Evaluatie Derde Kamer na enkele jaren

Evaluatie Derde Kamer

Bij de Derde Kamer haden we de volgende uitgangspunten/gedach­ten.

1. De Derde Kamer moet organisatorisch en inhoudelijk een alternatief zijn voor politieke partijen en het overtheidsbe­leid. Het is de bedoeling, buiten politieke partijen en over­legstrukturen met de overheid om een soort tegenbeweging op te bouwen, die zich niet laat inkapselen en die met name de thema’s demokratie, migratie, armoede en milieu met elkaar in verband brengt. Een beweging nadrukkelijk tegenover de huidige politiek/beleid.

2. Sociale bewegingen zijn in Nederland one issue bewegingen geworden, die zich maar met een bepaald onderwerp bezig hou­den, zodat er geen over all analyse van de maatschappij en het formuleren van een alternatief daarvoor tot uitgangspunt gekozen wordt. Een visie op het geheel ontbreekt. Verder zijn er ook organisatorisch weinig kontakten tussen de mensen, die in een bepaalde sociale beweging aktief zijn. Er zou bij deze mensen wel eens een grote behoefte kunnen bestaan om met andere bewegingen in kontakt te komen en gezamenlijk een alternatief te ontwikkelen. De Derde Kamer kan als functie hebben, deze mensen met elkaar in kontakt te brengen en dat gezamenlijke alternatief te ontwikkelen.

3. We moeten daarbij niet een van te voren geformuleerd alter­natief op tafel leggen, maar van onderop, dwz de mensen uit de verschillende sociale bewegingen moeten al diskussierende met elkaar tot de formulering van een gemeenschappelijk inhoude­lijk alternatief komen. De tijd is voorbij, dat je een verkla­ring dropte van bovenaf en daar dan aanhang vopor probeerde te werven. De mensen zijn mondig genoeg om zelf dingen te formu­leren. Hierover hebben echter voortdurend diskussies in de Derde Kamer plaatsgevonden, vanaf het begin. Het besluit is in feite geweest, dit niet te doen.

4. Aansluitend bij het niet van bovenaf opleggen van analyses en methoden om dingen te bereiken moeten we proberen op lokaal nivo plaatselijke Derde Kamers te ontwikkelen, waarbij de mensen uit verschillende sociale bewegingen die de plaatse­lijke situatie goed kennen samen op lokaal nivo aktief worden vanuit een bredere visie (glokalisering). Deze plaatselijke coalities van derde kamers vormen een soort federatie op landelijk nivo, de landelijke Derde Kamer.

5. De tijd is rijp voor een dergelijk alternatief. Er is een krisis in het besluitvormingssysteem, die de legitimatie ervan ondergraaft. Mensen geloven steeds minder in de huidige poli­tiek. Door de privatisering van publieke taken, het ontstaan van een neo-liberaal Europa en andere faktoren wordt de macht van de nationale staat als regulerende instantie uitgehold. Politieke partijen spreken steeds minder mensen aan, omdat men het geloof in de huidige politiek heeft verloren. Dit is oa genanalyseerd in de eerste grote brochure van de Derde Kamer. De Derde Kamer zal een alternatief zijn voor mensen, om zich bij aan te sluiten. Er kan een tamelijk radikaal links alter­natief ontstaan voor de huidige politiek, die enige aanhang en invloed heeft.

De bovenstaande doelstellingenen klinken zeer ambitieus, en misschien zijn onze ambities iets minder geweest, maar ik geloof, dat ik de belangrijkste uitgangspunten van de Derde Kamer in haar opzet wel heb genoemd. De praktijk bleek wat weerbarstiger dan de teorie. Wat is er, sinds de oprichting van de Derde Kamer de afgelopen jaren gebeurd?

1. De Derde Kamer heeft geen coalities kunnen vormen met andere groeringen, waarbij de Derde Kamer een duidelijk ge­zicht had en een meerwaarde vormde ten opzichte van die andere groeperingen. Daarvoor zijn verschillende redenen. De opzet van een nieuw links blad als coalitie tussen Konfrontatie, Autonoom Centrum, SAP en Lekker Fris is mislukt, evenals het projekt van Konfrontatie zelf. In Amsterdam kwam er geen coali­tie tussen het referendum komitee en de Derde Kamer. Wij hebben een konferentie belegd, op basis van oa een kritiek op het referendumkomitee, dat zij de nationalistisch-Amsterdamse sentimenten probeerden uit te spelen, en dat het om meer ging dan groot of klein Amsterdam. Wij wilden op de konferentie de inhoudelijke achtergronden van het ontstaan van groot-amster­dam naar voren brengen, zodat de diskussie over demokratie en lokale ekonomie inhoudelijk nieuwe impulsen zou krijgen. Dit is niet begrepen. De doelstellingen van de Derde Kamer bleven abstrakt en vaag.

2. In sociale bewegingen bleek het opzetten van one-issue groeperingen met een specifiek doel een bewuste politiek te zijn, in het licht van de onmogelijkheden op dit moment in Nederland op werkelijk grote sociale bewegingen van de grond te krijgen, op basis van een gemeenschappelijke analyse, die de regering onder druk zetten. Wijnand Duivendak heeft daar oa een intervieuw over gegeven. De behoefte, met andere sociale bewegingen te praten bleek niet zo groot, en het is vanuit een specifieke beweging ook mogelijk, een totaal analyse te maken. De ervaringen met het Platform naar een Ander Europa hebben mij geleerd, dat zeker bij de kaderleden van verschillende groeprringen geen behoefte bestaat aan langdurige coalities. Men komt alleen tot gelegenheidscoalities, naar aanleiding van gebeurtenissen, die zich voordoen. (De Europese Top)

 PvdL

Opvattingen van Bart van Wijck

Het gaat om een culturele omslag. In de zeventiger jaren hadden wij het idee, dat we met iets groots bezig waren, dat we deel uitmaakten van een internationalistische wereldwijde beweging voor een betere maatschappij. Enthousiast werkten wij aan een betere toekomst. Dit subjectieve gevoel is helemaal weg. Het gaat erom, dit gevoel weer terug te krijgen. Het had ook wel iets te maken met de levensfase waarin je verkeerde, je afzetten tegen je ouders, je was jong, begon de wereld te ontdekken. Toen ik een boek las over 1917 raakte ik helemaal enthousiast, dat was het, ik voelde me verbonden met een we­reldwijde beweging. Het postmodernisme heeft ook wel iets positiefs. Wat bedoelt hij daarmee?. Het internationalisme van de zeventiger jaren was goed. Je voelde je betrokken bij derde wereld bewegingen voor bevrijding van het eigen land. Mensen kijken bij een identificatie naar een range van dingen. Naar het enthousiasme dat de reeds deelnemenden uitstralen, naar het wij gevoel dat zij uitstralen, of ze zelf in die beweging aktief kunnen zijn om zelf dingen te ontdekken, etc.

Niet alleen naar het objektivistische van: hele goede doelstellin­gen, die mensen willen iets moois, daar ben ik het wel mee eens. Wat Jan Müter en Rob Marijnissen doen, is een objectie­ve analyse van de krachtsverhoudingen en daar dan tegenover zetten wat goed is, daar moet iedereen het toch wel mee eens zijn, en dan proberen te intervenieren in het krachtenveld, en best ook wel dingen bereiken. Dit doet de SAP heel sterk, ze willen geen oude dingen loslaten, terwijl als je revolutionair bent, je toch de dingen op hun kop moet durven zetten. Men gaat met een soort dodelijke ernst de dingen analyseren. Hoewel het best goed is om af en toe dodelijk ernstig te zijn. Minstens even noodzakelijk is een inschatting/ analyse van de subjektieve kant van de sociale bewegingen. Die twee dingen moeten precies op elkaar aansluiten. Je gaat een inschatting maken bij een huis bouwen van het veld, hoe ziet dat eruit, welke materialen heb je, en dan ga je het huis gewoon bouwen. Het gaat erom, dat we geen truucs gebruiken om mensen te manipuleren, maar om mensen zelf te laten denken. Wij gebruiken ook een mooie lay-out voor het blad. Het kan ook best goed zijn om een totaal-scepticisme neer te zetten tegen het groene hart van Nederland zoals in de laatste tijd gebeurt.

De derde kamer komt op voor de mensen aan de onderkant, de naamlozen die geen stem hebben. Wij streven naar radikale demokratie, wat verschillende vormen kan aannemen.

Dit leidt tot de volgende conclusies voor de tekst:

1. Het moet een tekst zijn, waar mensen zich mee kunnen iden­tificeren. Dit betekent echter geenzins dat wij alleen maar een objektieve analyse plegen van de werkelijkheid en van de krachtsverhoudingen daarin, daarna Het Goede formuleren en ertegenover plaatsen, meedelen, dat wij dit Goede, waar ieder­een het wel mee eens (moet) zijn nastreven en het daarbij laten. Identificeren betekent ook heel andere dingen. Mensen identificeren zich om diverse redenen. Omdat de deelnemers enthousiasme uitstralen, omdat er felle, spitsvondige diskus­sies worden gevoerd, of omdat men denkt door deelname zelf nieuwe dingen bij zichzelf en bij anderen te kunnen gaan ontdekken. Dit heeft tot gevolg, dat wij niet streven naar een tekst, waarvan wij denken, dat veel mensen het ermee eens moeten zijn, of dat alleen uit voor de hand liggende dingen in staan. Er kunnen best dingen in staan, waar bijna niemand het mee eens is.

2. De tekst is niet zozeer bedoeld als een hergroepering van de derde kamer, een evaluatie van het voorgaande en een moti­vatie voor onszelf, maar als een tekst naar buiten toe, om mensen te werven,als een ontwikkeling in het gezicht van de derde kamer, als een mijlpaal op weg naar een beweging, waar­van de mensen denken: daar wil ik bijhoren, (ook al ben ik het er niet mee eens).

3. De tekst moet niet truucs gebruiken om mensen te laten denken, wat wij ook denken, maar om mensen zelf te laten denken. Waarom willen wij dit? Dat is een goede vraag. Waarom willen wij eigenlijk geen verlichte dictatuur van een deskun­dige minderheid, die de werkelijkheid van de historische maatschappijvormen uitgebreid geanalyseerd heeft, en die dus om die reden de enige elite is, die weet, wat goed is voor de mensen? Als je het teveel aan de mensen zelf overlaat, ont­staat er maar chaos, of misschien wel een burgeroorlog, of een terugval in voorgaande historische maatschappij-formaties. De eerste filosoof die dit vond, was Plato.

4. Wij moeten expliciet vermelden, dat wij geen dubbele bodem nastreven. Moeten we dat wel expliciet vermelden?.

5. De tekst moet wel een analyse zijn van de werkelijkheid, bijvoorbeeld van “een jaar paars” maar daar minstens even belangrijk aan koppelen een inschatting van de subjektieve positie van sociale bewegingen, dat inmiddels een leeg bregrip geworden is, en proberen een tekst te maken, waarbij deze twee dingen precies op elkaar aansluiten. Dit geeft mensen het gevoel, dat ze zich met de tekst kunnen identificeren!.

6. Dit betekent dat we bij het maken van de tekst tewerk gaan volgens de methode: eerst analyseren, hoe het in elkaar zit en inschatting subjektivisme, en dan een tekst, waarbij deze twee op elkaar aansluiten.

Tekst uit verslag Derde Kamer bijeenkomst over de stadsprovincie in het Barleus gymnasium op 13 mei 1995

Diskussie werkgroep 2 plus 3.

Bernard Stolte begint zijn inleiding met te stellen dat het
onderwerp van de bestuurlijke herindeling al heel lang speelt.
In 1981 zijn de deelraden Noord en Osdorp opgericht. Ze waren
bedoeld als een strategisch idee op een schaakbord, dwz men
poogde op die manier de deelraden erdoor te drukken.
Op stedelijk niveau in de gemeenteraad speelden vervolgens twee punten:
– Het is een gigantische operatie, hoe moeten we de ambtenar-
ern spreiden? Hoeveel deelraden moeten er komen?. Het CDA was
voorstander van 8, de PvdA 16 en Groen Links geen.
– Er werden beslissingen genomen over de bestuurlijke herinde-
ling, zonder dat er sprake was van een goede evaluatie met de
deelraden Noord en Osdorp.
Dat laatste zien we nu met de stadsprovincie weer. In feite worden
in de diskussie over de verdere bestuurlijke herindeling de
ervaringen van de afgelopen tien jaar nauwelijks meegenomen. Er
wordt alleen gediskussieerd over hoe de top, de stadsprovincie
eruit moet zien.
De buurtgroepen zouden zich eigenlijk op het standpunt moeten
stellen: we hebben veel ervaring met de deelraden, ze zouden
van onszelf moeten zijn, hoe kunnen we ons verdedigen tegen
het oprukkend centralisme?
De deelraden zijn 5 jaar geleden ontstaan. In feite zijn de
stadsdelen in de afgelopen vijf jaar aan hun lot overgelaten.
Enerzijds werd er door maatschappelijke organisaties niet in
geinvesteerd, anderzijds keken de mensen die de macht kregen
in de deelraden naar boven. Daardoor zijn de stadsdeelraden
een soort wegwerpartikel geworden. Ze worden alleen maar
gebruikt als leerschool voor jonge politici, die het zien als
begin van hun carriere.
De stadsdeelraden zijn ingevoerd onder het motto: het bestuur
moet dichter bij de burger. Het gekke is, dat een model daar-
voor al was gevonden, nl de A.P.G, de Ambtelijke
Projekt Groep Stasdvernieuwing. De voorzitters van deze pro-
jektgroepen kregen bepaalde mandaten, en er ontstond een goed
kontakt tussen de burgers en de hogere ambtenaren, dat in
grote lijnen goed funktioneerde. Dit model heeft gewerkt. Er
was een goede relatie tussen de buurt en het bestuur. Dit
model is overgenomen oa bij de uitbreiding van de Nederlandse
Spoorwegen en andere ruimtelijke ordeningsproblemen. Daar
werden dezelfde codes toegepast. Toch zat er in deze projekt-
groepen ook wel een spanningsveld, omdat men er vanuit ging,
dat projekt groepen ook voor de buurt werkten, maar er zat
toch ook een andere kant aan, nl werken voor de politieke
bestuurders. Bij deze A.P.G’s was er echter het recht van de
burgers om bij de projekten betrokken te worden en ook de
plicht van de overheid om dat te organiseren. Toen zei men bij
de stadsdeelraden, ja, maar wie kontroleert vanuit de politiek
nu die A.P.G’s? Dit heeft tot gevolg, dat alles nu via de
portefeuillehouder van de deelraad loopt, en dat er zg voor-
trajekten ingesteld worden, waarbij het recht op inspraak of
erbij betrokken worden steeds weer opnieuw bij ieder geval
bevochten moet worden.
Ik zou in dit verband ook nog ter diskussie willen stellen,
dat de instelling van de stadsdelen heeft geleid tot een
enorme brain-drain vanuit de buurtorganisaties, die daardoor
verzwakt werden.
Ben Bles maakt de opmerking, dat de deelraden alleen werden
opgericht, om de macht van de ambtelijke instanties op het
stadhuis te breken, de deelraden zijn nooit bedoeld geweest om
het bestuur dichter bij de burger te brengen. In feite zijn
die projketgroepen ook opgericht, om die macht van de ambtena-
ren nog eens een keer te breken.
Bernard antwoord, dat dit waar mag zijn, maar dat als de
instelling van stadsdeelraden tegelijkertijd leidt tot de
conclusie dat het een middel is om verder te komen, dat we dat
dan moeten aannemen.
Iemand merkt op, dat je die deelraden eigenlijk niet nodig
hebt, wat je nodig hebt zijn aktieve, betrokken burgers, die
bezig zijn met hun eigen straat, maar die tegelijkertijd ook
verder willen kijken dan hun eigen stoepje. De betrokkenheid
van dergelijke mensen is essentieel, dat is belangrijker dan
de vorm.
Iemand anders maakt nogmaals de opmerking dat de deelraden
niet zijn opgericht om het bestuur dichter bij de burger te
brengen. Dit argument werd gebruikt als eem modieus omhulsel
voor de buitenwereld. Het argument had per ongeluk inderdaad
waar kunnen worden, maar het is in feite niet gebeurd. De
politici in de deelraden hebben de neiging, zich af te sluiten
van de burgers, die willen participeren in het maken van het
beleid. Aktieve burgers lopen tegen een muur op. Bovendien
ligt het niveau van besturen bij de deelraden erg laag. Er
wordt verteld, dat een politica na vijf jaar als wethouder van
een deelraad ruimtelijke ordening in haar portefeuille gehad
te hebben, bekende, dat ze niet wist wat een bestemmingsplan
was. De inspraak/invloed van de buurtbewoners zit niet in het
syteeem ingebakken, het is afhankelijk van enkele goedwillende
ambtenaren/politici.
Daarna houdt Luud Schimmelpennink zijn inleiding. Hij heeft
oorspronkelijk een technische opleiding genoten en houdt zich
bezig met technische innovatie, dwz het ontwikkelen van nieuwe
produkten. Zijn politieke opvoeding heeft hij gekregen in de
zestiger jaren, toen er krenten uitgeeeld werden op de Dam, en
werden een aantal begrippen ontwikkeld over demokratie en
solidariteit. Luud is ook tien jaar voorzitter geweest van het
wijkcentrum d’oude stad, toen de aanleg van de metro speelde
en de metrorellen zijn geweest. Zijn ervaring was in die tijd:
een groep buurtbewoners stapte naar het wijkcentrum om bij-
voorbeeld een projekt voor herbestrating gerealiseerd te
krijgen. Belanghebbenden belegden dan een vergadering, waar
ook ambtenaren voor werden uitgenodigd. Tot hun eigen verba-
zing konden de buurtbewoners dan op zo’n grote vergadering tot
een gemeenschappelijk standpunt komen, en mochten de buurtbe-
woners beslissen, wat er zou gaan gebeuren. Luud noemt dit
even verder in zijn betoog ‘volksvergaderingen’ het heeft hem
verbaasd, hoe enorm wij het als mensen in ons hebben, om op
zo’n vergadering tot een besluit te komen, ook met ondernemers
en zo erbij. Voor de pauze wordt er gediskussieerd, en zijn er
meningsverschillen, dan is er in de pauze koffie en na de
pauze wordt een besluit genomen. Je zou het kunnen vergelij-
ken met de kerk. Eer is nog veel religieus besef onder de
menaen, maar dit vertaalt zich niet meer in het naar de kerk gaan.
Zo is het ook met deze vergaderingen. Er leven onder de mensen
best veel politieke gevoelens, maar dit vertaalt zich niet in
politieke partijen, dwz de demokratie, de deelname van de
mensen aan de politiek komt niet meer in het bestaande kader
van de politieke partijen tot gelding.
Bernard merkt op, dat je niet alleen over de vorm moet praten,
die de demokratie aanneemt. Moet je praten over een gecen-
traliseerd of gedecentralisserd systeem? Moet je praten over
anarchie of iets anders? De probleemstelling moet anders
geformuleerd worden. Het gaat erom, dat er een soort controle
van de politiek nodig is, dat er een soort feed-back komt. De
vraag is nu, hoe zullen de noodzakelijke veranderingen in het
bestuur doorgevoerd worden, waarbij van de politci en de
ambtenaren niet een soort monsters moeten maken. Het gaat om
dit soort processen, dwz, hoe kunnen we ervoor zorgen, dat
politici streven naar dienstbaarheid aan de mensen, zodat de
politici het vetrouwen dat we in hen stellen waarmaken.
Luud wil het vraagstuk van de schaal waarop mensen dingen
beleven en waarop dingen gebeuren bij de diskussie betrekken.
Waaraan ontlenen we onze identiteit als Amsterdammer? Dat
ontlenen we aan het centrum van de stad, je zou kunnen zeggen
de grachtengordel, het gebied waar Osdopr niet meer bijhoort,
hoewel de Osdorper wel een identiteit als Amsterdammer be-
leeft. Er is blijkbaar een centraal gebied, waar een soort
schaalidentiteit bij hoort. Men wil de deelgemeenten laten
samenwerken, maar men weet niet hoe. Toch is samenwerking
noodzakelijk. Dat is het leuke van het proces van nu.
Van der Laan heeft gezegd:
dan splitsen we amsterdam niet op. We zullen er in de toekomst
rekening mee moeten houden, dat we voldoende draagkracht
organiseren.
De schaal van de dingen is heel belangrijk. We zullen ons
ervan bewust moeten zijn, dat we elk moment op een andere
schaal bezig zijn. De diskussie Noord-Zuid lijn gaat over een
heel andere schaal dan de eigen straat. Maar hoe verhouden die
twee zich tot elkaar?
Een ander punt is de ekonomie, hier vinden voortdurende veran-
deringen en schaalvergrotingen plaats. De ekonomie is belang-
rijk voor de werkgelegenheid. Amsterdam is een stad waar veel
ekonomische aktiviteiten worden geboren, die elders worden
gerealiseerd. Amsterdam zou ook in de toekomst veel nieuwe
werkgelegenheid moeten raliseren. Hier speelt ook de schaal-
vergroting een rol, vroger zaten de konfektionairs en hun
vervoerder op de grachten, daarna zijn veel konfektionairs het
land ingegaan. Toen is er in de buitenring een groot konfek-
tiecentrum geopend, en toen kwamen al die vedrijven weer terug
want dat konfektiecentrum werd een soort bijenkorf, waar alles
gebeurde.
De stad is niet een eenheid, het stedelijk gebeuren in de
verschillende wijken is enorm verschillend. Vergelijk Osdorp
eens met het centrum. In het centrum is de bebouwingsdichtheid
vele malen groter dan in Osdorp. Men bouwde Osdorp vanuit een
soort idealisme: veel groen, niet te dichte bebouwing, mooie
ruime lichte huizen, etc. Maar het werd een soort slaapstad,
waar de mannen s’morgens naar hun werk gingen en de vrouwen
boodschappen deden en thuis zaten. Het waren geen levende
steden. Zo zie je, dat iets wat je vanuit idealisme doet, ook
iets negatiefs heeft. Wij zijn toen met het idee van de kom-
pakte stad gekomen. Het centrum, en het gaat erom dat te
behouden, is een kompakte stad, die niet alleen maar voor
overlast zorgt. De mensen dicht bij elkaar betekent ook meer
aktie, gezelligheid, intensieve kontakten. Dat zijn voordelen.
Later zijn die ideeen van ons overgenomen door en misbruikt
door politici, om op de hele stad toe te passen, maar ik denk,
dat wat wij Amsterdam noemen, daaronder verstaan wij het oude
centrum. Die andere dingen zijn er later bijgekomen. Kijk nu
eens naar Almere, hoe dat gebouwd wordt en hoe verkwistend dat
is in de ruimte. We moeten erover praten, hoe we voor de stad
lijnen uitzetten naar de toekomst, maar nu gaat het erom, in
de eerste plaats, die stad te beschermen.
Ben Bles brengt naar voren, dat er gisteravond een diskussie
was met de mokummers in zaal 100, en dat amsterdam-liederen
werden gezongen door een iranier, en nog enkele andere natio-
naliteiten. De migratie zorgt voor een politike vitaliteit,
die het amsterdam gevoel versterkt. Het: wij zij amsterdam
gevoel is heel belangrijk.
De voorzitter stelt vervolgens de probleemstelling aan de
orde, die oorspronkelijk hoorde bij werkgroep 3, nl hoe is de
positie van de stedelijke belangengroepen. Rob merkt op, dat
het Komitee Moet Amsterdam Amsterdam Blijven tot nu toe vooral
bestaat uit individuen. Organisaties zijn er nauwelijks bij
betrokken. Het gaat er nu om: hoe brengen we de informatie
voor het voetlicht van de maatschappelijke organisaties.
Er zou een stedelijk platform moeten komen, evt met
een stedelijk blad, waar tal van groepen aan deelnemen, en
waarbij ze diskussieren over: hoe nu verder met de stad? Er
zijn al geluiden voor een nieuwe politieke partij voor de stad
Amsterdam. Maar we moeten nu niet werken aan een nieuwe poli-
tieke partij. Iemand anders merkt op, dat er wel de mogelijkheid is
van een politike partij van migranmten. Dergelijke
geluiden zijn er meer. Ook de ervaringen van buurtbewoners met
het Karrewiel waren aanleding om te zeggen, we doen het zelf
wel en we richten een nieuwe politieke partij op.
Ben Bles brengt naar voren, dat er tussen de mensen hooguit
een gemeenschappelijkheid is, die zit in de verscheidenheid.
Het traditionele organisatorische denken heeft zijn tijd
gehad. Vorige week stond in de NRC een stuk van een hoogleraar
uit Groningen met een analyse over Frankrijk, die correspon-
deert met de situatie in Nederland. Namelijk dat iedere burger non-
stop leeft in verschillende schalen.
De traditionele politieke partijen hebben het gevoel, dat ze
de mensen niet onder een gemeenschappelijke noemer kunnen
brengen, dat mensen daar niet onder zijn te brengen. Dat komt
juist, omdat die belangenverscheidenheid, en die verschillen
er zijn. Daarom moet je niet zoeken naar het gemeenschappelij-
ke als basis, maar naar de verscheidenheid. Daar zul je dan
echter wel een sturingsmechnanisme voor moeten hebben (?).
Maar dan komen de belangrijke intituties pas goed in Moeilijk-
heden.
Ik geef een voorbeeld. Het ziekenfonds heeft jaren geleden de
ziekenfondsbode afgeschaft. Door de ziekenfondsbode was het
ziekenfonds precies op de hoogte van wat er bij de mensen
gebeurde. Door de afschaffing en de automatisering is men niet
meer op de hoogte. Zou je de automatisering niet als instru-
ment kunnen gebruiken, dwz dat je als ziekenfonds terugkoppelt
naar de mensen: kijk, zoveel heb je gebruik gemaakt van het
ziekenfonds, zoveel premie heb je betaald, begrijp je nu dat
het redelijk is? Je zou de automatisering meer als instrument
moeten gaan gebruiken.
Iemand anders ziet daar niet zoveel in. Het gaat er toch om,
de solidariteitsgedachte nieuwe inhoud te geven. De burgers
zijn mondiger geworden, maar juist daarom kun je hen op hun
solidariteit aanspreken, dus geen referendumgedoe, maar buurt-
groepen oprichten op basis van die solidariteit.
Luud: het probleem is, dat die buurtaktivisten ook aan parle-
mentarisme gaan doen. Ik heb het meegenaakt in de Nieuwmarkt,
dat de buurtbewoners zeiden: we willen hier bomen hebben.
Daarvoor werd geld opgehaald en er werd een boomplantdag
georganiseerd. Toen zei de bewonersraad: nee, wij hebben juist
besloten, dat hier geen bomen komen. Precies hetzelfde model
heb je bij de gemeenteraad. Je blijft altijd zitten met het
probleem van de gekozen en de betaalde funktionaris.
Je zou incidenteel het mechanisme van de oude volksvergaderin-
gen moeten gebruiken, Incidenteel, niet te vaak. Het is een
instrument, wat grote mogelijkheden biedt. Het gaat erom, hoe
krijg je het politieke model, om tot een gezamenlijk besluit
te komen op buurtniveau. Vraag is dan, hoe krijg je die kracht
op het bestuurlijke niveau. Het blijft toch de vraag, wie
kontroleert wie.
Iemand zegt, dat er geen enkele bestuursvorm is ontwikkeld die
gebaseerd is op het goede in de mens. ieder bestuur is erop
gericht, de slechte kanten van de mensen in te snoeien. Maar
wie kontroleert dat dan weer? de goede dictator?
De parlementaire demokratie is een slecht model. Maar toch ben
ik het eens met Churchill, die heeft gezegd, dat de parlemen-
taire politieke demokratie zoals wij die kennen de aller-
slechtste staatsvorm is op alle andere na. Benoem maar eens
wat anders.
Bernard merkt nog op, dat het gaat om controle en feed back.
De hele maatschappij draait dol.
Luud merkt op, dat er altijd een vertegenwoordigend systeem
moet zijn, dus je kiest vertegenwoordigers met een mandaat,
maar het mag niet andersom zijn. Het probleem van de kleine
baasjes zul je altijd houden. Het probleem is dat de mensen
er niet in geinteresseerd zijn.

Discussie over de welvaartsstaat op de bijeenkomst van de Derde Kamer

In de fraktie van de “welvaartsstaat” diskussieerden de on­geveer 75 aanwezigen in de zaal met een forum, dat vooral bestond uit kritische vak­bondsleden en vertegenwoordi­gers van belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden. Bij de dis­kussie over de vijf stellingen onder voorzitterschap van Diny van Velthoven laaiden de emoties soms hoog op. Dit gebeurde vooral bij de tweede stel­ling: “de strijd voor een leef­baar milieu is niet te scheiden van de strijd voor sociale be­staanszekerheid en heeft daarom de hoogste priori­teit”.
De eerste kategorie meningen valt te omschrijven als: een drastische versobering voor iedereen is noodzakelijk. Een van de aanwezigen liep tijdens de diskussie over deze stelling naar voren waarbij hij riep, dat ook de minima moeten inleve­ren voor het milieu omdat de mensen in de bij­stand in ons land tot de 2% rijksten van de wereld behoren. Als zij niet bereid zijn in te leveren, komt er van een recht­vaardige wereld en een schoon milieu nooit iets terecht.
Ook uit de enqueteformulieren blijkt, dat sommige aanwezigen de prioriteit bij het milieu legden. “Grondstoffen of schone lucht is op betekent uiteindelijk dat iedereen het loodje legt. Wij kunnen niet zonder milieu en belasting op kapitaal in plaats van op arbeid. Het milieu moet de randvoorwaarden bepalen want bereiken duurzaamheid is punt een”. De aanwezigen die deze mening deelden vonden ook, dat er veel meer deeltijd­banen moesten komen, dus in feite arbeidstijdverkorting met evenredige inlevering van loon. Wel waren alle aanwezigen het erover eens, dat er geen geestdodend, vervuilend werk moest worden gecreeerd. Enkelen verbonden de prioriteit voor het milieu met persoon­lijke verantwoordelijkheid: ook de laagste inko­mensgroepen moeten inleveren, fundamentele veranderingen beginnen uitslui­tend bij je eigen consumptiegedrag. Uit­gaan­de van de persoonlijke verantwoordelijk­heid zeiden som­migen, dat we niet steeds kritiek moeten hebben op anderen, met name de vakbeweging, maar dat we onze eigen verantwoor­delijkheid moeten nemen. Niet de vakbeweging maar de consumen­ten spelen de belangrijkste rol door kritisch te consumeren.
Een van de voorstanders van drastische versobering bracht naar voren, dat hij een basisinkomen, voldoende om zelfstandig van te kunnen leven, a-sociaal vond. Ieder zelfstandig is niet alleen a-sociaal maar ook milieu-onvriendelijk (ieder een eigen auto, TV, vodeo, verwarming, huizen e.d.) Er moet in­tegendeel worden gestimuleerd, meer samen te wonen.
armoede is onrecht.
Tegenover de visie van versobering werd benadrukt, dat over­heid en werkgevers de milieuproblematiek trachten op te lossen door hoge milieuheffingen in te voeren in de vorm van indirek­te belastingen, die inkomensonafhankelijk zijn en dus oneven­redig zwaar drukken op de mensen met de laagste inkomens. De minima moeten zware miliueheffingen gaan betalen, waar ze in feite geen geld voor hebben. Ondertussen verandert er niets aan de produktiestructuur, dwz veel milieuvervuilende groot­schalige produktie blijft gewoon gehandhaafd, wordt alleen duurder. De afbraak van de verzor­gingsstaat en de bezuinigin­gen leiden tot een grotere armoede, zonder dat de problemen worden opgelost. De uitkeringsgerechtigden wordt helemaal niet gevraagd, wat voor ekonomie ze willen. De voorzitster conclu­deerde: het huidige milieubeleid gaat ten koste van de armen. De armoede in ons land neemt toe. De grenzen zijn al gepas­seerd. De minima kunnen niet meer inleveren. Zij worden be­schouwd als klaplopers op de maatschappij, die geen positieve bijdrage leveren, bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk of huishoudelijke arbeid. Het is schanddalig, dat uit­keringsgerechtig­den steeds in het verdachtenbankje worden geplaatst en hun hele hebben en houden op tafel moeten leggen en vernederende controles moeten ondergaan om een minimale uitkering te krij­gen. De uitkeringsgerechtigden worden als minder-waardig beschouwd. In dit verband werd ook geprotes­teerd tegen de term “onderkant van de samenleving”. We moeten benadrukken, dat uitkeringsgerechtigden volledige burgers zijn, het woord “onderkant” moeten we schrappen.
gezamenlijke standpunten
Er waren tijdens de diskussie verschillende pogingen, de bovengenoemde standpunten met elkaar te verenigen. De stelling zou in feite verkeerd zijn, omdat de strijd voor een schoon miliue en de bestrijding van armoede geen tegenstelling is. Een van de aanwezigen verwoordde het zo: “een leefbaar, sober inkomen moet genoeg zijn als het natuurlijke en sociale leef­milieu een hoge kwaliteit van leven daartegenover stelt. Bijstanders moeten worden ingezet voor zorg- en milieutaken maar daar moet geen slavenarbeid van gemaakt worden en het mag niet gebruikt worden om de lonen te drukken”. Oook Raf janssen bracht naar voren, dat uitkeringsgerechtigden en milieuacti­visten zich niet tegen elkaar moeten laten uitspelen; onze huidige welvaartsstaat is niet te handhaven. In de concurren­tieslag om de wereldmarkt wordt steeds verder bezui­nigd, waarbij ervan wordt uitgegaan, dat de doelmatigheid van de samenleving gegarandeerd wordt door een zo onbelemmeerd moge­lijke werking van de vrije markt. Dit zou leiden tot her­stel/uitbreiding van ekonomische bedrijvigheid dat mensen bestaanszekerheid ver­schaft. Maar de huidige ekono­mie kan alleen gehandhaafd worden door wanorde in het arme zuiden, in de natuur en in toenemende mate ook in het rijke noorden. De vrije werking van het markt­mechanisme staat aller­minst garant voor een doelmatige verde­ling van schaarse midde­len.
De milieuproblematiek en de armoede dwingen ons, de fundamen­ten van het ekonomisch systeem en de verzorgignsstaat grondig te herzien. Er moeten nieuwe denkkaders komen om de maatschap­pelijke solidariteit zo vorm te geven, dat mensen perspectief voor de toekomst houden en leefmilieu en natuur in stand blij­ven. Bij deze herziening moet echter worden voorkomen, dat grote groepen mensen steeds verder in de armoede terechtkomen. Uitkeringsgerechtigden moeten niet worden gezien als achter­blijvers, maar als voorlopers, omdat zij experimenteren met andere opvattingen van arbeid dan de gangbare en omdat ze bijvoorbeeld veel erva­ring hebben met hergebruik van goederen.
andere punten
Tijdens de diskussie waren er verschillende punten, waar de aanwezigen het over eens waren. Wat betreft de positie van de vakbeweging: Een van de aanwezigen verwoordde het zo: “de vakbeweging is een onmisbare faktor in de strijd voor een betere samenleving, maar zij is niet de enige of de be­langrij­kste. De vakbewe­ging zal bovendien een diep­gaande metamorfose moeten ondergaan in de richting van een brede, politieke vakbeweging die maat­schappe­lijke verande­ringen ook daadwerke­lijk op de agenda zet”.
Tijdens de diskussie werd daarbij gewezen op de noodzaak van een drastische herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid. Daarbij moet het bergip arbeid worden geherwaardeerd en op­nieuw ingevuld. Ook huishoudelijke arbeid van bijstandsvrouwen en vrijwilligerswerk moet worden erkend. Deze herwaardering van arbeid moet worden verbonden met een herinrichting van de sociale zekerheid. Dus afschaffing van sollicitatieplicht onder bepaalde voorwaarden of invoering van een basisinkomen. Over een basisinkomen was niet iedereen het echter eens.
Mijn conclusie luidt, dat de meeste aanwezigen het wel eens waren over de noodzaak van drastische veranderingen in de produktie en verdelingsstruktuur. Er werden verschillende creatieve voorstellen gedaan om de problemen tegemoet te tred­en, varierende van een ander belastingstelsel tot LETS-sys­temen. Er bestaan echter versc­hil­len van mening over de weg, waar­langs de doelstellin­gen moeten worden bereikt. 

Piet van der Lende.

Enkele indrukken van de diskussies op 23 april in De Derde Kamer.

In de vijfde sessie heeft Eise kalk het voorstel gedaan, in
Amsterdam een Derde Kamer te organiseren. Hierbij zouden ook
politici moeten worden uitgenodigd, en zou het onderwerp
“vrijwilligerswerk” moeten zijn. Hij deed een oproep om zo’n
Derde Kamer te organiseren. Verder verbond Ger Ramaekers
namens het PSUL de Derde Kamer met de buiten-parlementaire
enquete, die reeds in Limburg was georganiseerd. Jan Bosman
had geen duidelijke indruk van wie nu precies de bijeenkomst
had georganiseerd, wie erachter zaten, wie de initiatiefgroep
was, en dat het er toch om ging, het verzet te organiseren.
Het was geen interessante bijeenkomst om een artikel over te
schrijven. Verder zijn er geen voorstellen gekomen voor lokale
Derde Kamergroepen. Aan de ene kant zijn er veel mensen geko­men,
die de nota niet ontvangen hadden, en die zich niet
hadden opgegeven en die toch kwamen. (er waren zo’n 250 mensen)
De groep die zich wel had opgegeven en die de nota had gelezen
was kleiner dan verwacht qua opkomst. Saskia Poldervaart was
eerst enthousiast over het initiatief, maar later heel wat
minder, omdat er niet gepraat werd over de demokratie in het
huishouden. De pers heeft het geheel laten afweten. Er was
geen enkele krant aanwezig!!. Alleen KRO-radio en Eva Verstoep
van de NCRV waren aanwezig. De KRO-radio maakte er “een dag
met Hans Visser” van. (De bekende Nederlander). Het Parool
heeft mijn artikel niet geplaatst omdat men de informatie van
dergelijke “para-politieke organisaties” niet belangrijk
vindt.
Radiaal-linkse bladen hebben veel aandacht besteed aan het
initaitef. MUG, Konfrontatie, natuur en miliue, kleintje
muurkrant, NN, etc. Voor de bijeenkomst van 1 mei wil Assata
de vijfde nota van de initiatiefgroep integraal publiceren.

Aan het eind van de vijfde sessie heerste onduidelijkheid over
wat er nu verder moest gebeuren. Gerard zei, dat je eerst iets
moet neerzetten, voor je met een aktieorganisatie begint. Hij
is het dus eens met de bewuste vaagheid van het initiatief. De
RIA Dijkstra riep op tot bijeenkosmten over de invoering van
een basisinkomen in september en november. En vroeg iedereen,
daaraan mee te doen. Maar legde geen link naar de uitgangspun­ten
van de derde kamer. Brockhus van de sociale omroep neder­land
was er ook. Hij maakte reclame voor zijn initiatief, de
kritiek op de media. Verder de man in het rode jasje die
reclame maakte voor Solidair 93.

In de diskussie van de welvaartsstaat fractie werd er de
nadruk op gelegd, dat de armen geen geld hebben om
milieu­vriendelijk te leven, ze kunnen de duurdere produkten niet
kopen. Dit is ook de kritiek op de eco-tax, het is een indi­recte belasting,
die voor iedereen gelijk uitwerkt en dus
minder zwaar drukt op de hogere inkomens,
Er was een man die zei, dat de mensen in de bijstand tot de 2% rijksten van de
aardbol behoren en dat als zij niet bereid zijn in te leveren,
er nooit een milieuvriendelijke economie zal komen. Hij liep
kwaad weg, ondanks het pleidooi van Raf dat we ons niet tegen
elkaar moeten laten uitspelen, en dat het gaat om een ander
begrip van welvaart, waarmee de noodzaak om sober te leven
wordt verbonden met een fundamentele maatschappij kritiek.
Daarbij sluit je ook aan bij de initiatieven die er tegelij­kertijd bij armen zijn,
om anders te leven. We leven echter in een geldekonomie,
waarin je alleen kunt meekomen als je
veel geld hebt. In de mirgatiefractie werd gediskussieerd
over de quota, die in de TK alleen groen links wil, voordelen
zijn:

©je kunt er niet onder gaan zitten zoals nu

© je hebt geen paniekreacties als in een bepaalde maand toe­vallig
veel mensen naar Nederland komen.
Maar het gaat om mensen, niet om quota. Daarom een pleidooi
voor open grenzen. Hans Visser verbond de positie van de
minima in de oude wijken met de migratie.
Die uitkeringsge­rechtigden hebben de gevolgen van de migratie op hun bord
gekregen, dat is een feit waar je niet omheen kunt.

Zowel in de welvaartsstaatfractie als in de milieufractie werd
gediskussieerd over het begrip onafhankelijkheid.
In de mi­lieufractie werd gezegd, dat we politiek op wereldniveau
moeten denken en ekonomisch op regionaal niveau. Bij de eerste
stelling in de welvaartsstaatfractie werd bij het woordje
“onafhankelijkheid” gezegd, dat het ging om ekonomische onaf­hankelijkheid.
Er was een vrij zware delegatie van kerkelijke opbouwwerkers
aanwezig, die zich zowel met migratievraagstukken als met de
arme kant van nederland bezig houden.
Dit zijn twee speerpun­ten in progressief-kerkelijke kring.
Uit de vakbonden was bijna niemand aanwezig, uitgezonderd enkele mensen van het
blad solidariteit, die weinig aanhang hebben. Andere kritische
vakbondsgroepen waren er niet. (Of bestaan die niet?) Van
lokale werklozenorganisaties en andere uitkeringsgerechtigden­groepen
was ook niemand aanwezig, behalve uit Nijmegen en het
PSUL en Nanne de Jong van het Fries WAO-beraad.
Van de lande­lijke uitkeringsgerechtigdengroepen waren
verschillende verte­genwoordigers aanwezig, omdat ze voor de fractiediskussie
waren uitgenodighd. Van Groen Links waren weinig mensen aanwe­zig.
Wel Saar Boerlage, maar omdat ze van de
vereniging vrien­den van een basisinkomen is. Van de milieugroepen waren enkele
grote leiders (Juffermans) aanwezig, verder alleen kleine
kritische groepen, of mensen die in grotere milieuorganisaties
aan de rand staan. (Ook aktie Strohalm en van een boek over
alternatieve ekonomie).
Er bestaat bij de pers onbegrip voor het feit, dat we ons niet
tot de politici richten, en dat we onderling willen diskussie­ren over
hoe het verder moet. Dit onbegrip bestaat echter ook
bij enkele aanwezigen in de vijfde sessie. Ook werd gezegd,
dat het gaat om het verzet en konrete akties, en niet alleen
om studiedagen.
Jeroen Zonneveld zei, dat we beter bijeenkomsten met kleine
groepsdiskussies kunnen organiseren, en dan een bepaald onder­werp
helemaal uitmelken, in plaats van grote plenaire debatten
van grote groepen die dan een opppervlakkige diskussie voeren.
Mijn conclusie is, dat we misschien wel niet vaag genoeg zijn
geweest. de Notaas waren te voorbarig?.
Migrantengroepen waren niet aanwezig.  

Samenhang, samenwerking en stappen te behappen. Hadden we niet
moeten doen?

We hebben teveel hooi op onze vork genomen.
Vanuit de samen­hang nastreven hebben we teveel onderwerpen tegelijk aan de
orde gesteld voor 1 dag, zodat er oppervlakkig gediskussieerd
werd over een veelheid van onderwerpen. Waar al veel betere
analyses van gemaakt zijn. Bovendien kun je vanuit
afzonder­lijke bewegingen heel goed ook de samenhang in het oog houden.
De vaagheid die is ontstaan ontstond uit deze drie doelstel­lingen.
Wat wij eigenlijk wilden, was aan de orde stellen:
Waarom is er geen sterke oppositie tegen het falend regerings­beleid?
Waarom zit de politiek potdicht? Waarom leiden de
alternatieve analyses niet tot een andere politiek? hoe kunnen
we daadwerkelijk invloed uitoefenen? Wat is het organisatie­vraagstuk
van de sociale bewegingen? Hoe verhoudt zich de
onafhankelijkheid van sociale aktiegroepen zich tot het ge­heel?
Daarop werden in de verschillende diskussies
heel primi­tieve antwoorden gegeven. Daar ben ik wel van geschrokken. Nog
steeds is het demokratievraagstuk niet goed doordacht en
worden alleen klassieke antwoorden gegeven.
In de welvaarts­staatdiskussie kwam het woordje onafhankelijkheid naar voren.
Daarvan werd gezegd, dat het natuurlijk ging om ekonomische
zelfstandigheid. En in de milieudiskussie kwam het begrip
onafhankelijkeheid ook naar voren, waarbij werd gezegd, dat we
op mondiaal niveau in politiek opzicht naar een wereldregering
moeten streven, maar in ekonomisch opzicht naar regionalise­ring
van de ekonomie. Nou, dat is onzin, want wanneer lokale
gemeenschappen beslissen over bepaalde investeringen, dan is
dat een politieke beslissing. Ik moet er niet aandenken, dat
een wereldregering gaat bepalen, waar een bepaalde weg wordt
aangelegd.

We hadden ons misschien moeten beperken in de probleemstel­ling,
voor zo’n eerste bijeenkomst, en alleen over het organi­satievraagstuk
van sociale bewegingen en het vraagstuk van de
demokratische staat moeten diskussieren. Dan was er ook minder
onduidelijkheid ontstaan over plaats en functie van de Derde
Kamer. Wel of niet een alternatief regeerakkoord? Wel of geen
overkoepeling? Etc. Ik denk, dat we in de eerste drie nota’s
weinig essentieels hebben toegevoegd aan de diskussie. Al is
het een goede samenvatting van de monialisering van de wereld­ekonomie
en haar gevolgen. Ook: Wat is er mis met de demokra­tie?
We hadden daarbij natuurlijk wel, zoals in de vijfde
nota, een algemene analyse kunnen opvoeren, maar beperkt.
We hadden toch over de stellingen van de vijfde nota moeten
diskussieren!. Wat waren die stellingen ook al weer?
Ik denk, dat de ineenstorting van de communistische staten met
meer te maken heeft dan alleen het einde van de ideologien,
maar dat hieruit een diep ingekankerd wantrouwen is ontstaan
voor sociale bewegingen die een radikaal alternatief aan de
orde willen stellen, hun demokratische gezindheid wordt in
twijfel getrokken. Dit blijkt ook uit de wantrouwende vragen
van Jan Bosman. Het is niet zozeer zo, dat de mensen onze
analyse niet delen, maar ze sluiten zich niet aan, omdat er
dat diep ingekankerde wantrouwen bestaat.

Van hieruit kun je ook het klassebegrip van het marxisme
bekritiseren. Het gaat er niet zozeer om, dat er nu twee
verschillende klassen zouden bestaan, maar dat daaruit de conclusie
wordt getrokken, dat de mensen die tot die klasse behoren een
historische opdracht hebben, om de gehele wereld te bevrijden,
en dat er een soort vindbaar algemeen klassebelang is, van
waaruit de wereld kan worden geregeerd.
En dat alle nationali­smen, of verzet van lokale gemeenschappen
moet worden be­schouwd als van voorbijgaande aard van mensen uit een vorige
maatschappijformatie, die hun klassebelang niet zien. Zo
simpel is het niet.

PvdL