Evaluatie Derde Kamer na enkele jaren

Evaluatie Derde Kamer

Bij de Derde Kamer haden we de volgende uitgangspunten/gedach­ten.

1. De Derde Kamer moet organisatorisch en inhoudelijk een alternatief zijn voor politieke partijen en het overtheidsbe­leid. Het is de bedoeling, buiten politieke partijen en over­legstrukturen met de overheid om een soort tegenbeweging op te bouwen, die zich niet laat inkapselen en die met name de thema’s demokratie, migratie, armoede en milieu met elkaar in verband brengt. Een beweging nadrukkelijk tegenover de huidige politiek/beleid.

2. Sociale bewegingen zijn in Nederland one issue bewegingen geworden, die zich maar met een bepaald onderwerp bezig hou­den, zodat er geen over all analyse van de maatschappij en het formuleren van een alternatief daarvoor tot uitgangspunt gekozen wordt. Een visie op het geheel ontbreekt. Verder zijn er ook organisatorisch weinig kontakten tussen de mensen, die in een bepaalde sociale beweging aktief zijn. Er zou bij deze mensen wel eens een grote behoefte kunnen bestaan om met andere bewegingen in kontakt te komen en gezamenlijk een alternatief te ontwikkelen. De Derde Kamer kan als functie hebben, deze mensen met elkaar in kontakt te brengen en dat gezamenlijke alternatief te ontwikkelen.

3. We moeten daarbij niet een van te voren geformuleerd alter­natief op tafel leggen, maar van onderop, dwz de mensen uit de verschillende sociale bewegingen moeten al diskussierende met elkaar tot de formulering van een gemeenschappelijk inhoude­lijk alternatief komen. De tijd is voorbij, dat je een verkla­ring dropte van bovenaf en daar dan aanhang vopor probeerde te werven. De mensen zijn mondig genoeg om zelf dingen te formu­leren. Hierover hebben echter voortdurend diskussies in de Derde Kamer plaatsgevonden, vanaf het begin. Het besluit is in feite geweest, dit niet te doen.

4. Aansluitend bij het niet van bovenaf opleggen van analyses en methoden om dingen te bereiken moeten we proberen op lokaal nivo plaatselijke Derde Kamers te ontwikkelen, waarbij de mensen uit verschillende sociale bewegingen die de plaatse­lijke situatie goed kennen samen op lokaal nivo aktief worden vanuit een bredere visie (glokalisering). Deze plaatselijke coalities van derde kamers vormen een soort federatie op landelijk nivo, de landelijke Derde Kamer.

5. De tijd is rijp voor een dergelijk alternatief. Er is een krisis in het besluitvormingssysteem, die de legitimatie ervan ondergraaft. Mensen geloven steeds minder in de huidige poli­tiek. Door de privatisering van publieke taken, het ontstaan van een neo-liberaal Europa en andere faktoren wordt de macht van de nationale staat als regulerende instantie uitgehold. Politieke partijen spreken steeds minder mensen aan, omdat men het geloof in de huidige politiek heeft verloren. Dit is oa genanalyseerd in de eerste grote brochure van de Derde Kamer. De Derde Kamer zal een alternatief zijn voor mensen, om zich bij aan te sluiten. Er kan een tamelijk radikaal links alter­natief ontstaan voor de huidige politiek, die enige aanhang en invloed heeft.

De bovenstaande doelstellingenen klinken zeer ambitieus, en misschien zijn onze ambities iets minder geweest, maar ik geloof, dat ik de belangrijkste uitgangspunten van de Derde Kamer in haar opzet wel heb genoemd. De praktijk bleek wat weerbarstiger dan de teorie. Wat is er, sinds de oprichting van de Derde Kamer de afgelopen jaren gebeurd?

1. De Derde Kamer heeft geen coalities kunnen vormen met andere groeringen, waarbij de Derde Kamer een duidelijk ge­zicht had en een meerwaarde vormde ten opzichte van die andere groeperingen. Daarvoor zijn verschillende redenen. De opzet van een nieuw links blad als coalitie tussen Konfrontatie, Autonoom Centrum, SAP en Lekker Fris is mislukt, evenals het projekt van Konfrontatie zelf. In Amsterdam kwam er geen coali­tie tussen het referendum komitee en de Derde Kamer. Wij hebben een konferentie belegd, op basis van oa een kritiek op het referendumkomitee, dat zij de nationalistisch-Amsterdamse sentimenten probeerden uit te spelen, en dat het om meer ging dan groot of klein Amsterdam. Wij wilden op de konferentie de inhoudelijke achtergronden van het ontstaan van groot-amster­dam naar voren brengen, zodat de diskussie over demokratie en lokale ekonomie inhoudelijk nieuwe impulsen zou krijgen. Dit is niet begrepen. De doelstellingen van de Derde Kamer bleven abstrakt en vaag.

2. In sociale bewegingen bleek het opzetten van one-issue groeperingen met een specifiek doel een bewuste politiek te zijn, in het licht van de onmogelijkheden op dit moment in Nederland op werkelijk grote sociale bewegingen van de grond te krijgen, op basis van een gemeenschappelijke analyse, die de regering onder druk zetten. Wijnand Duivendak heeft daar oa een intervieuw over gegeven. De behoefte, met andere sociale bewegingen te praten bleek niet zo groot, en het is vanuit een specifieke beweging ook mogelijk, een totaal analyse te maken. De ervaringen met het Platform naar een Ander Europa hebben mij geleerd, dat zeker bij de kaderleden van verschillende groeprringen geen behoefte bestaat aan langdurige coalities. Men komt alleen tot gelegenheidscoalities, naar aanleiding van gebeurtenissen, die zich voordoen. (De Europese Top)

 PvdL

Creatieve beleidsvorming

Sinds kort ben ik namens de Bijstandsbond betrokken bij een proces van ‘creatieve beleidsvorming’ in Amsterdam Oost. Doel van deze ‘creatieve beleidsvorming’ is voor het stadsdeel een beleid ter bestrijding van de verarming te bedenken. Hiervoor werden hulpverleners uit het stadsdeel en vertegenwoordigers van stedelijke organisaties van uitkeringsgerechtigden uitgenodigd. Dus niet eerst een beleidsnota, waar vervolgens commentaar op gegeven kan worden, nee, eerst wordt aan ons, vertegenwoordigers, gevraagd wat wij belangrijk vinden en via het ‘creatieve beleidsproces’ komen er dan voorstellen voor een nieuw beleid.
Op de eerste dag van het ‘creatieve proces’ werden ‘aandachtspunten’genoteerd. Ieder van de vijftien aanwezigen mocht roepen wat hij of zij belangrijk vond. Dit werd op grote flap-overs geschreven, en aan het eind van de dag werden al deze aandachtspunten verwerkt tot ‘beslispunten’, ‘randvoorwaarden’ e.d. De bedoeling was dat bij het noemen van aandachtspunten niemand die van een ander zou afkraken. De rayonmanager beleid en communikatie van het rayon Oost van de Sociale Dienst stelde echter voortdurend aandachtspunten ter discussie. Ik konstateer bijvoorbeeld, dat veel gedetineerden  bij detentie hun huis kwijtraken, omdat ze de huur niet meer kunnen betalen omdat hun uitkering stopgezet wordt. De wijkagent die naast mij zit, bevestigt dit verhaal. De sociale dienst ambtenaar werpt tegen: ‘maar we hebben een regeling, waarbij het eerste half jaar de huur door de sociale dienst betaald wordt. Als ze een langere gevangenisstraf krijgen, niet, maar als ze dan uit de gevangenis komen, hebben ze binnen drie maanden een woning.’ Weg is de signalering van het knelpunt van de dakloze gedetineerden. Achteraf blijkt zijn verhaal echter niet te kloppen. Er zijn wel degelijk lange wachttijden voor woningzoekenden die uit de gevangenis komen!
Het tweede discussiepunt gaat erover dat niet kunnen lezen en schrijven een vorm van armoede is. De sociale dienst ambtenaar: ‘Er zijn mensen, die dat niet kunnen, en toch gelukkig zijn. Dit hoort dus niet bij het armoede beleid, je moet het beperken tot inkomensvoorzieningen.’
Ook werd gesteld dat als allochtonen die geld sturen naar het land van herkomst, in armoede leven, dat dit hun eigen schuld is. Dus de bijstandswet hoeft op dat punt niet te worden aangepast. Dan wordt de redenering opgezet dat allochtonen soms  een Mercedes kopen van fl 5000,- om naar het land van herkomst te gaan, en dat je dan de vraag moet stellen, of je ze nog wel inkomensondersteuning moet geven. Het is toch hun eigen keuze.
En als mensen arbeidsongeschikt zijn, en ze willen niet meewerken aan een psycho-sociale therapie, waarbij ze vervolgens weer arbeidsgeschikt zouden worden, dan is dat ook hun eigen keuze. ‘Een keuze om in de armoede te blijven, en in het beleid hoeven we daar dus geen prioriteit aan te geven.’
Tenslotte vertelt de sociale dienst ambtenaar trots over een projekt dat enige tijd geleden in Oost is opgezet. “Mensen voelen zich prettiger, als ze in een nette, opgeruimde buurt wonen, en in een huis dat netjes opgeruimd is en goed in de verf zit. Daarom hebben wij als sociale dienst een  klein projektje gestart, waarbij we mensen fl 110,- bijzondere bijstand gaven, om potten verf te kopen. Nou, het liep storm. Dat is ook weer een voorbeeld van hoe je mensen kunt stimuleren.”
De bijdragen van de andere mensen in het creatieve beleidsproces waren gelukkig heel wat positiever, anders zou ik er acuut mee ophouden.
Piet van der Lende


Diskussie in De Balie op 9 september 1996.

Voorzitter is Jan Tromp. Deelnemers aan de discussie zijn Deetman, Ben Knapen, Guikje Roethof, H van Gunsteren en G. vd Brink. De voorzitter zegt, dat de Volkskrant en De Balie dit model vaker willen gaan toepassen. Eerst een serie artikelen in de krant en daarna een discussieavond. De volgende discus­sie is over de vakbeweging.

G vd Brink houdt een klein toespraakje. Hij zegt oa dat de huidige ontwikkeling in de politiek het eindpunt is van een ontwikkeling, die al in de vijftiger jaren is ingezet. Er is een grotere invloed van de ambtelijke bureaukratie en van de massamedia, dan vroeger.
Van den Brink heeft twee stellingen voor de discussie.

1. De globalisering wordt door de politici te gemakkelijk aangegrepen om te betogen, dat ze niets kunnen doen. Zij maskeren daarmee hun eigen onmacht. Hij wil het nu eens niet over de globalisering hebben.
2. De demokratische besluitvorming is niet gebaat bij profes­sionele politici. Professionals hebben de neiging, zich steeds meer in de eigen wereld terug te trekken. Er is op basis van de intervieuws die vd Brink voor zijn boek heeft gehouden de conclusie mogelijk, dat burgers en politici steeds minder een
gemeenschappelijke definitie hebben van de werkelijkheid. Ze gaan van verschillende ervaringswerelden uit. De politicus moet opereren in een soort luchtledig.

vd B trekt uit deze twee stellingen de conclusie, dat een herstel van politieke idealen noodzakelijk is. Hij wil niet terug naar de maakbaarheid van de samenleving, maar dit bete­kent niet, dat beginselen er als ijkpunt niet meer toe doen.
Er is een vruchtbaar evenwicht noodzakelijk tussen de begin­selen vrijheid, gelijkheid en broederschap. Met de eerste gaat het wel, met de tweede gaat het moeilijker en over de derde
hoeven we al niet meer te praten. De laatste twee grote idea­len staan in toenemende mate onder druk.

Er wordt verder gediscussieerd over de betekenis van de grote opkomst cq belangstelling deze avond. Is er wel een onbehagen in de politiek, en wat voor conclusie kan daar uit worden getrokken?. Is er wel een kloof tussen de burgers en de poli­tiek?
Ben Knapen: de kloof is een fictie. Kijk maar naar de opkomst bij de verkiezingen en naar de vele demonstraties die worden gehouden zoals van de WAO en de boeren. (Knapen: wanneer heb
ik ook al weer voor het laatst met mijn auto vastgezeten in een file? Bij de demonstratie van de boeren geloof ik).
Deetman gelooft ook niet in een kloof, maar er is wel afstand tussen de burgers en de politiek. Mensen hebben tegengestelde belangen, en de politiek moet een afweging maken. Dan kan het
besluit wel eens sommige burgers onwelgevallig zijn. Nu kun je zeggen: dat is van alle tijden, maar je kunt ook zeggen ik maak me wel druk over die afstand, de kloof/afstand tussen de burgers en de
poltiek moet zo klein mogelijk zijn.
Vervolgens volgt weer een niet interessante discussie over de mogelijke invulling van desinteresse en onbehagen.
Ben Knapen heeft in zijn artikel de ‘staatsverlaters’ van Hofland aangehaald. Typeert dat onze tijd?. Mensen die zich­zelf financieel en anderszins wel redden, die zich afwenden van de staat, die ook niet nodig hebben en die geen boodschap hebben aan de gemeenschap/de staat.
Ben Knapen zegt dat het om een betrekkelijk nieuwe groep gaat, de staatsverlaters in de middenklasse. Dat die nieuwe groep die geen boodschap heeft aan de gemeenschap er is, is veront­rustend, het betekent dat er iets aan de hand is, iets fout is.

De voorzitter wil naar de rol van politici. Daar kun je con­creet wat aan doen. Wat heeft het gedrag van de staatsverlaters tot gevolg?
Ten eerste stapt men uit de politieke partijen. Ten tweede worden de traditionele kaders van de politieke partijen, de Kamer en nationale overheid minder belangrijk. De politieke belangenbehartiging zoekt andere kanalen. Men organiseert zich op single issues. Guikje Roethof: dat bete­kent, dat politici een probleem hebben. Aan de ene kant is er weinig belangstelling om deel te hebben aan de discussies in politieke partijen, waar afwegingen plaatsvinden. Aan de andere kant is er veel belangstelling deel te nemen aan dis­cussies over single issues, die vaak tegenstrijdig zijn.
Mensen zien het verband niet tussen al die issues, dat verband moeten politici wel zien, en op basis daarvan keuzen maken, die de mensen dan weer niet begrijpen. Guikje zegt, dat ze er niet in slaagt, mensen enthousiaster te maken voor politieke partijen en om de 4% Nederlanders die lid is van zo’n partij groter te maken. De partijen recruteren uit die 4%. Dit bete­kent, dat wij in besturen lijden aan een tekort aan bekwaamhe­den en talenten en daarbij moeten wij de opmerkingen van de burgers “het is een bende” vertalen naar de politiek toe en omgekeerd de politiek vertalen naar de mensen die zeggen het is een bende. Dat laatste is moeilijk. Het dagelijks werk met zijn technische ingewikkelde regels en wetten is moeilijk te vertalen naar de passagiers van tram negen.

Vd B zegt, dat de politici daardoor in een luchtledig zitten, tussen de technische discussies en de passagiers van tram negen in. (of zo)
Deetman: een deel van de burgers kan het zich veroorloven de staat en de politiek te laten voor wat het is, ook financieel. Men wordt van daaruit kritisch en hangt een beeld op van die klungels daar in Den Haag. De politiek zou zich beter moeten presenteren naar de kiezer toe, maar dat is een probleem.
In Den Haag is sprake van een verkokering, een toenemende specialisatie waarbij men de grote verbanden niet meer ziet. In Den Haag is de waan van de dag aan de orde en niet de visie
en de samenhang die zo noodzakelijk is om de politiek over het voetlicht te brengen. Het is echt een probleem dat de politiek in beslag wordt genomen door dagelijkse problemen.
De lange termijn visie komt in de pers ook niet voor het voetlicht, dat heeft geen nieuwswaarde. Er is geen forum voor die visie. De aandacht is sterk gericht op de incidenten en het spectaculaire. De politici spelen daarop in, doen daaraan mee. De lange termijn visdie komt niet in de krant. Wie praat
er nu over de Enquetecomissie van Zeil (?).
G vdb merkt naar aanleiding van het betoog van Deetman het volgende op. De media zijn belangrijke kanelen voor de opinie­vorming geworden voor de politici. Vroeger waren de kanalen vertikaal georganiseerd op basis van het zuilen systeem.
Opdrachten van boven die naar beneden toe vertaald werden en omgekeerd. Daar is niks meer van over. Nu:
1. De rol is overgenomen door de media, die het incident zoe­ken. Al is er wel een onderscheid tussen de diverse media. De krant biedt meer mogelijkheden op de dingen in te gaan.
2. De rol van de ambtenaren. Er is een enorme abstraktie en rationalisatie, vertechnisering van de problemen en afwegin­gen, die worden vertaald naar de politici die daarmee werken.

De voorzitter stelt de vraag: als het allemaal zo belabberd is, waarom grijpt de politieke elite dan niet in?.
G vd B: het vermogen om intuitief en op basis van idealen besluiten af te wegen en te nemen is afgenomen. Dit komt door de invloed van de media die geconcentreerd is op incidenten.
Ben Knapen vindt de vergelijking met het zuilensysteem en nu onzin. Er is reeds vijftig jaar geen zuilen systeem meer. Dat is geen realistische vergelijking. De politici moeten de kiezers zien te verzamelen, ze hebben een legitimatie nodig. Dat is realistisch. Europa heeft een grote invloed, de kiezers via achterdeur laten weten dat je de dingen niet kunt verande­ren, dat je niets kunt doen. Eerst moet je aangeven, wat de mogelijkheden zijn. En als het contrast tussen wat je kunt en
wilt groot is daarover spreken op een realistische basis. De politiek is niet alleen een spel.

H v Gunsteren doet ook een duit in het zakje. Dat niet over principes wordt gediscussieerd is onzin. Juist in incidenten worden principes uitgevochten, juist daar moeten politici zoeken naar het verleggen van de grenzen van het mogelijke. Dat is iets anders dan wat Ben Knapen wil, een realistische politiek. Politici moeten ook nieuwe dingen durven te onder­nemen.

Agorafase

verplaatsing050Tweede verslag van discussies in De Balie over de verplaatsing van de politiek naar aanleiding van de brochure van de Wiardi Beckman stichting.

We kunnen niet volstaan met een inspraakronde, op het moment dat men het beleid wil gaan invoeren. Tot nu toe was het zo dat ambtenaren en bestuurders uitgewerkte plannen bedachten en pas wanneer dit klaar was werd het geheel in de inspraakproce­dure gegooid. Een voorbeeld van hoe het niet moet is de gang van zaken rond de Betuwelijn. Daar hebben ingenieurs eerst plannen gemaakt en toen pas werden de burgers en vertegenwoor­digers van belangengroeperingen erbij betrokken.

Bij het Ministerie van Verkeer en waterstaat denkt men er nu over na hoe het anders zou kunnen. Daar is men het projekt van het infra©laboratorium gestart. Men is in dit projekt niet begonnen met het technisch formuleren van probleemstelling en mogelijke oplossing. Men heeft eerst mogelijke gebruikers en andere belangengroeperingen gevraagd, zelf een probleemstel­ling te formuleren. Dit noemt men in het projekt de “Agorafa­se”. Vervolgens heeft men dezelfde groeperingen gevraagd kansrijke oplossingen te formuleren. Dan pas komt de “imple­mentatiefase” waarbij de plannen worden voorgelegd aan grotere groepen van de bevolking en een publiek debat ontstaat. Er zijn bij deze projektmatige aanpak twee uitgangspunten:

ten eerste zijn de infrastruktuurprojekten bij Rijkswaterstaat geen technische projekten; de formulering van de plannen en het vinden van een draagvlak daarvoor in de smaenleving is een sociaal en maatschappelijk probleem en niet een technisch probleem. Er bestaat zowel in de Agorafase als in andere fasen aandacht voor de inputkant bij de beleidsformulering vanuit het maatschappelijk middenveld.

Ten tweede wordt in de formu­lering en vervolgens uitvoering van het plan een duidelijke fasering aangebracht. Als in de Agorafase het project princi­pieel ter discussie staat, kan dit in principe niet in latere fasen. Iedere fase wordt afgesloten met een reeks besluiten van de overheid, waarover in een volgende fase niet meer wordt gepraat. Deze duidelijke fasering van de besluitvormingsmomen­ten leidt ertoe dat een responsieve overheid, dus een overheid die discussieeert met burgers en antwoord geeft op hun vragen, ook een besluitvaardige overheid is.

Dan komt de discussie met de zaal. Een vragensteller vraagt zich af, als je de macht verspreid over verschillende beslis­singscentra, al werken die ook volgens democratisiche codes, hoe kun je bewerkstelligen, dat in al die beslissingscentra naast specifieke belangen ook rekening wordt gehouden met het algemeen belang? Bovendien zijn de voorstellen in de brochure vaag waar het de institutionalisering betreft. Welke v orm moet de democratie in het maatschappelijk middenveld aannemen, en hoe is de organisatorische verbinding met de overheid?.

Mark Bovens geeft antwoord door in te gaan op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die een aardige institutionalisering heeft voorgesteld voor grote projecten, waarbij burgers en hun belangengroepen in verschil­lende rondes inspraak hebben. Dit sluit aan bij de projecten van het ministerie van verkeer en waterstaat.

Ook zij gaan ervan uit, dat de technologische benadering van de problemen in de probleemstellingsfase moet worden doorbro­ken. Verder zijn ook in dit model verschillende besluitvor­mingsmomenten ingebouwd, die een soort fuikenstructuur vormen: eerst gaan de gedachten alle kanten uit, daarna komen ze bij elkaar in een beslissingsmoment, en treedt de volgende fase in werking. Zo wordt de besluitvaardigheid gehandhaafd en wordt stroperigheid in de besluitvorming voorkomen.

Tweede verslag van discussies in De Balie over de verplaatsing van de politiek naar aanleiding van de brochure van de Wiardi Beckman stichting.

De voorzitter van de middag, Tjeenk Willink merkt op, dat dit eigenlijk een heel traditioneel beeld is; meebuigen, maar niet meegeven, repressieve tolerantie, de inspraak als smeermiddel voor het doorvoeren van het overheidsbeleid. Bovens heeft geen bezwaar tegen dit beeld. Ook Ankersmit merkt op, dat hij dit alles prachtig vind, en dat hij hoopt dat het zo kan gaan. Dat zou winst zijn. Maar hij komt toch terug op zijn uitgangspunt.

Van Wolferen heeft een prachtig boek geschreven over de Japan­se samenleving. Juist daar is er in het centrum geen sterke macht en moeten verschillende machtscentra met elkaar onder­handelen. In het centrum is een soort leegte, die door de japanners bewust in stand wordt gehouden en waar alleen de keizer zit. Eerst was dit samenlevingsconcept een groot suc­ces, maar nu is het japanse ekonomisch politieke systeem in grote moeilijkheden. Daarom blijft hij concluderen, dat sterke politieke partijen in een parlementaire demokratie noodzakelijk zijn, die in het parlement de centrale besluiten nemen. Het liefst ziet hij een politiek systeem dat een soort combinatie is van de West-Europese democratien en het Amerikaanse presi­dentiele systeem, met een sterke president met veel bevoegdhe­den.

Dan volgt de inleiding van mevrouw Frissen. Zij vindt, dat de overheid bij het zoeken naar oplossingen voor de organisatori­sche veranderingen in onze demokratie sterk blijft denken in de piramidale opbouw; hoe kunnen we bevoegdheden decentralise­ren naar lagere overheidsorganen, hoe kijken we tegen Europa aan, etc. Maar de samenleving wordt steeds meer een archipel van eilanden, met op ieder eiland een machtscentrum, waar verschillende besluitvormingsculturen bestaan, verschillende technologien worden toegepast, etc. Er is niet een bepaald machtig centrum meer. De overheid moet steeds meer toe naar het type besluitvorming op basis van onderhandelingen en afspraken en convenanten. Er is geen centrale machtsbasis meer. Een voorbeeld is het ingrijpen van de overheid op het gebied van de arbeid; eerst werden situationele maatregelen getroffen: de situatie is zo en zo, en nu nemen we het besluit dat dit moet gebeuren, bijvoorbeeld achturige werkdag, geen kinderarbeid, minimumloon, etc. Er heeft op dit terrein een verschuiving plaatsgevonden naar relationele maatregelen van de overheid. De overheid zegt in mindere mate tegen de sociale partners: dat en dat moet gebeuren maar: binnen die en die voorwaarden moeten jullie met elkaar onderhandelen en beslui­ten nemen.

De verplaatsing van de politiek

verplaatsing050Verslag van de diskussiemiddag in De Balie in Amsterdam op donderdag 25 januari 1996 nav de brochure “De verplaatsing van de politiek” van de Wiardi Beckman Stichting. (WBS)

Voorzitter is Herman Tjeenk Willink, voorzitter van de Eerste Kamer.
De eerste inleiding is van Paul Kalma, een van de auteurs van de brochure. Hij geeft een samenvatting, die ik hier niet geheel zal vermelden. In het nabije verleden werd door het Rijk de commissie Deetman ingesteld, die voorstellen moest doen voor staatkundige vernieuwing. De discussie die op hun rapport volgde was lauw, er worden weinig echte veranderingsvoorstellen gedaan, en een deel van de voorstellen is achterhaald. In de brochure van de WBS wordt hierop ingegaan. De voorstellen van Deetman c.s zijn beperkt, omdat ze binnen de bestaande institutionele kaders blijven. Bovendien worden de achtergronden van een zekere crisis in het democratisch gehalte van onze samenleving niet bestudeerd. Er wordt niet ingegaan op de economische schaalvergroting en de gevolgen van de Europese eenwording. Ook de individualisering, dus het ontstaan van de mondige, flexibele burger die nieuwe mogelijkheden zoekt voor participatie wordt niet bij de beschouwing betrokken. Ook wordt niet ingegaan op het feit, dat technologische ontwikkelingen niet automatisch een verbetering van het bestaan betekenen, maar negatieve gevolgen hebben, waarbij nieuwe dilemma’s worden geschapen die niet door de overheid kunnen worden beïnvloed of waarbij de instrumenten voor benvloeding ontbreken.
De cie Deetman spitst de discussie oa toe op het vraagstuk van de referenda en het districtenstelsel, maar dit blijft binnen de bestaande institutionele kaders, waarbij het primaat van de politiek, dwz de macht van het parlement als centraal diskussieplatform op de voorgrond wordt gesteld. Door de verplaatsing van de politiek ontstaan er echter allerlei machtscentra buiten dit terrein en het gaat erom deze machtscentra weer onder democratische controle te brengen. In de brochure “De verplaatsing van de politiek” worden drie strategieën bestudeerd om dit te doen. Deze strategieën moeten niet tegenover elkaar worden gesteld; ze vullen elkaar aan.
De volgende inleiding is van De Belgische hoogleraar Luc Huyse. Hij schreef het boek “De politiek voorbij” dat onlangs verscheen en waarin dezelfde analyse en conclusies staan als in de brochure van de WBS. De schrijvers van beide boeken zijn onafhankelijk van elkaar tot dezelfde slotsom gekomen. Huyse neemt een voorschot op de discussie met de historicus professor Ankersmit van de universiteit van Groningen, die pleit voor het herstel van het primaat van de politiek, dus voor het nationale parlement als centraal diskussieplatform en als centrale beslissingsmacht, waarbij er een tamelijk centralistische staat blijft. Vanmiddag staat ter discussie, of dit een goed model is, of dat de grote problemen waar we voor staan, zoals de milieuproblemen een verdere democratisering van de maatschappij noodzakelijk maken, waarbij het primaat van de politiek achterhaald is en niet meer zo kan door de tendens tot decentralisatie en andere maatschappelijke ontwikkelingen.
Huyse merkt verder aan het begin van zijn betoog op, dat zijn boek en ook de bijdrage van de WBS nauwelijks is gebaseerd op empirisch onderzoek. Zijn boek is in belangrijke mate een oefening in giskunde. Met deze kanttekening analyseert Huyse de situatie als volgt. Er zijn in de geschiedenis van de moderne industriële maatschappij een drietal krisismomenten geweest in de democratische ontwikkeling van de samenleving. Deze drie krises draaien steeds rond twee pijlers van de parlementaire democratie: de legitimiteit van het systeem en de effectiviteit ervan. De legitimiteit heeft betrekking op de vraag, of de burger vertrouwen heeft in de politieke bestuurders, en of de burger het gezag van die bestuurders aanvaardt, dwz of de burger akkoord gaat met de machtsuitoefening van de bestuurders waarbij dit een democratische macht is. Gezag is gelegitimeerde macht.
De effectiviteit heeft betrekking op de vraag, of de nagestreefde konfliktbeheersing van de bestuurders effectief is, of de hoog gewaardeerde “collective goods, zoals de sociale zekerheid en delen van de infra-structuur goed beheerd worden, en of er sprake is van een daadkrachtig systeem.
In alle drie de crises worden deze twee pijlers ondermijnt door maatschappelijke transformaties op micro- en macroniveau.
De eerste krisis vond plaats aan het einde van de negentiende eeuw. Drijfkracht achter de krisis waren de scherpe industriële conflicten tussen kapitaal en arbeid, waarbij een enorme erosie optrad van de sociale verbanden. De oplossing voor het effectiviteits en legitimiteitsprobleem werd gezocht in een drastische uitbreiding van de parlementaire democratie zoals de invoering van het algemeen kiesrecht. Miljoenen burgers, die tot dan toe niets te vertellen hadden, kregen stemrecht.
De tweede krisis ligt in de dertiger jaren van de twintigste eeuw. Er vond daarbij een zwaai plaats naar het autoritaire gedachtengoed. De democratische staatsvorm die was ontstaan had geen slagkracht in het zicht van de economische krisis en de grote werkloosheid. Uiteindelijk kwam hier een uitbraak in de richting van de “civil society”; de invoering van een Keynesiaanse plan- economie en de invoering van de verzorgingsstaat, tegelijk met de invoering van de overlegdemokratie, waarbij de vakbeweging en andere belangengroepen werden geïntegreerd in het systeem, wat de legitimiteit van de democratie bevorderde.
In beide episoden van de geschiedenis was althans in Nederland en België de verzuiling het sleutelstuk voor het handhaven van de legitimiteit en effectiviteit. Er vond een gedisciplineerde ordening van de burgers plaats langs de lijnen van de verschillende ideologieën.
Ook in de hervorming na de tweede krisis speelde de verzuiling een belangrijke rol. Dit leverde de netwerken van het maatschappelijk middenveld, dat de besluiten van de bestuurders legitimeerde en waarbij dit maatschappelijk middenveld in het systeem werd geïntegreerd.
We verkeren thans in een derde krisis van het democratisch systeem. Ten aanzien van de legitimiteit en effectiviteit is voor de huidige bestuurders het probleem, dat de verzuiling als sleutelstuk van de oplossing van de vorige twee krisis thans ontbreekt. Huyse drukte dit uit door te zeggen: “velen bleven verweesd achter”.
Ook nu weer zijn de achtergronden voor de krisis op het gebied van legitimiteit en effectiviteit de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van technologie (de informatiemaatschappij) de individualisering en het daaruit voortvloeiende grote onvoorspelbaarheid van het gedrag van de burger, de schaalvergroting, etc. De weerslag op het politieke systeem wordt geanalyseerd in het boek van Huyse en in de brochure van de WBS. Ido de Haan zegt in het laatste nummer van Krisis, in een reactie, dat er niet zozeer sprake is van een verplaatsing van de politiek maar van een uitbreiding; politieke beslissingen worden ook nog wel in het parlement genomen, maar steeds meer ook in andere machtscentra. Er is een uitbreiding van de politiek in dubbele richting: in de eerste plaats verticaal, naar Europa, het I.M.F en naar de regio’s of gewesten. In de tweede plaats horizontaal: in de richting van de rechterlijke macht, de media en techno-economische zones. Op dit laatste wordt verderop ingegaan.
Wat betreft de legitimiteit is er een dalend vertrouwen in de klassieke politiek vanuit Den Haag. Daarnaast heeft de burger er geen vertrouwen in, dat in de nieuwe machtscentra goede, democratische beslissingen worden genomen. Dit noemt men wel de kloof tussen de burger en de politiek. Wat betreft de effectiviteit is er een falen van de beroepspolitici op het gebied van de migratie, de criminaliteit, de baanloze groei, het milieu, etc.
Vervolgens doet zich de vraag voor, welke oplossingen worden gezocht in het huidige debat.
Sommige oplossingen leggen de nadruk op de effektiviteitsproblemen, andere op het legitimiteitsprobleem. Wat betreft de effektiviteitsproblemen zijn er twee projecten. Ten eerste de opvatting dat er behoefte is aan meer markt. Deze bestuurders hebben een extreem geloof in de sturende kracht van de markt. Men plant een terugtredende overheid, een ontvlechting van overheid en maatschappij en privatisering. De tweede opvatting is die van Ankersmit, nl dat we behoefte hebben aan meer staat, waarbij het primaat van de politiek wordt hersteld.
Wat betreft de legitimiteitsproblemen zijn er drie opvattingen. In de eerste plaats het renovatiedenken, waarbij het parlement weer de centrale plaats moet krijgen die het vroeger had. Dit is de opvatting van de commissie Deetman. Men wil ook een “recyclage” van het maatschappelijk middenveld, dit middenveld moet weer de oude rol spelen, die zij ook speelde bij de oplossing van de vorige krisis. In de tweede plaats is er de opvatting, die in België wordt vertegenwoordigd door Verhofstad van de liberale partij en in Amerika door Ross Kw??. Men wil dan geen ruimte meer openlaten tussen de burger en de overheid; deze twee moeten rechtstreeks met elkaar zaken doen. Daarbij past de invoering van massa-referenda, waarbij gebruik wordt gemaakt van de moderne communicatiemiddelen. Mensen beslissen door een druk op de knop voor of tegen een bepaald voorstel. Dit is de “Teledemokratie”, waarbij bv gebruik gemaakt kan worden van het Internet. In deze opvatting kan het maatschappelijk middenveld verdwijnen.
De derde opvatting wordt verkondigd in de brochure van de WBS. Het gaat om projecten, die inspelen op de verplaatsing van de politiek.
Daarbij gaat het om twee dingen. In de eerste plaats moeten de democratische codes worden verplaatst naar het transnationale niveau, het regionale niveau en het technologisch-economisch niveau en de media. Ook in deze sectoren moeten de twee uitgangspunten gelden van democratie: aanspreekbaarheid en aansprakelijkheid. In de tweede plaats moet er een ander type bestuur komen. Niet meer een overheid die van bovenaf oplegt, maar een onderhandelende overheid, die afspraken maakt met andere machtscentra en die daarmee voortdurend in onderhandeling is.
Dan volgt het verhaal van Frank Ankersmit, hoogleraar uit Groningen. Hij is het ermee eens, dat we op een punt staan, waarbij er belangrijke beslissingen moeten worden genomen over het democratische systeem. Er is aan de democratie het nodige achterstallig onderhoud. Hij merkt op, dat hij de analyse van de problemen in de brochure “De verplaatsing van de politiek” goed vind, beter zelfs dan in het standaardwerk uit 1994 van Cohen c.s “Towards a Civil society”.
Ankersmit leest vervolgens een citaat voor van de Fransman Gissot die leefde in de negentiende eeuw. Het citaat zou vandaag uitgesproken kunnen zijn. We leven in een elektrische maatschappij, waarbij de macht nergens is en tegelijk overal gedeeltelijk. Niemand beheerst de situatie. Alle mensen hebben toegang tot machtscentra, in de informatie maatschappij worden mensen onderworpen een veel informatie, die van centrum naar centrum gaat. Gissot was de liberale Thorbecke van het negentiende eeuwse frankrijk. Hij behoorde tot een groep “doctrinaire Liberalen” die het belang van de geschiedenis inzagen. Dus de vervlechting van staat en maatschappij, en de verplaatsing van de politiek is geen recent probleem, maar een logisch gevolg van de democratie en de democratisering. Het is er een natuurlijk gevolg van. Nu kunnen we op twee manieren reageren. In de eerste plaats kunnen we zeggen: we streven in essentie naar meer democratie en we stimuleren dit. We streven ernaar, dat de democratie zich steeds verder verspreid in de maatschappij. Dit is het standpunt dat wordt verwoord in de brochure van de WBS. Ankersmit heeft een ander standpunt. Hij vraagt zich af, of het wel zo verstandig is, alles over te laten aan het vrije marktmechanisme, waarbij er geen centrale macht is maar alleen vele machtscentra, democratisch dat wel, die met elkaar onderhandelen. Is dit niet het standpunt, waarbij alles wordt overgelaten aan de vrije maatschappelijke krachten, een soort laisser faire, waarbij een onzichtbare hand de dingen regelt? Het is riskant om te zeggen dat dat wel goed afloopt. Ankersmit voorziet grote catastrofes, en dan pakt zo’n werkwijze niet goed uit, noch tav de effectiviteit, noch tav de legitimiteit.
De voorboden van de catastrofes zijn er al: het is misgegaan met de sociale wetgeving, zoals de WAO-kwestie, er is de baanloze groei, de gezondheidszorg, de staatsschuld en het gebrek aan controle daarop, de bio-industrie, de asfaltering van Nederland, het afbrokkelen van de binnensteden. Steeds is hierbij hetzelfde probleem: wat een goede oplossing leek had onbedoelde gevolgen, die zijn ontstaan uit de vervlechting van staat en maatschappij.
Dus moet er een staat zijn, die de vele problemen hierarchiseert in hun onderling verband. Er moet een cockpit zijn met een piloot en we moeten niet alles overlaten aan de vervlechting van staat en samenleving zoals dat in de tijd van Thorbecke nog wel kon, omdat de samenleving minder complex was. De onbedoelde gevolgen van de maatregelen die wij nemen moeten bijgestuurd worden. Als olossingsrichting is Ankersmit van mening, dat de politieke partijen meer dan ooit een grote verantwoordelijkheid hebben. Zij moeten de kloof tussen de burger en de partij vergroten. Zij moeten dichter bij de problemen gaan staan en niet dichter bij de burger. In de tweede plaats moet de mentaliteit van de burgers veranderen. Zij moeten een sterke staat accepteren die haar besluiten baseert op een representatieve, en geen directe democratie. Eer moet een bepaalde afstand zijn tussen burger en staat.
In de derde plaats pleit Ankersmit voor een kleinere, sterkere staat. Hij heeft kritiek op de huidige democratie. De bestuurders zouden zich voortdurend moeten afvragen: “Kan de staat dit aan?”. Politici doen nu vaak in een propagandaverhaal, of ze de oplossing weten, terwijl dat niet zo is. Zo hoort de burger: de bestuurders, de staat zullen het wel even doen, en dan ervaart hij, dat het niet zo is. Politici moeten erkennen, dat ze er niets aan kunnen doen als dit zo is. Deze opstelling van politici is onderdeel van de opvoedende taak van de staat ten opzichte van de burger. Deze drie punten tezamen vormen voor Ankersmit het herstel van het primaat van de politiek.
De volgende inleiding wordt gehouden door Mark Bovens, ook een van de schrijvers van de brochure “De verplaatsing van de politiek”.
Hij reageert op Ankersmit. In de eerste plaats is hij het niet eens met het citaat als weergave van de huidige situatie. Er is geen “elektrische maatschappij” waarin de problemen die wij zien transparant worden gemaakt en waarbij vele mensen toegang hebben tot meerdere machtscentra. Er is veeleer sprake van besloten pistes waar besluiten worden genomen, en waar de gewone burger maar beperkt toegang heeft.
In de tweede plaats is de vervlechting van staat en maatschappij, van politiek en systeem onvermijdelijk een produkt van de democratie, waarbij steeds mondiger, hoger opgeleide burgers invloed proberen uit te oefenen. Deze spreiding is wenselijk. Maar de schrijvers van de brochure houden geen pleidooi voor een laisser aller of een onzichtbare hand. De overheid moet tegelijkertijd ook bepaalde centrale waarden overeind houden en bewaken. Vanwege de vervlechting van staat en maatschappij en de complexiteit van de problemen waar we voor staan is juist veel maatschappelijke discussie en kennisoverdracht noodzakelijk, die wordt gecombineerd met verantwoording van bestuurders naar burgers toe en de controle van de burgers daarop. De oplossing die Ankersmit voorstaat is onmogelijk en onwenselijk. De door hem voorgestelde mentaliteitsverandering van de burger en de hierarchisering van de problemen is onmogelijk. En het antwoord op de vraag: Kan de overheid dit probleem aan? ” is nog nooit bevestigend beantwoord.
We zitten met het bestuurlijke probleem, van de ongrijpbare samenleving, zoals dat ook door Jos van der Lans naar voren wordt gebracht in zijn boek de onzichtbare samenleving. We hebben eigenlijk geen empirisch gefundeerde, houdbare kennis over de huidige ontwikkelingen in de samenleving. In de tweede plaats is een aspect van de ongrijpbare samenleving, dat de overheid gedwongen is op voet van gelijkheid te onderhandelen met andere maatschappelijke actoren. De overheid moet geen bevelen geven, maar onderhandelen. Mondige burgers organiseren zich vluchtig, zonder achterban, in belangengroepen en actiecomités die opkomen en weer verdwijnen. Vroeger had de overheid bv bij het mestbeleid een betrouwbare gesprekspartner aan het landbouwschap, korporatistisch georganiseerd, die de voorgestelde oplossingen verdedigden tegenover hun brede achterban. Tegenwoordig rijden de boeren met trekkers de snelweg op en organiseren zich in tijdelijke actiecomités “We zijn het zat”. Er is op verschillende beleidsterreinen een poliferatie van clubjes, bijvoorbeeld bij het onderwijsbeleid en de dijkverzwaring. Er is een parlementaire reflex: het parlement moet weer het centrum worden waar de besluiten worden genomen, weliswaar kan dit inderdaad op Europees niveau, kan daar het primaat van de politiek worden hersteld, daar loopt de invoering van de parlementaire democratie 150 jaar achter. Maar op andere terreinen kan het primaat van de politiek niet worden hersteld. Door de decentralisatie van machtscentra kun je niet meer volstaan met een parlementaire strategie.
Dit betekent bestuurlijk dat er een “responsieve” overheid moet komen. Deze overheid die onderhandelt en zich begeeft in een vraag en antwoordspel en een discussie met de burgers, voert vooral een dialoog met die burgers bij de voorbereiding van het beleid.
We kunnen niet volstaan met een inspraakronde, op het moment dat men het beleid wil gaan invoeren. Tot nu toe was het zo dat ambtenaren en bestuurders uitgewerkte plannen bedachten en pas wanneer dit klaar was werd het geheel in de inspraakprocedure gegooid. Een voorbeeld van hoe het niet moet is de gang van zaken rond de Betuwelijn. Daar hebben ingenieurs eerst plannen gemaakt en toen pas werden de burgers en vertegenwoordigers van belangengroeperingen erbij betrokken.
Bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat denkt men er nu over na hoe het anders zou kunnen. Daar is men het project van het infra-laboratorium gestart. Men is in dit project niet begonnen met het technisch formuleren van probleemstelling en mogelijke oplossing. Men heeft eerst mogelijke gebruikers en andere belangengroeperingen gevraagd, zelf een probleemstelling te formuleren. Dit noemt men in het project de “Agorafase”. Vervolgens heeft men dezelfde groeperingen gevraagd kansrijke oplossingen te formuleren. Dan pas komt de “implementatiefase” waarbij de plannen worden voorgelegd aan grotere groepen van de bevolking en een publiek debat ontstaat. Er zijn bij deze projectmatige aanpak twee uitgangspunten: ten eerste zijn de infrastruktuurprojekten bij Rijkswaterstaat geen technische projecten; de formulering van de plannen en het vinden van een draagvlak daarvoor in de samenleving is een sociaal en maatschappelijk probleem en niet een technisch probleem. Er bestaat zowel in de Agorafase als in andere fasen aandacht voor de inputkant bij de beleidsformulering vanuit het maatschappelijk middenveld. Ten tweede wordt in de formulering en vervolgens uitvoering van het plan een duidelijke fasering aangebracht. Als in de Agorafase het project principieel ter discussie staat, kan dit in principe niet in latere fasen. Iedere fase wordt afgesloten met een reeks besluiten van de overheid, waarover in een volgende fase niet meer wordt gepraat. Deze duidelijke fasering van de besluitvormingsmomenten leidt ertoe dat een responsieve overheid- dus een overheid die discussieert met burgers en antwoord geeft op hun vragen- ook een besluitvaardige overheid is.
Dan komt de discussie met de zaal. Een vragensteller vraagt zich af, als je de macht verspreid over verschillende beslissingscentra, al werken die ook volgens democratische codes, hoe kun je bewerkstelligen, dat in al die beslissingscentra naast specifieke belangen ook rekening wordt gehouden met het algemeen belang? Bovendien zijn de voorstellen in de brochure vaag waar het de institutionalisering betreft. Welke vorm moet de democratie in het maatschappelijk middenveld aannemen, en hoe is de organisatorische verbinding met de overheid?.
Mark Bovens geeft antwoord door in te gaan op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die een aardige institutionalisering heeft voorgesteld voor grote projecten, waarbij burgers en hun belangengroepen in verschillende rondes inspraak hebben. Dit sluit aan bij de projecten van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Ook zij gaan ervan uit, dat de technologische benadering van de problemen in de probleemstellingsfase moet worden doorbroken. Verder zijn ook in dit model verschillende besluitvormingsmomenten ingebouwd, die een soort fuikenstruktuur vormen: eerst gaan de gedachten alle kanten uit, daarna komen ze bij elkaar in een beslissingsmoment, en treedt de volgende fase in werking. Zo wordt de besluitvaardigheid gehandhaafd en wordt stroperigheid in de besluitvorming voorkomen.
De voorzitter van de middag- Tjeenk Willink merkt op, dat dit eigenlijk een heel traditioneel beeld is; meebuigen, maar niet meegeven, repressieve tolerantie, de inspraak als smeermiddel voor het doorvoeren van het overheidsbeleid. Bovens heeft geen bezwaar tegen dit beeld. Ook Ankersmit merkt op, dat hij dit alles prachtig vind, en dat hij hoopt dat het zo kan gaan. Dat zou winst zijn. Maar hij komt toch terug op zijn uitgangspunt. Van Wolferen heeft een prachtig boek geschreven over de Japanse samenleving. Juist daar is er in het centrum geen sterke macht en moeten verschillende machtscentra met elkaar onderhandelen. In het centrum is een soort leegte, die door de japanners bewust in stand wordt gehouden en waar alleen de keizer zit. Eerst was dit samenlevingsconcept een groot succes, maar nu is het Japanse economisch-politieke systeem in grote moeilijkheden. Daarom blijft hij concluderen, dat sterke politieke partijen in een parlementaire democratie noodzakelijk zijn, die in het parlement de centrale besluiten nemen. Het liefst ziet hij een politiek systeem dat ee soort combinatie is van de West-Europese democratieën en het Amerikaanse presidentiële systeem, met een sterke president met veel bevoegdheden.
Dan volgt de inleiding van mevrouw Frissen. Zij vindt, dat de overheid bij het zoeken naar oplossingen voor de organisatorische veranderingen in onze democratie sterk blijft denken in de piramidale opbouw; hoe kunnen we bevoegdheden decentraliseren naar lagere overheidsorganen, hoe kijken we tegen Europa aan, etc. Maar de samenleving wordt steeds meer een archipel van eilanden, met op ieder eiland een machtscentrum, waar verschillende besluitvormingsculturen bestaan, verschillende technologieën worden toegepast, etc. Er is niet een bepaald machtig centrum meer. De overheid moet steeds meer toe naar het type besluitvorming op basis van onderhandelingen en afspraken en convenanten. Er is geen centrale machtsbasis meer. Een voorbeeld is het ingrijpen van de overheid op het gebied van de arbeid; eerst werden situationele maatregelen getroffen: de situatie is zo en zo, en nu nemen we het besluit dat dit moet gebeuren, bijvoorbeeld achturige werkdag, geen kinderarbeid, minimumloon, etc. Er heeft op dit terrein een verschuiving plaatsgevonden naar relationele maatregelen van de overheid. De overheid zegt in mindere mate tegen de sociale partners: dat en dat moet gebeuren maar: binnen die en die voorwaarden moeten jullie met elkaar onderhandelen en besluiten nemen.
Ook in andere sectoren moet de overheid zo tewerk gaan. De overheid moet zo verkeerscodes ontwerpen, op basis waarvan al die relatief zelfstandige eilanden met elkaar onderhandelen. De overheid rijdt niet zelf, maar ontwerpt de verkeersregels.
Dan volgt de discussie voor de pauze.
Iemand merkt op, dat het beeld van een overheid, die gedwongen is te onderhandelen op voet van gelijkheid niet klopt. De overheid is niet alleen maar een van de spelers. Zij heeft aanzienlijk meer macht dan de andere spelers. Er wordt verder gediscussieerd over de empirische basis van de analyse van Kalma c.s en Huyse. Is de overheid alleen maar een van de spelers geworden?
Huyse zegt, dat er wel aan twee voorwaarden moet worden voldaan bij de uitbreiding van democratie:
– Het geweldsmonopolie moet bij de staat blijven; maffia-achtige structuren, criminaliteit e.d moeten exclusief door de staat bestreden worden.
– De overheid heeft het exclusieve voorrecht, verkeerscodes, onderhandelingscodes te ontwerpen, waaraan de andere onderhandelaars zich hebben te houden.
Het is wel de bedoeling van Kalma en hemzelf, dat de archipel van eilanden een soort eilandenrijk wordt, dwz dat er een overheid blijft die het algemeen belang nastreeft als verbindend element.
Ankersmit herhaalt nog eens, dat er zeer grote, schier onoplosbare problemen op ons afkomen. Dit vereist een sterke staat.
De heer Bogers merkt op, dat je een onderscheid moet maken tussen het soort problemen dat aan de orde is. Bij milieuproblemen moet de staat zich opstellen als onderhandelaar tussen de andere. Ten aanzien van het milieu kan worden gezegd, dat er daarbij geen nationale consensus is, waar de staat eventueel op kan terugvallen. Er zijn op dat terrein in de maatschappij grote meningsverschillen. Dan is het van groot belang, dat de staat op voet van gelijkheid met (groepen van) burgers onderhandelt en dat zoveel mogelijk mensen aan de discussies deelnemen. Bij vraagstukken op sociaal terrein ligt dat anders. Daar is een sterke staat vereist, die ervoor zorgt, dat de zwakken in onze samenleving niet de dupe worden en die het algemeen belang in het oog houdt. Ankersmit is het hier wel mee eens.
Hij brengt ook nog naar voren dat hij zijn pleidooi voor het herstel van het primaat van de politiek houdt, omdat er in de maatschappij in het licht van de grote problemen een roep is om autocratische oplosssingen. Voordat die beweging sterker wordt, moeten we goed nadenken over hoe we via een sterke staat de democratie in stand kunnen houden. De legitimering nastreven van zijn model betekent het redden van de democratie door een sterke staat volgens het piramidemodel. Hij komt terug op zijn betoog over de hierarchisering van problemen.
Iemand anders is het hier niet mee eens. brengt het voorbeeld naar voren van een interview met een leider van de asbest industrie in een Amerikaans tijdschrift voor managers. Deze hooggeplaatste manager, bijna met pensioen, keek in het interview terug op zijn werkzaam leven en vroeg zich vertwijfeld af, waarom hij de ondergang van zijn industrie, die hij met hard werken had opgebouwd, niet heeft zien aankomen. Hij concludeerde zelf, dat dit kwam, omdat hij tijdens zijn carrière consequent alle ingenieurs die waarschuwende geluiden lieten horen aan de dijk had gezet. Dit geeft aan, dat milieuproblemen beter oplosbaar worden, wanneer in bedrijven tegenspraak, via een soort tendensrecht, mogelijk is. De overheid zou ook het stakingsrecht moeten erkennen, en dan niet moeten overgaan tot het verbieden van asbest.
De voorzitter, Tjeenk Willink brengt naar voren, wat nu volgens Ankersmit de taak is van de politicus.
Ankersmit houdt een psychologisch betoog over de inborst van de burger. De burger is in zichzelf gepolariseerd. Aan de ene kant is hij het super-ego, die in een grote mercedes wil rijden, vliegvakanties wil, etc, aan de andere kant is er het ‘it” het ideologisch verlangen naar een betere maatschappij. Het is de taak van de politicus als partij-politicus de burger uit deze verscheurdheid te halen.
Na de pauze herhaalt de voorzitter de conclusies uit de betogen. Het gaat om de slagkracht en de legitimiteit van de democratie. Er zijn drie crises geweest in de parlementaire democratie. Ankersmit wil een renovatie van het politieke bestel via een herstel van het primaat van de politiek. De schrijvers van de brochure zoeken een andere oplossing.
Joop van den Berg, lid van de Eerste Kamer en hoogleraar, houdt zijn betoog. De politieke organen opereren momenteel in een luchtledig. Het voorbeeld werd al genoemd van de boeren, die met hun trekkers de wegen blokkeren, georganiseerd door vluchtige actiegroepen. De nationale politiek komt van twee kanten in de problemen, transnationaal, waarbij steeds meer bevoegdheden verdwijnen naar een boven-nationaal niveau en de mondige burger, de protesterende inspreker, die zich al snel wendt tot de rechter, en die de lokale overheid probeert in te schakelen tegen besluiten van de landelijke overheid. Er is in deze ontwikkeling geen weg terug. Het is niet waar, zoals in het begin gesteld, dat de cie Deetman hier geheel aan voorbij is gegaan.
De nationale besluitvormingsorganen hebben minder invloed, er is een verlies aan coördinerend vermogen en decentralisatie van bestuur. Dit is een aspect van de dekolonisatie van de burger zoals Hofland dat onder woorden brengt. De decentralisatie is niet tegen te houden. Grootstedelijke gebieden hebben letterlijk en figuurlijk de ruimte nodig, ook over de landsgrenzen heen. De recente kabinetsnota over de reorganisatie van het binnenlands bestuur gaat daaraan voorbij, analyseert ook niet de Europese dimensie. Men wil alles weer naar Den Haag halen en men brengt geen differentiatie aan tav welke besluiten decentraal kunnen worden genomen.
De nationale overheid zou ook tav de op te stellen verkeersregels meer aan de lokale/regionale overheden moeten overlaten. Ook lokaal moeten er bevoegdheden komen op het gebied van de inrichting van het bestuur en de processen die daarbij een rol spelen. Neem de discussie over een gekozen burgemeester. Laat de gemeenten daar zelf over beslissen.
Een tweede voorbeeld van hoe het niet moet is het rapport ‘Raad op Maat’ dat door de nationale overheid is opgesteld. Daarin worden de vele adviesorganen geanalyseerd. Enige sanering is wel nodig, maar toch is de tendens: we willen het primaat van de politiek terug. Men vraagt zich niet af: hoe kunnen we de dekolonisatie van de burger laten doorklinken in een nieuw stelsel van adviesorganen. Het stelsel dat we nu hebben is sterk verouderd. Er is bijvoorbeeld een veel te grote invloed van adviesorganen op sociaal-economisch terrein, zoals de SER. Men vraagt zich in’Raad op Maat’ verder niet systematisch af: van wie hebben we advies nodig? Op welke terreinen is er behoefte aan advies? Dat is niet het soort vragen dat gesteld wordt.
Vervolgens komen in een discussie twee rapporten kort ter sprake, nl
‘steekhoudend ministerschap’ over bestuurlijke reorganisatie met oa Marianne Sint als een van de schrijfsters, en Paul Kalma’s ‘de illusie van de democratische staat’ uit 1982.
De voorzitter stelt de vraag, hoe breed een discussie over democratie eigenlijk gedragen wordt, waar komt het soort problemen dat wij vanmiddag aan de orde stellen eigenlijk ter sprake, in de Eerste Kamer misschien?
Als je ziet, wie erover nadenkt, het zijn kleine groepjes, je zou van paars verwachten dat ze erover nadenken, maar juist paars doet het niet.
Van den Berg merkt ook op (hij is lid van de PvdA, notulist) dat juist bij D’66 niet erg over dit soort dingen wordt nagedacht. Als je naar de politieke partijen kijkt vindt de meeste discussie over democratie plaats in de Partij van de Arbeid, het gebeurt relatief weinig in de politieke organen, ook niet door officiële vertegenwoordigers van de PvdA. Het zijn meer mensen, die niet in het centrum van de partij zitten. Binnen de overheid wordt er, zoals al ter sprake kwam nagedacht bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat, ook de evaluatie van de WRR kan genoemd worden.
Dan volgt het betoog van Saskia Stuiveling, medewerkster van de Algemene Rekenkamer.
De Algemene Rekenkamer heeft een rapport gemaakt over “zelfstandige bestuursorganen”. De spreekster zal zich op de gegevens uit dit rapport baseren.
Het valt in de eerste plaats op, dat de discussie over decentralisatie tot nu toe vooral betrekking heeft op verschuivingen in verticale richting, dus van en naar centrale of lokale overheid. De discussie gaat zelden over de scheidslijnen tussen maatschappelijke organisaties en de overheid. Alleen in termen van privatisering wordt hierover gesproken. Het onderzoek naar en de discussie over de verhoudingen tussen de trits overheid-maatschappelijk middenterrein en markt staat nog in de kinderschoenen.
De vraag is dan vervolgens, hoe dit maatschappelijk middenveld zich gedraagt. Stuiveling merkt op, dat dit in het rapport van de Rekenkamer heel anders wordt geanalyseerd als in het boekje van Kalma c.s. Het middenveld is niet meer synoniem met particulier initiatief. Je zou een continuüm kunnen maken met aan het ene uiterste de overheid, dus 100% staat, en aan de andere kant de markt, dus 100% zelfstandige onderneming. Nu is het zo, dat er allerlei juridische constructies zijn/worden gemaakt, waarbij er een enorme vermenging optreedt van publieke en particuliere taken.
Een voorbeeld dicht bij de markt zijn de particuliere garagebedrijven; zij verrichten reparaties en verkopen auto’s. Maar velen hebben in de APK keuringsstations ook tot taak, de periodieke APK-keuring uit te voeren. Dit is een publieke taak. En dat betekent, dat op dit taakje van de particuliere garages de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing is. Dus die garages zou je bij het middenveld kunnen rekenen. Aan de andere kant heb je bijvoorbeeld de ziekenfondsen; dat is eigenlijk 99% publieke sector.
Er is de laatste tien jaar een enorme toevloed van organisaties in het middenveld, waarbij een vermenging optreedt van particuliere en publieke taken. Denk maar aan de politieregio’s, de woningbouwcorporaties, de ziekenhuizen.
De Algemene rekenkamer heeft geprobeerd in het rapport een inventarisatie te maken van het soort organisaties, op basis van welke relatie ze met de markt hebben, en welke relatie ze met de overheid hebben.
Op die manier konden 500 soorten organisaties teruggebracht worden tot 162 clusters, die dus ieder een eigensoortige relatie met de overheid hebben en een verschillende positie op de markt. Nu is eigenlijk het kenmerk van deze organisaties in het middenveld, dat ze van niemand zijn, door niemand worden gecontroleerd, behalve dan door het kleine groepje dat de leiding heeft. We weten over de effectiviteit en efficiency van die organisaties niets. Voeren ze de publieke taak effectief uit? We weten het niet. Van de helft van de organisaties is de formele legitimiteit niet vast te stellen. (Notulist: hier heb ik rommelige aantekeningen van gemaakt, maar ik meen me te herinneren, dat de spreekster bedoeld, dat niet duidelijk is, op grond van welke formele bevoegdheden de organisaties hun taken uitvoeren, en verder is het zo, dat het doel waartoe die organisaties iets doen niet vast te stellen is, waardoor er ook geen maatstaf is om te kijken of de publieke taak goed wordt uitgevoerd en of het geld goed besteed wordt.)
De grote opkomst van particuliere organisaties uit het middenveld die publieke taken uitvoeren is op deze manier van betrekkelijk jonge datum. Neem de particuliere verzekeringsmaatschappijen, die wettelijke bijdragen innen. Dat gaat tegelijkertijd met het innen van particuliere premies. Ze doen het gewoon tegelijk erbij. Het is zo met elkaar vermengd, dat niet door de Rekenkamer te onderzoeken valt of het innen van de wettelijke premies effectief gebeurt.
Een ander voorbeeld. De Raad van Hoofdcommissarissen bij de politie heeft een convenant afgesloten met particuliere bewakingsbedrijven. Werknemers van die bedrijven gaan bijvoorbeeld allerlei administratieve taken verrichten. Hoe moet je daar naar kijken, als je het hebt over de legitimiteit en de effectiviteit? Wie is verantwoordelijk voor wat?. Daar is veel onduidelijkheid over.
Stuiveling is van mening, dat we meer greep moeten krijgen op deze ontwikkelingen. In de eerste plaats moet het door onderzoek beter in kaart gebracht worden. Het is nu nog een terra incognita.
Vervolgens is dan ook nog de discussie, op welk bestuurlijk niveau al die organisaties uit het middenveld moeten aansluiten. Bijvoorbeeld het beleid van woningbouwcorporaties bestuurlijk koppelen aan de gemeentes.
De laatste bijdrage is van Lenny Vulpenhorst. Zijn bureau adviseert momenteel de bestuurders inzake de aanleg van de tweede Maasvlakte bij Rotterdam. Men gaat daarbij uit van de WRR-aanpak, die vandaag al eerder ter sprake kwam. We hebben geleerd van mislukte inspraakprojekten zoals bij Schiphol en de Betuwelijn.
Het departement van Verkeer en Waterstaat heeft zijn adviesburo benaderd. De medewerkers van zijn bureau hebben dan de functie van een soort praatpaal. Niemand weet eigenlijk, hoe je bij zo’n groot project als de Maasvlakte de discussie moet voeren. De ambtenaren van Verkeer en Waterstaat hadden zoiets van: we willen wel, maar we weten niet hoe. Alleen is wel duidelijk, dat methoden van inspraak zoals die in het nabije verleden werden toegepast niet werken.
Vulpenhorst zwaait met een rapport van het ministerie over inspraak dat nog geheim schijnt te zijn. De probleemstelling is eigenlijk, dat grote projecten niet meer zonder maatschappelijke legitimiteit kunnen worden gerealiseerd.
Het ministerie denkt er diep over na hoe dat wel zou kunnen. Het bureau van Vulpenhorst heeft ook het Schipholprojekt geanalyseerd. Daarbij was sprake van een volstrekt verkeerde manier van managen. De discussie was gericht op het maken van beleidsdocumenten, waarbij een vertechnocratisering van de inhoudelijke discussie optrad. Wat ook kwaad bloed zette, was dat bijvoorbeeld sommige besluitvorming werd gedaan door de officiële vertegenwoordigers van de lokale politiek, dus de burgemeesters en wethouders, maar dat het rijk ambtenaren stuurde, die pas als iets misging de minister erbij riepen. En dan te bedenken, dat de Tweede Kamer er nog weer verder vanaf staat. De conclusie moet luiden, dat je eerst goed moet nadenken over hoe je de besluitvorming kunt struktureren. Daarover zou de politiek ook meer moeten praten.
De lessen die we uit deze en soortgelijke mislukkingen kunnen trekken zijn:
1) het is niet in de eerste plaats een technisch probleem, we moeten de ingenieursmentaliteit doorbreken, het gaat om de her definiëring van de maatschappelijke consensus.
2) Er moet worden gewerkt op basis van projectmanagement, dwz het minimaliseren van risico’s op vertraging of uitstel en daarom moet gestreefd worden naar het elimineren van belangenconflikten. Je moet de milieuorganisaties niet bestrijden, maar ze een flink onderzoeksbudget geven, zodat ze na diepgaand onderzoek zelf tot de conclusie komen, dat ze ook geen andere oplossing weten, omdat het probleem zeer gecompliceerd is.
In het verleden werd teveel gewerkt met het mushroom treatment. Er werden eerst in het geheim plannen gemaakt, en die werden dan plotseling in de inspraak gegooid waarna iedereen ging protesteren. ( you plant them in the dark, you suddenly put the light on it and they grow as hell”.)
Tot slot geeft Vulpenhorst nog een voorbeeld van hoe het wel moet. Minister Jorritsma heeft de publieke opinie gemanipuleerd door te zeggen “rekeningrijden dat doen we niet”. Waarna iedereen begon te roepen dat het wel moest. (Wat Jorritsma ook van plan was.)
Na deze inleidingen was er nog een korte discussie, maar dit heeft geen nieuwe gezichtspunten opgeleverd.
PvdL

Naar een democratisch alternatief

Gepubliceerd op de website en in het tijdschrift van het initiatief de Derde Kamer. november 1995

In de Derde Kamer hebben we de afgelopen tijd veel gediscussieerd over de conclusies die we kunnen trekken uit onze openbare bijeenkomsten. We stelden ons daarbij de vraag: mogen we de Derde Kamer zien als platform van en voor sociale bewegingen, of moeten we de Derde Kamer zien als platform voor radicale democratie? In het eerste geval proberen we vertegenwoordigers van sociale bewegingen met elkaar in discussie te brengen en een gezamenlijke analyse te ontwikkelen. In het tweede geval concentreren we ons meer op de Derde Kamer als (actie)groep voor meer democratie.
Naar aanleiding van deze discussie schreef ik een bijdrage, waarin verschillende concepties van democratie naast elkaar werden gezet en de betekenis van democratie in sociale bewegingen nader werd geanalyseerd. Het verhaal is mede gebaseerd op het boek van M. de Geus ‘Organisatietheorie in de politieke filosofie’. Veel actie- en belangengroepen discussiëren de laatste jaren over de te volgen strategie om hun doelstellingen te bereiken. Wat bij die discussie een rol speelt is dat traditionele actiemodellen, zoals massale manifestaties en bezettingen of blokkades nauwelijk invloed lijken te hebben op het overheidsbeleid. In de tweede helft van de jaren tachtig leidde dit tot twee reacties:
Sommigen gingen de weg op van het reguliere overleg met de overheid. Groepen uitkeringsgerechtigden werden lid van “clientenraden” en ook een stichting als Natuur en Milieu zit in vele overlegorganen. Zij gaan er van uit dat het mogelijk moet zijn het overheidsbeleid bij te stellen door het voortdurend naar voren brengen van inhoudelijke kritiek en het formuleren van tegenargumenten.
Anderen dachten dat het beter was om zelf concrete doe-het-zelf-projecten op te zetten, waarmee de eigen idealen direct in de praktijk zouden zijn te brengen. Zij schiepen woon-werk-gemeenschappen (soms vanuit de kraakbeweging), alternatieve geldsystemen zoals het LETS-systeem, gebruikers-coöperaties, biologische landbouwprojecten, etcetera. Overigens is deze doe-het-zelf-beweging wel een constante onderstroom in de maatschappij. Een verschil met vroeger is echter, dat zij in deze post-moderne tijd minder wordt ingepast in een volledige maatschappij-analyse zoals het socialisme. Het is een enigszins verbrokkeld geheel van praktisch bezig zijn op basis van persoonlijke deel-analyses.
Bureaucratiën
Zowel op het niveau van het reguliere overleg met de overheid of grote ondernemingen als op het meer individuele niveau stuit de burger echter op de ondoordringbaarheid van bureaucratiën en op de beperkingen van ons democratisch systeem. Wanneer groepen burgers het overheidsbeleid trachten te beïnvloeden, worden zij geconfronteerd met ambtelijke beleidsnota’s die door politieke bestuurders worden gedekt, en waarbij plannen op de rails worden gezet, die niet meer zijn te beinvloeden. Het blijkt een soort langzaam draaiende bureaucratische machine te zijn, die niet meer kan worden bijgestuurd en die niet is te stoppen. Bureaucratiën worden gekenmerkt door hiërarchische structuren, waarbij mensen aan de top veel te vertellen hebben en mensen in lagere functies niet. Op lagere functieniveaus hou je je bezig met een deeltaakje dat vanuit centrale sturing wordt afgestemd op andere deeltaakjes. De soms verborgen veronderstelling van de voorstanders van dit model is, dat mensen slechts in zeer beperkte mate in staat zouden zijn zichzelf te besturen. De gewone organisaties dienen te gehoorzamen en beslissingen van hogerhand te aanvaarden, aangezien de elite met superieure kennis begiftigd is. De leiders zijn vooral bezorgd om de efficiency en rationaliteit van de organisatie en om het soepel en probleemloos laten verlopen van de controle van bovenaf. Vertegenwoordigers van sociale bewegingen die met dergelijke burokratiën in overleg treden worden vaak geconfronteerd met een inperking van de discussie tot de uitwisseling van technische argumenten op het gebied van de uitvoering van overheidsbesluiten, die zelf niet ter discussie staan.
Integratie benadering
Om de demokratie, de invloed van de burger, te verbeteren, wordt meestal de integratieve organisatieconceptie naar voren gebracht. Deze conceptie heet integratief, omdat er wordt gestreefd naar wilsintegratie van individuen, d.w.z. de individuele wil gaat op in de collectieve wil, die meestal op basis van meerderheidsbesluiten en referenda wordt vastgesteld. Hierin past de conceptie van burgerschap. Het individu gaat niet zomaar akkoord met de wil van de meerderheid. Daarvoor neemt hij/zij actief deel aan allerlei discussies waarin argumenten worden afgewogen alvorens een besluit wordt vastgesteld. Dan pas legt het individu zich neer bij de wil van de meerderheid en stelt zich beschikbaar voor bestuurlijke funkties om een en ander uit te voeren. Daarbij wordt gekozen voor een systeem van vertegenwoordigers die namens de burgers optreden en periodiek worden gekozen. Het zou te ver voeren, hier alle beperkingen van dit democratiemodel te noemen. Een punt wil ik echter naar voren halen. Ook bij de integratieve benadering wordt de scheiding tussen de sfeer van hiërarchische verbanden zoals bedrijven en (overheids)bureaucratiën enerzijds en de staat als democratische organisatie anderzijds niet in twijfel getrokken. In de politieke sfeer worden democratische concepties geaccepteerd en gepropageerd. Hier wordt het individu beschouwd als een vrij en gelijk mens die recht heeft op inspraak en zeggenschap, zelfontplooiing en zelfbeschikking (burgerschap) zoals in de oudheid bij de Grieken. In het particuliere domein worden meer hiërarchische concepties gepropageerd. De mens is een werknemer die zich heeft aan te passen aan de wensen van het management; de mens als gehoorzame, betrouwbare en loyale werknemer.
Libertaire benadering
De scheiding tussen deze twee domeinen moet worden doorbroken. Een meer libertaire organisatieconceptie zou daarbij als leidraad kunnen dienen. Hierbij staat niet het heersersprincipe of de collectieve soevereiniteit centraal, maar de individuele soevereiniteit, de mens als zelfbepalend individu, waarbij wordt gestreefd naar een maximale individuele vrijheid. Dit heeft gevolgen voor de ordening van de maatschappij; er is dan geen plaats meer voor centrale sturing van de ekonomie of voor een meerderheidsgebonden inrichting van de staat. In plaats daarvan komt een federatief geheel van lokale, in hoge mate autonome gemeenschappen met ruimte voor zelbesturing. Het gaat om losse, beweeglijke en niet-hiërarchische organisatieverbanden, waarbij zelforganisatie, flexibiliteit en onafhankelijkheid worden benadrukt. Men gaat hierbij uit van het zelfregulerende karakter van een dergelijke organisatie. Daarbij geldt als uitgangspunt dat mensen uitstekend in staat zijn zichzelf en, samen met anderen, lokale gemeenschappen te besturen. Overigens moeten we hierbij niet alleen denken aan territoriaal afgegrensde gemeenschappen. Flexibele, horizontaal gestructureerde organisatievormen worden ook nu al tot ontwikkeling gebracht bij zowel belangengroepen, overheid alsook het bedrijfsleven, en dit is niet alleen maar negatief. Men kan hierbij denken aan netwerkachtige verbanden; organisaties als een soort spinnewebben waarbij de draden alle kanten opgaan en de onderdelen op verschillende wijze met elkaar in verband staan. Dit kan worden gecombineerd met horizontaal gestructureerde organisaties, gebaseerd op soms tijdelijke project- en taakgroepen die in grote mate autonoom zijn en op democratische wijze tot besluiten komen. Een voorbeeld daarvan kwam ter sprake op de Amsterdamse bijeenkomst van de Derde Kamer, nl. de ambtelijke projectgroepen in het kader van de stadsvernieuwing.
Tot slot
De ervaringen van individuele burgers en vertegenwoordigers van sociale bewegingen met de overheidsbureaucratie brengen mij tot de opvatting dat het een hoofdtaak van de Derde Kamer zou moeten zijn in het publieke debat over democratie de nadelen van zowel de bureaucratische als de integratieve benadering naar voren te brengen en zelf
nieuwe organisatieconcepties in de praktijk te brengen en verder te ontwikkelen. Daarbij kunnen meer libertaire uitgangspunten van organisatie als alternatief naar voren worden gebracht.

1 Reactie op Naar een democratisch alternatief

  1. pvdlende zegt:
    begin 1996
    Thema: Derde Kamer
    Door: Clemens Raming
    Naar een democratisch alternatief door een open diskussiekultuur
    Het gaat bergafwaarts met onze parlementaire democratie. Onderworpen aan de dictatuur van de markt, is ze niet in staat zich de oprukkende Euro-burocratie en de insluipende politiestaat van het lijf te houden. Eerste- en Tweede-Kamerleden praten over verbeteringen, waarvan niemand gelooft dat die het tij kunnen keren. Daarom is het goed dat er een Derde Kamer is.
    Heerschappij en vrijheid
    In de Derde Kamerberichten van november 1995 zet Piet van de Lende een spoor uit ‘Naar een democratisch alternatief’. Hij constateert dat onze samenleving nog altijd wordt gedomineerd door bureaucratische structuren en dat de zogenaamde integratieve organisatieconceptie die aan de parlementaire democratie ten grondslag ligt, onvoldoende tegenkracht opbrengt. Als leidraad voor een alternatief huldigt de auteur de libertaire organisatieconceptie: ‘Hierbij staat niet het heersersprincipe of de collectieve soevereiniteit centraal, maar de individuele soevereiniteit, de mens als zelfbepalend individu, waarbij gestreefd wordt naar een maximale individuele vrijheid’.
    Deze libertaire basisgedachte klinkt mooi, maar verdient niet de eer die Piet haar bewijst. ‘Individuele soevereiniteit’ is een uitdrukking die de heerserskultuur voortzet – soevereiniteit is de aanspraak van staten op heerschappij over een stuk aardoppervlak met de bijbehorende bevolking. Het libertaire denken tendeert naar het individualiseren van het heersersprincipe: de mens als heerser in het koninkrijk van het eigen bestaan. De libertaire ideologie bewijst volgens mij de menselijke vrijheid een slechte dienst omdat ze deze uit de concrete werkelijkheid van het leven wegplukt, op een voetstuk zet en daarmee prijsgeeft aan de spot van de realisten en aan het hoofdschudden van de wetenschapper. Voor hen zijn mensen kortzichtig, manipuleerbaar en machtsafhankelijk. Mensen lopen achter politici aan die hen welvaart en veiligheid beloven en die inspelen op chauvinisme en onvermoede krachten in hen oproepen. En als tenslotte de teleurstelling toeslaat, verliezen ze alle interesse in de politiek.
    Ik zie geen heil in mensdefinities die daaraan voorbijgaan. Zelfbeschikking en demokratische vrijheden komen mijns inziens slechts tot hun recht in een klimaat van tolerantie, openheid, konstruktieve kritiek en zelfinzicht. Vrijheid is een project waar mensen, los van ideologische grootspraak, vallend en opstaand, maar met elkaar vorm aan moeten geven.
    De voorwaarden voor democratie
    Uit het libertaire basisconcept leidt Piet van de Lende een reeks organisatorische constructies af. Zijn samenvatting daarvan is zo kompact dat zeker de oningevoerde lezer erdoor wordt overrompeld. Jammer, want het ontwikkelen en uitproberen van zulke constructies is volgens mij een noodzakelijk onderdeel van het streven naar een volwaardige democratie. De meeste mensen die zich daarmee bezig houden blijken daarvoor echter helemaal geen libertaire beginselen nodig te hebben. Volgens mij is democratisering meer dan een kwestie van organisatievormen. Een onderzoek van anarchistische groepen vier jaar geleden heeft aangetoond dat in sommige van deze groepen, ondanks een prachtig basisdemocratische besluitvorming, enkele dominante figuren de lakens uitdeelden, terwijl anderen niets hadden in te brengen.
    Het libertaire denken gaat ervan uit, zegt Piet van de Lende, ‘dat mensen uitstekend in staat zijn zichzelf en, samen met anderen, lokale gemeenschappen te besturen’. Dat is een ideologische losse flodder. Het reëel bestaande lokale zelfbestuur funktioneert binnen de kaders van de gevestigde maatschappij. Dat beperkt met de beslissingsruimte ook de keuzeproblemen. Hoe belangrijker de zaken waarover mensen in eigen kring beslissen, des te groter het beroep op hun democratische gezindheid.
    Ik ben overtuigd van de wenselijkheid en zelfs de harde noodzaak van een onthiërarchiseringsbeweging, alleen al omdat besluitvorming en actie volgens het ‘A beveelt B’ principe onvoldoende zijn voor de besturing van een complexe en dynamische samenleving. Er is ook al zo’n beweging, alleen kan niemand voorzien wat die uiteindelijk zal opleveren. Concentreren we ons daarom op de vooruitgang die binnen ons eigen bereik ligt.
    Piet van de Lende raadt de Derde Kamer aan om zelf nieuwe organisatieconcepten en besluitvormingspatronen in praktijk te brengen en te ontwikkelen. Dit lijkt me een goede zaak, maar niet bij wijze van experiment om het experiment. Laten we ons richten op het ontwikkelen van een goede organisatorische opzet van het Derde Kamerproject. Mijn grootste prioriteit ligt dan bij de democratisering van de manier waarop we plannen en problemen bediskussiëren en gezamenlijke keuzes bepalen.
    Een ander problematisch punt voor links dat grote aandacht verdient is de diskussie met mensen die er onlinkse gevoelens en ideeen op nahouden. Zo heb ik zelf veel moeite met het reageren op mensen die aan het vreemdelingensyndroom lijden. Er moeten toch zoveel vooruitstrevende mensen zijn die met dit probleem zitten, denk ik, maar als ik linkse clubbladen lees ontmoet ik wel heftige protesten tegen het vreemdelingenbeleid en standpunten die als de regering ze overnam een volksopstand zouden ontketenen, maar geen woord over de vraag hoe we in het dagelijks contact met anderen kunnen werken aan het opbouwen van een draagvlak voor een humaner vreemdelingenbeleid.
    Naar een open diskussiekultuur
    Mijn voorstel om het streven naar democratie vooral ook op de eigen discussiepraktijk te richten sluit aan op de eerste rondzendbrief van de initiatiefgroep van de Derde Kamer, lente 1994: ‘We bepleiten in de eerste plaats een open diskussiecultuur die uitgaat van een sterke doordrongenheid van de situatie, gekoppeld aan een grote relativering van de eigen machtspositie.’
    De progressieve beweging kampt met de naweeën van het ideologisch tijdperk. Oude scheidslijnen zijn vervaagd zonder te verdwijnen. Het is moeilijk om uit de ontbonden ideologische complexen het waardevolle te halen. De een blijft gehecht aan wat de ander heeft afgeled en waar een derde nooit in heeft geloofd.
    De moeilijkheid is dat de manier waarop we ‘discussiëren’ deel uitmaakt van het probleem. De initiatiefgroep raakt aan deze complicatie met haar pleidooi voor het relativeren van de eigen machtspositie. Hoe meer je je fixeert op ‘macht’ om je in naam van de rechtvaardigheid, de vrijheid en de toekomst der mensheid in de boze wereld te doen gelden, des temeer hanteer je de taal als machtsvoertuig, al was het alleen maar om jezelf het gevoel te geven in het politieke strijdperk van de partij te zijn.
    Tegenover de frustrerende ervaringen die het diskussiëren op basis van ‘wij hebben gelijk en willen macht’ heeft opgeleverd, vormt de idee van een open diskussiekultuur een aantrekkelijk alternatief. Het in praktijk brengen ervan is geen gemakkelijke opgave, omdat we ons daarbij moeten losmaken van de spelregels van de gevestigde politieke cultuur. Als we echter voorwaarden willen scheppen voor een demokratisch zelfbestuur, zullen we moeten beginnen met ons dáárvoor in te zetten.

Tekst uit verslag Derde Kamer bijeenkomst over de stadsprovincie in het Barleus gymnasium op 13 mei 1995

Diskussie werkgroep 2 plus 3.

Bernard Stolte begint zijn inleiding met te stellen dat het
onderwerp van de bestuurlijke herindeling al heel lang speelt.
In 1981 zijn de deelraden Noord en Osdorp opgericht. Ze waren
bedoeld als een strategisch idee op een schaakbord, dwz men
poogde op die manier de deelraden erdoor te drukken.
Op stedelijk niveau in de gemeenteraad speelden vervolgens twee punten:
– Het is een gigantische operatie, hoe moeten we de ambtenar-
ern spreiden? Hoeveel deelraden moeten er komen?. Het CDA was
voorstander van 8, de PvdA 16 en Groen Links geen.
– Er werden beslissingen genomen over de bestuurlijke herinde-
ling, zonder dat er sprake was van een goede evaluatie met de
deelraden Noord en Osdorp.
Dat laatste zien we nu met de stadsprovincie weer. In feite worden
in de diskussie over de verdere bestuurlijke herindeling de
ervaringen van de afgelopen tien jaar nauwelijks meegenomen. Er
wordt alleen gediskussieerd over hoe de top, de stadsprovincie
eruit moet zien.
De buurtgroepen zouden zich eigenlijk op het standpunt moeten
stellen: we hebben veel ervaring met de deelraden, ze zouden
van onszelf moeten zijn, hoe kunnen we ons verdedigen tegen
het oprukkend centralisme?
De deelraden zijn 5 jaar geleden ontstaan. In feite zijn de
stadsdelen in de afgelopen vijf jaar aan hun lot overgelaten.
Enerzijds werd er door maatschappelijke organisaties niet in
geinvesteerd, anderzijds keken de mensen die de macht kregen
in de deelraden naar boven. Daardoor zijn de stadsdeelraden
een soort wegwerpartikel geworden. Ze worden alleen maar
gebruikt als leerschool voor jonge politici, die het zien als
begin van hun carriere.
De stadsdeelraden zijn ingevoerd onder het motto: het bestuur
moet dichter bij de burger. Het gekke is, dat een model daar-
voor al was gevonden, nl de A.P.G, de Ambtelijke
Projekt Groep Stasdvernieuwing. De voorzitters van deze pro-
jektgroepen kregen bepaalde mandaten, en er ontstond een goed
kontakt tussen de burgers en de hogere ambtenaren, dat in
grote lijnen goed funktioneerde. Dit model heeft gewerkt. Er
was een goede relatie tussen de buurt en het bestuur. Dit
model is overgenomen oa bij de uitbreiding van de Nederlandse
Spoorwegen en andere ruimtelijke ordeningsproblemen. Daar
werden dezelfde codes toegepast. Toch zat er in deze projekt-
groepen ook wel een spanningsveld, omdat men er vanuit ging,
dat projekt groepen ook voor de buurt werkten, maar er zat
toch ook een andere kant aan, nl werken voor de politieke
bestuurders. Bij deze A.P.G’s was er echter het recht van de
burgers om bij de projekten betrokken te worden en ook de
plicht van de overheid om dat te organiseren. Toen zei men bij
de stadsdeelraden, ja, maar wie kontroleert vanuit de politiek
nu die A.P.G’s? Dit heeft tot gevolg, dat alles nu via de
portefeuillehouder van de deelraad loopt, en dat er zg voor-
trajekten ingesteld worden, waarbij het recht op inspraak of
erbij betrokken worden steeds weer opnieuw bij ieder geval
bevochten moet worden.
Ik zou in dit verband ook nog ter diskussie willen stellen,
dat de instelling van de stadsdelen heeft geleid tot een
enorme brain-drain vanuit de buurtorganisaties, die daardoor
verzwakt werden.
Ben Bles maakt de opmerking, dat de deelraden alleen werden
opgericht, om de macht van de ambtelijke instanties op het
stadhuis te breken, de deelraden zijn nooit bedoeld geweest om
het bestuur dichter bij de burger te brengen. In feite zijn
die projketgroepen ook opgericht, om die macht van de ambtena-
ren nog eens een keer te breken.
Bernard antwoord, dat dit waar mag zijn, maar dat als de
instelling van stadsdeelraden tegelijkertijd leidt tot de
conclusie dat het een middel is om verder te komen, dat we dat
dan moeten aannemen.
Iemand merkt op, dat je die deelraden eigenlijk niet nodig
hebt, wat je nodig hebt zijn aktieve, betrokken burgers, die
bezig zijn met hun eigen straat, maar die tegelijkertijd ook
verder willen kijken dan hun eigen stoepje. De betrokkenheid
van dergelijke mensen is essentieel, dat is belangrijker dan
de vorm.
Iemand anders maakt nogmaals de opmerking dat de deelraden
niet zijn opgericht om het bestuur dichter bij de burger te
brengen. Dit argument werd gebruikt als eem modieus omhulsel
voor de buitenwereld. Het argument had per ongeluk inderdaad
waar kunnen worden, maar het is in feite niet gebeurd. De
politici in de deelraden hebben de neiging, zich af te sluiten
van de burgers, die willen participeren in het maken van het
beleid. Aktieve burgers lopen tegen een muur op. Bovendien
ligt het niveau van besturen bij de deelraden erg laag. Er
wordt verteld, dat een politica na vijf jaar als wethouder van
een deelraad ruimtelijke ordening in haar portefeuille gehad
te hebben, bekende, dat ze niet wist wat een bestemmingsplan
was. De inspraak/invloed van de buurtbewoners zit niet in het
syteeem ingebakken, het is afhankelijk van enkele goedwillende
ambtenaren/politici.
Daarna houdt Luud Schimmelpennink zijn inleiding. Hij heeft
oorspronkelijk een technische opleiding genoten en houdt zich
bezig met technische innovatie, dwz het ontwikkelen van nieuwe
produkten. Zijn politieke opvoeding heeft hij gekregen in de
zestiger jaren, toen er krenten uitgeeeld werden op de Dam, en
werden een aantal begrippen ontwikkeld over demokratie en
solidariteit. Luud is ook tien jaar voorzitter geweest van het
wijkcentrum d’oude stad, toen de aanleg van de metro speelde
en de metrorellen zijn geweest. Zijn ervaring was in die tijd:
een groep buurtbewoners stapte naar het wijkcentrum om bij-
voorbeeld een projekt voor herbestrating gerealiseerd te
krijgen. Belanghebbenden belegden dan een vergadering, waar
ook ambtenaren voor werden uitgenodigd. Tot hun eigen verba-
zing konden de buurtbewoners dan op zo’n grote vergadering tot
een gemeenschappelijk standpunt komen, en mochten de buurtbe-
woners beslissen, wat er zou gaan gebeuren. Luud noemt dit
even verder in zijn betoog ‘volksvergaderingen’ het heeft hem
verbaasd, hoe enorm wij het als mensen in ons hebben, om op
zo’n vergadering tot een besluit te komen, ook met ondernemers
en zo erbij. Voor de pauze wordt er gediskussieerd, en zijn er
meningsverschillen, dan is er in de pauze koffie en na de
pauze wordt een besluit genomen. Je zou het kunnen vergelij-
ken met de kerk. Eer is nog veel religieus besef onder de
menaen, maar dit vertaalt zich niet meer in het naar de kerk gaan.
Zo is het ook met deze vergaderingen. Er leven onder de mensen
best veel politieke gevoelens, maar dit vertaalt zich niet in
politieke partijen, dwz de demokratie, de deelname van de
mensen aan de politiek komt niet meer in het bestaande kader
van de politieke partijen tot gelding.
Bernard merkt op, dat je niet alleen over de vorm moet praten,
die de demokratie aanneemt. Moet je praten over een gecen-
traliseerd of gedecentralisserd systeem? Moet je praten over
anarchie of iets anders? De probleemstelling moet anders
geformuleerd worden. Het gaat erom, dat er een soort controle
van de politiek nodig is, dat er een soort feed-back komt. De
vraag is nu, hoe zullen de noodzakelijke veranderingen in het
bestuur doorgevoerd worden, waarbij van de politci en de
ambtenaren niet een soort monsters moeten maken. Het gaat om
dit soort processen, dwz, hoe kunnen we ervoor zorgen, dat
politici streven naar dienstbaarheid aan de mensen, zodat de
politici het vetrouwen dat we in hen stellen waarmaken.
Luud wil het vraagstuk van de schaal waarop mensen dingen
beleven en waarop dingen gebeuren bij de diskussie betrekken.
Waaraan ontlenen we onze identiteit als Amsterdammer? Dat
ontlenen we aan het centrum van de stad, je zou kunnen zeggen
de grachtengordel, het gebied waar Osdopr niet meer bijhoort,
hoewel de Osdorper wel een identiteit als Amsterdammer be-
leeft. Er is blijkbaar een centraal gebied, waar een soort
schaalidentiteit bij hoort. Men wil de deelgemeenten laten
samenwerken, maar men weet niet hoe. Toch is samenwerking
noodzakelijk. Dat is het leuke van het proces van nu.
Van der Laan heeft gezegd:
dan splitsen we amsterdam niet op. We zullen er in de toekomst
rekening mee moeten houden, dat we voldoende draagkracht
organiseren.
De schaal van de dingen is heel belangrijk. We zullen ons
ervan bewust moeten zijn, dat we elk moment op een andere
schaal bezig zijn. De diskussie Noord-Zuid lijn gaat over een
heel andere schaal dan de eigen straat. Maar hoe verhouden die
twee zich tot elkaar?
Een ander punt is de ekonomie, hier vinden voortdurende veran-
deringen en schaalvergrotingen plaats. De ekonomie is belang-
rijk voor de werkgelegenheid. Amsterdam is een stad waar veel
ekonomische aktiviteiten worden geboren, die elders worden
gerealiseerd. Amsterdam zou ook in de toekomst veel nieuwe
werkgelegenheid moeten raliseren. Hier speelt ook de schaal-
vergroting een rol, vroger zaten de konfektionairs en hun
vervoerder op de grachten, daarna zijn veel konfektionairs het
land ingegaan. Toen is er in de buitenring een groot konfek-
tiecentrum geopend, en toen kwamen al die vedrijven weer terug
want dat konfektiecentrum werd een soort bijenkorf, waar alles
gebeurde.
De stad is niet een eenheid, het stedelijk gebeuren in de
verschillende wijken is enorm verschillend. Vergelijk Osdorp
eens met het centrum. In het centrum is de bebouwingsdichtheid
vele malen groter dan in Osdorp. Men bouwde Osdorp vanuit een
soort idealisme: veel groen, niet te dichte bebouwing, mooie
ruime lichte huizen, etc. Maar het werd een soort slaapstad,
waar de mannen s’morgens naar hun werk gingen en de vrouwen
boodschappen deden en thuis zaten. Het waren geen levende
steden. Zo zie je, dat iets wat je vanuit idealisme doet, ook
iets negatiefs heeft. Wij zijn toen met het idee van de kom-
pakte stad gekomen. Het centrum, en het gaat erom dat te
behouden, is een kompakte stad, die niet alleen maar voor
overlast zorgt. De mensen dicht bij elkaar betekent ook meer
aktie, gezelligheid, intensieve kontakten. Dat zijn voordelen.
Later zijn die ideeen van ons overgenomen door en misbruikt
door politici, om op de hele stad toe te passen, maar ik denk,
dat wat wij Amsterdam noemen, daaronder verstaan wij het oude
centrum. Die andere dingen zijn er later bijgekomen. Kijk nu
eens naar Almere, hoe dat gebouwd wordt en hoe verkwistend dat
is in de ruimte. We moeten erover praten, hoe we voor de stad
lijnen uitzetten naar de toekomst, maar nu gaat het erom, in
de eerste plaats, die stad te beschermen.
Ben Bles brengt naar voren, dat er gisteravond een diskussie
was met de mokummers in zaal 100, en dat amsterdam-liederen
werden gezongen door een iranier, en nog enkele andere natio-
naliteiten. De migratie zorgt voor een politike vitaliteit,
die het amsterdam gevoel versterkt. Het: wij zij amsterdam
gevoel is heel belangrijk.
De voorzitter stelt vervolgens de probleemstelling aan de
orde, die oorspronkelijk hoorde bij werkgroep 3, nl hoe is de
positie van de stedelijke belangengroepen. Rob merkt op, dat
het Komitee Moet Amsterdam Amsterdam Blijven tot nu toe vooral
bestaat uit individuen. Organisaties zijn er nauwelijks bij
betrokken. Het gaat er nu om: hoe brengen we de informatie
voor het voetlicht van de maatschappelijke organisaties.
Er zou een stedelijk platform moeten komen, evt met
een stedelijk blad, waar tal van groepen aan deelnemen, en
waarbij ze diskussieren over: hoe nu verder met de stad? Er
zijn al geluiden voor een nieuwe politieke partij voor de stad
Amsterdam. Maar we moeten nu niet werken aan een nieuwe poli-
tieke partij. Iemand anders merkt op, dat er wel de mogelijkheid is
van een politike partij van migranmten. Dergelijke
geluiden zijn er meer. Ook de ervaringen van buurtbewoners met
het Karrewiel waren aanleding om te zeggen, we doen het zelf
wel en we richten een nieuwe politieke partij op.
Ben Bles brengt naar voren, dat er tussen de mensen hooguit
een gemeenschappelijkheid is, die zit in de verscheidenheid.
Het traditionele organisatorische denken heeft zijn tijd
gehad. Vorige week stond in de NRC een stuk van een hoogleraar
uit Groningen met een analyse over Frankrijk, die correspon-
deert met de situatie in Nederland. Namelijk dat iedere burger non-
stop leeft in verschillende schalen.
De traditionele politieke partijen hebben het gevoel, dat ze
de mensen niet onder een gemeenschappelijke noemer kunnen
brengen, dat mensen daar niet onder zijn te brengen. Dat komt
juist, omdat die belangenverscheidenheid, en die verschillen
er zijn. Daarom moet je niet zoeken naar het gemeenschappelij-
ke als basis, maar naar de verscheidenheid. Daar zul je dan
echter wel een sturingsmechnanisme voor moeten hebben (?).
Maar dan komen de belangrijke intituties pas goed in Moeilijk-
heden.
Ik geef een voorbeeld. Het ziekenfonds heeft jaren geleden de
ziekenfondsbode afgeschaft. Door de ziekenfondsbode was het
ziekenfonds precies op de hoogte van wat er bij de mensen
gebeurde. Door de afschaffing en de automatisering is men niet
meer op de hoogte. Zou je de automatisering niet als instru-
ment kunnen gebruiken, dwz dat je als ziekenfonds terugkoppelt
naar de mensen: kijk, zoveel heb je gebruik gemaakt van het
ziekenfonds, zoveel premie heb je betaald, begrijp je nu dat
het redelijk is? Je zou de automatisering meer als instrument
moeten gaan gebruiken.
Iemand anders ziet daar niet zoveel in. Het gaat er toch om,
de solidariteitsgedachte nieuwe inhoud te geven. De burgers
zijn mondiger geworden, maar juist daarom kun je hen op hun
solidariteit aanspreken, dus geen referendumgedoe, maar buurt-
groepen oprichten op basis van die solidariteit.
Luud: het probleem is, dat die buurtaktivisten ook aan parle-
mentarisme gaan doen. Ik heb het meegenaakt in de Nieuwmarkt,
dat de buurtbewoners zeiden: we willen hier bomen hebben.
Daarvoor werd geld opgehaald en er werd een boomplantdag
georganiseerd. Toen zei de bewonersraad: nee, wij hebben juist
besloten, dat hier geen bomen komen. Precies hetzelfde model
heb je bij de gemeenteraad. Je blijft altijd zitten met het
probleem van de gekozen en de betaalde funktionaris.
Je zou incidenteel het mechanisme van de oude volksvergaderin-
gen moeten gebruiken, Incidenteel, niet te vaak. Het is een
instrument, wat grote mogelijkheden biedt. Het gaat erom, hoe
krijg je het politieke model, om tot een gezamenlijk besluit
te komen op buurtniveau. Vraag is dan, hoe krijg je die kracht
op het bestuurlijke niveau. Het blijft toch de vraag, wie
kontroleert wie.
Iemand zegt, dat er geen enkele bestuursvorm is ontwikkeld die
gebaseerd is op het goede in de mens. ieder bestuur is erop
gericht, de slechte kanten van de mensen in te snoeien. Maar
wie kontroleert dat dan weer? de goede dictator?
De parlementaire demokratie is een slecht model. Maar toch ben
ik het eens met Churchill, die heeft gezegd, dat de parlemen-
taire politieke demokratie zoals wij die kennen de aller-
slechtste staatsvorm is op alle andere na. Benoem maar eens
wat anders.
Bernard merkt nog op, dat het gaat om controle en feed back.
De hele maatschappij draait dol.
Luud merkt op, dat er altijd een vertegenwoordigend systeem
moet zijn, dus je kiest vertegenwoordigers met een mandaat,
maar het mag niet andersom zijn. Het probleem van de kleine
baasjes zul je altijd houden. Het probleem is dat de mensen
er niet in geinteresseerd zijn.

Enkele indrukken van de diskussies op 23 april in De Derde Kamer.

In de vijfde sessie heeft Eise kalk het voorstel gedaan, in
Amsterdam een Derde Kamer te organiseren. Hierbij zouden ook
politici moeten worden uitgenodigd, en zou het onderwerp
“vrijwilligerswerk” moeten zijn. Hij deed een oproep om zo’n
Derde Kamer te organiseren. Verder verbond Ger Ramaekers
namens het PSUL de Derde Kamer met de buiten-parlementaire
enquete, die reeds in Limburg was georganiseerd. Jan Bosman
had geen duidelijke indruk van wie nu precies de bijeenkomst
had georganiseerd, wie erachter zaten, wie de initiatiefgroep
was, en dat het er toch om ging, het verzet te organiseren.
Het was geen interessante bijeenkomst om een artikel over te
schrijven. Verder zijn er geen voorstellen gekomen voor lokale
Derde Kamergroepen. Aan de ene kant zijn er veel mensen geko­men,
die de nota niet ontvangen hadden, en die zich niet
hadden opgegeven en die toch kwamen. (er waren zo’n 250 mensen)
De groep die zich wel had opgegeven en die de nota had gelezen
was kleiner dan verwacht qua opkomst. Saskia Poldervaart was
eerst enthousiast over het initiatief, maar later heel wat
minder, omdat er niet gepraat werd over de demokratie in het
huishouden. De pers heeft het geheel laten afweten. Er was
geen enkele krant aanwezig!!. Alleen KRO-radio en Eva Verstoep
van de NCRV waren aanwezig. De KRO-radio maakte er “een dag
met Hans Visser” van. (De bekende Nederlander). Het Parool
heeft mijn artikel niet geplaatst omdat men de informatie van
dergelijke “para-politieke organisaties” niet belangrijk
vindt.
Radiaal-linkse bladen hebben veel aandacht besteed aan het
initaitef. MUG, Konfrontatie, natuur en miliue, kleintje
muurkrant, NN, etc. Voor de bijeenkomst van 1 mei wil Assata
de vijfde nota van de initiatiefgroep integraal publiceren.

Aan het eind van de vijfde sessie heerste onduidelijkheid over
wat er nu verder moest gebeuren. Gerard zei, dat je eerst iets
moet neerzetten, voor je met een aktieorganisatie begint. Hij
is het dus eens met de bewuste vaagheid van het initiatief. De
RIA Dijkstra riep op tot bijeenkosmten over de invoering van
een basisinkomen in september en november. En vroeg iedereen,
daaraan mee te doen. Maar legde geen link naar de uitgangspun­ten
van de derde kamer. Brockhus van de sociale omroep neder­land
was er ook. Hij maakte reclame voor zijn initiatief, de
kritiek op de media. Verder de man in het rode jasje die
reclame maakte voor Solidair 93.

In de diskussie van de welvaartsstaat fractie werd er de
nadruk op gelegd, dat de armen geen geld hebben om
milieu­vriendelijk te leven, ze kunnen de duurdere produkten niet
kopen. Dit is ook de kritiek op de eco-tax, het is een indi­recte belasting,
die voor iedereen gelijk uitwerkt en dus
minder zwaar drukt op de hogere inkomens,
Er was een man die zei, dat de mensen in de bijstand tot de 2% rijksten van de
aardbol behoren en dat als zij niet bereid zijn in te leveren,
er nooit een milieuvriendelijke economie zal komen. Hij liep
kwaad weg, ondanks het pleidooi van Raf dat we ons niet tegen
elkaar moeten laten uitspelen, en dat het gaat om een ander
begrip van welvaart, waarmee de noodzaak om sober te leven
wordt verbonden met een fundamentele maatschappij kritiek.
Daarbij sluit je ook aan bij de initiatieven die er tegelij­kertijd bij armen zijn,
om anders te leven. We leven echter in een geldekonomie,
waarin je alleen kunt meekomen als je
veel geld hebt. In de mirgatiefractie werd gediskussieerd
over de quota, die in de TK alleen groen links wil, voordelen
zijn:

©je kunt er niet onder gaan zitten zoals nu

© je hebt geen paniekreacties als in een bepaalde maand toe­vallig
veel mensen naar Nederland komen.
Maar het gaat om mensen, niet om quota. Daarom een pleidooi
voor open grenzen. Hans Visser verbond de positie van de
minima in de oude wijken met de migratie.
Die uitkeringsge­rechtigden hebben de gevolgen van de migratie op hun bord
gekregen, dat is een feit waar je niet omheen kunt.

Zowel in de welvaartsstaatfractie als in de milieufractie werd
gediskussieerd over het begrip onafhankelijkheid.
In de mi­lieufractie werd gezegd, dat we politiek op wereldniveau
moeten denken en ekonomisch op regionaal niveau. Bij de eerste
stelling in de welvaartsstaatfractie werd bij het woordje
“onafhankelijkheid” gezegd, dat het ging om ekonomische onaf­hankelijkheid.
Er was een vrij zware delegatie van kerkelijke opbouwwerkers
aanwezig, die zich zowel met migratievraagstukken als met de
arme kant van nederland bezig houden.
Dit zijn twee speerpun­ten in progressief-kerkelijke kring.
Uit de vakbonden was bijna niemand aanwezig, uitgezonderd enkele mensen van het
blad solidariteit, die weinig aanhang hebben. Andere kritische
vakbondsgroepen waren er niet. (Of bestaan die niet?) Van
lokale werklozenorganisaties en andere uitkeringsgerechtigden­groepen
was ook niemand aanwezig, behalve uit Nijmegen en het
PSUL en Nanne de Jong van het Fries WAO-beraad.
Van de lande­lijke uitkeringsgerechtigdengroepen waren
verschillende verte­genwoordigers aanwezig, omdat ze voor de fractiediskussie
waren uitgenodighd. Van Groen Links waren weinig mensen aanwe­zig.
Wel Saar Boerlage, maar omdat ze van de
vereniging vrien­den van een basisinkomen is. Van de milieugroepen waren enkele
grote leiders (Juffermans) aanwezig, verder alleen kleine
kritische groepen, of mensen die in grotere milieuorganisaties
aan de rand staan. (Ook aktie Strohalm en van een boek over
alternatieve ekonomie).
Er bestaat bij de pers onbegrip voor het feit, dat we ons niet
tot de politici richten, en dat we onderling willen diskussie­ren over
hoe het verder moet. Dit onbegrip bestaat echter ook
bij enkele aanwezigen in de vijfde sessie. Ook werd gezegd,
dat het gaat om het verzet en konrete akties, en niet alleen
om studiedagen.
Jeroen Zonneveld zei, dat we beter bijeenkomsten met kleine
groepsdiskussies kunnen organiseren, en dan een bepaald onder­werp
helemaal uitmelken, in plaats van grote plenaire debatten
van grote groepen die dan een opppervlakkige diskussie voeren.
Mijn conclusie is, dat we misschien wel niet vaag genoeg zijn
geweest. de Notaas waren te voorbarig?.
Migrantengroepen waren niet aanwezig.  

Samenhang, samenwerking en stappen te behappen. Hadden we niet
moeten doen?

We hebben teveel hooi op onze vork genomen.
Vanuit de samen­hang nastreven hebben we teveel onderwerpen tegelijk aan de
orde gesteld voor 1 dag, zodat er oppervlakkig gediskussieerd
werd over een veelheid van onderwerpen. Waar al veel betere
analyses van gemaakt zijn. Bovendien kun je vanuit
afzonder­lijke bewegingen heel goed ook de samenhang in het oog houden.
De vaagheid die is ontstaan ontstond uit deze drie doelstel­lingen.
Wat wij eigenlijk wilden, was aan de orde stellen:
Waarom is er geen sterke oppositie tegen het falend regerings­beleid?
Waarom zit de politiek potdicht? Waarom leiden de
alternatieve analyses niet tot een andere politiek? hoe kunnen
we daadwerkelijk invloed uitoefenen? Wat is het organisatie­vraagstuk
van de sociale bewegingen? Hoe verhoudt zich de
onafhankelijkheid van sociale aktiegroepen zich tot het ge­heel?
Daarop werden in de verschillende diskussies
heel primi­tieve antwoorden gegeven. Daar ben ik wel van geschrokken. Nog
steeds is het demokratievraagstuk niet goed doordacht en
worden alleen klassieke antwoorden gegeven.
In de welvaarts­staatdiskussie kwam het woordje onafhankelijkheid naar voren.
Daarvan werd gezegd, dat het natuurlijk ging om ekonomische
zelfstandigheid. En in de milieudiskussie kwam het begrip
onafhankelijkeheid ook naar voren, waarbij werd gezegd, dat we
op mondiaal niveau in politiek opzicht naar een wereldregering
moeten streven, maar in ekonomisch opzicht naar regionalise­ring
van de ekonomie. Nou, dat is onzin, want wanneer lokale
gemeenschappen beslissen over bepaalde investeringen, dan is
dat een politieke beslissing. Ik moet er niet aandenken, dat
een wereldregering gaat bepalen, waar een bepaalde weg wordt
aangelegd.

We hadden ons misschien moeten beperken in de probleemstel­ling,
voor zo’n eerste bijeenkomst, en alleen over het organi­satievraagstuk
van sociale bewegingen en het vraagstuk van de
demokratische staat moeten diskussieren. Dan was er ook minder
onduidelijkheid ontstaan over plaats en functie van de Derde
Kamer. Wel of niet een alternatief regeerakkoord? Wel of geen
overkoepeling? Etc. Ik denk, dat we in de eerste drie nota’s
weinig essentieels hebben toegevoegd aan de diskussie. Al is
het een goede samenvatting van de monialisering van de wereld­ekonomie
en haar gevolgen. Ook: Wat is er mis met de demokra­tie?
We hadden daarbij natuurlijk wel, zoals in de vijfde
nota, een algemene analyse kunnen opvoeren, maar beperkt.
We hadden toch over de stellingen van de vijfde nota moeten
diskussieren!. Wat waren die stellingen ook al weer?
Ik denk, dat de ineenstorting van de communistische staten met
meer te maken heeft dan alleen het einde van de ideologien,
maar dat hieruit een diep ingekankerd wantrouwen is ontstaan
voor sociale bewegingen die een radikaal alternatief aan de
orde willen stellen, hun demokratische gezindheid wordt in
twijfel getrokken. Dit blijkt ook uit de wantrouwende vragen
van Jan Bosman. Het is niet zozeer zo, dat de mensen onze
analyse niet delen, maar ze sluiten zich niet aan, omdat er
dat diep ingekankerde wantrouwen bestaat.

Van hieruit kun je ook het klassebegrip van het marxisme
bekritiseren. Het gaat er niet zozeer om, dat er nu twee
verschillende klassen zouden bestaan, maar dat daaruit de conclusie
wordt getrokken, dat de mensen die tot die klasse behoren een
historische opdracht hebben, om de gehele wereld te bevrijden,
en dat er een soort vindbaar algemeen klassebelang is, van
waaruit de wereld kan worden geregeerd.
En dat alle nationali­smen, of verzet van lokale gemeenschappen
moet worden be­schouwd als van voorbijgaande aard van mensen uit een vorige
maatschappijformatie, die hun klassebelang niet zien. Zo
simpel is het niet.

PvdL