Betrokken Amsterdamse organisaties richten Alliantie voor Rechtvaardig Amsterdam op

Een aantal Amsterdamse organisaties hebben de handen in één geslagen en het initiatief genomen om de Alliantie voor een Rechtvaardig Amsterdam op te richten. Aanleiding hiervoor is de zorg over de groeiende groep Amsterdammers die onder de armoedegrens leeft en de sociale, maatschappelijke, financiële en psychologische problemen voortkomend uit deze armoede en de reacties van de overheid daarop.
Het initiatief is genomen door diverse organisaties die actief zijn in het maatschappelijk veld in Amsterdam, waaronder Komitee Marokkaanse Arbeiders Amsterdam, Bijstandsbond, Aknarij, Protestantse Diaconie Amsterdam, Oost Alarm, Komitee Vrouwen en de Bijstand/EVA, en de Amsterdamse Raad van Kerken. De betrokken organisaties zijn op 18 mei en 19 juni 2007 voor het eerst bij elkaar gekomen om de problematiek rondom armoede te bespreken. Tijdens deze brainstormsessies is het besluit genomen om onder andere een conferentie te organiseren over armoede én om een alliantie op te richten voor een socialer en meer solidair Amsterdam. De Alliantie organiseert plenaire vergaderingen waarvoor vele maatschappelijke organisaties in Amsterdam zijn uitgenodigd om de conferentie en andere activiteiten voor te bereiden. De eerste plenaire vergadering werd op 30 november 2007 gehouden. Daar werd een manifest vastgesteld dat door maatschappelijke organisaties in Amsterdam kan worden ondertekend.

Hassan Ayi, Abdellah Tallal, Evelyn Schwarz, Piet van der Lende, Benito Callieri, Ton Hendrix, Abdellatif Demsir

Graag nodigen wij u uit voor de tweede plenaire bijeenkomst van de Alliantie voor Rechtvaardig Amsterdam (ARA) op Donderdag 24 januari 2008 om 19.30.

De bijeenkomst vindt plaats op 1e Helmersstraat 106.

De gevaarlijke borreltafelpraatjes van Jos Dautzenberg

CWI projectleider probeert werklozen, werkenden, Polen, Nederlanders en
illegalen tegen elkaar uit te spelen.

Enige tijd geleden kwamen Poolse slaplukkers in het nieuws, die
weigerden na 12 uur arbeid voor 5 euro per uur nog eens 4 uur door te
werken, en die daarop op staande voet werden ontslagen. Met de steun van
FNV Bondgenoten hebben de slaplukkers actie gevoerd, en de rechter gaf
hen gelijk, ze mochten niet ontslagen worden. De zaak geeft wel aan, dat
het met de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden in de tuinbouw niet best
gesteld is. Langdurig zware arbeid op een tijdelijk contract en tegen
een laag loon. Het project Seizoensarbeid van het Centrum voor Werk en
Inkomen (CWI), gemeenten, uikeringsinstantie UWV en land en
tuinbouworganisatie LTO poogt Nederlandse werkzoekenden te vinden voor
het zware werk in de tuinbouw. Ruim 10.000 werklozen werden het
afgelopen jaar benaderd om te werken als sla- of tomatenplukker, of als
aspergesteker. Tegelijkertijd nam de regering de maatregel, dat voor
Poolse arbeiders die naar Nederland komen om in de tuinbouw te werken
een uitzondering geldt: zij ondervinden geen enkele belemmering meer die
in andere sectoren nog wel geldt als overgangsmaatregel voor vrij
verkeer van personen tussen de nieuwe EU-landen en Nederland. Er waren
850 Nederlandse werklozen die als slaplukker of in een andere functie in
de land en tuinbouw aan de slag gingen.
Het CWI probeert in navolging van de maatregelen van de Nederlandse
regering duidelijk de Nederlandse en Poolse werklozen tegen elkaar uit
te spelen om hen te dwingen de slechte arbeidsvoorwaarden en
omstandigheden te aanvaarden. Nederlandse werklozen worden bedreigd met
strafkortingen of zelfs stopzetting van de uitkering als ze het zware
werk onder de huisige omstandigheden niet aanvaarden, de Polen zijn wel
gedwongen, gezien de massa-werkloosheid in eigen land, zonder goede
werkloosheidsuitkering, de onaanvaardbare toestanden in de tuinbouw te
aanvaarden.
Jos Dautzenberg, projectleider van het project Seizoensarbeid, geeft op
19-10 2005 een interview aan de Telegraaf waarin hij de Nederlandse werklozen
nog eens extra in een kwaad daglicht zet, om zo de druk verder op te
voeren. Meneer Dautzenberg zegt dat de Nederlandse werklozen door de
telefoontjes merkten dat ze aan de slag moesten. Ach, meneer
Dautzenberg, dat was blijkbaar nog niet tot hen doorgedrongen met al die
strenge maatregelen van tegenwoordig. ‘Veel werklozen zagen een baan op
het land niet zitten en solliciteerden gauw ergens anders’ zegt meneer
Dautzenberg. Hoe hij dat weet? ‘We hebben geen exacte cijfers, maar het
is opvallend dat mensen na maanden werkloosheid ineens weer werk vonden
en geen uitkering meer hoeven’. Meneer Dautzenberg weet donders goed dat
statistisch gezien al jaren een groot deel van de werklozen sowieso na
verloop van tijd weer aan het werk gaat als ze eindelijk iets hebben
gevonden. Dat is allang zo. Dus het is maar de vraag, wat dat ene
telefoontje nu voor invloed heeft. Dat weet meneer Dautzenberg ook niet,
want hij heeft geen exacte cijfers. Het is maar een vage impressie van
meneer Dautzenberg om zijn eigen winkeltje als belangrijk naar voren te
schuiven. Borreltafelpraat dus uit de categorie: ik ken verschillende
werklozen uit mijn omgeving die niet willen werken, dus de werklozen
willen niet werken. Maar er zijn inderdaad werklozen die een
strafkorting hebben gekregen of wier uitkering werd stopgezet omdat ze
weigerden. En terecht.
De borreltafelpraatjes van Jos Dautzenberg zijn niet zonder gevaar. Zijn
opmerkingen dragen bij aan het tegen elkaar opzetten van verschillende
groepen, om hen te dwingen de soms onaanvaardbare arbeidssituaties in de
land en tuinbouw te aanvaarden door hun onderlinge concurrentie te
verscherpen. Daar trappen wij niet in. Samen strijden voor betere
arbeidsvoorwaarden en omstandigheden. De Nederlandse werklozen, die
weigeren onaanvaardbare arbeidsomstandigheden te aanvaarden en de Poolse
actievoerders, die strijden voor verbetering van hun situatie. Duidelijk
is dat ze daarvoor niet bij meneer Dautzenberg moeten zijn.

Hoe verhouden groepen in de samenleving zich tot de samenleving als geheel?

Discussie in de Balie op zondag 11 januari 2004 om 13.30 uur.

Inleiding Aafke Komter

Het thema van de discussie is ‘wij en zij’. Hoe verhouden groepen in de samenleving zich tot de samenleving als geheel? De vraag is hoe combineren we de groep en het opgaan van mensen in groepen met de samenleving als geheel. Welke rol speelt solidariteit daarin en wat is solidariteit?

Solidariteit is het vermogen daadwerkelijk hulp en zorg te bieden met een belangeloze inzet van gemeenschapsdoelen. De definitie was nog uitgebreider, maar dat heb ik niet genoteerd.
Solidariteit heeft echter ook schaduwzijden. Solidariteit bindt mensen maar verdeeld ook. Je kunt bijvoorbeeld niet  veel zorg aan je ouders besteden en misschien ook aan enkele andere mensen en niet dan ook nog aan andere mensen. Je hebt maar beperkt energie en tijd dus zorg besteden aan je ouders betekent automatisch dat anderen min of meer worden uitgesloten. Solidariteit is selectief: meestal tonen de mensen het gemakkelijkst solidariteit met de groep van de eigen verwanten en is solidariteit met vreemdelingen een schaars goed (geworden)

Solidariteit is dus selectief en uitsluitend. Daarnaast staat tegenover de onderlinge groepssolidariteit dat je deze in stand houdt en versterkt door je af te zetten tegen anderen en een negatief beeld te vormen van die anderen.
Aafke Komter

Hoe meer dit proces van groepen die zich tegen elkaar afzetten plaats vindt, hoe kleiner de bereidheid zal zijn om wederzijds te integreren.

Dus je zou kunnen zeggen dat groepen op basis van etnische, nationale of religieuze grondslag hun vijanden nodig hebben om hun identiteit vorm te geven. Joegoslavië is een bekend recent voorbeeld van hoe dit werkt. De verschillende etnische groepen hebben naast de vijandschap ten opzichte van anderen een sterke onderlinge solidariteit in de eigen groep. Maar anderen uitsluiten is de ontkenning van de menselijkheid van de ander.

Een sterke interne groepssolidariteit noemt Putnan bonding. Een andere vorm van solidariteit is bonding waarbij je je  solidair voelt met mensen met een verschillende identiteit. Dit wordt bridging genoemd. Bridging is solidariteit tussen verschillende groepen een kans geven. Dit is echter niet eenvoudig, want men wil erg toe naar een interne solidariteit, dus bonding. Je zou kunnen zeggen dat er een proces van bonding samengaat met een vorming van de onderkant van de samenleving van laaggeschoolden en kansarmen, dus segregatie. Bridging is een voorwaarde om kansarme groepen en andere te verbinden en dus voor de sociale cohesie van de samenleving als geheel.

Voorwaarden om bridging een kans te geven:
1.      De sociale afstand tussen de bevolkingsgroepen moet kleiner zijn, dus mensen moeten sociaal dichter bij elkaar leven. Grote sociaal-economische verschillen bestendigen het benadrukken van de interne groepssolidariteit, waarbij je je afzet tegen de ander.
2.      Er moet een mogelijkheid zijn om je te identificeren met de ander als die ook dicht in de buurt is. Er moet zich een identificatie en een loyaliteit met mensen buiten de eigen groep kunnen ontwikkelen.
3.      Dürkheim zei al dat de manier waarop je de samenleving organiseert van invloed is op de sociale verbanden die mensen met elkaar maken. In de huidige samenleving met zijn grootschalige organisatie van de productie en stedelijke projecten heerst een groot gevoel van anonimiteit en is de bevolking onderling niet solidair. Juist bij kleinschaliger organisatie vormen kan er juist wederkerig een identificatie en een onderlinge afhankelijkheid ontstaan die bindend werkt. We moeten de homogeniteit doorbreken door organisatievormen in te voeren die tot heterogeniteit leiden/bepalen?
We moeten dus nadenken over de condities waaraan voldaan moet worden om de groep met de samenleving te verbinden.
Daarna vindt de discussie plaats. Voorzitter is Arjan Visser, deelnemers aan de discussie zijn Cor Ofman, theoloog en werkzaam bij het open deur project op het Begijnhof als pastor en medewerker van de Hervormde Diakonie. Iedereen kan bij het Open deur project binnenlopen en hij werkt daar  in direct individueel contact met illegalen en asylzoekers. Verder nemen deel Bahaeddin Budak, hij is imam in Arnhem, af en toe, maar ook medewerker van het Islamitisch pedagogisch Centrum, alwaar hij godsdienstmateriaal ontwikkeld voor islamitische scholen. Hij maakt deel uit van Milli Gorüs Zuid. Verdere deelnemer: Ben Vocking. Hij behoort tot de orde van de Dominicanen en werkt onder Surinaamse katholieken in Rotterdam.

Cor Ofman


De voorzitter stelt een vraag aan de orde. Uit de inleiding bleek, dat religieuze groepen een vijandigheid jegens anderen cq een vijandbeeld nodig hebben ten opzichte van andere groepen?
Cor Ofman zegt dat hij als 5 –jarige overtuigd was van de eigen waarheid en dat er in het dorp waar hij opgroeide een strijd was tussen de rooien en de gereformeerden. Elk leefde in zijn eigen groep. Je kocht je brood bij de gereformeerde cq de rooie bakker. Als je in een geïsoleerde groep zit zul je in het begin een vijandbeeld nodig hebben om je eigen identiteit te bevestigen cq te bewijzen. Maar hij moet constateren dat bij de huidige kerk waar hij werkt en bij islamitische organisaties en zelfs bij de fundamentalistische christelijke kerken dit niet meer herkent. Daar gaat de stelling niet meer op. Wel merkt hij op dat bijvoorbeeld de witte illegalen, de Turkse en Marokkaanse mensen niet bij de moskee terecht kunnen om ondersteuning, of althans in beperkte mate. Hij stelt vast dat men er bij de moskeën van uitgaat dat deze mensen een bepaald stempel opgedrukt hebben gekregen en dat deze kwalificatie niet past bij de mensen die de moskee bezoeken. Ditzelfde geldt voor drugsverslaafden.
Meneer Budak erkent wel wat Ofman zegt. Maar dat heeft te maken met de geschiedenis van de moslims in Nederland. Ze komen oorspronkelijk in het land van herkomst van het platteland, dat een geheel was, waar de grote stadsproblemen niet voorkwamen. Dus er kwamen ook geen drugsverslaafden naar de moskee. Ze hebben niet geleerd ermee om te gaan. Het zal een kwestie van tijd zijn alvorens de moskeen wel meer op dit onderwerp zullen inspringen. Het opleidingsniveau van de moskeegangers speelt ook een rol. Vanuit de theorie van de islam moet je iemand die in moeilijkheden is helpen. Maar nogmaals we weten nog niet zo goed hoe om te gaan met deze grote stadsproblemen. Verder komen in de moskee waar hij imam is ook wel drugsgebruikers; ze drinken er thee maar er is niet een beleid van hen als specifieke groep benaderen, ze komen thee drinken maar veel meer ook niet.
Verder wil hij opmerken dat andere instituties en instanties in Nederland helemaal niet meer praten over de oorzaken van waarom iemand drugs gebruikt. Men gaat dan hulp bieden bijvoorbeeld bij gemeentelijke instanties waarbij ze gratis heroïne of andere faciliteiten krijgen. Dat is niet een preventief beleid; men gaat ervan uit ze zijn zoals ze zijn en ze blijven zo, dat is een andere benadering dan wij voorstaan.
Verder wil hij nog een opmerking maken over het voorbeeld van Joegoslavië van de inleidster. Wat er in Joegoslavie gebeurde had niets met noties van solidariteit te maken. Solidariteit is dat je met iemand anders een bepaald gevoel hebt/deelt en in Joegoslavië was er rivaliteit, geen solidariteit.
Aafke Komter: maar ik heb het erover gehad, dat er in Joegoslavië een sterke interne groepssolidariteit was, geen bridging.
Antwoord van meneer Budak: nee, er was geen sprake van solidariteit, men was niet solidair, want de mensen hadden een kortzichtig uitgangspunt. Solidariteit is dat we het samen beter hebben en als dat niet wordt nagestreefd is het geen solidariteit meer. Solidariteit is ook, dat je de duurzame toekomst van de eigen groep in het oog houdt en dat deden de groepen in voormalig Joegoslavië niet.

Ben Vocking gaat ook antwoord geven op de stelling. Het wij en zij denken speelt volgens hem een zeer prominente rol, ook bij migrantengroepen onderling. Enige tijd geleden was er een bischoppelijke brief waarin dit wij-zij denken sterk tot uiting kwam. Hij merkt bij de Surinamers waarmee hij werkt dat er een sterk gevoel van wij-zij is naar Turken en Marokkanen toe. We zullen dat moeten doorbreken. Wij zullen er met elkaar aan moeten werken dat de samenleving een plek wordt waar we met z’n allen kunnen leven.
Meneer Budak zegt dat het op zich wel goed is dat de mensen een eigen plek hebben waar ze zichzelf kunnen zijn en waar men elkaar weerbaar kan maken, maar dan wel om verder te komen, dus we moeten nadenken hoe onze gezamenlijke toekomst eruit ziet. Wij zijn hier als migranten om verschillende redenen gekomen maar we ontdekken nu dat we erg vastzitten aan deze samenleving en daarom engageren we ons ook met het lokale niveau en bemoeien we ons daar met kwesties als onderwijs en huisvesting. Dat is bridging. Dit is een langzaam op gang komend proces. In de geschiedenis van de Turkse en Marokkaanse moslims was het eerst zo, dat we ervan overtuigd waren dat we terug zouden gaan. Daarbij ontwikkelden onze gemeenschappen zich door een vasthouden aan de identiteit van de eigen groep waarbij we ons hebben afgezet tegen de omgeving. 

Nu weten we dat we hier zullen blijven. Dus zullen we ook anders moeten omgaan met de omgeving. Dus er was in onze ontwikkeling eerst bonding, de ontwikkeling van de eigen groep, maar omdat we nu weten dat we niet zullen terugkeren moeten we omschakelen. De moskees in de negentiger jaren, daar hebben ontwikkelingen plaatsgevonden. Men richt zich meer op eigen scholen, voorzieningen en er worden bedrijven opgericht waarbij een intensief contact met de omgeving noodzakelijk is. Ook zijn er vertegenwoordigers van moskeebesturen en organisaties die een bepaalde plaats hebben in bijvoorbeeld wijkplatforms en er zo een dialoog ontstaat met anderen.
Ofman herhaalt echter dat de samenwerking tussen kerken en moskeen moeizaam verloopt en dat ze niet samenwerken bij de opvang van bijvoorbeeld drugsverslaafden en illegalen.
Meneer Budak herhaalt dat de eerste generatie nu langzaam terugtreedt, uitsterft, dat een tweede generatie het roer overneemt en dat er al een derde generatie is die hier is geboren. Het is een langzaam proces.
Vraag hoe snel gaat het eigenlijk, zal het ooit zover komen dat ook illegalen, weggelopen meisjes en drugsverslaafden worden geholpen?
Meneer Budak: in de toekomst wel want de islam staat er theoretisch gezien voor open. Het is een missiegeloof. Iedereen is welkom en moet geholpen worden. Maar wat u noemt is een nieuw fenomeen waarvan we niet weten hoe ermee om te gaan. Ik heb een voorbeeld van een Antwerpse Imam, die een scholier geld voor drugs gegeven heeft om te voorkomen dat hij zou gaan roven en stelen.
Ofman schrikt een beetje van het antwoord. Moeten we de drugsgebruiker zien als de verloren zoon, die weer terugkeert in de schoot?. Hij haalt het voorbeeld aan van de herdenking van Anja Joos. Daarbij werd in een toespraak zowel aandacht besteed aan de dader als aan het slachtoffer. Het gaat erom, leg je de nadruk op wat ons scheidt of op wat ons bindt.
Er wordt de opmerking gemaakt dat ook in de eigen groep bonding voorkomt, de tweede generatie die zegt: we moeten de eerste generatie afschrijven. Dat is ook eng en dat gebeurt in eigen kring.
Meneer Budak legt nog eens de uitgangspunten van de islam uit. Wij moeten ons opstellen zoals de profeet Mohamed tegenover een prostituee. Er was eens een prostitiuee die op pad ging en nog een lange weg had te gaan. Ze kwam toen ze dorstig was bij een put met water. Daar tapte ze water uit en dronk ervan. Toen kwam er een hond aan en ze zag dat de hond het vochtige zand likte waar wat water op gevallen was. Daarop trok de prostituee een schoen uit en vulde die met water voor de hond. Mohamed zei daarop dat deze prostituee in de hemel zal komen, en niet in de hel. Hij zegt ook niet dat de prostituee goed is, maar dat iedereen de kans heeft om goed te worden.
Meneer Budak erkent nogmaals dat illegalen maar beperkt worden geholpen. Maar de kerken willen meer actionistische activiteiten. We moeten wel beseffen, dat de moskeen in Nederland betrekkelijk jong zijn en nog steeds een vreemde eend in de bijt van de Nederlandse samenleving. De kerken daarentegen hebben een historisch gegroeide plaats in de Nederlandse samenleving op basis van een ontwikkeling van eeuwen. Als deze kerken illegalen opnemen of actie voor hen voeren kunnen zij gebruik maken van hun gezag en hun plaats in de historische traditie. Maar wat, als wij als moskee dezelfde actie voeren? De reactie zou wel eens een heel andere kunnen zijn. Zou een moskee die illegalen opneemt worden gesloten? Wij weten het niet. Wij zijn er bang voor dat als we illegalen helpen dat we dan niet op dezelfde manier behandeld zullen worden.
Ofman zegt dat het dan goed is om zo’n experiment eens te doen als testcase of er sprake is van gelijke behandeling. Het zou goed zijn als de broeders en zusters van de moskee als daar ook de standpunten worden ingenomen voor de illegalen dat dat wordt verkondigd, ook dat voorbeeld van de profeet. Zo’n testcase zou goed zijn. We verwachten als kerk dat als we illegalen opnemen dat ze als spelregel niet zomaar uit de kerk worden gehaald.
Meneer Budak brengt nog een ander argument naar voren. En dat is de economische situatie van de moskee. Zo ’n actie kost geld. En de eerste moskeën zijn vaak gevestigd in oude panden die eerst een andere bestemming hadden en de moskeën worden financieel gesteund door minder draagkrachtigen dan de autochtonen. De kerken zijn rijker dan de moskeën. Dat is ook een reden.

Ofman uit kritiek op minister Verdonk. Er is een verharding van de samenleving. We hebben als diakonie een solidariteitsnetwerk met ongedocumenteerden gesteund waar op de bijeenkomsten wel vertegenwoordigers van KMAN en HTIB komen maar slechts een vertegenwoordiger van een moskee. De moskeën zouden toch meer kunnen doen/zich actiever kunnen opstellen.
Iemand merkt nog op dat de redenen die meneer Budak geeft te mager zijn. Hij antwoordt dat er in Arnhem ook wle het een en ander gebeurt maar dat het beperkt is. Hij vindt het jammer, maar wat kan hij er verder van zeggen. Hij noemt ook nog als factor dat de meeste bestuurders van moskeën nog steeds geen Nederlands spreken. Theoretisch religieus moedigt de islam die samenwerking en inzet aan. Iemand vraagt zich toch af of de bridging in alledrie de religies aan tafel wel even sterk is. Het is jammer dat er in Amsterdam op het hiervoor genoemde initiatief geen reactie kwam van de moskeen.

Ben Vocking brengt naar voren, dat we ook moeten signaleren, dat ook de hervormden en de katholieken het laten afweten, want als daar meer zou gebeuren, de opvang en de acties breder gedragen zouden worden we de regering en zo meer onder druk konden zetten. Men zegt wel we helpen die groepen, maar het is ook een soort alibi. Hij noemt een voorbeeld. Bij de dood van Fortuin schreven de migranten pastores een brief aan de kerken in Rotterdam waarin men zich zorgen maakte over de positie van de migranten. Met als boodschap: kerkbezoekers doe es wat. We hebben tot nu toe geen antwoord ontvangen. De christelijke kerken doen ook te weinig.
Ofman antwoord dat beperkende geluiden ook binnen de diakonie hebben geklonken. Men zei we hebben nu die witte illegalen geholpen, dat project loopt nu af, we gaan ons minder met die hulp bezig houden van nieuwe groepen en zo. Zelfs vanuit een behoudende hoek van de Gereformeerde Bond kwamen toen geluiden van: ho eens even, dat gaat zomaar niet. Trek je consequenties uit het geloof. De diakonie geeft nu per jaar 1 miljoen euro uit aan de ondersteuning.
Ofman stelt, dat er enkele duizenden illegalen zijn in Amsterdam. Het gaat in totaal om 1% van de Nederlandse bevolking. Dat moet met onderlinge solidariteit te managen zijn, maar het gebeurt niet. De diakonie helpt vanuit de noties van barmhartigheid en rechtvaardigheid. Dit betekent helpen onder protest omdat de overheid een vangnet moet bieden en een schild voor de zwakken zijn. Wij hebben een komitee voor de rechtvaardigheid van ongedocumenteerden opgericht die aanvankelijk met 250 witte illegalen in de Mozes en Aäronkerk zouden trekken, maar dit ging niet door. Toen is wel het comité ontstaan. Het is bedoeld als een gezamenlijk initiatief om de strijd voor de illegalen te versterken. We hebben veel brieven met uitnodigingen verstuurd waaronder een naar Milli Gorüs. De bekende woordvoerder van die groepering in de zaal zegt dat als het gaat om actie voeren voor illegalen in de zin van ene hongerstaking, dan voelen moslims zich daar niet prettig bij. Wij stellen het aan de orde bij onze preek op vrijdagmiddag en in de discussie die daarna volgt maar verder niet. 

Ofman vraagt of ze mee willen doen aan het netwerk voor ongedocumenteerden. Antwoord: nou dat is voor ons geen probleem, maar ik moet eerst meer dingen erover weten, ik weet niets van de uitnodiging/brief die is verzonden. Iemand uit de zaal stelt dat het niet op de hoogte zijn van elkaars activiteiten en uitnodigingen natuurlijk wederzijds is. Weet Ofman eigenlijk wel, wat Milli Gorüs doet?
Ofman: wij hebben op een gegeven moment de illegale migranten bij elkaar gebracht en wij hebben toen bij Milli Gorüs gegeten en we hebben toen gepraat, maar dat heeft geen vervolg gehad in de zin van deelname van Milli Gorüs aan het netwerk.
Brigitte de Jong werkt in een project in Amsterdam Zuid-Oost waarbij de contacten tussen de verschillende kerken worden bevorderd. Zij beaamt dat de westerse kerken een eeuwenlange traditie in Nederland hebben en dat er aan de andere kant een jonge islamitische kerk in Nederland is. Daar zijn ze nog met bonding bezig. Er is sprake van asymetrie in de solidariteit. We hebben het hier over ene wij-zij relatie met machtsongelijkheid. Is dit niet hypocrite solidariteit? Kan mevrouw Komter meer hierover zeggen, de relatie is niet symetrisch.
Mevrouw Komter zegt dat het waar is dat er een ongelijkheid bestaat. Ook van financiele middelen. Maar dit hoefte betrokkenen er niet van te weerhouden een bijdrage te leveren. De Nederlandse kerken hebben wel macht en mogelijkheden, maar toch kunnen de anderen in beperktere mate ook ene bijdrage leveren.
Imam Budak springt hier op in. In het klein gebeurt er al heel veel in moskeeën, en er komen bijvoorbeeld in Arnhem twee of drie mensen iedere week die dakloos zijn en dan daar overnachten omdat er in Arnhem en naar blijkt ook in Amsterdam een regeling voor daklozen bestaat dat ze maar een beperkt aantal nachten achter elkaar in daklozencentra mogen verblijven. Om de tussenperiode dan te overbruggen verblijven ze bij ons. Het is een klein voorbeeld maar er zijn andere voorbeelden. Het is niet de voortdurende hulp die we zien bij de kerken, maar toch. De economisch-sociale redenen waarom dit zo is heb ik al genoemd.
Iemand uit de zaal merkt op dat hij een wetenschappelijk onderzoek heeft verricht onder dertig Rotterdamse Moskeen naar bridging. Twee derde van de moskeen houdt zich bezig met inter-religieuze activiteiten. Er zijn open dagen voor buurtbewoners, en een maaltijd programma gedurende de Ramadan.
Iemand uit de zaal zegt: Milli Gorus moskeen krijgen veel daklozen en drugsverslaafden binnen maar dat is meer in anonieme zin. Als je je teveel richt op een specifieke doelgroep dan krijg je ze niet binnen.
De vorige spreker legt uit dat er daarnaast ook een grote solidariteit is met de landen ven herkomst. Er zijn in moskeeën verschillende programma’s die daaraan voldoen. Hij heeft ook daarnaar wetenschappelijk onderzoek verricht. Uit 112 moskeen in het onderzoek is de helft bezig met zulke activiteiten. Bijvoorbeeld een kledingactie, acties met medicijnen en geld verzamelen voor slachtoffers van natuurrampen, zoals een aardbeving in Iran. Er gebeurt heel veel maar het is niet zo zeer zichtbaar in de Nederlandse samenleving.
Tita Veldman heeft onderzoek gedaan naar de gezondheidszorg voor aylzoekers bij het COA. We moeten het dynamische aspect benadrukken. Er gebeurt voortdurend iets. Wat zij wil zeggen is dat ook het maatschappelijk debat invloed heeft op of mensen naar bridging toegaan. Een goede en rechtvaardige gezondheiedszorg leidt tot bridging, een slechte gezondheidszorg heeft negatieve effecten. Het maatschappelijk debat heeft invloed op de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Als mensen negatieve verhalen tegen elkaar houden over slechte ervaringen in de gezondheidszorg, dan bevorderd dat niet de bridging.
Iemand is werkzaam in een project in Zuid-Oost om inter-religieuze ontmoetingen te organiseren. Zij bevestigd de asymetrische relaties. Vanuit de gereformeerde kerken is er ook een noodzaak tot samenwerking. Ze hebben te maken met een afnemend kerkbezoek en ledental. Van daaruit proberen ze bridges te maken naar andere gemeenschappen toe. Die anderen zijn echter in een opbouwfase, het zijn nieuwe kerken. Wat ze doen, blijft vaak onzichtbaar, ook al omdat ze vaak illegaal zijn gehuisvest, 30 kinderen in een klein zaaltje om onderwijs te geven? Het mag niet. Dus ze kunnen ook niet teveel in de publiciteit treden. Om die reden verkiezen ze zelf om in de anonimiteit te blijven.

Ofman beaamt dat voor de witte kerken het helpen onder protest een historische traditie is, die is gegroeid in de jaren ’50 en ’60 en dat zich daar een zeker zelfbewustzijn in dat opzicht heeft ontwikkeld om de hulp neer te zetten op de kaart van protest. Overigens is er in Zuid-Oost een kerkhuis opgericht voor de jonge kerken met de bedoeling dat ze dat over drie jaar zelf kunnen overnemen. Hij beaamt dat er ook veel in stilte wordt geholpen.


Lezing van Jagdish Bhagwatti

De Balie kondigt op haar affiche de lezing van Jagdish Bhagwati, die op zondag 11 januari 2004 om 15.00 uur werd gehouden  als volgt aan. ‘ De Indiase ontwikkelingseconoom Jagdish Bhagwati, professor aan Colombia University (NY) en inspirator van Johan Norberg, houdt een hartstochtelijk pleidooi voor arbeidsmigratie. En bekritiseert de ‘anders-globalisten’. De professor hield zijn betoog in het Engels met soms enigszins binnen ’s monds gemompel en doorspekte dit betoog met jiddische moppen, humoristische opmerkingen over het hindoeisme, levenservaringen in zijn gezin, etc. en dit gevoegd bij de beperkte kennis van het Engels van de notulist maakte het niet eenvoudig van zijn betoog verslag te doen.
De professor begin met te zeggen dat hij in economische zin veel over de globalisering kan zeggen, maar hij wil vanmiddag praten over migratiestromen. Hij heeft in dit verband een boek geschreven, ‘ In Defense of Migration’.

Hij wil bij migratie een onderscheid maken tussen twee vormen:
1.      De deels illegale migratie in Europa en de Verenigde Staten van voornamelijk minder of ongeschoolden
2.      De braindrain van geschoolden en hoger opgeleiden vanuit de ontwikkelingslanden
Jagdish Bhagwatti
Daarbij zitten er volgens hem aan migratie 6 dimensies. 3 dimensies hebben betrekking op doellanden en 3 op de vertreklanden. Eerst de doellanden.

1.      De economische dimensie. In de fabrieken voor 1973 was er een economische noodzaak om migranten, de ongeschoolde gastarbeiders, te laten komen. Ze waren nodig in de fabrieken. Maar aan deze fabrieksarbeid is in het westen minder behoefte. Door robotisering van de productie staan er aan het eind van de lijn twee ongeschoolde mensen die het productieproces in da gaten houden. Er zijn nu juist mensen nodig die goed geschoold zijn om machines te ontwerpen en om eventuele problemen met de robot te kunnen oplossen. Dus de vraag is veranderd van ongeschoolde arbeid naar geschoolde arbeid (skilled labour). Nu zijn ongeschoolden vaak werkzaam in de restaurantservice, bij het schoonmaken en allerlei ongeschoolde functies op vliegvelden, etc. Je zou kunnen zeggen dat de lonen te laag liggen (hij gebruikte een specifieke Engelse economische term) en dat die prijs voor de witte mensen te laag ligt om hen ertoe te brengen dat werk te doen. Je zou kunnen zeggen dat voor de zwarte mensen in Amerika hetzelfde geldt. En het geldt ook voor de een-oudergezinnen. Het is ook zo, in getto’s in Amerika kunnen de jongeren en anderen in de criminaliteit en de drugs snel veel meer geld verdienen, dat is rendabeler dan een onderbetaald schoonmaakbaantje. Dus ze doen het niet. Ook op het gebied van huishoudelijk management is er in de doellanden een duidelijke vraag. Er is dus nog wel vraag naar ongeschoolden, maar de situatie is totaal anders dan bij de traditionele gastarbeid. Een ander punt zijn de hooggeschoolden. Landen beconcurreren elkaar om deze hooggeschoolden, dus er is een redistribution of needs. Bush heeft nu regulariserings maatregelen genomen. Er zal een nieuwe vraag naar ook ongeschoolden ontstaan door de terugval van het geboortecijfer. Er zijn allerlei projecties in dit verband naar de toekomst. Men is bang voor situaties als in Duitsland en Italië. Dus als je de beroepsbevolking in stand wilt houden heb je migranten nodig, Je hebt jonge mensen nodig die premies betalen.

2.      De tweede dimensie heeft betrekking op de zekerheidsdimensie. In de Europese landen worden maatregelen getroffen om de toestroom in te perken cq te reguleren. Denk maar eens aan de Schengen akkoorden. Deze maatregelen en pogingen beïnvloeden het migratiedebat. Zou je kunnen stellen dat er meer onzekerheid ontstaat, dus onhoudbaarheid van de verzorgingsstaat door migratie? Die stelling is niet bewezen.

3.      De derde dimensie heeft betrekking op de sociale implicaties zoals die bijvoorbeeld in de Verenigde Staten bestaan. De democraten zeiden: de influx van illegalen gaat tot een onderklasse leiden die concurreert met de zwarte bevolking. Zij voerden een ‘ distribution policy’. Denk aan de zwarte socioloog Julius Wilson. De democraten zeiden over de migratie: die illegalen moeten min of meer tegengehouden worden. Ze sloten daarbij in feite een soort monsterverbond met rechtsen/conservatieven die tegen immigratie waren. Maar dan de Amerikaanse vakbonden. De AFCIO was eerst tegen de immigratie, maar heeft haar standpunt totaal omgekeerd. De Republikeinen zeiden ook: je kunt de migratie niet stoppen. De illegalen blijven hier toch. We zullen ermee moeten leven in plaats van steeds maar te proberen ze weg te krijgen. We moeten midellen bedenken (constructing models) om hen te legaliseren en de vakbonden zeiden in dat model moet ook zitten dat ze lid van de vakbond worden en dan verbeteren we onze eigen en hun positie. Dat is een complete ommekeer in het denken van de vakbonden. De Democraten weten dit. De Europese situatie is hetzelfde. Kijk naar Duitsland met zijn oude gastarbeidsers systeem, waar Bhagwati een studie van heeft gemaakt. Hij was enige tijd geleden op een demonstratie in Duitsland waar de vakbonden zeiden: het gaat om hun en onze rechten. Hun strijd is onze strijd. Vervolgens maakt hij half in het Duits en half in het Engels een witz over: Mein Kampf. De migratie heeft verregaande sociale implicaties: wat gebeurt er met onze werkers en armen en met hen.
Vervolgens zijn er drie dimensies die betrekking hebben op de zendende landen.

1.      Er is een brain drain van geschoolde arbeid. Daarbij kun je twee groepen van landen onderscheiden: allereerst landen als India, Argentinië, Zuid-Korea. Daar is de emigratie van geschoolden, de brain drain een grote kans en zo beschouwd men het ook. Er worden zelfs instituten en universiteiten gedeeltelijk opgericht om bijvoorbeeld hooggeschoolde verpleegsters naar het buitenland te sturen. Het is duidelijk dat die instituten speciaal voor dat doel werden opgericht. De policy is maximale access tot deze instituten. Bij de Afrikaanse landen ligt dit geheel anders. Deze landen verliezen veel te veel geschoolde arbeidskrachten (skilled manpower) en in de landen met vroeger koloniale regiems en de burgeroorlogen is er een groot gebrek aan getrainde mensen. Zonder skills is ontwikkeling van die landen niet mogelijk. De middengroepen verdwijnen uit die landen, er is een gebrek aan geschoolden en dit hangt samen met de burgeroorlogen die daar worden gevoerd. Relatie vrijhandel/ protectionisme met outflux dus market access heeft negatieve gevolgen.

2.      De illegale migratie van ongeschoolden. Iedereen is gelukkig. De migranten sturen geld naar huis, dus dat is goed. De hooggeschoolde migranten doen dat veel minder. Hij zegt dat grote sociale ongelijkheid ook een zegen kan zijn. Beter 1 biljonair dan 100 miljonairs. Bij niet al te grote beloningsverschillen wordt de luxe goederen industrie van overbodige producten bevorderd. Want mensen die een klein beetje meer hebben, die gaan dat gebruiken om luxe goederen te kopen zoals plezierjachten. Als er veel mensen zijn die wat minder verdienen en een kleine groep die zeer veel heeft, dan is dat niet zo’n probleem, want die zeer rijken hebben ook wel een plezierjacht, maar ze hebben zoveel geld, daar kunnen ze niet alleen maar plezierjachten van kopen dus ze zullen met dat vele geld iets moeten en dan wordt het gewoon geherinvesteerd in nuttige productie. Dit soort sociologische noties cq bestudering ten aanzien van sociale ongelijkheid en de economische gevolgen ervan zou meer bestudeerd moeten worden.

3.      De derde dimensie heeft betrekking op de mensenrechten en op de sociale gevolgen van het verblijf van illegalen en in hun leefsituatie. Over mensen rechten zegt hij het een en ander maar met name over de gevolgen van de migratie op het gebied van taal en talen. In de Verenigde Staten heeft de illegale migratie, waarbij men mensen in de illegaliteit hield, tot gevolg dat de Verenigde Staten een multi-talen gemeenschap aan het worden zijn, vooral ook door de komst van Latino’ s met Spaans naast Engels. Maar ook in andere opzichten een meertalige samenleving. Het isolement waarin illegalen leven en de noodzaak bijvoorbeeld Spaans te kennen om je in de eigen groep cq de onderkant van de samenleving overeind te houden heeft grote gevolgen op taalgebied. In dit verband haalt hij een jiddische witz aan. Een Pakistaanse man, die alleen een voor anderen onverstaanbaar Pakistaans dialect sprak begaf zich illegaal naar Amerika en kwam terecht in de winkel van een Joodse man in New York en vroeg of die werk voor hem had. Dat was het geval. Dat duurde enige tijd en toen werd een van de joodse klanten door de Pakistaanse man in het jiddisch aangesproken toen hij een bezoek bracht aan de winkel. De bezoeker was blij verrast en sprak de eigenaar van de winkel erop aan. Wat geweldig dat deze Pakistaanse man jiddisch spreekt en.. de winkeleigenaar schrok en bracht zijn wijsvinger naar zijn lippen. ‘Sshht, he thinks I am learning him English’.

Dan volgt de discussie. De notulist heeft daarvan het volgende genoteerd: professor Bhagwati zegt dat er twee vormen van globalisering zijn, de economische en die van de Civil Society. Hij wil een mondiaal migratie-instituut dat als eerste taak heeft om migratie politieken te inventariseren en ‘ best practices’ naar voren te brengen. Dit naar analogie van de ILO waarbij de twee vormen van globalisering samenkomen en er overleg kan plaatsvinden. Er moet niet op basis van theoriën van bovenaf gewerkt worden maar gekeken worden naar de best practices, die elkaar beïnvloeden. Hij heeft kritiek op het mondialiseringsconcept van allerlei analytici en de anders globalisten waarbij alle onrechtvaardige toestanden in de wereld worden teruggebracht tot het mondialiserings verschijnsel. Alles wordt aan dat fenomeen toegewezen. In dit verband haalt hij aan dat hij als adviseur van Kofi Anan bij de VN steeds maar weer rapporten onder ogen kreeg waarin stond als gevolg van de mondialisering… en dan werd een of ander verschijnsel genoemd. Hij zei tegen Kofi Anan: ‘ what the hell has this to do with mondialisation’. Verder blijkt kort uit de discussie dat hij over de samenhang verzorgingsstaat vs migratie meningen heeft die tegenovergesteld aan die van Entzinger zijn, die ook in de zaal zit. Maar hij zegt erbij dat hij van de Nederlandse situatie niet veel weet.


Migratie en verzorgingsstaat

Vrijdag 9 januari 2004. 20.00 uur. Presentatie van twee boeken en lezing van Abram de Swaan met debat na afloop tussen Minister van Sociale Zaken Aart Jan de Geus, Abram de Swaan en Han Entzinger, hoogleraar. Natasja Kuit heeft de leiding van de discussie.
Jelle van der Meer, een van de auteurs van de boeken en hoofdredacteur van het Groen Links Magazine, opent de avond met een korte inleiding waarin hij de probleemstelling neerzet. De verzorgingsstaat komt steeds meer onder druk te staan omdat er een steeds toenemende migratie is, of constante migratiestromen, waarbij een deel van die mensen een beroep doet op de voorzieningen die niet meer te bekostigen is. Hij constateert dat solidariteit altijd aan grenzen is gebonden. Zij voltrekt zich in de vorm van steeds wijder wordende kringen. Eerst de eigen omgeving, familie of buren en geliefden, dan een wat groter verband, en uiteindelijk de nationale staat. We zullen op zoek moeten gaan naar nieuwe grenzen, zoals privatisering of charitas. Dit om te voorkomen dat bij doorgaande migratie de grenzen worden getrokken waar we ze niet willen, waarbij hij als voorbeeld de Rotterdamse plannen noemt.
Dan volgt de inleiding van De Swaan. Hij begint met een vergelijking van Europa en Amerika en zegt dat Amerika misschien wel een sociaal land is omdat ze daar geen verzorgingsstaat hebben. Er is dus ook geen druk op met de migratie en dus kan Bush zeggen dat hij 8 miljoen illegalen tijdelijk wil legaliseren.
De migranten hebben volgens hem een Januskop, zoals ook uit de twee boeken blijkt. In het ene boek zijn ze uitkeringstrekkers, in het andere boek zijn ze de gevers. Ook zegt hij dat de toenemende migratie het zichtbare externe effect is van de armoede in de Derde wereld.

Vervolgens gaat hij eerst in op de oorzaken voor het ontstaan van de verzorgingsstaat. Dit heeft hij in zijn boek ‘de staat van Nederland’ geanalyseerd. De verzorgingsstaat is niet ontstaan door de acties en emancipatiebewegingen van de armen, maar de rijken hadden last van die armen. Je ziet in de geschiedenis een steeds verdere uitbreiding van de verzorgingsstaat om dit tegen te gaan. De rijken waren ook min of meer gedwongen om zich te organiseren, een staat in stand te houden, etc, om ervoor te zorgen dat de onderlinge solidariteit van de rijken zou voorkomen dat rijken zich zouden onttrekken aan de financiële lasten die het optuigen van de verzorgingsstaat met zich mee zou brengen. Welke last hadden de rijken nu van de armen? Er zijn vier soorten.
  1. Ze stelen, roven en zijn crimineel
  2. Ze komen collectief in opstand in hongeroproeren, etc.
  3. Ze zwerven rond en verzorgen zo overlast. Je zou kunnen zeggen dat de migratie de moderne vorm is van dat rondzwerven
  4. Ze worden ziek door de slechte leefomstandigheden en besmetten de rijken.
 De cholera heeft de aanzet gegeven tot de stedelijke vernieuwing. Men geloofde, dat de cholera veroorzaakt werd door een klein beestje dat je kon inademen, en dat in modder leefde. En dat als men door woningbouw etc de leefomstandigheden van de armen verbeterde dit zou verdwijnen. Zo zijn de voorzieningen steeds verder uitgebreid.
De grote vraag is nu: zou die schaalvergroting in de geschiedenis van de verzorgingsstaat, die de rijken hebben nagestreefd, zich nu op boven- nationaal niveau gaan voortzetten?
Na het boek dat hierboven werd genoemd heeft De Swaan zich bezig gehouden met de Den Uyl lezing uit 1986 waar die vraag, die aan het eind van het boek wordt gesteld, verder wordt uitgewerkt. Zal er een collectieve actie komen van de rijke landen in dat opzicht? Is dat voor hen noodzakelijk? Of zullen de milieuproblemen er misschien als externe factor toe leiden?
De Swaan zou bijna zeggen als het gaat om de externe factoren die de rijken triggeren iets te doen misschien is een zegenrijke cholera epidemie wel noodzakelijk. Artsen/medici kunnen dan verklaren, het komt van de armoede.

Laten we de verschillende factoren van de armen waar de rijken last van hebben eens langs lopen.
Misdaad en rebellie zijn tot nu toe regionaal beperkt, dus daar hebben de rijken geen last van. De enig merkbare overlast is de migratie. Zal dit leiden tot veranderingen? En inderdaad hebben de rijke landen vormen van inkomensoverdracht, ontwikkelingshulp en opzet van ontwikkelingsprojecten in de herkomst landen cq de derde wereld opgezet om de immigratie in het westen te verminderen. Maar de huidige discussie is, dat ontwikkelingshulp niet helpt. De Swaan was enige jaren geleden in gesprek met zijn tandarts en die zei: ja ik zeker betalen voor ontwikkelingshulp, dat betekent betalen voor het gouden bed van een minister in Ghana. Toen dat gesprek plaatsvond kreeg De Swaan het schaamrood op de kaken en verdedigde hij de ontwikkelingshulp. Nu denkt hij er bijna net zo over als die tandarts. Ontwikkelingshulp, hebben we ervaren, werkt niet. 

Daarentegen de inkomensoverdracht die plaats vindt omdat migranten geld naar het land van herkomst sturen en hun familie en dorpsgenoten steunen is veel effectiever en ook uitgebreider. In die zin is migratie positief voor de ontwikkelingslanden en ook nog beter dan ontwikkelingshulp. In het ene boek wordt dit moreel entrepreneurschap verder uitgewerkt. (Zie ook Marja Vuijsje). De Swaan legt uit hoe dit werkt. Het is in de sociale relaties een voortdurend duwen en trekken op een subtiele manier om geld los te krijgen cq geen geld te hoeven geven. Hij noemt het Nederlandse voorbeeld van een vader die met zijn studerende zoon in gesprek is en waaruit de kracht van het zwijgen bij de potentiële ontvanger blijkt. Hoe gaat het jongen. Nou, eh, eh och het gaat wel. Je eet toch wel goed, jongen? Nou, eh och…En uiteindelijk geeft de vader geld. Dit zwijgen van de persoon die geld nodig heeft zie je ook bij de in stille armoede levende mensen in het land van herkomst tegenover de migranten. En er zijn nog meer van dit soort sociale processen. We zouden een onderzoeksproject moeten opzetten over hoe deze processen van sociale overdracht plaatsvinden. De effecten van deze overdrachten zouden beter moeten worden onderzocht als alternatief voor de huidige ontwikkelingshulp dus dergelijke vormen vanuit een zeker bevorderen van migratie.

Dan gaat de Swaan in op de andere kant van de Januskop, de migrant niet als gever maar als uitkeringstrekker en ontvanger. Immigratiestroom, ½-1/2 vs ½ -1/2 dus argument sans papiers uit Frankrijk.
Bij het reguleren van de migratiestroom worden we geconfronteerd met morele dilemma’s. Er zijn morele grenzen aan het indammen. We kunnen theoretisch een politiestaat vestigen, waarbij we voortdurend op willekeurige plaatsen binnenvallen en in huizen controleren op illegalen en hen uitzetten. Ook kunnen we aan de grenzen met scherp schieten op illegalen. We kunnen ze ook hier op straat laten sterven. Maar dat willen we niet, dat gaat te ver, dus er zijn voor een politiestaat waarmee je theoretisch de toestroom zou kunnen stoppen morele grenzen waar we niet overheen willen. Hij benadrukt nogmaals dat Amerika wel sociaal is. Er worden allerlei regelingen in stilte toegepast waar men niet teveel over praat. Ook heeft men daar een combinatie van migranten tegenhouden en toelaten. Dus Amerika is wel een moreel land.
Dan volgt de discussie tussen de Geus, Entzinger en De Swaan. De Geus wil nog wel eens ingaan op de theorie van De Swaan. Gaat het om het eigenbelang van de rijken, zullen SARS en Aids de ontwikkeling op gang brengen van schaalvergroting van de verzorgingsstaat. Hij denkt van niet. Ze zijn daarvoor niet bedreigend genoeg. Iemand noemt het terrorisme. 

Minister A.J. de Geus

Er zijn drie redenen waarom het terrorisme volgens De Geus niet als katalysator zal werken. De eerste is dat de meeste terroristen zich niet richten op het vraagstuk van de kloof tussen arm en rijk. Ze hebben andere thema’s. De tweede reden is dat het vaak niet gaat om een tegenstander die je kent of die je zou kunnen kennen en waarmee je op termijn tot overeenstemming kunt komen. Je kunt er niet mee overleggen. Dus het terrorisme zal ook niet als katalysator werken. (De notulist heeft de derde reden gemist)

De Geus denkt ook, dat het huidige stelsel niet houdbaar is op den duur. Hij denkt echter net andersom als Jelle van der Meer wat de solidariteitskringen betreft. De solidariteit is juist georganiseerd op nationaal niveau, vanuit een nationaal besef van normen en waarden en het gevoel zoals dat na de Tweede Wereldoorlog in Nederland bestond, nl om het land op te bouwen en samen de economische ontwikkeling te bevorderen. De solidariteit is in dat proces juist weggehaald uit de kleinere kringen dus de bedrijven en op lokaal niveau. De discussie over solidariteit en sociale zekerheid zal meer op Amsterdams niveau gevoerd moeten worden, je zou kunnen zeggen dat deze discussie op landelijk niveau failliet is. De ontwikkelingen in de vijftiger jaren en daarna waren alleen maar een klein toevallig bergje in de ontwikkeling van solidariteit. We moeten het weer in kleine kring organiseren, dus wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van de burgers hetgeen betekent kringen van solidariteit opbouwen op lokaal niveau en vanuit die kringen moet een verdergaande solidariteit ontstaan. 

Er wordt een vraag gesteld over de missers van De Geus bij het Robin Hood fonds, zoals dat was voorgesteld door Groen Links. De Geus: ik heb me daar inderdaad vergist. Ik dacht eerst het is een particulier initiatief van mensen die geld over hebben en die daar iets mee willen doen, als de overheid daarmee gaat samenwerken is niks mis mee. Maar de solidariteit is ook een eigen verantwoordlijkheid van de overheid, dat moet je niet vermengen met het particulier initiatief. Dat model van mij van lokale solidariteit en in bedrijven geldt voor het ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, maar ook voor de migratie.
De Geus: de houdbaarheid staat of valt niet met de druk van de migratie er is geen rechtstreeks verband. De onhoudbaarheid ontstaat door de erosie van de stelsels. We hebben de solidariteit te ver van de mensen af georganiseerd, iemand betaalt anoniem belasting, zonder concreet iemand op het oog te hebben die ervan profiteert, en aan de andere kant is het aanspraak maken op voorzieningen, op een bijstandsuitkering ook een anonieme zaak geworden als een abstract recht, waar je aanspraak op maakt los van dat het moet worden opgebracht. In tegenstelling tot wat zou moeten wordt belasting betalen of het feit dat je leeft in een verzorgingsstaat als onplezierig ervaren. De erosie komt van binnenuit, niet van buitenaf. Er zullen ook geen grote stromen migranten naar Nederland komen die de financierbaarheid in gevaar brengen. We moeten mensen meer aanspreken op hun verantwoordelijkheden en het model kantelen. 

Het gaat altijd zo, eerst ontwikkelt zich een bepaald bewustzijn, dan komt er een politiek besluit en daarna wordt het in de praktijk gebracht, dat gaat langzaam, het is moeilijk op dat niveau dingen te veranderen. Dit blijkt wel, als we het hebben over: we gaan in het vervolg eerst kijken wat voor banen er zijn en die moeten de mensen dan  nemen, als uitwerking van de verantwoordelijkheid, en je hebt dan dat het bewustzijn er is, dat het politiek besluit genomen is maar dat het nog niet algemeen ook wordt uitgevoerd. Wat betreft de uitbreiding van de Europese gemeenschap, als de Polen komen, de Geus is voorstander van een open markt, ook op de arbeidsmarkt, dus ook een vrij verkeer van werknemers, dat kan binnen het huidige stelsel. Maar hoewel hij er geen voorstander van is proberen landen als Duitsland toch al is het tijdelijk beperkende maatregelen te nemen. Dat kan betekenen dat Nederland dat ook tijdelijk moet doen al is hij er geen voorstander van.
Naar aanleiding van een vraag merkt hij op dat hij er geen voorstander van zou zijn om althans wat de arbeidsvoorwaarden betreft een differentiatie aan te brengen voor verschillende groepen werknemers. Dus niet: als Nederlandse bouwvakker moet je –worden er voor je premies door de werkgever betaald en bij de Polen niet, en dan is de Pool goedkoper. Daar zou hij geen voorstander van zijn. Als de Polen voor de halve prijs gaan werken dat is slecht voor de verhoudingen. De Cao’ s moeten gelden voor alle bouwvakkers. En de Nederlandse bouwvakkers moeten dan wel concurreren met de Polen, dat wel. Ze zijn even duur, maar de reden dat de Polen in de land en tuinbouw werken is oa dat ze wel zeer gemotiveerd zijn en hard werken. Dat zullen die Nederlanders dan ook moeten. 

Maar nogmaals een duurzame arbeidsmarkt politiek gaat uit van een vrij verkeer van werknemers.
Professor Entzinger neemt en ander standpunt in. Hij wil wel een onderscheid maken tussen twee soorten burgers en niet de Polen behandelen zoals de Nederlanders. Het is de reflex van het gelijkheidsbeginsel. In het boek worden verschillende manieren van gedifferentieerde behandeling naar voren gebracht. Dat zijn allemaal opties. In de Verenigde Staten is een constante migratiestroom en het is geen bedreiging en dat kan, omdat men daar andere opvattingen over risico-beleving en individuele verantwoordelijkheid heeft. En bovendien is het nu ook al zo, dat veel mensen niet gelijk behandeld worden, hier. De buitenlanders met AOW hebben onvolledige rechten opgebouwd, we hebben de koppelingswet en er zijn illegalen. Dus er is nu ook ongelijkheid. Waarom zou je niet een vorm van ongelijkheid regulerend invoeren als die er toch is, om er invloed op te houden.

Uit het boek blijkt, dat als je naar de op basis van premies gefinancierde sociale zekerheid kijkt, dus de arbeidsgerelateerde uitkeringen, dan is er niets aan de hand, dus de WW en de WAO. Daar zijn de percentages van alochtonen en autochtonen in relatie tot hun aantal ongeveer gelijk. Zowel de Nederlanders als bij de allochtonen is het 10%. Maar als je naar de bijstand kijkt, daar bestaat 40% van de ontvangers uit de allochtonengroep. Kan dit doorgaan? Moet dat zo? Dus dat zijn de uitkeringen niet op basis van wederkerige solidariteit zoals bij de werknemersverzekeringen maar de sociale voorzieningen op basis van de belasting die rijken betalen wat hetzelfde is als eenzijdige solidariteit. 
De Geus vraagt zich af deze cijfers een probleem van migratie weerspiegelen of dat het een probleem van integratie is. Professor Entzinger gaat door met zijn betoog. Nu als is het zo, dat de AOW gekoppeld is aan het aantal jaren dat je in Nederland woont. En bijstand heb je pas recht op als je minimaal 5 jaar in Nederland verblijft. Maar er zijn veel nieuwkomers, vluchtelingen, die veel eerder een beroep doen op die regelingen omdat ze in echtscheiding liggen. Dat zijn de achterdeurtjes. Als dit proces doorgaat, zal het sociale stelsel steeds verder onder druk komen te staan. Hij gaat nog eens in op de gelijkheidsreflex. Illegalen hebben nu ook al veel minder rechten. Dus men heeft als reflex probeer alle mensen zoveel mogelijk gelijk te behandelen, schermt het gebied vervolgens af en handhaaf zodoende tegelijkertijd langdurige verschillen tussen autochtonen en nieuwkomers, juist omdat men uitgaat van het gelijkheidsbeginsel. Een sociale optie zou ook kunnen zijn: versober het huidige stelsel sterk en kijk naar Amerika. Dan is het wel mogelijk een ruimer migratiebeleid te voeren want collectieve voorzieningen zijn er maar in beperkte mate dus daar kunnen de mensen ook geen beroep op doen, maar de migranten in Amerika hebben vaak werk en sturen grote sommen naar het land van herkomst. Is dat geen goede zaak voor die landen en het is ook veel socialer. 
De Swaan merkt op dat Amerika wel degelijk ook goede sociale arrangementen kent, maar dat men er niet te veel over praat, het probleem in Amerika is dat er een grote barst doorheen loopt, en dat is het onderscheid zwart vs blank. Het is een land met een slavernij verleden.
Het merkwaardige is ook dat ondernemend rechts in Amerika voorstander is van vrije migratiestromen omdat deze vrijheid als onderdeel van de totale economische vrijheid een loondrukkend effect heeft. Daarbij wordt een soort monsterverbond gesloten met allerlei vertegenwoordigers van migrantengroepen. (Er wordt de naam van een zwarte socioloog genoemd).
De Geus zegt dat hij het er niet mee eens is. In Amerika is een ander basic instinct, hier willen wij een verzorgingsstaat op basis van solidariteit, in Amerika is dat niet, daar moet je jezelf maar zien te redden. Er is in het groot geen solidariteit om de kleinere solidariteit te handhaven. Maar als je het mondiaal bekijkt is dat bij ons ook niet. Buiten de EG grenzen houdt het voor ons ook op. De andere kant van de medaille, dat van de stille gevers, waarvan uit veel gebeurt in Amerika naar de landen van herkomst toe, dat is het vrije spel van maatschappelijke krachten. Mensen die zich niet op eigen kracht redden zijn ten dode opgeschreven. Dat voelt niet goed. Professor Entzinger vraagt zich af wat eigenlijk het verschil is tussen Amerika en het beleid dat De Geus voert cq wat hij doet. De Geus antwoordt, dat bij ons de eigen verantwoordelijkheid verbonden moet zijn met collectieve arrangementen. We moeten wel solidair blijven met mensen die geen werk kunnen vinden of die niet kunnen werken en hen niet aan hun lot overlaten.


Wat betreft de mensen die geen werk kunnen vinden komt vervolgens het bekende verhaal van de loonkosten om de hoek kijken. De Swaan wijst erop dat de lonen met alles eromheen veel te hoog zijn. Haal die arbeidsmarkt beschermende maatregelen weg en de mensen kunnen aan het werk. De Geus is het hiermee eens. 

Van Migratie naar Burgerschap (deel 2)

Tekst uit: Ineke van der Valk – Van Migratie naar Burgerschap
Twintig jaar Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland ( KMAN )
ISBN 9064733163 maart 1996

Het KMAN -spreekuur na de acties tegen de WABW.

     In het vorige hoofdstuk hebben we gezien, dat de werk-
loosheid omstreeks 1980 steeds verder toenam. Industri‰le
bedrijven werden op grote schaal gesloten. Na de acties tegen
de WABW waren in de regio Amsterdam aansprekende voorbeelden
de sluiting van de FORD-fabrieken, van de scheepsbouwbedrijven
en massa-ontslagen bij Van Gelder Papier. Het Platform van
Democratische buitenlandse arbeiders, waar het KMAN begin
jaren tachtig deel van uitmaakte, heeft een actieve rol ge-
speeld bij de protesten tegen de sluiting van de FORD-fabrie-
ken en bij de activiteiten van het ‘werkgelegenheidskomitee’,
dat vooral werd opgericht om de belangen van arbeiders in de
scheepsbouw te verdedigen.
De sluiting van industrele bedrijven ging omstreeks 1980
gepaard met de opkomst van de nieuwe dienstensector, waar veel
jongere Marokkanen werk vonden. Veel ‘illegalen’ bleven in
Nederland arbeid verrichten, ondanks de invoering van de WABW.
     Daarnaast waren begin jaren tachtig veel Marokkanen in de
WAO gekomen, deels door de slechte arbeidsomstandigheden,
deels omdat de WAO werd gebruikt als alternatieve afvloeiings
maatregel. Bij de onderhandelingen tussen de vakbonden en de
werkgevers over een sociaal plan bij de sluiting van bedrijven
werd de WAO als afvloeiingsregeling gebruikt. Dat kon, omdat
in de WAO een werkloosheidscomponent zat. Pas in de jaren
negentig, tijdens de parlementaire enquete over de WAO, durfde
men dit echter openlijk te erkennen. Weliswaar waren veel
Marokkanen lichamelijk en/of geestelijk volledig versleten
door het zware werk in de industrie, maar sommigen van hen
waren slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt en met name deze
categorie kon nog wel aangepast werk verrichten. Dit werk was
er echter niet in een tijd van groter wordende werkloosheid en
deze Marokkanen moesten genoegen nemen met een WAO-uitkering.
“Meer licht werk” was dan ook een van de centrale eisen van
het Comit‚ marokkaanse WAO-slachtoffers.

spreekuur

     Begin jaren tachtig werd door het KMAN in de Ferdinand
Bolstraat een spreekuur opgezet. Dit spreekuur was een vervolg
op de spreekuren die bij de acties van de 182 werden gehouden
en het SOS spreekuur van het Platform. De grote probleem-
velden waarmee de spreekuurbezoekers werden geconfronteerd
zijn hierboven al aangegeven. In de eerste plaats was er de
werkloosheid en de arbeidsongeschiktheid. In de tweede plaats
was er het vraagstuk van de verblijfsrechtelijke positie; veel
marokkanen hadden geen verblijfsvergunning, terwijl ze soms
jarenlang arbeid in Nederland hadden verricht en ook bij de
gezinshereniging waren er moeilijkheden, omdat het verblijfs-
recht van vrouwen en kinderen niet goed geregeld was. In de
derde plaats waren er de arbeidsvoorwaarden in de bedrijven in
de nieuwe dienstensector. Vaak tijdelijke contracten in be-
drijven, die ieder moment op de fles konden gaan, of waar de
werkdruk onaanvaardbaar hoog lag vanwege de concurrentie-
strijd.
     Vaak grepen deze probleemvelden in elkaar; Iemand werd
dan tegelijkertijd geconfronteerd met werkloosheid of arbeids-
ongeschiktheid, woningnood in verband met gezinshereniging en
knelpunten in het verblijfsrecht van vrouw en kinderen.
De spreekuurbezoekers, vooral de wat oudere Marokkanen die
vaak niet konden lezen en schrijven, waren dan tegelijkertijd
verwikkeld in verschillende juridische procedures. Velen van
hen begonnen in de jaren tachtig aan een lange tocht door de
bureaucratische doolhoven van de Nederlandse verzorgingsstaat.
     Op het spreekuur van het KMAN werd veel aan individuele
hulpverlening gedaan. Een groot voordeel van dit spreekuur
was, dat de betrokkene in zijn eigen taal over de problemen
kon praten. Vanuit het spreekuur werd vaak bemiddeld tussen
hulpverleningsinstanties en advocaten enerzijds en de marok-
kaanse spreekuurbezoekers anderzijds, omdat er taal- en commu-
nicatieproblemen waren. Ook werd aandacht besteed aan de
kwaliteit van de hulpverlening. Sommige Marokkanen, met name
‘illegalen’ vielen wel eens in handen van malafide ‘advocaten’
of ‘hulpverleners’ die gouden bergen beloofden als je vooraf
maar veel geld betaalde. Zo is vanuit het spreekuur actie
gevoerd tegen de praktijken van ene ‘advocaat’ Link, die zijn
cli‰nten belazerde. Acties van het KMAN hebben ertoe geleid,
dat deze ‘advocaat’ op de vlucht sloeg met medeneming van
honderden dossiers, en natuurlijk het geld dat de Marokkanen
hem hadden betaald. Bij de individuele hulpverlening werden
vele formulieren ingevuld. Verschillende spreekuurmedewerkers
waren gespecialiseerd in het invullen van belastingformulieren
voor buitenlandse arbeiders.

politiserende hulpverlening

     Omdat veel Marokkanen met dezelfde knelpunten werden
geconfronteerd werden naast de individuele hulpverlening
pogingen gedaan een collectief spreekuur op te zetten. Groepen
Marokkanen die tegen dezelfde regelgeving van de overheid of
dezelfde arbeidsvoorwaarden in een bedrijf aanliepen, werden
in discussiegroepen bij elkaar gebracht, zodat ze gezamenlijk
actie konden gaan voeren om de situatie te verbeteren.
Om de migranten inzicht te geven in de achtergronden van hun
problemen en toe te rusten om ermee om te gaan zijn zgn arbei-
dersscholen opgezet, cursusachtige bijeenkomsten waar de
sociale wetgeving behandeld werd. Het spreekuur van het Plat-
form, van het KMAN en van het WAO-komitee werd begin jaren
tachtig nadrukkelijk geplaatst in het kader van de emancipatie
van de marokkaanse gemeenschap in Amsterdam; uitgangspunt was,
de mensen zodanig te helpen, dat ze de oorzaken van hun moei-
lijkheden leerden zien, waarbij er vanuit de zelforganisatie
mogelijkheden waren over gemeenschappelijke belangen te praten
en daarvoor actie te voeren. In de jaren zeventig noemde men
dit de ‘politiserende hulpverlening’.

ruggegraat van de organisatie

     Op basis van de gegevens van de spreekuren werden initia-
tieven genomen om veranderingen in wet-en regelgeving te
bewerkstelligen. Ook de uitvoering van het beleid door instan-
ties zoals de politie, de Vreemdelingendienst, het ministerie
van Justitie en het Marokkaanse consulaat kon naar aanleiding
van de gerapporteerde ervaringen op de voet worden gevolgd.
Een voorbeeld: op het gebied van de kinderbijslag waren er
vele moeilijkheden. Zo stonden er in bilaterale akkoorden
tussen Nederland en Marokko begin jaren tachtig ongunstige
bepalingen m.b.t. de betaling van kinderbijslag. Het geld kwam
pas laat in Marokko aan en soms helemaal niet. Daarnaast waren
er nog andere moeilijkheden met de overboeking. Marokkanen die
voor de betaling van kinderbijslag bewijzen nodig hadden
kwamen terecht bij de “Caisse National de Securite Sociale”
waarvan de administratie een puinhoop was. Maar ook bij de
Raden van Arbeid in Nederland raakten dossiers zoek, bleken
ingevulde formulieren niet aan te komen en bestonden lange
wachttijden. Voor de Bureaus voor Rechtshulp was dit aanlei-
ding, een campagne te organiseren, waarbij de betrokkenen een
formulier konden invullen waar de klachten op werden geregis-
treerd. Nadat vele honderden formulieren waren verzameld,
werden gesprekken gevoerd met de Raden van Arbeid. Ook het
KMAN-spreekuur was bij deze actie betrokken. Op 17 januari
1982 organiseerde het KMAN een manifestatie, waar de 150
aanwezige marokkanen acties planden om de uitbetaling van de
kinderbijslag te verbeteren. Zij eisten naast de verbetering
van de uitvoering van de regels veranderingen in de bilaterale
akkoorden tussen nederland en Marokko. Over deze eisen zijn
gesprekken gevoerd met de Raad van Arbeid.

Ook op het gebied van verzekeringen, zoals het ziekenfonds,
waren er moeilijkheden met Marokkanen, die in eigen land op
vakantie gingen. Met name vanuit het spreekuur van KMAN-Oud
West, in buurthuis De Buffeltjes is hier aandacht aan besteed.
     Een aparte kwestie vormde het vraagstuk van de “illegale”
WAO-ers. Marokkanen zonder verblijfsvergunning die arbeid ver-
richtten waren wel verzekerd voor de werknemers verzekeringen
maar niet voor de volksverzekeringen en zij konden geen ver-
blijfsvergunning krijgen. Zo kwamen er veel marokkanen met een
WAO-uitkering, die geen verblijfsvergunning hadden. Op 16-04-
1983 organiseerde het KMAN in samenwerking met het Komitee
marokkaanse WAO-slachtoffers een demonstratie in Den Haag om
aandacht te vragen voor de uitzichtloze positie van ‘illegale’
WAO-ers en de discriminatie van Buitenlandse werknemers in de
WAO. Tien jaar later (!) heeft dit geleid tot een legalisering
van een beperkte groep ‘illegale’ WAO-ers.
     Ook bij de sociale dienst in Amsterdam werd actie ge-
voerd. Op 16 oktober 1982 werd een “sociale dienst tribunaal”
georganiseerd, waarbij vertegenwoordigers van acht organisa-
ties hun grieven naar voren brachten. Deelnemende organisaties
waren oa KMAN, Platform, JAC, Bijstandsbond en Bureau voor
Rechtshulp. Op het tribunaal vertelden spreekuurbezoekers van
het KMAN over hun illegaliteit of over de slechte behandeling
bij de sociale dienst. Na het “tribunaal” zijn er besprekingen
geweest tussen het gemeentebestuur van Amsterdam en de belan-
genorganisaties. Een van de resultaten was, dat er speciale
ambtenaren zouden worden aangetrokken om voor de medewerkers
van de sociale dienst scholingen in het tegengaan van racisme
en sexisme te organiseren.
     Ook bij andere acties werd samengewerkt met organisaties
van uitkeringsgerechtigden. Zo maakte het KMAN deel uit van
het Landelijk Beraad Uitkeringsgerechtigden, een samenwer-
kingsverband dat acties opzette toen het eerste kabinet Lub-
bers bezuinigingsplannen bekend maakte in het kader van de
stelselherziening van de sociale zekerheid.
     Maatschappelijke problemen zoals het toenemend racisme
werden in eerste instantie via de spreekuren gesignaleerd. Ook
op dit terrein volgden speciale initiatieven zoals de oprich-
ting van meldkamers ter signalering en bestrijding van toene-
mend racisme en discriminatie en de oprichting van samenwer-
kingsverbanden zoals het Platform tegen Discriminatie en
Racisme. (1990)

funkties spreekuur

     De individuele en collectieve hulpverlening op het spree-
kuur was voor de organisatie een belangrijk middel om contact
te houden met de achterban en goed op de hoogte te blijven van
de problemen die er speelden in de marokkaanse gemeenschap.
Het spreekuur had een signaalfunctie en wat daar aan problemen
werd ingebracht is veelal richtinggevend geweest voor andere
activiteiten en voor de positiekeuzes in sociaal-juridische en
economische kwesties. In die zin vormt het spreekuur in de
woorden van het KMAN “de ruggegraat van de organisatie”. Op
basis van de in het spreekuur gesignaleerde problemen werden
prioriteiten aangebracht in het beleid van het KMAN. Er werd
dan bijvoorbeeld besloten een onderzoek of actie te organise-
ren of een publikatie over een bepaald onderwerp uit te bren-
gen. Bij het onderdeel bedrijfsakties zullen verschillende
publikaties aan de orde komen. Daarnaast was er een brochure
over knelpunten in de sociale zekerheid, getiteld “Manifest,
de positie van de Marokkaanse migranten in de nederlandse
wetgeving”. Het onderzoek dat aan deze publikatie vooraf ging
vond plaats in samenwerking met de Wetenschapswinkel van de
Universiteit van Amsterdam. Om iets te doen aan vakantiepro-
blemen werd in samenwerking met de Co”rdinatie van Marokkaanse
organisaties de Europese gids voor de Marokkaanse reiziger”
uitgegeven.

Het spreekuur nu

     Op de spreekuren gesignaleerde problemen kwamen veelvul-
dig aan de orde op discussiebijeenkomsten en conferenties. Een
voorbeeld hiervan is de conferentie “Onmondig in Nederland
(1989), waar de thema’s werkgelegenheid, rechtspositie, onder-
wijs en participatie werden besproken. Het spreekuur heeft aan
het einde van de jaren tachtig steeds meer een landelijk
karakter gekregen. Niet alleen omdat op meerdere lokaties
spreekuren worden gedraaid maar ook door de instelling van een
telefonische hulpdienst. Dit heeft het spreekuur ook toeganke-
lijker gemaakt voor vrouwen. De spreekuren zijn druk bezocht.
Zij worden twee tot vijf middagen per week gedraaid door leden
van het KMAN, stagiaires, Nederlandse vrijwilligers en sinds
enkele jaren ook door banenpoolers. Rechtswinkels en advokaten
ondersteunen de activiteiten van het spreekuur. In het jaar-
verslag 1991 wordt melding gemaakt van zo’n 150 hulpvragen per
week. Het jaarverslag van 1993 meldt dat jaarlijks zo’n 7650
mensen de weg naar de spreekuren weten te vinden (waarvan 2500
telefonisch).
     Toch heeft deze activiteit nooit op erkenning en honore-
ring van de subsidiegevers kunnen rekenen. In het jaarverslag
1984-1985 doet het KMAN hierover haar beklag: het ontbreken
van een kopieerfaciliteit en de beschikbaarheid van slechts
een typemachine betekenden een ernstige handicap. Toch is er
de afgelopen jaren sprake geweest van een toenemende professi-
onalisering, omdat medewerkers van het spreekuur zelf scho-
lingsbijeenkomsten organiseerden.

bedrijfsituaties

     Ook bij conflicten of meningsverschillen in bedrijven
werd getracht een collectief spreekuur op te zetten, vooral in
de periode 1981-1987. In de nieuwe dienstensector was vaak
geen sprake van een C.A.O. De Nederlandse vakbonden hadden
geen greep op de arbeidsvoorwaarden in sommige delen van de
dienstensector; de organisatiegraad- het aantal werknemers dat
lid was van een vakbond- was laag en de bonden konden of
wilden in deze bedrijfstakken geen vuist maken.
     Veel Marokkanen, meestal ongeorganiseerd, kwamen op het
spreekuur om hun grieven tegen een werkgever naar voren te
brengen en het KMAN te vragen mee te werken aan een oplossing.
Het ging daarbij vaak niet zozeer om de hoogte van de uurlo-
nen. Een onderzoek van het LAKWABW in 1980 toonde al aan, dat
de wet op het minimumloon een soort bodem legde in de loon-
hoogte; 60% van de illegalen die op het SOS-spreekuur kwam,
was werkzaam in bedrijven, waar ze minstens het minimumloon
verdienden.
Er waren in de nieuwe dienstensector echter wel vaak tijdelij-
ke arbeidscontracten, een grote werkdruk, onregelmatige werk-
tijden en conflicten met ploegbazen en voorlieden, waarbij
discriminatie soms een rol speelde. Vooral dit laatste kwam
veel voor. Ook was er nogal eens sprake van problemen tussen
buitenlandse werknemers en de ondernemingsraad in een bedrijf.
Dit was oa het geval bij de LinMij, waar medewerkers van het
KMAN-spreekuur bij hebben bemiddeld.
     Het was niet eenvoudig, deze groepen marokkanen te hel-
pen. De moeilijkheden die zich voordeden waren de volgende.
1. Het ging vaak om bedrijven, die de werkgever zonder enig
probleem kon sluiten, waarna hij zijn produktie elders kon
voortzetten. Stakingen of andere acties helpen in dergelijke
bedrijven vaak niet. De werkgever sluit gewoon de tent. Deze
problemen hebben zich voorgedaan bij Dynasafe BV en Mid West
Kleding BV, die overigens dezelfde eigenaar hadden.
2. In de bedrijven werkten naast marokkanen met een legale
status vaak ‘illegalen”. Deze laatste groep liep bij acties
het gevaar, door de politie te worden gearresteerd en over de
grens gezet. Zoals we in het vorige hoofdstuk zagen, begonnen
veel werkgevers ten tijde van de invoering van de WABW op
grote schaal ‘illegalen’ te ontslaan; na enige tijd bleek, dat
de boetes voor het in dienst houden van illegalen laag waren
en dat de controles beperkt werden. Veel werkgevers begonnen
dan ook de voordelen te zien van het weer in dienst nemen van
‘illegalen’. Sommige werkgevers voerden bewust een politiek,
om enkele illegalen in dienst te houden, om zo de werknemers
tegen elkaar te kunnen uitspelen. Bij Zwart Papier Plastic BV
bijvoorbeeld werden in 1982 10 mensen ontslagen wegens ‘werk-
vermindering’. Twee illegalen werden echter in dienst gehou-
den. Soms speelden werkgever en vreemdelingendienst onder een
hoedje wanneer werknemers wilden protesteren tegen slechte
arbeidsomstandigheden en waarschuwde de werkgever de politie,
dat er illegalen werkten, waarop de politie een inval deed en
de illegalen werden gearresteerd. De werkgever kwam er dan
vanaf met een geringe boete. Soms durfden de werknemers om
deze reden al niet eens aan welk protest dan ook te beginnen
en soms waren ze door de politieinval ge‹ntimideerd. Enkele
voorbeelden van bedrijven waar spanningen bestonden en dit
gebeurde: bij schoonmaakbedrijf Meijers werden op 2 juli 1982
na controle van de Loon-technische Dienst 10 werknemers ont-
slagen. Bij Dick van Troost Bv werd na overleg met de LTD een
ontslagvergunning aangevraagd voor 12 werknemers en werden de
illegalen ontslagen. Bij Mid West kleding BV vond tijdens de
acties van het personeel ook een politie inval plaats.
Overleg tussen de werkgever en de controlerende instanties was
echter niet altijd aantoonbaar. De instanties controleerden
steekproefsgewijs. Zo waren er in 1983 politie invallen bij
KIP’S Leverworst BV en bij textielbedrijven in Amsterdam
Noord. Illegalen, die werden ontslagen en die alsnog kinder-
bijslag of een WAO-uitkering probeerden te krijgen, werden
soms geconfronteerd met afspraken tussen de uitkerende instan-
ties en de politie. Zo iemand werd dan opgeroepen door het GAK
of de Raad van Arbeid en wanneer hij weer buiten stond, werd
hij gearresteerd. Ook dit politie optreden cre‰erde een sfeer
van angst en intimidatie. Gezegd moet echter worden, dat er
ook GAK-medewerkers waren, die bijvoorbeeld bij het toekennen
van een WW-uitkering een oogje dicht knepen.
3. In de bedrijven werkten naast Marokkanen vaak groepjes
werknemers met een andere nationaliteit. Uit een onderzoek in
de horeca bleek, dat grote hotels voor bepaalde functies met
name werknemers van een bepaalde nationaliteit wierven. De
scheidslijnen in nationaliteit liepen dan langs de functionele
scheidslijnen in de organisatie. Er waren hotels, waar de
kamermeisjes resp. Turks, Surinaams of Pakistaans waren,
terwijl de medewerkers van de Algemene dienst of in de schoon-
maak een andere nationaliteit hadden. Tussen deze groepen van
verschillende nationaliteiten bestonden soms spanningen en
was verder weinig contact. Werkgevers deden wel pogingen, de
verschillende groepen tegen elkaar uit te spelen door een
ploeg van een bepaalde nationaliteit een verbetering van de
arbeidsvoorwaarden aan te bieden, en anderen niet. Het was
soms moeilijk deze groepen rond een tafel en op een lijn te
krijgen.
4. Het KMAN werd geconfronteerd met het dilemma, dat zij ener-
zijds in het kader van haar algemene beleid om de belangen van
Marokkanen te behartigen voortdurend op zoek was naar
potentiele bondgenoten, waartoe zij nadrukkelijk ook de vak-
bonden rekende, zodat het KMAN zich niet wilde en misschien
ook wel niet kon opstellen als concurrent van die vakbonden,
terwijl anderzijds groepen ongeorganiseerde Marokkanen af en
toe op het spreekuur kwamen, vaak nadat de spanningen in het
bedrijf al hoog opgelopen waren, met de vraag: we willen
actie, een oplossing, steun ons nu, weg met de vakbonden.
     Welke oplossingen werden er nu vanuit het spreekuur nage-
streefd? Om te beginnen werd er gelobbyed bij vakbonden en
overheid om de positie van (buitenlandse) werknemers in margi-
nale bedrijven te verbeteren. Het ging daarbij met name ook om
de positie van illegalen, die door hun rechteloosheid een
belemmering vormden om actie te voeren. Zo is er een briefwis-
seling geweest tussen het KMAN en de toenmalige staatssecreta-
ris van Justitie Cappeijne van de Copello over de rechten van
‘illegalen’ bij ontslag. De staatssecretaris liet daarbij
weten, de mogelijkheid open te houden dat deze werknemers bij
ontslag in aanmerking zouden komen voor een schadevergoeding.
Ook was er een briefwisseling tussen het KMAN en Ineke Kete-
laar, beleidsmedewerkster van de FNV, waarin deze in een brief
van 9-06-1982 oa de strategie van de FNV m.b.t ‘illegalen’ in
bedrijven uiteenzette, en waarin zij net als de staatssecreta-
ris aangaf, dat ‘illegalen’ in bepaalde gevallen recht hebben
op een uitkering en/of schadevergoeding bij ontslag.
     Daarnaast namen vertegenwoordigers van het KMAN en van
het spreekuur deel aan discussies over de nota ‘samen beter
dan apart’ die door de FNV in 198? ter discussie werd gesteld.
In de tijd waarin deze nota werd bediscussieerd was de positie
van buitenlandse arbeiders in de nederlandse vakbonden een
‘hot issue”, waarbij hun positie werd geplaatst in het kader
van een analyse van de lage organisatiegraad van werknemers in
de nieuwe dienstensector.
     Wanneer een groep Marokkanen uit een bedrijf zich op het
spreekuur meldde, werd vaak gepoogd, contact te leggen met een
districtsbestuurder van de vakbond, die in de betreffende be-
drijfstak een CAO had afgesloten. Gepoogd werd, te bewerkstel-
ligen dat de desbetreffende districtsbestuurder zich voor de
betreffende groep werknemers zou gaan inzetten. Soms was deze
methode succesvol; bijvoorbeeld bij de Melkunie en bij McCain,
waar het KMAN samenwerkte met de Voedingsbond FNV.
In 1983 rezen er moeilijkheden bij Bram Broerse BV, een kop-
pelbaas in de Rotterdamse en Amsterdamse haven, en bij land-
bouwbedrijven. Daarover zijn gesprekken gevoerd met Luuk
Voormeulen, toendertijd districtsbestuurder van de Diensten-
bonden FNV in Noord-Holland en nu landelijk bestuurder van de
Dienstenbonden. Tijdens de gesprekken kwam de strategie van de
vakbonden in marginale bedrijven en de positie van ‘illegalen’
daarbij uitgebreid ter sprake.
     Met name met de Industriebond FNV was samenwerking prak-
tisch onmogelijk. Voor iemand die nog geen lid was, werd per
definitie niets gedaan. In een geval had een groepje Marok-
kaanse werknemers van een bedrijf het lidmaatschap van de bond
uit kwaadheid opgezegd. Zij vonden, dat de Industriebond niets
deed aan hun problemen met de werkgever. Daarop kwamen zij op
het spreekuur van het KMAN. Er werd besloten, gezamenlijk naar
het spreekuur van de Bond op de Henri Polaklaan te gaan, om
een en ander uit te praten, maar daar werd hen, ook na lang
praten, de toegang geweigerd.
Om te proberen, enige samenwerking met de Industriebond van de
grond te krijgen, werden gesprekken gevoerd met Ruud Vreeman
en Henk Muller, toen beleidsmedewerkers van de Industriebond,
en Harrie Adelaar, in de jaren tachtig voorzitter van de
afdeling Amsterdam van de Industriebond. Deze gesprekken
hebben echter niets opgeleverd. De moeilijke samenwerking met
de Industriebond komt verderop nog ter sprake.
     Wanneer het contact leggen met vakbonden niet lukte,
werden met marokkanen en advocaten vaak ge‹ndividualiseerde
juridische procedures in gang gezet, waarbij via die weg en
niet via onderhandelingen gepoogd werd een oplossing te berei-
ken. Soms werd deze juridische weg echter ook wel aangevuld
met gesprekken en onderhandelingen met werkgevers. Hardere
acties, zoals stakingen, hebben zich daarbij niet voorgedaan.
Ook advocaten trachtten in deze tijd iets voor ‘illegalen’ te
doen, waarbij schadevergoeding werd ge‰ist. Zo heeft het
advocatencollectief Transvaalbuurt in Amsterdam een proefpro-
ces aangespannen voor een groep ‘illegalen’ die werden ontsla-
gen bij Koningstextiel BV. Ook voor ‘illegalen’ die werkten
bij Bram Broerse BV, een koppelbaas in de haven, werd door
advocaten schadevergoeding ge‰ist. Zeker wanneer de betrokkene
het land uitgezet werd was dit echter nauwelijks een begaanba-
re weg, en er is voorzover mij bekend door advocaten dan ook
niet op grote schaal van deze mogelijkheid in het ontslagrecht
gebruik gemaakt.
     Een apart punt vormde het organiseren van maatschappelij-
ke steun. In de jaren tachtig ging dat zeer moeizaam. Hier-
boven werd gewezen op de acties tegen de sluiting van scheeps-
bouwbedrijven en de FORD-fabrieken. Dit zijn de laatste voor-
beelden in de regio Amsterdam waarbij op enigszins grote
schaal maatschappelijke steun van derden werd georganiseerd
voor de acties van fabrieksarbeiders, middels grote demon-
straties en handtekeningenakties. Na het terziele gaan van het
werkgelegenheidskomitee zijn dergelijke acties er nauwelijks
meer geweest, afgezien van acties van vakbonden in het kader
van de algemene cao-onderhandelingen. In de periode 1983-1987
zijn er -helaas slechts schaarse- voorbeelden waarbij in
moeilijke situaties een directe confrontatie tussen werkgever
en werknemers werd omzeild omdat derden, die de (financiele)
belangen van een werkgever konden beinvloeden, zich met de
zaak bemoeiden of waarbij derden zich solidair betoonden met
de protesten van werknemers in een bepaald bedrijf.
     Zo heeft een bewonersvereniging op de flat Echtenstein in
de Bijlmermeer actie gevoerd tegen het beleid van woningbouw-
vereniging Het Oosten, dat een contract had afgesloten met
schoonmaakbedrijf “Accuut BV”, dat de flats schoon moest
houden. Bij dit bedrijf bestonden slechte arbeidsomstandighe-
den en een grote werkdruk. Protesten van werknemers en van de
bewonersvereniging hebben echter geleid tot het ontslag van
acht illegalen. Het bleek bijzonder moeilijk te zijn, invloed
uit te oefenen op het contract van de woningbouwvereniging met
het schoonmaakbedrijf, met het doel, de arbeidsomstandigheden
bij “Accuut” te verbeteren.
     Een ander voorbeeld: de Spoorwegen hadden een contract
afgesloten met het schoonmaakbedrijf CEMST/TEXCO BV voor het
schoonhouden van de treinen op het Centraal Station. Bij de
ploegen, die hiermee bezig waren was een voorman, die erg
discrimineerde. Marokkanen die bij CEMSTO werkten kwamen op
het spreekuur van het KMAN om hiertegen te protesteren. De
Bedrijfsledengroep van de Vervoersbond FNV, dus van werkne-
mers, die bij de Spoorwegen zelf werkten, heeft vervolgens
bewerkstelligd dat deze voorman werd overgeplaatst.
     Een laatste voorbeeld: Vanuit het SOS-spreekuur werd een
actie gevoerd tegen Heineken’s schoonmaak BV in februari 1981.
Het AAKWABW heeft bij deze actie een piket-line georganiseerd
voor het Paleis van Justitie, en gezorgd voor propaganda en
publiciteit rondom het kort geding dat aangespannen was door
16 ontslagen arbeiders.
     Soms probeerde een werkgever het organiseren van maat-
schappelijke steun te voorkomen. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij
Schaap Kaas, een groothandel in Huizen. Een medewerker van het
KMAN-spreekuur had in de buurt, waar het bedrijf gevestigd
was, een pamflet verspreid, waarin de slechte arbeidsomstan-
digheden bij dit bedrijf aan de kaak werden gesteld. Ook had
hij hierover een artikeltje geschreven in een buurtkrant.
Tijdens de gesprekken met de werkgever, die daarop volgden,
werd de KMAN-delegatie onder zware druk gezet om zich te
distancieren van het pamflet. Daarbij werd gedreigd met juri-
dische procedures wegens smaad tegen het KMAN. De onderhande-
laars van het KMAN distantieerden zich echter niet van het
pamflet. Wel werd afgesproken, dat onder bepaalde voorwaarden
gedurende de gesprekken geen pogingen zouden worden gedaan een
en ander in de publiciteit te brengen.
     Tenslotte moet er nog op worden gewezen, dat er werden
meer algemene projecten werden opgezet, waarbij onderzoek werd
gedaan naar de arbeidsomstandigheden in bepaalde bedrijfs-
takken, juridische mogelijkheden werden onderzocht om de
situatie te verbeteren en om de organisatiegraad van de werk-
nemers in die bedrijfstak te verhogen. Daarbij werd in wis-
selende samenstellingen samengewerkt met Bureaus voor Rechts-
hulp, vakbonden en welzijnsinstellingen.
     Een voorbeeld daarbij waren de activiteiten van de pro-
jektgroep buitenlandse arbeid in de glastuinbouw, een samen-
werkingsverband van de Landbouwuniversiteit in Wageningen en
de Voedingsbond FNV. Een van de medewerkers van de project-
groep had tijdens de acties tegen de WABW op het S.O.S. spree-
kuur van het Platform gewerkt. De projectgroep hield zich niet
alleen bezig met onderzoek. Getracht werd methoden te vinden,
om de positie van de Voedingsbond in deze sector te versterken
door het organiseren van bijeenkomsten voor de legale en
illegale buitenlandse werknemers. Naar aanleiding van het werk
van de projectgroep zijn drie rapporten verschenen.
     Een ander voorbeeld. Op 21 maart 1985 werd een manifesta-
tie van FNV-jongeren gehouden in Tilburg. Deze actie werd
georganiseerd tegen de verlaging van het minimumloon van
schoonmakers, tegen onderbetaling en tegen ontduiking van de
CAO. Op initiatief van de jongerenbeweging werd er in samen-
werking met de Amsterdamse Rechtswinkel een telefonisch spree-
kuur opgezet. Dit gebeurde ook bij de diverse kantoren van de
jongerenbeweging. Vervolgens werd gewerkt aan een landelijke
actie, waarbij aandacht zou worden gevraagd voor de slechte
werkomstandigheden in de schoonmaaksector. Het moest een
publiciteitscampagne worden als tegenhanger van een campagne,
die door de werkgevers werd opgezet. Het was inmiddels een
samnewerkingsprojekt geworden van Bureaus voor Rechtshulp,
Rechtswinkels, Platformorganisaties, waar het KMAN deel van
uitmaakte, en de Industriebond FNV. De Industriebond trok zich
echter terug, omdat de publiciteitscampagne zou worden afge-
stemd op het verloop en de resultaten van de nieuwe CAO-onder-
handelingen, en de industriebond vond, dat ze die onderhande-
lingen en de acties daaromheen op eigen kracht moest kunnen
voeren, zonder dat andere organisaties daar op zo’n directe
manier bij betrokken waren. Deze andere organisaties, hierbo-
ven genoemd, gingen echter door met hun eigen actie. Zij
publiceerden op basis van de binnengekomen klachten een rap-
port “De bezem erdoor” en organiseerden een demonstratie
tijdens de beurs “interclean” in de RAI, waar de bedrijfstak
zichzelf presenteerde aan het publiek.
     Een derde voorbeeld. Het KMAN startte in juli 1983 samen
met de Horecabond FNV en het KGCA, een vormingscentrum voor
ondernemingsraden, een project in de amsterdamse horeca. In
eerste instantie vonden drie vergaderingen plaats van spreek-
uurmedewerkers van het KMAN, personeelsleden van hotel Krasna-
polsky en een distriktsbestuurder van de Horecabond. In Kras-
napolsky werkten op dat moment 35 ‘illegalen’. Bovendien waren
er niet voor iedereen schriftelijke arbeidsovereenkomsten,
waren er drie discriminerende oberkelners en was de werkgever
van plan, drie medewerkers te ontslaan. Terwijl aan deze zaken
werd gewerkt, ontstond de gedachte, meer in zijn algemeenheid
aandacht te besteden aan de positie van werknemers in de
horeca door het instellen van een onderzoek, waarbij buiten-
landse werknemers over hun werk werden ge‹nterviewd. Naar
aanleiding van dit onderzoek is een rapport verschenen, dat oa
als basis gebruikt werd bij pogingen van de Horecabond, haar
positie in de horeca te verbeteren.

P vd Lende/ 21-09-1995

Van Migratie naar Burgerschap

Tekst uit Ineke van der Valk – Van Migratie naar Burgerschap
Twintig jaar Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland ( KMAN )
maart 1996 ISBN 9064733163

De strijd van illegale migranten

Halverwege de jaren zestig, toen er een groot tekort was aan
arbeidskrachten, begon de georganiseerde werving van de eerste
generatie Marokkaanse mannen op gang te komen. Er werden
wervingsbureau’s geopend in Marokko en de marokkanen die
werden goedgekeurd werden tewerk gesteld in de traditionele
industrietakken, zoals de scheepsbouw, de textielindustrie en
de metaalindustrie. Daarnaast was er sprake van een spontane
migratie. Marokkanen gingen op eigen gelegenheid naar Neder-
land en vonden werk. In de jaren zeventig begon de afbraak van
bovengenoemde industrien. Fabrieken werden op grote schaal
gesloten. In eerste instantie probeerde de overheid het tij te
keren door gerichte verlening van subsidies, maar tevergeefs.
Bij de parlementaire enquete over het Rijn-Schelde Verolme-
concern bleek, dat er bij verliesgevende industriele bedrijven
vaak sprake was van een bodemloze put, waarbij de subsidies
van de Nederlandse overheid werden doorgesluisd naar buiten-
landse vestigingen, die nog wel rendabel waren. Bedrijven in
de industriele sector, die de concurrentie niet konden volhou-
den werden door de overheid niet meer met subsidies gesteund.

massawerkloosheid

De werkloosheid begon aan het einde van de jaren zeventig op
te lopen. in 1980 waren er bijvoorbeeld in Amsterdam, waar de
meeste Marokkanen woonden, bij het Gewestelijk Arbeidsbureau
15.000 werklozen geregistreerd. Na 1980 steeg de werkloosheid
explosief; de cijfers over januari 1982 gaven een verdubbeling
van het aantal uit 1980 te zien. De cijfers gaven verder aan,
dat het bij deze explosieve toename vooral ging om oudere
werknemers, die jarenlang bij dezelfde baas gewerkt hadden in
traditionele industriele bedrijven. Buitenlandse arbeiders,
die veelal in deze industrien werkzaam waren, werden onevenre-
dig zwaar door werkloosheid getroffen. In 1982 hoorde 25% van
het totaal aantal werklozen in Amsterdam tot deze categorie.
Ook landelijk steeg de werkloosheid; eind 1981 werd het half
miljoen werklozen bereikt.

nieuwe werkgelegenheid

Naast de afbraak van de traditionele industrien waren er
echter ook groeisectoren in de ekonomie, met name in wat wel
de dienstensector wordt genoemd. Veel jongere Marokkanen
vonden werk in de horeca, de schoonmaak en bij groothandelsbe-
drijven in de havens. Zij bleven vaak zware arbeid verrichten,
bijvoorbeeld bij de overslag van vaten wijn of balen textiel.
Daarnaast was ook de tuinbouw een groeisector.
Met de komst van de nieuwe groeisectoren in de ekonomie deed
de flexibilisering van de arbeid haar intrede. De produktie in
de dienstverlende sector werd vaak gekenmerkt door piekproduk-
tie; het ene moment was er veel werk, het andere moment vrij-
wel niet. Werkgevers probeerden hun personeelsbeleid hierop
aan te passen. Terwijl in de traditionele industrietakken de
buitenlandse arbeiders vaak jarenlang dezelfde arbeid ver-
richtten in dezelfde fabriek op basis van regelmatige werktij-
den, wel of niet in ploegendienst, was er in de nieuwe dien-
stensector vaak sprake van kortlopende kontrakten, en onregel-
matige werktijden. In de nieuwe dienstensector deed ook het
fenomeen van de uitbesteding haar intrede; grote bedrijven
gingen delen van hun produktie tijdelijk uitbesteden aan vaak
kleinere dienstverleningsbedrijven, die in een moordende
concurrentiestrijd waren verwikkeld, en waar de winstmarges
vaak smal waren. Dergelijke bedrijven gingen nogal eens op de
fles. Veel Marokkanen waren voor hun levensonderhoud op arbeid
in dergelijke bedrijven aangewezen.
Velen van hen wisselenden vaak van bedrijf, waarbij ze soms
ook geudrende kortere of langere perioden werkloos waren.
Daarnaast bleef de spontsane migratie vanuit Marokko gewoon
doorgaan, en kwam ook de gezinshereniging op gang.
Vele “illegalen’ zochten en vonden werk in de nieuwe groeisec-
toren van de ekonomie.

De WABW

Terwijl veel industriele bedrijven in de tweede helft van de
jaren zeventig hun deuren sloten en de werknemers op straat
werden gezet, bezon de overheid zich op maatregelen om de nog
steeds voortgaande migratie te reguleren. Dit leidde tot het
voorstel van de Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers. (W.A.B.W.)
De overheid wilde aan de ene kant in een tijd van oplopende
werkloosheid de migratie naar Nederland blokkeren. Aan de
andere kant was er echter de opkomst van nieuwe groeisectoren
in de dienstensector, waarvoor nieuwe arbeidskrachten nodig
waren. In arbeidsmarktermen gesproken ontstond daarbij het
probleem van onvervulbare vacatures in een tijd van struktu-
rele werkloosheid; vraag en aanbod waren op de arbeidsmarkt
niet op elkaar afgestemd. Of om het in andere termen te zeg-
gen: de vaak wat oudere nederlandse en buitenlandse werkne-
mers, die hun gezondheid hadden opgeofferd bij het zware werk
in de industrie en die nu ekonomisch gezien in die industrien
niet meer nodig waren, waren niet geschikt om asperges te
steken in de groeisector van de tuinbouw. De arbeidsvoorwaar-
den en-omstandigheden in de nieuwe dienstensector waren vaak
slecht. Spontane migranten waren gedwongen, deze arbeid te
verrichten. Nederlandse werklozen konden en/of wilden dat niet
en terecht. Bij de nog te bespreken akties tegen de W.A.B.W.
werd dit probleem gesignaleerd. Voorkomen moest worden, dat
‘illegalen’ en legale werklozen tegen elkaar werden uitge-
speeld. Verbetering van arbeidsomstandigheden was het doel
van beide groepen. Legalisering van ‘illegalen’ en de eis:
‘geen verruiming van het begrip passende arbeid werden tijdens
de akties nadrukkelijk met elkaar verbonden.
Verder geloofden de bestuurders begin jaren tachtig nog heilig
in de doelstelling van volledige werkgelegenheid. Er moest
rekening mee worden gehouden, dat er over de gehele linie weer
een struktureel tekort aan arbeidskrachten zou gaan ontstaan,
zoals dat in de jaren zestig het geval was geweest.
In de WABW werd naar een oplossing gezocht door de invoering
van een tewerkstellingsvergunning, die pas aan een werkgever
zou worden verleend, wanneer hij kon aantonen, dat er op de
nederlandse arbeidsmarkt geen arbeidskrachten meer te vinden
waren. Daarbij werd een discriminerende rangorde aangebracht
in de rechten van de werknemers. Eerst werd gekeken of er
nederlanders en legale buitenlanders in Nederland waren,
daarna kwamen onderdanen van EEG-landen aan de beurt en daarna
pas arbeidskrachten van buiten de EEG. De rechten van werkne-
mers werden verder beperkt door de koppeling van een tewerk-
stellingsvergunning aan een bepaalde periode en een bepaalde
arbeidsplaats. Wanneer een arbeider niet meer nodig was moest
hij het land uitgezet kunnen worden.
Op deze wijze werden de op zichzelf nauwelijks door de over-
heid te beinvloeden conjunkturele en strukturele ontwikkelin-
gen in de ekonomie en de daaruit voortvloeiende situatie op de
arbeidsmarkt gekoppeld gekoppeld aan het wervingsbeleid.
De “illegalen” moesten illegaal blijven en grotendeels het
land worden uitgezet, en de nederlandse en legaal in Nederland
verblijvende werklozen moesten worden gedwongen hun arbeid
over te nemen, zonder dat de arbeidsvoorwaarden in de nieuwe
groeisectoren hoefden te verbeteren, want dat zou de ekonomi-
sche ontwikkeling maar belemmeren. De rechtspositie van neder-
landse en buitenlandse werkenden en werklozen werd onderge-
schikt gemaakt aan de ekonomische ontwikkeling. Eind jaren
zeventig en begin jaren tachtig hebben vakbonden en nieuwe
sociale bewegingen fel strijd geleverd tegen deze ontwikke-
ling.
Een van die strijdpunten was de WABW. De reakties op dit
wetsvoorstel waren bijna uitsluitend negatief. Ieder vanuit
eigen motieven wezen zowel de werkgeversorganisaties als de
vakbeweging, de Raad van Kerken en diverse maatschappelijke en
migrantenorganisaties de WABW af.

omslag

De periode 1979-1982 kan achteraf worden gekenschetst als een
periode waarin er in meerdere opzichten sprake was van een
omslag. Niet alleen wat betreft de ekonomische ontwikkelingen
en het overheidsbeleid, maar ook waar het gaat om de opstel-
ling en de ontwikkeling van sociale bewegingen. De vakbonden
wijzigden hun beleid. Terwijl bijvoorbeeld de Industriebond
FNV in het begin van de jaren zeventig nota’s produceerde als
“breien met een rode draad, waarin gepleit werd voor arbeids-
erszelfbestuur, waren er ook bedrijfsbezettingen, om sluiting
tegen te gaan en eiste men een verregaand overheidsingrijpen
in de ekonomie. Aan het eind van de jaren zeventig wijzigde
men het beleid. Men probeerde nog slechts een sociaal plan af
te spreken om de afvloeiing van overtollige werknemers enig-
zins te reguleren. Daarnaast was er in deze tijd van oplopende
werkloosheid en aantallen WAO-ers de opkomst van kategorale
belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden, zoals werklo-
zencomitees, Komitees Vrouwen en de Bijstand waarvan de eerste
komitees in 1979 werden opgericht en WAO-komitees zoals het
Komitee Marokkaanse WAO-slachtoffers, dat ook in 1979 werd
opgericht.

Teksten van de tentoonstelling 20 jaar Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland (KMAN) oktober 1995

uitkeringsgerechtigden

Het K.M.A.N. heeft de afgelopen twintig jaar verschillende
acties gevoerd om de rechtspositie van buitenlandse arbeiders
met een uitkering te verbeteren. Enkele voorbeelden worden
hier getoond. In 1982 organiseerde het Platform voor democra-
tische organisaties van buitenlandse arbeiders samen met het
Bureau voor Rechtshulp en Nederlandse organisaties een tribu-
naal tegen de sociale dienst. Ook bezoekers van het K.M.A.N.
spreekuur brachten daarbij hun grieven naar voren. Naar aan-
leiding van de actie verscheen de brochure “Gemeentelijke
Sociale Dienst aangeklaagd”.
Er zijn vele acties geweest op het gebied van de kinderbij-
slag. Zo was er een door het K.M.A.N. georganiseerde manifes-
tatie over dit onderwerp op 17 januari 1982. Daarnaast hebben
in samenwerking met andere organisaties vele demonstraties
plaatsgevonden. Hiernaast worden een pamflet en enkele foto’s
van acties getoond.
Halverwege de jaren tachtig kwam de discussie over remigratie-
regelingen op gang. Het K.M.A.N. stelde dat remigratie in het
belang kon zijn van de Marokkaanse gemeenschap, mits het ging
om een vrije keuze van de migrant tussen terugkeren of in
Nederland blijven en mits de nederlandse overheid goede rege-
lingen maakte, die de terugkeerders een bestaan in Marokko
garandeerden.

Amicale

De Amicale (letterlijk: vriendenkring) is in 1974 in Nederland
opgericht door de Marokkaanse regering. Zij werd daarom wel de
‘lange arm van koning Hassan’ genoemd. Op die manier probeerde
het regime Marokkanen, die in het buitenland verbleven onder
controle te houden en af te sluiten van de opvattingen over
democratie en vrijheid, die openlijk in west-Europa konden
worden verkondigd. Tevens probeerde de Marokkaanse overheid zo
te voorkomen, dat in west-Europa een georganiseerde oppositie
zou gaan ontstaan tegen de regering. Intimidatie en geweld
werden in principe door de Amicale niet geschuwd, maar zij
probeerde zich tegelijkertijd te presenteren als een democra-
tische, onschuldige vereniging van Marokkanen in West-Europa.
Het belangrijkste intimidatie-wapen van de Amicale was het
verzamelen van gegevens, die werden doorgegeven aan de over-
heid in Marokko. De mensen waren dan ook niet zozeer bang voor
de Amicale in Nederland, maar, wanneer men niet meewerkte,
voor de gevolgen als ze terugkeerden naar Marokko.
Tegen de Amicale zijn in ons land vele acties gevoerd. Daarvan
worden hier enkele pamfletten getoond, nl van een actie in
Amsterdam Oud-West en van een actie in Eindhoven. Linksonder
zijn foto’s te zien van een actie tegen een kantoor van de
Amicale in Amsterdam in de Hugo de Groot buurt. Rechtsonder
een foto van een door de Amicale georganiseerde actie tegen
een bijeenkomst van het Polisario-comit‚ in Paradiso.
Daaronder enkele foto’s van een actie bij het congresgebouw in
Rotterdam op 23-10-1977.

arbeidsvoorwaarden

Ook bij conflicten of meningsverschillen in bedrijven werd
door het K.M.A.N. getracht een collectief spreekuur op te
zetten, vooral in de periode 1981-1987. In de nieuwe diensten-
sector was vaak geen sprake van een C.A.O. De nederlandse
vakbonden hadden geen greep op de arbeidsvoorwaarden in de ze
sector. Veel Marokkanen kwamen op het spreekuur om hun grieven
tegen een werkgever naar voren te brengen en het K.M.A.N te
vragen mee te werken aan een oplossing. Problemen waren er
rond tijdelijke arbeidscontracten, grote werkdruk, onregelma-
tige werktijden en conflicten met ploegbazen. Ook was er nogal
eens sprake van problemen tussen buitenlandse werknemers en de
ondernemingsraad in een bedrijf. Dit was oa het geval bij de
LinMij, waar medewerkers van het K.M.A.N. bij hebben bemid-
deld.
Vanuit het spreekuur werden in samenwerking met vakbonden,
Bureaus voor Rechtshulp en anderen diverse projecten opgezet
waarbij onderzoek werd gedaan naar de arbeidsomstandigheden in
bepaalde bedrijven, juridische mogelijkheden werden onderzocht
om de situatie te verbeteren en om te bewerkstelligen, dat de
nederlandse vakbonden meer voor de werknemers in marginale
sectoren van de economie zouden doen. Enkele voorbeelden van
dergelijke projecten worden hier getoond, nl het project in de
schoonmaaksector ‘De bezem erdoor’ en het project in samenwer-
king met de horecabond FNV. Naar aanleiding van beide projec-
ten verschenen onderzoeksrapporten.

De acties tegen de W.A.B.W.

Op 1 november 1979 werd de Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers
(W.A.B.W.) ingevoerd. Doelstelling van de wet was, de komst
van buitenlandse arbeiders naar Nederland te reguleren en in
tijden van grotere werkloosheid te minimaliseren of zelfs stop
te zetten. Voortaan moest een werkgever, die een buitenlandse
arbeider in dienst wilde nemen een tewerkstellingsvergunning
aanvragen. Deze vergunning werd alleen verstrekt, als op de
Nederlandse arbeidsmarkt geen Nederlandse of legale buiten-
landse arbeidskrachten meer te vinden waren. In de praktijk
betekende dit in een tijd van oplopende werkloosheid, dat
nauwelijks nog vergunningen werden verstrekt. De ‘illegaal’ in
ons land verblijvende buitenlandse arbeiders, die vaak al
jarenlang in Nederland hadden gewerkt, werden door de wet
grotendeels uitgesloten van legalisatie. De overgangsregeling,
waar sommigen onder vielen bood dan ook maar gedeeltelijk
soelaas. Tegen deze wet is al tijdens de behandeling van het
wetsontwerp in 1976 actie gevoerd.(Zie bord met aankondiging
demonstratie op 8 mei 1977).
Nieuwe acties kwamen van de grond ten tijde van de invoering
van de nieuwe wet. Daarbij spraken vooral de acties in de
asylkerken en de “S.O.S. spreekuren” tot de verbeelding. Er
werd een actiecomit‚ opgericht, het L.A.K.W.A.B.W, dat de
acties moest coordineren. Er waren daarbij verschillende
plaatselijke comites. Op dit bord zijn een affiche en enkele
pamfletten van acties te zien.

Naturalisatie ingewikkeld geworden. Moeizame prcedures bij verkrijgen Nederlanderschap

Ook verschenen in het juli/augustus nummer van MUG, Maandblad voor uitkeringsgerechtigden in Amsterdam in de rubriek ‘De gang van zaken’. 
Naturalisatie ingewikkeld geworden
Deze maand een stukje over de recente moeilijkheden die migranten ondervinden, wanneer ze Nederlander willen worden. Vroeger schreef je een brief aan de koningin, per adres ministerie van Justitie, waarin je motiveerde waarom je Nederlander wilde worden. Kopieën van verblijfsvergunning en een bewijs van het bevolkingsregister werden meegestuurd en enige tijd later was de zaak geregeld. Je moest voldoen aan de volgende voorwaarden: 18 jaar of ouder zijn, een vergunning voor verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, men moest tenminste 5 jaar in het koninkrijk woonachtig zijn en men moest ingeburgerd zijn in de Nederlandse samenleving.
Over de invulling van het begrip ‘ingeburgerd zijn’ werd niet moeilijk gedaan. Meestal was een schriftelijke afhandeling van een en ander voldoende. Niet wetende wat voor moeilijkheden wij zouden ondervinden, stuurde ik samen met de heer T. ook zo’n brief, gedateerd 28 januari 1994. Eind maart kregen wij een brief van het ministerie, dat de regels veranderd waren en nu de gemeenten waren belast met de uitvoering van naturalisatieverzoeken. Op 1 april 1994 kreeg de heer T. een brief van de gemeente, waarin werd meegedeeld, dat hij over twee maanden een brief zou krijgen met een uitnodiging voor de verdere afhandeling van het verzoek. Tevens werd het dossiernummer vermeld. Op 10 mei werd vervolgens een brief gestuurd, waarin werd gevraagd om zeer vele bescheiden, die vroeger niet hoefden te worden overlegd. Het zou een halve bladzijde vergen om alle bescheiden op te noemen. Er mochten alleen originele stukken mee worden genomen. De heer T. moest een afspraak maken en zijn vrouw en kinderen meenemen. Er diende een originele huwelijksakte en een originele geboorteakte te worden meegenomen. Indien deze niet in het Frans, Duits, Engels of Nederlands gesteld waren moesten ze vertaald worden door een beëdigd tolk-vertaler. Dat kost al een hoop geld.
Deze akten moesten vervolgens worden gelegaliseerd, dat wil zeggen het ministerie van Justitie moest verklaren dat de documenten en de handtekeningen daarop echt waren. Alvorens deze legalisatie kon plaatsvinden, moesten de documenten eerst worden gelegaliseerd door de autoriteiten van het land van herkomst. Alleen voor akten uit Marokko gold, dat zij ook mochten worden gelegaliseerd door de Marokkaanse autoriteiten in Nederland. Wij haalden opgelucht adem, want de heer T. is Marokkaan.
Bovendien kost naturalisatie plotseling 500,- aan leges. Mensen die dit niet kunnen betalen moeten een verklaring omtrent inkomen en (on)vermogen ophalen bij de sociale dienst. Daarvoor moeten alle financiële gegevens op een formulier worden ingevuld en bewijzen worden ingeleverd. Als de verklaring wordt afgegeven, kost naturalisatie de persoon in kwestie 125,-.
Wij lieten ons niet uit het veld slaan door de plotselinge bureaucratische moeilijkheden die opdoemden. Opgewekt ging de heer T, die al 25 jaar in Nederland woont, naar de Marokkaanse ambassade, waar hij een ‘extrait d’acte de naissance’ (geboortebewijs) liet maken. Dit werd ondertekend door de vice-consul. Vervolgens stuurden wij de stukken aangetekend naar het ministerie van Justitie. Wij kregen een maand later bericht dat de stukken niet konden worden gelegaliseerd, omdat zij ondertekend waren door de vice-consul. Het ministerie kan alleen van de consul zelf controleren of de handtekening echt is, en niet van anderen. Daarom kon legalisatie niet plaatsvinden. Zuchtend ging de heer T. terug naar het consulaat om terug te komen met de handtekening van de consul. Wij stuurden de papieren weer op (opnieuw aangetekend). Toen gebeurde er niets. Na twee maanden belden wij maar eens. Zouden wij mogen weten wat er met de papieren is gebeurd? ‘Meneer, dat weten wij niet, wij sturen papieren die gelegaliseerd moeten worden meteen terug.’ Maar hebt u dan geen registratiesysteem? ‘Meneer, doet u nou niet zo moeilijk, u kunt het beste de papieren nogmaals insturen, dan krijgt u ze zo snel mogelijk terug.’ Dat hebben wij gedaan, maar we zijn nu medio juni 1995 en we hebben nog geen antwoord ontvangen. Als het al lukt de gelegaliseerde papieren terug te krijgen, moeten we vervolgens met alle eventueel vertaalde stukken naar de gemeente. Daar volgt dan een gesprek. Waarover? Dat is ons nog niet duidelijk. Wel constateren we, dat door alle bureaucratische rompslomp het zeer moeilijk is geworden genaturaliseerd te worden tot Nederlander, ook al zijn in principe de voorwaarden die in het begin werden genoemd nog steeds van kracht.
Ook Nederlanders die in het buitenland geboren zijn ondervinden dergelijke moeilijkheden. Wanneer ze bijvoorbeeld weer in Nederland wonen en willen trouwen, alles goed gepland hebben, de trouwdag vastgesteld is, krijgt menigeen het bericht dat het huwelijk helaas voorlopig niet kan doorgaan, omdat de originele geboorteakte uit het land van herkomst moet worden overlegd. Vooral bij landen, waar geen geordende bevolkingsadministratie bestaat, is dit onmogelijk. En het duurt altijd erg lang voor alles in kannen en kruiken is. Bestanden worden gekoppeld, ze weten alles van je, maar toch wordt het steeds moeilijker om te bewijzen dat je bent wie je bent. Hoe kan dat?
Piet van der Lende

De eisen van democratische organisaties van Marokkanen bij remigratie

In 1984 heb ik de eindredactie uitgevoerd van een plan voor remigratie van Marokkanen dat gemaakt werd door een reeks van Marokkaanse organisaties waaronder het KMAN en het Komitee Marokkaanse WAO slachtoffers. We vergaderden in het kantoor van dit laatste komitee en hebben een tijdelijke naam bedacht voor de campagne.

Landelijk secretariaat van Marokkaanse Organisaties voor Rechtspositie en Remigratie. LASMORR.
Pamflet Panholzer -12-84/5
Dubbelzijdig, 1×29,9 cm, off set, achterkant: fotocollage, tekening
Samenvatting. In Nederland wordt gediscussieerd over de mogelijkheden om buitenlandse arbeiders te laten terugkeren naar het land van herkomst. De plannen worden begin 1985 in de Tweede kamer besproken. Daarnaast heft het “remigratieberaad”(FNV,CNV, Raad van Kerken en LSOBA) voorstellen gedaan. De standpunten zijn geen weergave van de wensen zoals die leven bij de Marokkaanse migranten. Uitgangspunt van regelingen moet zijn dat onze rechtspositie in Nederland goed geregeld is en dat we bij terugkeer naar Marokko onze in Nederland opgebouwde rechten kunnen behouden. Er moet sprake zijn van ene vrije keuze tussen terugkeren of in Nederland blijven. De demokratische organisaties van Marokkanen hebben ene nota gemaakt met voorwaarden waaraan een goed remigratiebeleid moet voldoen. Wij mobiliseren de Marokkanen voor een verdere discussie en we zijn bezig ene discussie voor te bereiden met Nederlandse maatschappelijke organisaties. Wij willen druk uitoefenen op de overheid om onze eisen gerealiseerd te krijgen. Landelijke manifestatie op 30 december, gebouw ‘De Hoeksteen’.
Persbericht
Panholzer -12-84/4
In Nederland wordt gediscussieerd over de mogelijkheden om buitenlandse arbeiders te laten terugkeren. De demokratische organisaties van Marokkanen hebben een nota gemaakt met voorwaarden waaraan een goed remigratiebeleid moet voldoen: goede regeling rechtspositie, geen oprotpremies, een remigratieregeling moet niet beperkt worden tot bepaalde groepen, opzetten terugkeerprojecten, het remigratiebeleid kan worden geregeld door akkoorden tussen Nederland en Marokko, terugkeerders verliezen niet hun rechten op uitkeringen en vakbonden en demokratische organisaties van Marokkanen in Europa dienen bij het maken van de akkoorden en het opstellen van remigratieprogramma’s te worden betrokken. In de regeringsplannen komt een regeling voor ene beperkte groep werklozen van 55 jaar en ouder. De regering lijkt er niet van overtuigd dat terugkeerprojecten ene integraal onderdeel dienen te zijn van de remigratieprogramma’s. Het LASMORR heeft ene actieplan gemaakt om de Marokkanen te mobiliseren voor diskussie. Bijeenkomsten in elf steden. Op 30 december slotmanifestatie in gebouw ‘De Hoeksteen’ met kultureel programma.