel vacatures zijn. Werkgevers gebruiken het argument, om het bestaande personeel onder druk te zetten, en zich groter voor te doen dan ze in werkelijkheid zijn. Anderzijds wordt de potentiele beroepsbevolking op 1,2 miljoen geschat. En kunnen werkgevers uiteindelijk wel aan personeel komen, zonder de eisen die zij stellen bij te stellen. Dit is wat anders dan de juichende bewoordingen in de sociale nota over de dalende werkloosheid en de goed functionerende banenmachine.
In de tweede plaats zijn de budgetten in de collectieve sector (onderwijs en gezondheidzorg) door de jarnelange bezuinigingen onvoldoende om nu ook een aanpassing van het werk aan de mensen in plaats van andersom mogelijk te maken.
In de derde plaats lijken werkgevers erop te gokken, dat wanneer het vervullen van vacatures werkelijk een probleem wordt bij de productie, ze kunnen overgaan tot werving van nieuwe kant en klare arbeidskrachten en vaklieden uit het buitenland. In andere Europese landen is de werkloosheid groter dan in Nederland en er worden ook van buiten de EG weer op grotere schaal arbeidskrachten geworven. De uitbreiding van de EG met Oost-Europese landen zal dit effect nog versterken. De arbeidsbureau’s gaan steeds soepeler om met de verstrekking van vergunningen in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen en er worden steeds meer inwoners van naburige europese landen in Nederland tewerk gesteld.
Internationale verdragen
Het zou onjuist zijn, de nieuwe migranten te verketteren en hen als bedreigers van de Nederlandse sociale zekerheid te zien. Zij worden vaak door de omstandigheden gedwongen in Nederland te gaan werken. Zij dienen dezelfde rechten te krijgen als andere werknemers. (Geen tijdelijke werving).  Willen het nederlandse sociale stelsel en redelijke arbeidsomstandigheden en voorwaarden stand houden dan zullen op internationaal niveau normen moeten worden vastgesteld. Momenteel onderhandelen de lidstaten van de EG over de opstelling van een grondrechten-charta dat tijdens de Europese top in Nice op 6 december zal worden vastgesteld. Dit charta dreigt een stelsel van vage formuleringen te worden, waaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Onderhandelaars namens de Nederlandse regering en het nationale parlement nemen vage standpunten in. De Euromarsen tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, een europese beweging voor redelijke sociale rechten in alle europese landen, eist een Europees sociaal minimum is noodzakelijk.
Dit minimum moet voor alle landen in de EG worden vastgesteld op 50% van het bruto-nationaal product per hoofd van de bevolking. De regering gokt echter eenzijdig op het klaarstomen van de arbeidskrachten voor de eisen van de werkgevers zodat de Nederlandse werklozen zouden kunnen concurreren met buitenlandse arbeidskrachten en laat de internationale ontwikkelingen verder op zijn beloop. Hierdoor komen wij in een negatieve spiraal naar beneden terecht, die ertoe leidt dat op den duur voor de nieuwe migranten, werklozen, arbeidsongeschikten en mensen die in Nederland al langer betaald werk hebben de situatie steeds meer zal verslechteren.
onwerkbare plannen
De verdere verslechteringen in de sociale zekerheid en de monomane visie van het kabinet op het onder druk zetten van werknemers en werklozen, door financiele en organisatorische maatregelen hoe dan ook betaald werk te aanvaarden of te behouden gecombineerd met onvoldoende positieve maatregelen leidt tot sociaal isolement, lagere uitkeringen en slechte arbeidsvoorwaarden.
De scheiding tussen publieke uitvoering van de uitkeringsverstrekking en privatisering van de arbeidsbemiddeling is in de praktijk onwerkbaar. De werkzoekende die in de spreekkamer met een functionaris wordt geconfronteerd, en onder druk wordt gezet een traject te accepteren weet vaak niet of hij met een commerciele arbeidsbemiddelaar of een ambtenaar van de publieke organisatie te maken heeft en in verschillende projecten wordt dit onderscheid door de betrokkenen met opzet vaag gehouden. Werkzoekenden krijgen over hun rechten dingen op de mouw gespeld, die in beroepsprocedures meestal geen stand houden en worden onder druk gezet mee te doen aan het gesjoemel van declaraties bij de subsidiegever door commerciele bemiddelaars. Ervaringen op het spreekuur van bovengenoemde organisaties bevestigen de bevindingen van de Rekenkamer dat er op vrij grote schaal fraude in de arbeidsbemiddeling wordt gepleegd.
Afgezien van het regelrechte gesjoemel en de fraude worden miljoenen besteed aan peperdure cursussen (er zijn eenvoudige cursussen van drie maanden die bijvoorbeeld per persoon fl 15.000,-kosten) waarvan de effectiviteit uiterst twijfelachtig is. Er bestaan op lokaal niveau vaak geen procedures en obkjectieve evaluaties van de resulten van projecten. Aan het beleid van  ‘case-managment’, de individuele begeleiding, en andere trajecten wordt veel geld besteed, lijkt het wel. Zo trekt het kabinet in 2001 308 miljoen gulden uit voor begeleiding van 40.000 werklozen in het kader van de sluitende aanpak. Op het niveau van de individuele werkloze gaat het echter om beperkte bedragen, waarmee niet of nauwelijks de problemen van de doelgroep kunnen worden opgelost door de commerciele bemiddelaars, met hun peperdure cursussen.  Privatisering van de arbeidsbemiddeling leidt op lokaal niveau  tot een onsamenhangend beleid en een lappendeken van projecten en projectjes, waarbij de werkzoekende door de bomen het bos niet meer ziet en de bureacratisering eerder toeneemt dan afneemt. Er moeten ter controle van de commerciele bemiddelaars immers weer allerlei ingewikkelde aanbestedingsvoorwaarden en contracten worden bedacht, waarop door de overheid aangestelde controleurs moeten toezien. Maar het kabinet gaat weer veel (interdepartementale) onderzoekscommssies instellen, kondigt zij aan.
Sociale activering
De sociale activering is een doodgeboren kindje. Door de strakke koppeling van vrijstelling van de sollicitatieplicht  aan het volgen van een traject richting arbeidsmarkt, ook voor degenen, waarvan duidelijk is dat ze nooit meer betaald werk kunnen verrichten en de koppeling aan ‘case-management’ waarbij een ambtenaar het leven van de uitkeringsgerechtigde intensief moet volgen ontstaat veel wantrouwen bij de doelgroep om van de sociale activering gebruik te maken. Eigen initiatieven bloeden dood. Sociale activering en trajectbemiddeling naar (vrijwilligers) werk kennen een sterke bureaucratisering en betutteling, waarbij van bovenaf incidentele vaak tijdelijke projecten worden bedacht door ambtenaren vanachter hun bureau, zonder dat men zich afvraagt wat de betrokkenen nu zelf willen en kunnen. Uitkeringsgerechtigden moeten beloond worden voor hun eigen initiatieven en gestimuleerd worden deze te ontplooien door vrijstelling van de sollcitatieplicht en bijvoorbeeld onkostenvergoedingen.
Piet van der Lende

Gesprek van Komitee Amsterdam tegen Verarming met Cees Huls­man, gemeenteraadslid voor Groen Links, 10-04-1996 op het stadhuis

Wij stellen de vraag, of het waar is dat op de voorzieningen in de buurten zoals het sociaal-cultureel werk, de buurthuizen en de wijkopbouworganen in het nabije verleden drastisch bezuinigd is en of wij op de minimaconferentie aan de orde kunnen stellen, dat dit teruggedraaid moet worden, omdat de voorzieningen niet op peil blijven.

Cees antwoordt, dat de bevoegdheden van de centrale gemeente voor de uitgaven ten behoeve van welzijnsinstellingen tot nul zijn teruggebracht. Bij de instelling van de stadsdeelraden is destijds een eenmalig bedrag vastgesteld. Later is nog een poging gedaan, vast te stellen of dit bedrag wel juist was, door een poging te doen, de uitgaven van de stadsdeelraden te vergelijken met de uitgaven voor dit beleidsonderdeel bij zelfstandige gemeenten. Dit was moeilijk, omdat zelfstandige gemeenten meer zelfstandige taken hebben. Maar je kunt toch zeggen, dat gepoogd is, de verschillende taken zodanig uit te splitsen, dat een vergelijkbaar beeld ontstond. Het ging bij deze discussie overigens niet zozeer om het totale bedrag dat van de centrale gemeente komt, maar om de verdeling tussen de stadsdelen. Daarvoor zijn toen criteria bedacht. Er wonen zoveel allochtonen, zoveel minima, zoveel werklozen, zoveel ouderen, en daar zijn die en die voorzieningen voor nodig. Op basis van die criteria is een sleutel bedacht voor de verde­ling over de stadsdelen. Dat was in totaal dus niet een lager bedrag dan de gemeente uitgaf. Maar, zeiden de stadsdelen, jullie geven ons schoolgebouwen en zwembaden met achterstallig onderhoud, daar moet geld bij. Toen is het bedrag tijdelijk verhoogd met wat wel genoemd werd de “Etty-gelden”.

Er is eigenlijk vanuit de centrale stad niet rechtstreeks op welzijnsvoorzieningen bezuinigd wat het bedrag betreft, maar er is op twee andere fronten wel fors bezuinigd:
1. Tijdens het proces van decentralisatie zijn de bijdrage van de gemeente aan het onderwijs boven de rijksgelden die in totaal 80 miljoen bedroegen, drastisch teruggeschroefd. Er is 60 miljoen vanaf gegaan. De bijdrage is nu dus 20 miljoen. Het argument daarvoor was, dat het de bedoeling was, dat met die gelden iets extra’s gedaan werd, naast het gewone schoolpro­gramma, maar dat gebeurde nauwelijks, de scholen beschouwden het gewoon als een vaste inkomstenbron naast alle andere voor het reguliere schoolprogramma. De bestuurders vroegen zich af wat dan het effect van zo’n bijdrage zou zijn naast de gigan­tische rijksbijdragen die misschien wel in de miljarden loopt. In dit opzicht hebben de stadsdelen dus een bezuinigingstaak opgelegd gekregen. Maar ze waren/zijn vrij, om die bezuinigin­gen naar eigen goeddunken uit te voeren. Ze hoeven niet perse op onderwijs te bezuinigen. Sommige stadsdelen hebben de bezuinigingen gevonden door efficiency en effectiviteitsmaat­regelen. Andere stadsdelen zijn in diverse posten gaan snij­den: welzijnsvoorzieningen, straten, onderwijs.
2. Het decentralisatieproces naar de stadsdelen toe was ook een gigantische bezuinigingsoperatie op het ambtenarenapparaat naar de stadsdelen toe in de apparaatssfeer. Ook hier was het probleem, dat als de stadsdelen er niet in slaagden, te bezui­nigen op het apparaat, dat het dan bijvoorbeeld uit de vuil­nisophaal moest komen.
In het begin wilden de stadsdelen de buurtbewoners niet voor het hoofd stoten en is er relatief weinig bezuinigd op wel­zijnsvoorzieningen. Zo zijn er in het begin bijvoorbeeld kinderopvangvoorzieningen gerealiseerd. later werd dit minder omdat er bezuinigingstaakstellingen op de stadsdelen afkwamen. Een derde van het totale budget van de gemeente gaat naar de stadsdelen, dus als de gemeente een bezuinigingstaak­stelling vaststelt, moeten de stadsdelen die ook voor een derde dragen. In sommige stadsdelen is dus wel bezuinigd op sociaal-cultu­reel werk, in andere weer niet.
3. De stadsdelen zijn ook verantwoordelijk voor het maatschap­pelijk werk. Er is daar niet echt bezuinigd, maar aan de andere kant zijn allerlei noodzakelijke uitbreidingen ook niet uitgevoerd. Sommige stadsdelen zijn erin geslaagd de kwaliteit van de dienstverlening toch te verbeteren, door bijvoorbeeld ouderenzorg, maatschappelijk werk, sociaal raadslieden etc. onder te brengen in een voorziening. Dan kun je besparen op de overheadkosten, omdat al die clubs niet volledig zelfstandig zijn maar bij elkaar in een gebouw zitten.

Groen Links gaat een armoedenota uitbrengen, waarin wordt gevraagd, het maatschappelijk werk weer op peil te brengen. Het maatschappelijk werk, dus de stadsdelen, hebben een be­langrijke taak in de budgettering en de schuldhulpverlening, waarbij contracten zijn afgesloten met Crediam, dat zij de onderhandelingen met de schuldeisers doen, en het maatschappe­lijk werk de verdere hulpverlening, in samenwerking met het STIB.

Wij stellen de vraag, of niet kan worden gezegd, dat allerlei grootschalige projekten, zoals de Noord-Zuid lijn van de metro betekenen, dat er minder geld is voor de minima, of dat de gemeentelijke lasten omhoog moeten. Uit de nota “Amsterdam naar 2000” dat de basis was voor de onderhandelingen over de VINEX-akkoorden bleek, dat de financieringsstruktuur voor die grote projecten gebrekkig was, en dat er bezuinigd moest worden in de reguliere begroting om alles rond te krijgen. Naast de grote rijksbijdragen werd immers ook een substantiële bijdrage van de gemeente Amsterdam gevraagd. Er is, luidt dan de conclusie, geen geld voor de minima, er komen nieuwe bezui­nigingen op ons af.
Cees is het niet eens met deze redenering. Bij de planning van de aanleg van Nieuw-Oost is een afweging gemaakt van de kosten en baten. Dit project wordt geheel gefinancierd uit de verkoop van de kabel. De woningbouwverenigingen waren aandeelhouder van de kabel, en zij gebruiken het geld om te bouwen in Nieuw Oost. Dit heeft verschillende voordelen. Er ontstaat een wijk, waar mensen willen wonen, die anders zouden wegtrekken uit de stad. Deze rijkeren kunnen ook een bijdrage leveren aan de gemeentefinanciën, en bovendien is het zo, dat daardoor het inwonertal van de gemeente weer wat groter wordt en dus de bijdrage uit het gemeentefonds. Zo is een afweging gemaakt van wat levert het op en wat kost het. Er zijn nog andere voorde­len. Als de mensen die in Amsterdam werken hier ook blijven wonen, heeft dat consequenties voor de reisafstanden, het gebruik van de auto. Mensen wonen dan niet buiten de stad.
Wat betreft de Noord-Zuid lijn wordt een 5 procentsbijdrage gevraagd van de gemeente Amsterdam. Dat betekent op een begro­ting van een miljard ongeveer 50 miljoen. Daarvoor is in de gemeentebegroting wel ruimte te vinden door geld te lenen, waarbij je aan rente en aflossing jaarlijks 6 of 7 miljoen moet betalen, gespreid over een groot aantal jaren. Je kunt op dit moment zeggen, dat door de drastische bezuinigingen met name op het ambtenarenapparaat, die hiervoor werden genoemd, de gemeente aardig financieel rond komt en dat er voor nieuw beleid jaarlijks toch wel zo’n 10 tot 20 miljoen beschikbaar komt, het ene jaar wat meer, het andere jaar wat minder.

Wij brengen naar voren, dat de rijksbijdrage aan het gemeente­fonds toch drastisch wordt teruggeschroefd. Ook dit heeft volgens Cees voor Amsterdam weinig consequenties, want er vindt tegelijkertijd een verschuiving in de verdeling van de gelden plaats, waardoor Amsterdam veel meer geld krijgt en andere gemeenten minder, zoals Amstelveen. Het rijk zegt, als jullie die bezuinigingen willen opvangen, dan moeten jullie de onroerend goed belasting maar verhogen op de duurdere huizen van de mensen met hogere inkomens.

Wij zeggen dat dan hierop doorredenerend onze bijdrage aan het minimadebat niet zou moeten zijn, er wordt ontzettend veel bezuinigd, er is nergens geld voor, alles wordt minder, we zijn tegen al die bezuinigingen, maar er is nu ruimte in de gemeentelijke begroting voor een anti-armoedebeleid, Amsterdam doe er wat mee. Cees is het daarmee eens. We moeten erop letten dat we niet links gepasseerd worden door De Grave. Die heeft al gezegd, dat er meer mogelijkheden komen voor kwijt­schelding van gemeentelijke heffingen. Groen Links is ten eerste voorstander van een daluren kaart op de tram, die je kunt kopen met de stadspas. Dan zou je pas wat aan die pas heb­ben. Bovendien zou de maatregel kunnen worden genomen, dat mensen in de bijstand automatisch kwijtschelding krijgen van gemeentelijke heffingen.
Verder zouden wij op de conferentie aan de orde kunnen stel­len: de stadsdelen moeten voor goede voorzieningen zorgen, en voor een goede schuldhulpverlening. Loopt dat wel goed? We zouden kritiek daarop naar voren kunnen brengen en daarmee de relatie stadsdelen-centrale stad, of er wel genoeg geld voor komt. Bovendien wat die voorzieningen op bijvoorbeeld sociaal-cultureel terrein betreft: de gemeentelijke sociale dienst en de wethouder zitten op de lijn van de sociale activering mensen moeten gestimuleerd worden om betaald dan wel onbetaald werk te doen, cursussen te volgen, etc. Wat je daar verder ook van vindt, zijn er in de buurten wel genoeg voorzieningen, om voor en door al die mensen activiteiten op touw te zetten? Over dit thema gaat Matrix binnenkort een conferentie organi­seren.

Wij stellen de vrijstelling van de sollicitatieplicht en de onkostenvergoedingen voor vrijwilligers aan de orde. De ge­meen­teraad heeft uitdrukkelijk vastgesteld, dat deze vergoe­dingen voor veel vrijwilligers zoals langdurig werklozen moeten gelden, dit is door het CDA en Groen Links in de dis­cussie aan de orde gesteld, maar niet verder in de officiële stukken vastgelegd; het mag dus niet alleen gelden voor vrij­willigers, die dit werk doen in het kader van een traject dat toeleidt naar de arbeidsmarkt. Als dit door de sociale dienst te eng wordt geïnterpreteerd zouden we dit in de vorm van een raads­adres aan de orde kunnen stellen. Dan volgt er een dis­cussie over in de gemeenteraad.

We stellen aan de orde, dat vergoeding van duurzame gebruiks­goederen uit de bijzondere bijstand nu niet mogelijk is, Cees vraagt, of wij dan een vergoeding willen of leenbijstand, waarvoor geen rente hoeft te worden betaald. Wij zeggen, dat bijvoorbeeld iemand op een minimum wier wasmachine na 5 jaar versleten is, een vergoeding moet krijgen uit de bijzondere bijstand om een nieuwe aan te schaffen. We discussiëren verder over het declaratiefonds, zoals dat in Dordrecht is ingevoerd. Zien wij iets in een dergelijk fonds voor vergoeding van kosten van het maatschap­pelijk verkeer ten bedrage van 100 tot 200 gulden per jaar bijvoor­beeld naast de stadspas? Wij wel.

Verder onderzoekt Groen Links of er categoriale toepassingen van de bijzondere bijstand mogelijk zijn, dat mag nu, Groen Links denkt aan ouders met middelbare scholieren. Weten wij nog andere groepen?
Een maatregel, om mensen die langer dan een bepaalde periode in de bijstand zitten categoriaal een extra bijdrage te geven wordt niet overwo­gen. Ine zegt, dat de balansuitkering in Rotterdam ook mislukt is, omdat de criteria zo streng waren, dat slechts drie mensen ervoor in aanmerking kwamen.
Wel overweegt Groen Links om de draagkrachtberekeningen voor de bijzondere bijstand aan de orde te stellen, en dan bijvoor­beeld dit voor mensen die langer in de bijstand zitten soepe­ler uit te voeren. Of bijvoorbeeld ook voor mensen, die iets boven het minimum zitten. Dit verlaagt de armoedeval.

We discussiëren verder over de koudetoeslag. Cees zegt, dat daarover pas iets aan het eind van het jaar bekend is, als de rekeningen van het energiebedrijf komen. Wij zeggen, dat die rekeningen bij iedereen op een verschillend moment komen. Het hangt er maar vanaf, wanneer je in de woning bent gekomen, de datum waarop het energiebedrijf begint te tellen met 12 ter­mijnen. Dat is bij iedereen verschillend en niet altijd aan het einde van het jaar, er zijn nu al mensen die hoge rekenin­gen krijgen. Cees zegt, dat hij graag voorbeelden van rekenin­gen van mensen zou zien, er zijn wel allerlei gemiddelden en schattingen daarvan gemaakt, maar concrete voorbeelden zijn belangrijk.

In de MUG heeft een artikel gestaan over het Dordrechtse model bij tandartskosten. Cees overweegt, dit in Amsterdam ook voor te stellen.

Natuurlijk komt de bijverdienregeling weer aan de orde. Wij hebben daarover gezegd, dat men bij de helpdesk nABW ook ten aan­zien van de categoriale groepen, dus bijstandsvrouwen met kinderen jonger dan 12 jaar, en gedeeltelijk arbeidsongeschik­ten zegt, dat het individueel beoordeeld wordt, en dat er geen generieke regeling is waarop je een beroep kunt doen. Cees is het met deze regeling eigenlijk helemaal niet eens, maar als hij er toch is, moet het uitdrukkelijk alleen beoordeeld worden ten aanzien van: is iemand wel geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt, en heeft een bijstandsvrouw wel zoveel zorgen aan de kinderen, dat ze er niet volledig bij kan wer­ken. Als het antwoord ja luidt, moet de premieregeling zonder meer worden toegepast. Als dit toch niet zo is, zouden we dit in de vorm van een raadsadres aan de orde kunnen stellen.
Het is een beetje mistig, omdat Bea Erik in de gemeenteraad op de valreep van de discussie nog een motie heeft ingediend, waarbij de bijverdienregeling werd uitgebreid voor bijstands­vrouwen met kinderen tot 12 jaar, indien de kinderen veel verzorging vergen. Komt dat eigenlijk wel in de verordening? Verder punten zijn de uitkering aan jongeren, die omhoog moeten, de verhuiskostenregeling voor ouderen.

Wij stellen aan de orde, dat er moeilijkheden zijn met de verhuiskostenvergoeding voor gehandicapten, in het kader van de WVG, die verhuizen van een niet- aangepaste woning naar een aangepaste. Deze verhuiskosten worden soms niet vergoed, omdat men het geen vergoeding vindt voor ergonomische aanpassingen in het huis. De verhuiskosten vallen daarbuiten. Cees zal de aansluiting van bijzondere bijstand en WVG op dit punt nader onderzoeken.
Tenslotte: de kwijtscheldingsnorm moet naar 100% en dit zal ook wel gebeuren.
Wij brengen nog naar voren, dat we een wetenschappelijk onder­zoek willen naar de omvang van de armoede in Amsterdam. Cees zegt, dat dit ook door de SP aan de orde is gesteld, en dat dit ook uitstekend past binnen de armoedenota van Melkert, omdat daar wordt geconstateerd, dat er over de armoede veel onbekend is.

PvdL 10-04-1996

Kort verslag gesprek met Eelco Brinkman op 25 maart 1993 in Den Haag

25 maart 1993

In het voorjaar van 1993 ben ik met vertegenwoordigers van het toenmalige Komitee Amsterdam Tegen Verarming en van de diaconie van de Hervormde Kerk in Amsterdam naar Den Haag geweest voor een gesprek met Eelco Brinkman, toen fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer tijdens het kabinet Lubbers-Kok. In 1994 zou hij lijsttrekker van het CDA worden, maar de partij leed bij de verkiezingen een historische nederlaag en weer een jaar later verliet Brinkman de politiek. Zie voor een overzicht van zijn carriere in de politiek en het bedrijfsleven Wikipedia. Hieronder een verslag dat ik van het gesprek gemaakt heb. 

Brinkman begint met te zeggen, dat we niet het gevoel moeten hebben, bezig te zijn met een klaagzang, het zijn serieuze punten die naar voren worden gebracht, en politici zitten ervoor om naar de mensen te luisteren en zich op de hoogte testellen van hoe regelingen in het praktische leven werken.
Als volgende punt brengt hij naar voren, dat in achtereenvol­gende kabinetten, afgezien van de politieke samenstelling, eindeloos gediskussieerd is over hoe regelingen eerlijker kunnen uitwerken naar de individuele omstandigheden van demensen. Sommige regelingen werken onrechtvaardig uit; aan de ene kant is er een oneigenlijk gebruik, dat teruggedrongen moet worden, aan de andere kant zijn er de echte minima, die niet rond kunnen komen. Dit is uitdrukking van het feit, dat algemene regelingen onvoldoende inspelen op individuele geval­len. Het betekent, dat de politiek op zoek is naar een sys­teem, dat de uitvoeringsorganisatie dwingt meer naar de indi­viduele omstandigheden te kijken. Dit is een belangrijk punt.
Verschillende dingen zijn moeilijk per man of per vrouw te regelen. Het meest pijnlijk is, dat veel mensen hun hele leven geploe­terd hebben, en naarmate ze ouder worden tot de ontdekking komen, dat ze een laag inkomen hebben. Dit betekent dat Brink­man kijkt naar: kunnen we nou niet in de uitkeringsrechteninbouwen, dat mensen naarmate ze ouder worden meer rechten hebben. Dit betekent, dat de arbeidsjaren moeten meetellen in de hoogte van de uitkering. Jongeren kunnen zich wel bijverze­keren.
De konkrete situatie van het individu moet in ogenschouw worden genomen. (met een schaartje geknipt). De sociale dienst moet kunnen zeggen: u komt wel voor een bepaalde bijdrage cq regeling in aanmerking, en u niet. De bijzondere bijstand is er voor bedoeld om bij te plussen, om iets te doen in die gevallen, waarin dat dringend noodzakelijk is. Overigens is de claim die op de hogere en middeninkomens wordt gelegd terecht.
Een ander punt is de werkgelegenheid. We zijn bezig om mensen aan het werk te krijgen, cq werkgelegenheid te scheppen. Er zijn op dit moment onvoldoende banen te vinden. De diverse kabinetten proberen het investeringsklimaat te verbeteren,zodat werkgevers investeren, ook in werkgelegenheid. Hiermee wordt werkgelegenheid geschapen. De mensen moeten de werkgele­genheid de voorrang geven. Het is zo, dat er begin jaren tachtig fors huisgehouden is in de overheidsuitgaven. Dat heeft resultaten afgeworpen. Het heeft geleid tot een enorme groei van het aantal banen. Zeker ook naar de jeugd toe. We moeten kiezen voor werk boven inkomen. 
Wat de jeugd betreft en het verband tussen de kinderbijslag en de kosten voor de opvoeding van kinderen. Het CDA vindt dat tegen de jeugd kan worden gezegd: de welvaart is opgebouwd door de oudere generaties, nu is het jullie taak om er fors aan mee te helpen om dat in stand te houden. We moeten de jeugd het idee aandragen, dat ze een steentje moeten bijdragen aan het in stand houden van de voorzieningen. Niet vanwege het geld dat daardoor bespaart wordt, maar als ze dat niet doen is het niet uit te leggen aan de ouderen. Daarvoor een klimaatscheppen en een beroep doen op de jongeren is een kwestie van sociale rechtvaardigheid.
Dan heb ik een vraag. U spreekt erover, dat u niet terug wilt naar de dertiger jaren. En ook niet naar hoe toen het diakona­le werk werd uitgevoerd. Het verschil tussen toen en nu is wel, dat nu een hele reeks voorzieningen is opgebouwd. Dus ook het diakonale werk is niet alleen, ook nog wel maar nietalleen een kwestie van voedsel verstrekken. Mijn praktische vraag is dan toch, wat de diakonie in de huidige omstandighe­den kan doen, zonder weer in die sfeer van de dertiger jaren te geraken.
Dan heb ik nog een vraag in verband met de huursubsidie. Is het niet zo, dat in een groot aantal huurhuizen met een lage huur mensen zitten met een vrij hoog inkomen, die eigenlijk best duurder zouden kunnen wonen, maar die blijven zitten? Die mensen, die een te hoog inkomen hebben, die zouden er eigen­lijk uit moeten, zodat de mensen met een laag inkomen daarvoor in aanmerking komen. Wij zouden bijvoorbeeld een bepaalde categorie jeugdigen geen huursubsidie kunnen geven. Waarom moeten die meteen al 100 of 200 gulden erbij hebben?
Wat betreft het bijwerken (van de echtgenote). Wij hebben als CDA een stelling, die een beetje tegen de tijdgeest ingaat, die inhoudt: voorzover twee mensen achter een huisdeur zitten, is het redelijk, dat je de inkomens van die mensen bij elkaar optelt. Dit doen we om te voorkomen, dat daar waar een normaalinkomen binnenkomt, niet gezegd kan worden: we hebben er ook nog een uitkering bij. De uitkeringen zijn vooral bedoeld voor alleenstaanden en anderen, die niet op een andere manier aan geld kunnen komen. Overigens is het zo, dat we bezig zijn te onderzoeken, in hoeverre de bijverdiensteregeling kan worden opgerekt.(als reaktie op de mevrouw wier zoon de hele zaterdag werkt om 25 gulden te verdienen) Is het niet zo, dat we de kinderen kunnen aanspreken op een bijdrage aan hun ouders? Kinderen zullen ook zelf voor veel dingen moeten zorgen. Natuurlijk is het niet de bedoeling, dat we teruggaan naar de kinderarbeid. Maar we kunnen ons wel afvragen: in hoeverre zijn er voor de kinderen mogelijkheden, een bijdrage te leveren?
Dan nog wat opmerkingen over de kinderen. Uw verhalen hebben mij gestrekt in mijn overtuiging, dat de kinderbijslag niet aangetast mag worden. Daarover is nog een diskussie in het kabinet, waarop ik niet vooruit wil lopen. Wel is het zo, dat bijvoorbeeld als er zes kinderen zijn het wat minder kan, maar dat zijn niet zoveel gezinnen.
(als reaktie op de hoge kosten die schoolreisjes e.d voor de kinderen met zich meebrengen). Is het niet zo, dat voor een deel dergelijke kosten vergoed kunnen worden via de bijzondere bijstand?. We zijn met schoolorganisaties ook bezig om daar aandacht voor te vragen.
Wat de bijzondere bijstand betreft, die niet of te weinig wordt aangevraagd: zit dat in de schroom van de mensen of zit dat in de regeling?
Dan wil ik nog een punt naar voren brengen, nl het pensioen, waarbij dat laatste stukje gaat haperen. Hoe zijn dan uw ervaringen met de personeelschefs in de individuele bedrijven? Er worden toch afvloeiingsregelingen en sociale plannen ge­maakt. De vakbeweging schept ook een beeld, dat dit gebeurt, door allerlei overbruggingsregelingen e.d, terwijl nu blijkt, dat dit onvoldoende lukt. In hoeverre is dit een meer algemeen voorkomend probleem? Als dit vaker voorkomt, kunnen wij dat in ons overleg met CNV en NCW als een algemeen punt van zorg naarvoren brengen. We kunnen hen de vraag stellen: letten jullie wel voldoende op de oudere categorie werknemers? In dit ver­band hoopt Brinkman, dat de vakbeweging ook een beetje bij de ouderen begint te redeneren. Dit moeten wij als algemeen punt in onze kontacten meenemen.
Dan wil ik tenslotte nog een punt naar voren brengen. Iemand die aan het werk gaat, wil er ook op vooruit gaan, en nu is het zo, dat onderin het loongebouw alles in elkaar is gedrukt. Vaak gaan mensen die gaan werken er ten opzichte van hun uitkering helemaal niet op vooruit. Juist om die reden zeggen we, onderin dat loongebouw moeten de uitkeringen en de inko­mens uit werk wat uit elkaar worden getrokken, zodat meer mensen op de arbeidsmarkt komen en ook kunnen doorstromen. Daar zit ook een groot probleem. Nu zijn er mensen die zeggen: nu ben ik aan het ploeteren, en andere mensen via allerlei regelingen hebben net zoveel. Ik probeer niet het verhaaltje te verkopen van: zo zit de wereld in elkaar, daar is niets aan te doen, maar dit zijn toch wel dingen waar we op moeten letten.
Dus er zijn twee punten: ten eerste hoe krijgen we in gesprek met de vakbeweging de ouderen boven tafel, en ten tweede het punt van de kosten die de opvoeding van kinderen met zich meebrengt.
Wij hebben als CDA ervoor gevochten, dat in de nieuwe WAO een systeem zou worden ingevoerd, waarbij mensen naarmate ze een langer arbeidsverleden hebben, ook meer rechten hebben.
Diskussiepunten. Wat betreft de taak van de diakonien: Rene 
bracht naar voren, dat de diakonie van de hervormde kerk een stop op het aantal aanvragen had ingevoerd, vanwege het grote aantal. De laatste jaren deden steeds meer mensen een beroep op de diakonie. Met name ook de groep mensen, die geen dak boven zijn/haar hoofd heeft en in erbarmelijke omstandigheden verkeert, neemt toe. Er zijn mensen, die het zo moeilijk hebben, in een uitzichtloze situatie, dat ze niet meer in staat zijn giroo’tjes in te vullen e.d. Brinkman vroeg zich af, als de verstrekking van bijzondere bijstand aan mensen in (financiele) moeilijkheden in individuele gevallen niet goed functioneert, wat de diakonie kan doen. Hij sprak over een “een -tweetje” tussen de diakonie en de bijzondere bijstand, cqsociale dienst. Wij hebben hem duidelijk gemaakt, dat het in de praktijk niet zo gemakkelijk werkt. De sociale dienstambte­naren zijn (telefonisch) niet of nauwelijks bereikbaar, het is een bureaucratische organisatie, waarin alles is geautomati­seerd en via formulieren loopt, en zodra er bij een client een of andere mutatie is kunnen er grote moeilijkheden ontstaan, tot (onterechte) stopzetting van de uitkering aan toe. Ook verloopt het verstrekken van voorschotten moeizaam, mensen moeten soms zes weken op hun geld wachten, gevallen, waarin de diakonie moet bijspringen. De laatste tijd doen ook steedsmeer mensen een beroep op de diakonie voor spreekuurzaken e.d,omdat er wel een systeem van sociaal raadslieden is, maar daar moet je lang wachten voor je aan de beurt bent, die hebben het zeer druk. Maar dat willen we niet. Er is toch een goede voorziening, de sociaal raadslieden, dat werk willen we niet overnemen. De bijzondere bijstand is vaak geen oplossing. In de eerste plaats is er al een eigen bijdrage van 178,- en als je echt gaat onderzoeken, of je ervoor in aanmerking komt, bijvoorbeeld een wasmachine, dan wordt gezegd: je hebt een paar procent in je uitkering om daarvoor te sparen, dus je komt niet in aanmerking voor vergoeding van duurzame gebruiks­goederen via de bijzondere bijstand, of: er is een voorliggen­de voorziening, die het vergoed, dus doen wij het niet. Ofomgekeerd: er is een voorliggende voorziening bijvoorbeeld het ziekenfonds, die het ook niet vergoed, dus doen wij het ook niet. (dit was de motivatie in amsterdam om de sanering van het gebit uit de bijzondere bijstand te halen).Daarnaast ervaren met name AOW ers het vaak als vernederend,wanneer ze een beroep moeten doen op de bijzondere bijstand.
Eigenlijk zou er een standaard verhuiskostenvergoeding voor bejaarden moeten zijn. Tijdens de diskussie werd naar voren gebracht, dat de sociale dienst zich vaak weinig soepel opstelt, als je in april vraagt om een voorschot op je vakantiegeld, om iets te kopen, kan dit niet.
Wat betreft de huursubsidie werd naar voren gebracht, dat in wijken met huizen die een lage huur hebben er nu al een grote doorstroming is; bovendien is de huursubsidie nu al gebonden aan het inkomen; mensen die veel verdienen krijgen geen huur­subsidie. Je zou dit probleem niet moeten oplossen door te gaan knabbelen aan de huursubsidie, maar door bijvoorbeeld een huurbelasting te gaan invoeren, door op het belastingformulier de vraag op te nemen: hoeveel huur betaalt u?
Verder werd in de diskussie uitgelegd, waarom de baanloze scheepsbouwers niet in aanmerking kwamen voor een goede socia­le regeling. Er was geen geld voor. Toen het laatste bedrijf werd gesloten, was er niets meer. 
P vd L 25-3-1993