Inleiding bij een brochure over de ‘nieuwe’ werknemer

Piet van der Lende en Jan Muter.

Enige tijd geleden ontspon zich in het blad voor een strijdbare vakbeweging Solidariteit een discussie over het ‘Europese project’ van de ‘nieuwe werknemers’ (zoals Zelfstandigen zonder personeel), de omvorming en afbraak van de sociale zekerheid en over de vraag hoe wij ons daartegenover kunnen opstellen. Een bezinning dus op twee decennia van defensieve actie en verzet en op zoek naar wegen en middelen om het initiatief in deze discussie te hervinden.

De omvorming en afbraak van de sociale zekerheid komt tot uiting in de trend naar grotere nadruk op particuliere verzekeringen en beperking van collectieve verzekeringen tot een soort basis (bijstands) voorziening, waarvan nauwelijks of niet te leven valt.
We zien zowel in de ontwikkeling van arbeidsvoorwaarden als in het overheidsbeleid een trend waarbij de werknemer wordt beschouwd als een soort ‘ondernemer’ die het product arbeidskracht op de markt verkoopt en die zelf particuliere verzekeringen afsluit tegen sociale risico’s als werkloosheid, ziekte en ouderdom en die door permanente educatie de waarde van zijn of haar arbeidskracht up to date moet houden. Men spreekt in dit verband ook wel van employability.
De werknemer verkoopt zijn of haar arbeidskracht in de vorm van kennis of diensten die door een ondernemer tijdelijk worden ingekocht. Van de overeengekomen verkoopprijs moet de werknemer zelf de afdracht van belastingen en sociale premies regelen en daarvan de administratie bijhouden. We zien deze ontwikkeling in de thuiszorg en in de bouw. Mensen die ‘voor zichzelf’ werken en die steeds een project doen en van het ene project naar het andere gaan bij steeds verschillende werkgevers.
Sociale zekerheid
In het verlengde van bovenstaande ontwikkeling, van de ‘nieuwe werknemer’, ligt het nieuwe denken over sociale zekerheid. Daarin stelt de overheid zich op als ‘ beschermer’ van de netto belastingbetaler, vanuit een ratio van ‘schadelastbeperking’. Zij vertrekt opdrachten aan commercieel opererende reintegratiebureau’s om mensen te motiveren om betaalde arbeid te aanvaarden en zichzelf voortdurend bij te scholen. Die bureau’s schieten als paddestoelen uit de grond. Kortdurende scholings en motivatietrainingen en in beperkte mate wat langere opleidingen moeten de ‘employability’ van de arbeidskracht, zijn of haar verkoopbaarheid op de arbeidsmarkt bevorderen en instandhouden – een terugval in de uitkering voorkomen.Aan die uitkeringskant worden steeds strengere toelatingsvoorwaarden gesteld en sancties ingevoerd om mensen ertoe te brengen betaalde arbeid te aanvaarden, ook al is het maar tijdelijk. Het bestel moet ‘activerend zijn’, geen hangmat maar een trampoline. Daarin is geen ruimte voor begrippen als passende arbeid, het recht om werk te doen dat bij je past en dat je leuk vindt. Voor mensen die tijdelijk geen betaald werk kunnen vinden worden programma’s opgesteld, om gewend te blijven aan het arbeidsritme.
Op termijn betekent dit beperking van de collectieve sociale zekerheid zoals die nu nog in verschillende regelingen bestaat tot een een schrale basisvoorziening, waarop iemand in zijn leven maar een beperkt aantal jaren rechten kan doen gelden.  Op sociaal gebied  worden basisrechten vervangen door een beleid dat mensen kansen wil bieden, kansen op rechten en als iemand in de keiharde concurrentiemaatschappij die kansen niet weet te realiseren heb je pech gehad…
Deze plannen dwingen tot nadenken. De defensieve acties uit het verleden – stop de afbraak en handen af van sociale zekerheid – waren niet succesvol. De lappendeken van regelingen en voorzieningen dwong voortdurend tot aandacht voor deelbelangen. Zo raakte de meer fundamentele problematiek van de welvaartsverdeling uit zicht.
Piet van der Lende en Jan Müter, beiden actief in het Nederlands Comité Euromarsen en werkzaam bij Searchweb, willen met deze brochure een aanzet geven tot dit zo nodige denkproces. Zij doen dat door de introductie te bespreken van flexibele arbeidsrelaties die het huidige sociale stelsel verder zullen ondergraven. Dat en nog veel meer prikkelden hen na te denken over een andere financieringsgrondslag voor de sociale zekerheid. En betekenis te onderzoeken van de centrale eis van de Euromarsen voor een algemeen gegarandeerd bestaansminimum van 50 procent van het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking. Daarnaast wilden Piet en Jan ons kennis laten maken met het gedachtegoed van Piet van Elswijk die al jaren pleit voor financiering van de sociale zekerheid uit een heffing op de toegevoegde waarde van producten en diensten.
Bestaanszekerheid voorop!
In de Europese Unie dreigt een wedloop tussen landen om de verlaging of afschaffing van het minimum loon en de verlaging van de kosten van de sociale zekerheid. Er is nu een economische en een monetaire unie. In Lissabon is zelfs afgesproken dat de Europese Unie de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld moet worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. Er wordt veel gedaan op gebied van buitenlands beleid, het weren van vreemdelingen en afstemming van politionele taken en bevoegdheden. De hoogste prioriteit ligt bij de vrije marktwerking, concurrentieregels en het stabiliteitspact van Maastricht. De ambities op het terrein van sociale zekerheid voor de inwoners van de gemeenschap steken daarbij schril af. Formeel behoort dit beleidsterrein ook niet tot de bevoegdheid van de Europese Unie. Materieel dreigt die sociale zekerheid het kind van de rekening te worden.
Ter bundeling van het verzet tegen de georganiseerde afbraak van de sociale zekerheid voert het Nederlands Comité Euromarsen tegen werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, sinds 1997 – samen met haar zusterorganisaties in een toenemend aantal landen in Europa – campagne voor een ‘sociaal Europa’. Het Comité maakt zich sterk voor een gegarandeerd bestaansminimum in de Europese Unie, in elk land, van 50% van het Bruto Nationaal Product per capita.
Deze eis is de uitkomst van een uitvoerige vergelijking van de onderscheiden systemen van sociale zekerheid zoals die in de afzonderlijke landen in de Europese Unie zijn te vinden. In de meeste landen zijn wel oudedagvoorzieningen en/of pensioenvoorzieningen, (tijdelijke) regelingen bij werkloosheid en invaliditeit, maar de hoogte van de uitkeringen, de voorwaarden van toegang en criteria voor uitbetaling lopen zozeer uiteen dat een gedeeld actieperspectief niet anders dan als een algemeen geformuleerd principe geformuleerd moest worden. 50% van het BNP per capita is in Nederland nu ca. 1094 euro per maand (in Luxemburg: 1876 euro p.mnd.; in Griekenland 651 euro p/mnd.) Bij invoering zullen in àlle bij de Europese Unie aangesloten landen de minima er flink op vooruit gaan.
De consequente opstelling ten aanzien van de verdeling van de welvaart brengt de Euromarsen niet alleen tot een hoger gegarandeerd bestaansminimum. Het stelt de verdeling van àlle welvaart in een land aan de orde. Wanneer de sociale zekerheid, de bestaanszekerheid voor eenieder die om wat voor reden ook van deelname aan de loonarbeid is buitengesloten, uitsluitend of voornamelijk wordt gefinancierd uit belastingen en premies op inkomsten uit loonarbeid, dan wordt daarmee volgens de Euromarsen de ‘solidariteit’ verkeerd gesteld. Bij die (her)verdeling van welvaart blijven belangrijke inkomens en ‘welvaartscomponenten’ buiten beschouwing. Afgezien van de hoogte van het sociaal minimum brengt deze benadering ons vroeg of laat ertoe om de financieringsgrondslag van het huidige bestel van de sociale zekerheid te onderzoeken; welke of wiens deel van de welvaart wordt nu (her)verdeeld?
In haar opvatting inzake van de verdeling van de welvaart onderscheiden de Euromarsen zich van ondermeer de Sociale Alliantie, met daarin organisaties als de FNV, Sjakuus en het EAPN, die, geheel in lijn met de in de Europese Commissie gedeelde opvattingen, het sociaal minimum of de armoedelijn leggen op 50 of 60% van het mediaan inkomen. Nog afgezien van de hoogte van dit minimum in euro’s, dat in de praktijk belangrijk lager uitpakt dan het voorstel van de Euromarsen, worden in dit voorstel per definitie alleen de inkomens(verdeling) uit loonarbeid beschouwd. De kapitaalarbeid inkomensverdeling blijft geheel buiten beschouwing.
De discussie over de financiële grondslag van de sociale zekerheid opent een nieuw en nauwelijks ontgonnen (strijd)terrein. Waar in de huidige praktijk velen hun handen meer dan vol hebben aan het meer of minder rituele gevecht rond de hoogte van uitkeringen en de uitvoering van regelingen, en allerhande detailwerk (de koppeling, Zalmsnippen, bijzondere bijstand, in- en uitsluitingsgronden tot uitvoeringsproblemen aan toe), daar dreigt de grondslagdiscussie nu geheel aan anderen – dikwijls onze tegenstanders – overgelaten te worden. Op dit terrein is overigens al veel meer gaande dan we misschien denken. Een belangrijk deel van de aandacht spitst zich momenteel toe op de financiering van de pensioenen en de AOW – en is vooral in de Europese Unie een heet hangijzer.
Het hoeft nauwelijks betoog dat in een politiek klimaat waarin uiterst rechts en populistische partijen om de gunst van de kiezer strijden en sociaal-democratische partijen in de marge opereren, het niet vanzelf spreekt dat we die grondslagdiscussie geheel op eigen voorwaarden kunnen voeren. Dit verhinderd niet, dat, zolang we in de juistheid van onze Europese eis geloven, we zullen moeten onderzoeken of en hoe we in kringen van de SP en in delen van Groenlinks, de Partij van de Arbeid en een verdwaalde christen-democraat het vraagstuk aan de orde kunnen stellen. Dat kan rechtstreeks en dikwijls ook via ‘intermediaire’ groepen en organisaties uit het rijke verenigingsleven die de sociaal-democratie rijk is.

Daarbij kunnen we ons oor te luisteren leggen bij academici die – om welke reden dan ook – pleiten voor een andere grondslag van de verzorgingsstaat en de sociale zekerheid. Zo op dat terrein zich interessante ontwikkelingen voordoen, dan is het zaak om die dynamiek voor onze zaak te laten werken. 

Stelsel sociale zekerheid – twintig jaar geleden en nu. Concurreren om te eten.

Ook gepubliceerd in: Soldiariteit 114 (juli 2003). Tevens hoofdstuk uit een brochure over de ‘nieuwe’ werknemer.

Piet van der Lende en Jan Muter
Een vluchtige blik op de plannen van het kabinet Balkenende II leert dat de verdeling van de welvaart in Nederland nog meer uit het lood zal raken: ontkoppeling minimumloon en de daaraan verbonden uitkeringen – opheffing gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid – scherpere eisen aan WW – afschaffing fiscale regeling vervroegde uittreding, enzovoort.
BII treedt in de voetsporen van Lubbers en Kok; aan de ene kant verhoogt hij de ‘beloning’ voor het risicodragend kapitaal (winsten) en het beheer daarvan (salarissen van topbestuurders) en privatiseert hij de voorzieningen en verzekeringen tegen sociale risico’s. Aan de andere kant verlaagt hij de inkomens uit loonarbeid en de daaraan gerelateerde uitkeringen en compensaties en beperkt hij de toegang tot de – al aangetaste – collectieve en publieke voorzieningen en diensten.
De mondiale economie zit weer in een recessie en het einde lijkt niet in zicht. De reactie van de neoliberalen is vergelijkbaar met die van twintig jaar geleden: afbraak van de sociale zekerheid en verlaging van de lonen. Dit stelt links voor de vraag hoe het verzet tegen deze politiek in de huidige omstandigheden georganiseerd kan worden en welke eisen dat vergt. Tijdens de recessie van de eerste helft van de jaren tachtig stonden we voor dezelfde vragen. Een terugblik kan dus leerzaam zijn.
Er lijkt een parallel te zijn tussen de situatie in Nederland ten tijde van het roemruchte akkoord van Wassenaar in 1982 en de ontwikkeling van vandaag. Toen, evenals nu, een economische laagconjunctuur, een oplopende werkloosheid en een rechts kabinet. Toen, de opmaat voor structuurveranderingen in de productie. Nu ook?
Netwerkeconomie
Eind jaren zeventig tekende zich af dat de traditionele industrie in Nederland – scheepsbouw, andere bedrijven in de metaal, schoenindustrie, textielindustrie en mijnbouw -in de toekomst weinig betekenis meer zouden hebben. Een deel van de productie werd verplaatst naar lagelonenlanden en een deel werd voortgezet in sterk geautomatiseerde productieprocessen in de rijke industrielanden. De Nederlandse textielindustrie bijvoorbeeld is slechts gedeeltelijk verplaatst naar gebieden met lage arbeidskosten, een groot deel van de productie werd voortgezet in moderne fabrieken in Duitsland. Tegelijkertijd kwam er een nieuwe dienstensector op: toerisme, horeca, administratiekantoren, banken en beheersmaatschappijen van fabrieken elders in de wereld.
Ook nu lijkt een verandering in de productie op komst te zijn. Hoewel het kapitalisme nog net zo blijkt te werken als vroeger, is er iets nieuws gaande. Gesproken wordt van de netwerkeconomie: een productiesysteem, waarin voortdurend wisselende ketens van bedrijven en instellingen worden gevormd. De schakels in die productieketen besteden werk aan elkaar uit en gaan losse samenwerkingsverbanden aan. Met als gevolg dat massaproductie gedeeltelijk plaatsmaakt voor flexibele productie, waarin alles waar ook ter wereld gemaakt kan worden en waar met kleine hoeveelheden geproduceerde goederen snel ingespeeld kan worden op veranderingen. Netwerken zijn de fabrieken van vroeger. De grote, verticale productieorganisaties desintegreren tot flexibele netwerken van individuen en bedrijfjes die zich aanpassen aan steeds wijzigende marktsituaties.
Flexibele diensteneconomie
Begin jaren tachtig was er, evenals nu, een nieuwe flexibele werknemer nodig die paste in het concept van de ‘nieuwe economie’. Toen ging het om arbeidskracht voor de horeca, de schoonmaaksector, enzovoort die onder flexibele voorwaarden en laag betaald, ingezet kon worden. De traditionele industriearbeiders, met een hoge organisatiegraad en goede collectieve voorzieningen werden ontslagen, traden vervroegd uit of werden arbeidsongeschikt verklaard. Daar zorgden sociale plannen en afvloeiingsregelingen voor. Jongeren en herintredende vrouwen namen hun plaats op de arbeidsmarkt over en gingen akkoord met de arbeidsvoorwaarden in de nieuwe sectoren. Zo voltrok zich in de jaren tachtig een complete generatiewisseling op de arbeidsmarkt, zonder dat de verslechtering van de sociale zekerheid en de arbeidsvoorwaarden tot echt veel sociale protesten leidde. Dit nieuwe beleid werd vorm gegeven in het akkoord dat de vakbeweging, onder leiding van Kok, afsloot thuis bij de voorzitter van de werkgeversorganisatie in Wassenaar. Voor een lange periode was een stevige basis gelegd voor wat de overlegeconomie genoemd werd.
Dat in de jaren daarna zoveel mensen in de bijstand en de WAO terechtkwamen, en tot op zekere hoogte met rust werden gelaten, maakte deel uit van dat beleid. Het was dan ook geen fout die nu hersteld moet worden door een actievere benadering van baanlozen, zoals politici en vakbondsbestuurders ons willen doen geloven. Het was een bewuste politiek om de omslag in de economie van een deels nog industrienatie naar de nieuwe flexibele diensteneconomie mogelijk te maken zonder massale sociale protesten.
Opdrachtnemer
In de hedendaagse netwerkeconomie is een nieuw type arbeidskracht nodig. De ‘oude’ industriearbeider had een langlopend contract. Onder druk van de vakbonden, waarin hij (en minder zij) georganiseerd was, bevatte dat een scala aan collectieve afspraken over bijvoorbeeld lonen, arbeidstijden en arbeidsomstandigheden. De ‘nieuwe’ arbeider beschikt meestal niet over zo’n contract. Bij de flexibele onderneming passen geen langlopende afspraken tussen werkgever en werknemer. Dit betekent dat de arbeider van vroeger zelf ondernemer wordt, een handelaar in producten als kennis, energie of een bepaalde vaardigheid. Hij, en ook zij, is niet in loondienst, maar gaat een tijdelijke relatie aan met een andere ondernemer die eigenaar is van een productieorganisatie. Van die eigenaar neemt hij opdrachten aan; hij is dus een opdrachtnemer. In concurrentie met anderen moet hij zorgen dat zijn kennisproduct aantrekkelijk is, vers en up to date. De opdrachtnemer moet dus levenslang leren, cursussen volgen, steeds nieuwe ervaringen toevoegen aan de mooi opgemaakte cv, voortdurend marktonderzoek doen en sociale contacten leggen (netwerken) om de eigenaren van de flexibele onderneming te vinden. Om dat allemaal mogelijk te maken, is een administratie nodig, helemaal als hij voor meerdere opdrachtgevers tegelijk werkt. De verzekeringen en dergelijke regelt hij zelf. De werknemerspremies worden niet meegerekend in het aan de opdrachtnemer bruto uit te betalen bedrag. Hij is dus een stuk goedkoper dan de werknemers in een traditionele loonverhouding.
Een goed voorbeeld is de zzp’er in de bouw en andere sectoren, de zelfstandige zonder personeel. Een bom onder de sociale zekerheid die de basis voor de financiering smaller maakt.
Wat deze ontwikkelingen betekenen voor de sociale relaties en de verschillende posities van arbeiders en uitkeringsgerechtigden, wordt duidelijk wanneer we de thuiszorg als voorbeeld nemen. Waar vroeger personeel en cliënten of patiënten nog wel eens samen actie voerden, zal dat nu steeds moeilijker worden. In deze sector opereren in toenemende mate bemiddelingsbureaus die thuiszorgwerkers naar mensen sturen die zorg behoeven. De zzp’ers krijgen een bruto bedrag per uur waarvan ze alles moeten betalen. Veel invaliden met een kleine uitkering maken gebruik van deze bemiddelingsbureaus, omdat ze een bepaald bedrag van de overheid krijgen waarmee ze zelf zorg mogen inkopen (persoonsgebonden budget). En uiteraard willen ze van het lage bedrag zo veel en zo goedkoop mogelijke thuiszorg.
Opdrachtnemers met bijzondere talenten of veelgevraagde kwaliteiten kunnen van deze nieuwe situatie profiteren en in korte tijd veel geld verdienen. Anderen komen juist in een voortdurende bestaansonzekerheid terecht.
Van belang is vast te stellen dat deze ontwikkeling niet algemeen is. Er is sprake van een langzame en beperkte uitbreiding. Gezien naar het geheel van de beroepsbevolking, is het overgrote deel nog traditioneel ‘loonslaaf’, zij het onder flexibele voorwaarden als variabele werktijden. Het arbeidscontract heeft nog een zekere duur of er is een vaste aanstelling bij een bepaalde werkgever.
Eisen van nu
Zoals twintig jaar geleden staat ook BII voor de taak de overgang naar de nieuwe werknemer soepel te laten verlopen. Ongetwijfeld zijn er inschattingen gemaakt over het mogelijke verzet. Zalm heeft al gezegd dat de regering de rug recht moet houden en eenheid tonen, als het massale verzet een hoogtepunt bereikt. Daarmee staan, evenals toen, de vakbonden en sociale bewegingen voor beslissingen over hoe het verzet te organiseren is.
Een gegeven daarbij is dat de massademonstraties van toen, en af en toe een staking, niets veranderden aan de hoofdlijnen van het beleid. De toenmalige minister de Koning toonde zich in 1989 terugkijkend op zijn beleid tevreden. De stelselherziening in de sociale zekerheid kon worden doorgevoerd zonder maatschappelijke ontwrichting, evenals de bezuinigingen door de kabinetten Lubbers (afschaffing van de WWV, WW en WAO van 80 naar 70 procent van het laatstverdiende loon, loonmatiging, enzovoort).
De vraag is of wij nu op dezelfde manier als in de jaren tachtig te hoop moeten lopen tegen het regeringsbeleid, wetend dat de regering – steunend op een smalle maar stabiele parlementaire meerderheid – door zal gaan.
Natuurlijk zullen we de straat opgaan als Keer het Tij of de vakbeweging acties voeren onder een motto als ‘stop de afbraak’. Maar wat wordt daar mee bedoeld? Die afbraak is al een end op weg, hoe ver gaat die ‘stop’ terug en wat betekent dat voor mensen? Links heeft heel wat te doordenken. Hoe is het verband tussen de dagelijkse leefwereld van mensen, hun directe belangen en de daarop gebaseerde eisen aan de ene kant, en een meer abstracte analyse van en kritiek op het kapitalisme aan de andere kant?
De te stellen eisen zullen meer moeten bevatten dan ‘tegen het kapitalisme’. Ook in internationaal verband is dat hard nodig. Hoe verbinden we bijvoorbeeld de directe problemen van nu aan verder weg liggende doelen die een antwoord moeten geven op een maatschappij waarin allen tegen allen lijken te concurreren? Tegelijkertijd staan we voor de niet eenvoudige taak de tegenstrijdigheden in het neoliberalisme op ideologisch niveau aan te tonen. Bijvoorbeeld de concurrentie van allen tegen allen tegenover een stelsel van waarden en normen waaraan iedereen zich moet houden.

“50 Procent van het bruto nationaal product” biedt nieuwe mogelijkheden. Het is een eis, die zowel principieel de verdeling van rijkdom en armoede in de wereld aan de orde stelt als aansluit op de directe behoeften aan bestaanszekerheid bij de bevolking. Het gehele nationale inkomen, dus ook de winsten en de rendementen op kapitaal, wordt in de beschouwing betrokken, maar ook wordt de onderste verdieping van het inkomensgebouw precies getekend. De eis gaat rechtstreeks in tegen het neoliberale beleid. Zo biedt de nieuwe grondwet van Europa bestaansonzekerheid zonder sociale zekerheid door het ‘recht op eten’ te vervangen door het ‘recht op toegang tot de maatschappij om in concurrentie met anderen eten te veroveren op anderen’.

Commentaar op de artikelen over de ‘nieuwe ‘werknemer en een commentaar daar weer op.

Ingezonden commentaar op thema in nummer 114
“Dat lijkt me behoorlijk overdreven”
Ook verschenen in Solidariteit nr 116
In een sympathieke brief zond Rob Gerretsende redactie een kritisch commentaar op de artikelen van Jan Müter en Piet van der Lende in het thema “Stelsel sociale zekerheid – Alternatieve financiering” in nummer 114 van Solidariteit (juli 2003). “Zij roepen discussie op en die hebben we hard nodig.”
Rob is onder meer van mening dat Jan en Piet bepaalde veranderingen in de organisatie van de arbeid te sterk doortrekken. Het lijkt dan of ze algemeen geldend zijn.
Zijn brief is samengevat in een zevental punten.
1. In de stelling “de grote, verticale productieorganisaties desintegreren tot flexibele netwerken van individuen en bedrijfjes die zich aanpassen aan steeds wijzigende marktsituaties” slaan Jan en Piet een beetje door. Er is wel sprake van een ‘rise of the network society’ (Manuel Castells), maar deze is lang niet zover gevorderd als zij suggereren.
2. Het gebrek aan sociale protesten in de jaren tachtig en negentig tegen de verslechteringen van de sociale zekerheid en arbeidsvoorwaarden lijken ze toe te schrijven aan een generatiewisseling op de arbeidsmarkt (toestroom jongeren en herintredende vrouwen). Volgens mij is dat een wel erg simpele verklaring.
3. Het akkoord van Wassenaar in 1982 is niet het begin van de overlegeconomie. Deze heeft toch een veel langere geschiedenis.
4. Jan Piet spreken van een “omslag in de economie van een deels nog industrienatie naar de nieuwe flexibele diensteneconomie”. Ook dat is, volgens mij een overdrijving. Vele ‘diensten’ hadden een industrieel karakter en veel van wat vroeger tot ‘de industrie’ gerekend werd, had een dienstenkarakter.
Bovendien laat onderzoek in de Amerikaanse ‘diensteneconomie’ zien dat technische beroepen een groot en snel groeiend deel vormen van de arbeidsmarkt.
5. Ook de schets van een ‘nieuw type arbeidskracht’ en de ‘zelfstandige zonder personeel’ is zwaar aangezet. Jan en Piet noemen geen cijfers of percentages en onduidelijk is hoever ongetwijfeld bestaande ontwikkelingen al zijn gevorderd.
6. Het is van groot belang dat Jan en Piet de te volgen strategie van de vakbeweging en sociale bewegingen op het terrein van de sociale zekerheid ter discussie stellen. Maar ik betwijfel of de eis voor een nieuwe vorm basisinkomen, onze strijd sterker zal maken. De discussie daarover is lang gevoerd. De eis voor een basisinkomen is buitengewoon sympathiek. Bovendien is het propagandistisch en moreel gezien terecht om voor iedereen een inkomen te eisen waarvan fatsoenlijk te leven is.
Volgens mij is het echter zeer twijfelachtig of een fatsoenlijk basisinkomen voor iedereen binnen de kapitalistische verhoudingen realiseerbaar is. Het is daarnaast de vraag wie de strijd daarvoor zou moeten of kunnen voeren. En leidt de eis voor een basisinkomen niet af van de strijd voor behoud van banen en een sterke algemene arbeidstijdverkorting, voor betere uitkeringen en het gratis of goedkoper maken van publieke sociale voorzieningen, voor een vermenselijking van het arbeidsproces …?
Deze vragen nemen overigens niet weg dat voor sommige groepen in de maatschappij wel degelijk een soort van basisinkomen geëist zou moeten worden. Bijvoorbeeld voor ouderen, studenten, mensen die niet meer kunnen werken en dergelijke. Maar veel van de discussies over een basisloon hebben een beetje een fatalistische en ‘vluchtende’ inslag. De structurele massawerkloosheid lijkt aanvaard en de ellende van de loonarbeid lijkt omzeild te worden. Arbeid is bovendien voor veel mensen van groot belang, zelfs als de omstandigheden en voorwaarden niet zo best zijn. En een goed georganiseerde arbeid(st)ersklasse is het revolutionaire subject bij uitstek.
7. Jan en Piet stellen dat de eis van de Euromarsen voor een Europees minimuminkomen van “50 procent van het bruto nationaal product” nieuwe mogelijkheden biedt. Duidelijk wordt echter niet waarom deze benadering beter past bij de door hun beschreven herstructurering van de arbeidersklasse in Nederland en andere landen en meer kans op succes geeft dan ‘ouderwetse’ actiemethoden voor ‘ouderwetse’ eisen.
Reactie op ingezonden commentaar
Veranderingen in de arbeid veranderen actiemogelijkheden
Ook verschenen in Solidariteit nr 116
Beste Rob, allereerst een woord van dank voor je reactie. Te weinig woedt in onze linkse geledingen het debat en juist daarin onderscheidt onze politieke cultuur zich zo weinig van de dominante polderlandse verhoudingen. Je opmerkingen helpen ons en stellen ons in staat om onze positie scherper te bepalen; onder meer door ons af te zetten tegen het standpunt dat jij verwoordt.
Het themadeel van het zomernummer van Solidariteit hebben we gebruikt om – ook zelfkritisch – terug te kijken op de verloren strijd van uitkeringsgerechtigden en laagstbetaalden. En dus op de gevoerde strategie in het licht van de door ons geschetste economische en politieke veranderingen. Tenslotte vroegen we ons af hoe de verdeling van de welvaart in ons land opnieuw aan de orde gesteld kon worden en een gegarandeerd bestaansminimum bepleit.Ondanks het huidige offensief van rechts en opvattingen in sociaal-democratische kringen dat de slachtoffers van het gevoerde beleid schuldig zijn, delen velen de visie dat de inkomensongelijkheid in ons land kleiner moet worden. Dit blijkt uit studies van het CPB. Onze agenda omvat onder meer een zoektocht naar organisaties en personen die deze visie onderschrijven en die we voor ons doel kunnen ‘mobiliseren’.
Andere coalities
Welbewust hebben wij in onze artikelen elke uitwijding over een basisinkomen gemeden. In de eerste plaats, omdat in het daarover gevoerde debat de kwestie van de welvaartsverdeling niet rechtstreeks wordt gesteld. Verder onderschrijven wij de leuze van ‘bijdragen naar vermogen en ontvangen naar behoefte’. En wel in een perspectief van ‘bevrijding van de arbeid’ tot en met een ‘bevrijding uit de arbeid’, van duurzame economische krimp en van arbeidstijdverkorting bij een afnemende inkomensongelijkheid. In die zin kan ons misschien wel worden aangewreven dat wij persoonlijk de gesel van de loonarbeid bewust mijden. Maar het idee dat wij de aard en wijze van de maatschappelijke productie aan ‘het kapitaal’ zouden laten, gaat ons te ver.
Juist door het (opnieuw) problematiseren van enkele bouwstenen van de verzorgingsstaat die nu voor onze ogen afgebroken wordt, ontdekken wij mogelijkheden om tegenstellingen en belangenverschillen in het heersende blok zichtbaar te maken. Zo zal een andere financieringswijze van de sociale zekerheid, zoals een belasting op toegevoegde waarde, de verschillende groepen kapitalisten en hun slippendragers tot een andere ‘speelwijze’ dwingen.
Wij nemen noch in politieke, noch in praktische zin afscheid van het proletariaat en zoeken juist naar een coalitie van andere maatschappelijke en politieke krachten dan die waarop wij de afgelopen decennia hebben vertrouwd. Daartoe schuwen wij ook geen argumenten uit de liberaal-democratische traditie. Deze heeft immers historisch gezien niet alleen Bolkensteinen, Zalmen en Bossen voortgebracht. Ook marxisten komen uit die traditie voort en anderen die voor een sterke en sociale ‘staat’ pleiten, juist om het vrije democratische verkeer in de publieke ruimte mogelijk te maken en te houden. In dat verband benadrukken wij dat onze ‘gedroomde’ revolutie een democratische is.
Wij herkennen ons helemaal niet in het ‘arbeiderisme’ dat jij koestert. De visie, waarin mensen – ook tegen hun wil en onder bedenkelijke voorwaarden en omstandigheden – via hun arbeid dichter bij de hen toebedachte bestemming van revolutionair subject komen. Naar ons idee manifesteert de ‘klassenstrijd’ zich op vele fronten, en zal voor elk front de meest geëigende sociale basis moeten worden gezocht om tot organisatie te komen. Wij voelen ons meer thuis in autonome organisaties, in zelfbeheer en participatieve democratie. De goed georganiseerde arbeiders voeren helemaal niet automatisch de solidariteit hoog in het vaandel. Om nog maar te zwijgen over het feminisme en het antiracisme.
Generatiewisseling
Wat betreft de structuurveranderingen van en in de productieorganisaties hebben we de ontwikkelingen niet willen overdrijven. De situatie in veel werkplaatsen is, afgezien van enkele technische innovaties, de afgelopen decennia vrijwel onveranderd.  Daar is nog altijd plaats voor de ‘gewone’ vakbeweging. We zijn het met je eens dat de verschuiving van de industrie naar de ‘dienstensector’ voor een belangrijk deel gezichtsbedrog is. Tenminste als we kijken naar de concrete inhoud van het werk dat mensen doen. Toch traden belangrijke veranderingen op die de mogelijkheden tot belangenbehartiging en collectieve actie voor een zeer groot aantal mensen niet onberoerd hebben gelaten. Voor ons betoog is de kern daarvan dat die veranderingen doorwerken in alle sociale verhoudingen tussen mensen in en rond de productieorganisaties. En zo ook op hun mogelijkheden om in die productieorganisaties tot collectieve actie te komen.
Eén van die vele veranderingen betreft de uitbesteding. Het voorbeeld van de Hoogovens, nu Corus, in IJmuiden mag dat illustreren. Het aantal vaste medewerkers is in de afgelopen dertig jaar afgenomen van ongeveer 25.000 naar een kleine 10.000. Welbeschouwd lopen nog altijd zo’n 25.000 arbeiders over hetzelfde terrein. Alleen nu werkt het merendeel bij één van de zeer vele zogeheten onderaannemers en doet dat onder een andere – vaak slechtere – CAO, als die al wordt nageleefd. In de jaren zeventig was, bij wijze van spreken, één ordewoord van Arie Groeneveld genoeg om het bedrijf stil te leggen. Nu liggen er steeds moeilijk te overwinnen obstakels om tot een sociale en politieke eenheid te komen van alle werkenden.
Meer in het algemeen zien we een segmentering van de arbeidsmarkt die tot uitdrukking komt in culturele en sociale symbolen. Zo gaan werknemers en werkneemsters zich onderscheiden in consumptiepatronen en leefstijlen en abonneren zich bijvoorbeeld op een daarbij horend ‘life style’ magazine. De onderlinge verschillen zijn oppervlakkig, maar worden met dergelijke symbolen benoemd en gecultiveerd. Dat raakt het bewustzijn van de betrokken werknemers, in hun identiteitsbesef, hun vriendschappen, hun vertrouwensrelaties en hun beleving van lotsverbondenheid, of het ontbreken daarvan. En dat geldt misschien nog wel het sterkst voor de ‘Europese’ modelwerknemer, de zelfstandige zonder personeel (zzp’er). De vakbekwame en goedgeschoolde technici die in de geschiedenis van de traditionele vakbeweging niet zelden een sleutelrol hebben gespeeld.
Deze ontwikkeling betekent dat op de werkplaatsen een generatie arbeiders is ingestroomd zonder enige ervaring met (vakbonds)strijd. In die zin willen we ook vasthouden aan onze stelling dat de WAO wel degelijk heeft bijgedragen aan een relatief conflictloze generatiewisseling op de werkvloer waar de nieuwe generatie direct onder een neoliberaal en vakbondsvijandig regime aan het werk is gezet. Als een ultra flexibele werknemer met een technisch beroep, zonder een rechtspositie en beloning die te maken hebben met kwalificatie en ervaring.
Alternatieve financiering
Al sinds het midden van de jaren zeventig verschijnen kritische, economische beschouwingen over de premiedruk van de sociale zekerheid. Enerzijds sproot die kritiek voort uit het toenemend gebruik en de groeiende aanspraak op de voorzieningen bij de neergaande conjunctuur van die tijd. Anderzijds werd gesignaleerd dat de sociale lasten als onderdeel van de loonkosten per bedrijfssector tot wel 40 procent uiteenliepen (binnen de sectoren mogelijk nog meer dan tussen de sectoren). De meer arbeidsintensieve sectoren droegen en dragen naar verhouding voor een groot deel de kosten van de voorzieningen en volksverzekeringen. Zo stond er een bonus op een vermindering van de betaalde werkgelegenheid, alsmede op ‘zwarte’ dienstverbanden.
Een tweede overweging was dat de verzekeringsgedachte – van oorsprong de premiebetaling per werknemer – met het verplichte, algemeen geldende en brede karakter van de voorzieningen was achterhaald. Datzelfde gold voor de complexe, administratieve procedures van ‘opcenten’ voor elke andere regeling en voorziening. Uit deze kritiek zijn voorstellen ontwikkeld om de sociale zekerheid niet langer uit ‘opcenten’ op het arbeidsloon te financieren, maar uit een heffing op de toegevoegde waarde die in bedrijven en instellingen wordt gerealiseerd als deel van de nationale welvaart.
Inhakend op dit gedachtegoed en overwegend de conjunctuur versterkende effecten van de huidige financieringswijze, ontwikkelde Piet van Elswijk in de jaren negentig een alternatief plan voor de financiering van de sociale zekerheid. Hij zag dat de financieringsproblemen van het huidige bestel tot voorspelbare reacties leiden van verlaging van de uitkeringen en bezuinigingen op overheidsuitgaven. Terwijl, opvallend genoeg, de ontwikkeling van het Bruto Nationaal Product, ook uitgedrukt per inwoner, daarvoor helemaal geen aanleiding gaf. Dat voerde tot de dwingende conclusie dat de verdeling van de welvaart niet deugt.
Wij komen tot de conclusie dat de mondialiseringsbeweging een uitdrukking is van de wijzigingen in de sociale en culturele verhoudingen in de arbeidersklasse. We ontlenen deze conclusie aan de diversiteit van invalshoeken en organisaties in die beweging en haar pluriforme karakter, zie de actiegroepen op verschillende terreinen, de vakbondsgroepen, de milieu- en migrantenorganisaties, enzovoort. Tevens zien we dat die beweging de ‘oude’ verdeling die langs allerlei inhoudelijke en groepsscheidslijnen liep, in de praktijk heeft doorbroken. Wij denken dat in die gevarieerde beweging de meer fundamentele vraag naar de verdeling van de rijkdom in de wereld in de toekomst een centrale plaats zal innemen. Zo ook, de verdeling van de totale welvaart, dus niet alleen de lonen. De eis van de Euromarsen voor een Europees minimuminkomen en het vraagstuk van de financiering van de sociale zekerheid sluiten daar op aan.
Piet van der Lende en Jan Müter

(Nederlands Comité Euromarsen)