Economie zal nooit meer zijn wat het geweest is

Op 30 october verscheen de Nederlandse vertaling van ‘Kapitaal in de een en twintigste eeuw’ van de Franse econoom Thomas Piketty. Het boek is in Frankrijk lauw ontvangen, maar de Engelse vertaling, een pil van 685 bladzijden,  heeft geleid tot een hausse aan reacties en het boek werd een bestseller. Er lijkt een discussie te worden opengebroken, die lange tijd gesloten geweest was. Wat Piketty op basis van uitgebreide historische analyses op de agenda zet, is niet zozeer het feit, dat we in het kapitalisme puissante rijkdom naast extreme armoede kennen. Velen hebben dit waargenomen in de loop der eeuwen en daar theorien aan gewijd. De discussie die Piketty weer op de agenda zet is de vraag, of die extreme verschillen tussen arm en rijk en eventueel een verdergaande verarming van grotere delen van de bevolking het gevolg zijn van immanente systemische onvolkomenheden van het kapitalisme, van de tendenzen die het gedrag van het kapitaal en de verdeling van armoede en rijkdom bepalen, of dat het kapitalisme die onvolkomenheden niet kent, in zich een goed naar evenwichten tenderend systeem is, dat harmonisch kan functioneren waarbij externe factoren de evenwichten kunnen verstoren. In de neo-klassieke economie worden in feite externe variabelen in het systeem ingebracht, die evenwichts verstorend kunnen werken en die  de verschillen tussen arm en rijk bepalen. Een tweede stroming die er impliciet van uitgaat, dat het kapitalisme op zich goed functioneert  is de morele stroming, die ter discussie stelt of de tegenstelling tussen arm en rijk op zich verkeerd is. Wat is erop tegen, als maar iedereen te eten heeft? En uitwassen moeten bestreden worden door de mensen een goede moraal bij te brengen, door sociaal ondernemerschap, want ja, ook de kapitalisten moeten niet zo hebberig zijn en proberen zoveel mogelijk winst te maken. Sociale ondernemer zijn betekent, dat je sociaal voelend a la Bill Gates een deel van je fortuinen weggeeft en verdeelt onder de armen. In het verlengde daarvan liggen de initiatieven voor een sociaal kapitalisme. De ‘sociale ondernemingen’ schieten als paddenstoelen uit de grond. Heel andere uitgangspunten dan wanneer je het kapitalisme beschouwt als een productiesysteem van immanente onvolkomenheden, dat uit zichzelf als het ware de stagnatie van de samenleving organiseert.

Een oude gedachte

Marx analyseerde de immanente tegenstrijdigheden van het kapitalisme als systeem van productie. Centraal in zijn theorien staat de arbeidswaardeleer. Het zou te ver voeren, dat verder hier uit te leggen, maar ook in die theorie is het kapitalisme een productiesysteem dat armoede, stagnatie, oorlog en ellende produceert als uitvloeisel van de wetmatigheden in de productie.  Het is onmiddellijk duidelijk dat uitgaan van de immanente onvolkomenheden van het productiesysteem zelf een adequate kritiek oplevert op de stromingen, die stagnatie zoeken in externe factoren of de moraal, of de mens als beest, dat altijd in ons sluimert. Je leidt dan de aandacht af van het feit, dat het kapitalisme als productiesysteem minstens net zo’n groot probleem is. Dat de tegenstellingen tussen arm en rijk, en de concentratie van rijkdom in handen van zeer weinigen niet zozeer het gevolg zijn van de moraal, of externe factoren, maar inherent zijn aan het kapitalistisch productiesysteem en dat dus eerst dat productiesysteem ter discussie gesteld moet worden alvorens te werken aan een rechtvaardiger maatschappij. Het is een weerlegging van de Amerikaanse droom, die verwoord dat iedereen de maarschalksstaf in zijn ransel heeft. Iedereen kan hogerop komen, als je maar wil, als je maar de goede ondernemersmentaliteit hebt. Iedereen krijgt kansen in het kapitalisme, grijp die! Nee, zegt nu Piketty, op basis van een indrukwekkende historische analyse, wanneer het kapitaal zich concentreert in handen van een steeds kleinere elite, stagneert de samenleving, neemt de sociale mobiliteit af, worden de kansen voor mensen hogerop te komen en/of zich te ontplooien minder. Het gevolg is stagnatie van de gehele maatschappij.

stagnatie en gebrek aan sociale mobiliteit

Bij steeds grotere ongelijkheid in bezit en inkomen komt er een rem op de economische groei omdat rijken hun geld nog slechts gedeeltelijk besteden in de economie en de rest oppotten. Grote ongelijkheid is een gevaar voor de democratie en politieke invloed van alle burgers: rijken kunnen de duurste advocaten en lobbyisten inhuren en met geld invloed kopen om wetten aangenomen te krijgen die zij willen. Mensen met een laag inkomen hebben geen reserves. Bij een tamelijk geringe tegenslag komen ze al in de problemen of schulden die alle tijd en energie opslokken. Mensen met weinig inkomen investeren ook minder in scholing en opleiding voor zichzelf en hun kinderen waardoor ze niet hogerop kunnen komen. Grote ongelijkheid remt de sociale mobiliteit. Maar er is ook een tendens dat de middengroepen verdwijnen. Langzaam in de loop der jaren opklimmen in de maatschappij of het bedrijf waar je werkt wordt steeds moeilijker. Het wordt steeds meer: alles of niets. Piketty is niet de eerste die op deze tendenzen gewezen heeft. Reeds de historicus Jan Romein formuleerde de wet van de remmende voorsprong: Een bedrijf of organisatie, kan een product met grote innovatieve waarde ontwikkelen en daar winsten mee maken, maar daarna in de verleiding komen op de inkomsten te blijven teren en noodzakelijke investeringen voor innovatie te veronachtzamen. In de tijd van Romein bestonden grote verschillen tussen verschillende delen van de wereld waardoor hij veronderstelde, dat dan elders de op hun lauweren rustende ondernemingen zouden worden voorbijgestreefd. Wanneer echter de concentratie van steeds meer toenemende rijkdom in handen van weinigen wereldwijd is, kan dit teren op de inkomsten algemeen worden en vernieuwende ontwikkelingen tegenhouden.
Daarmee wordt ook een kritiek geformuleerd op strategien om mensen aan de onderkant van de samenleving zelfredzaam te maken en te ontwikkelen door aan hun gedrag te sleutelen. Bijvoorbeeld de reintegratie cursussen voor werklozen, eigen kracht conferenties, etc. Werklozen ervaren aan den lijven dat het zo niet werkt, dat om een hen soms onbekende redenen of door de grote massawerkloosheid het hogerop komen niet lukt, dat er op de een of andere manier factoren in het spel zijn die dat belemmeren, die buiten henzelf liggen. Marxistische theorien waren in het verleden explosieve kritieken op de ideologie van de self made man die iedereen kan worden, op de plaats van de moraal in het discours van de verdedigers van het kapitalisme.

Piketty

En nu is er Piketty. Beslist geen marxist, hij zet zich expliciet af tegen de hiervoor genoemde arbeidswaardeleer. Ook bij Piketty tendeert het kapitalisme uiteindelijk naar een nieuw evenwicht alleen…. hier gaan vele decennia overheen. En in die periode stagneert de samenleving, de economie. En moeten miljoenen in ellende leven.
Piketty zegt zelf, dat vermogensongelijkheid helemaal niet erg is, dat het in Europa nog geen probleem is, de concentratie van vermogens, en dat we blij moeten zijn dat we zoveel vermogen hebben, er moeten hooguit kleine belastingen komen op die vermogens.  Eigenlijk, zou je kunnen zeggen, trekt hij dus geen radicale politieke conclusies uit zijn eigen verhaal. Waarom doet hij dat?  Is dit een bewuste strategie van hem, terwijl hij wel weet, dat het probleem veel groter is? Het is in strijd met de urgentie van de analyses in zijn boek. Hij betoogt steeds, dat hij de vrije markteconomie lief heeft en dat hij houdt van het kapitalisme en dat hij in Oost Europa geweest is tijdens de val van de muur en dat hij dacht: hoe is het mogelijk, dat mensen voor zo’ n systeem kiezen, ik wil dat nooit. Hierdoor is hij voor rechts zeer moeilijk met de traditionele middelen te bestrijden. Toch heeft hij een opzienbarend boek geschreven, waarin een fundamentele kritiek wordt geleverd op het kapitalisme. Echter, hem daarop wijzen, helpt niet. ‘ Ik hou van het kapitalisme, zegt Piketty, ik wil het helemaal niet afschaffen. Ik lever er alleen kritiek op’ . Wat is eigenlijk het doel van Piketty? Wellicht het volgende. In verschillende interviews geeft hij aan, dat we volgens hem historisch belast zijn met de tegenstellingen tussen Oost en West, met de koude oorlog, met het mislukken van het communistisch experiment in Oost-Europa. Hij geeft aan, dat we eigenlijk een beetje collectief opgehouden zijn met denken. Rechts en links zijn de afgelopen decennia met de opkomst van het neoliberalisme een soort psychologische oorlogvoering begonnen op basis van de tegenstellingen in het verleden. Piketty wil dat doorbreken.

Geen politieke strategie

Maar een politieke strategie om de hervorming van het kapitalisme door te voeren staat niet in de dikke pil van Piketty. Al op de eerste bladzijden kun je hem op een tegenstrijdigheid betrappen. Aan de ene kant zegt hij, dat de kwestie van de ongelijkheid van rijkdom, kapitaal, inkomen heeft geleid tot zelfs gewelddadige politieke conflicten en dat de wetenschap niet in staat is deze conflicten te verzachten of te modereren. Aan de andere kant stelt hij zijn hoop op die wetenschap en de democratie en dat die in staat zullen zijn de regie van de democratie over het kapitalisme te herstellen, voorzover die regie is verdwenen en dat daarom een rationele oplossing zal worden gekozen en dat de kladderedatsch die Marx voorspelde van revolutie of oorlog zal worden voorkomen. In dit verband stelt hij, dat wetenschappelijke economische inzichten al veel goed werk hebben gedaan. Wat is het nu? Kan de wetenschap ons verder helpen, of niet? En zo niet, hoe kunnen wij een verandering bewerkstelligen? Een echt nieuw antwoord zul je in het boek van Piketty niet vinden.

Piet van der Lende

Inleiding van Fernando Rodriguez op een bijeenkomst van D4 net aan de Bilderdijkstraat op donderdagavond 4 maart 2010

Let op! Dit is geen objectieve weergave van wat Rodriguez gezegd heeft. Als ik een bepaald punt opschreef en er schoot me iets te binnen van: o ja, dat is daarmee verbonden, dan vermeld ik dat daarbij. En ik heb alles subjectief in mijn eigen woorden geformuleerd. ‘Gaten’ in mijn geheugen over wat Rodrigues gezegd heeft heb ik opgevuld met een interpretatie van wat hij wellicht bedoeld heeft. Al met al is het vind ik toch wel een aardige weergave van het besprokene in het kort.
Hij is bezig met een promotieonderzoek naar de rol en functie van pensioenfondsen en de studie is bijna afgerond. Hij begint zijn betoog met de volgende stelling:
Het probleem is nu veel groter dan in 1929. Denk maar aan de dreigende energieschaarste, de geo-politieke spanningen en andere dreigende crises. We kunnen de huidige periode volgens hem dan ook vergelijken met de periode voor de Eerste Wereldoorlog, meer dan met de beurskrach van 1929 en andere financiele crises.
De vraag is hoe het zover heeft kunnen komen
Daarvoor moeten we vaststellen, dat er sprake is van financialisation van de economische productie. Wat houdt dit in het kort in?
  • Desegmentatie. In het verleden was er een scala aan verschillende spelers in de financiele bussiness, die allemaal hun specifieke functies en taken hadden in afzonderlijke organisaties. Banken, verzekeringsinstellingen, beursvloer werkers, etc. Door een proces van schaalvergroting en het samenvoegen van functies in de financiele wereld zijn er een beperkt aantal grote spelers ontstaan, die allerlei functies in elkaar verenigen. Een bank is geen bank meer in de klassieke betekenis van het begrip, maar tevens verzekeringsmaatschappij, opereert op de beurs, valutahandel, etc. Er ontstaat zo in die instituties een onoverzichtelijke brei van activiteiten.
  • Privatisering van regulerende instituties. Allerlei clubs die moeten toezien op de financiele sector zijn geprivatiseerd. Wie ziet toe op de accountancy standaarden bijvoorbeeld? Daarover worden tegenwoordig afspraken gemaakt door particuliere organisaties. Vaag herinner ik mij, dat ik daarover een tijd geleden een artikel gelezen heb in een juridisich blad over hoe de staten minder belangrijk worden en steeds meer afhankelijk worden van een soort particuliere ‘overheid’ die op mondiaal niveau opereert, waarbij in feite de ‘ambtenaren’ van die overheid de in snel tempo toenemende private advocatenkantoren zijn gevestigd in de financiele centra. Zij formuleren in het tijdperk van toenemende internationale handel en internationalisering van geldstromen contractuele en andere regels waaraan de private spelers op de wereldmarkt moeten voldoen. En dat geheel vormt een nieuwe macht tegenover de afzonderlijke staten.
  • Globalisering en glocalisering. De globalisering- de internationalisering van de geldhandel en de wereldhandel betekent dat de kapitaalsstromen steeds minder aan nationale grenzen gebonden zijn. Daar wordt nog op terug gekomen. Glocalisering betekent dat zich op sommige locale plekken een concentratie bevindt van bepaalde financiele instituties. Dat zijn de financiele centra van de wereld, waarbij er een hierarchie is ontstaan van belangrijke centra (Londen, New York) en minder belangrijke centra (Amsterdam bv). Saskian Sassen heeft die ontwikkeling in haar studies geanalyseerd.
  • Resultaat van die ontwikkelingen is de ‘new diplomacy’. Het internationaal vrijlaten van het geld leidt tot een nieuwe diplomatie: daarbij staan niet staten tegenover elkaar, of ze werken samen of ze overleggen, maar een soort internationaal netwerk van grote spelers is ontstaan, die enerzijds zo onafhankelijk mogelijk van natiestaten proberen te worden door zich te vestigen in staten met de minste overheidsregels en de hoogste bonussen, terwijl ze anderzijds een soort nieuwe wereldorde creeren, die bij het punt van de privatisering aan de orde kwam. Daarbij ontstaan er echter ook nieuwe markt-staat coalities.
(Rodriguez heeft in zijn betoog het aspect van dat de private instituties hun eigen wereldregels maken om een geordend verloop van de transacties mogelijk te maken zoals dat bij punt twee en vier aan de orde komt niet zo expliciet genoemd, misschien is dat ook meer een ontwikkeling die in de juridische literatuur naar voren komt dan in de strikt economische)
We kunnen de ontwikkeling van de financialisation op nog een tweede manier benaderen. Daarbij gelden de volgende punten:
  • Er wordt meer gekeken naar de aandeelhouderswaarde. Terwijl ‘vroeger’ bedrijven nog wel aan een zekere lange termijnplanning deden, waarbij winsten op langere termijn werden nagestreefd, en soms op korte termijn met minder winst genoegen werd genomen, waarbij het voortbestaan van het bedrijf en het op langere termijn veroveren van markten voorop stond, is er een situatie ontstaan waarbij ten behoeve van de waarde van de aandelen op de beurs en de rendementen de korte termijn politiek op de voorgrond komt te staan. Zoveel mogelijk waardestijging van de aandelen en grote winsten op korte termijn.
  • Het ontstaan van een hedonistische cultuur. Daarbij speelt het paradigma van de financiele belangen een rol. Mensen hebben niet meer de mentaliteit dat ze eerst moeten sparen om iets duurs te kopen, nee, ze lenen tegen de klippen op geld om hier en nu zoveel mogelijk te kunnen consumeren
  • In het verlengde daarvan bouwen instituties, consumenten, steeds grotere schulden op, alles in het belang van grotere consumptie en voor de instituties grote winsten op korte termijn.
  • De grote financiele instituties zijn dominant op de wereldmarkt. De aspecten daarvan zijn bij de eerste opsomming van financialisation aan de orde gekomen.
  • Een kenmerk van de huidige situatie is ook, dat niet alleen steeds meer schulden aangegaan worden, maar dat daarbij steeds grotere risico’s worden genomen en dat er voortdurend nieuwe financiele “producten’ worden bedacht om grote winsten te kunnen maken. Producten staat hier tussen aanhalingstekens omdat het niet gaat om concrete goederen of zelfs geld, maar om vage (juridische) constructies van opties, aanspraken en rechten op uitbetaling in de toekomst onder bepaalde voorwaarden.
Kunnen we de ‘financialisation’ in bepaalde periodes indelen, waarbij bijvoorbeeld zou kunnen blijken, dat bepaalde ontwikkelingen in het kapitalisme steeds weer terugkomen? Daarvoor zijn verschillende theoretische benaderingen mogelijk.
  • De theorie van de accumulatiecycli. (De lange golven). Braudel, Arrighi. Er is een lange periode vanaf de Italiaanse stads staten tot nu toe waarin lange golven van op en neergaande economische ontwikkelingen kunnen worden onderscheiden. Rodrigues zegt daarbij dat deze theoretici zich onderscheiden van de marxistische theorien omdat ze een veel langere periode in de analyse betrekken, en niet alleen het kapitalisme. Braudel deelt dan de ontwikkelingen in zijn studies in door in iedere maatschappij drie niveau’s te onderscheiden voor de analyse, maar welke die niveau’s waren ben ik vergeten. Wat Rodriguez niet noemt is dat Braudel een grote invloed heeft uitgeoefend op Wallerstein, met zijn systeemteorie. Er is voor het overige een omvangrijke literatuur ontstaan onder historici, oa de Franse ‘structuralisten”. Nazoeken. Overigens noemt Rodriguez ook niet Kondratieff, een marxist die ook lange golven onderscheidt, maar inderdaad vanaf zeg halverwege de 18e eeuw, dus de opkomst van het kapitalisme, cycli van 60 jaar. (De Kondratieff cyclus). Onder historici bestaat volgens mij overeenstemming over het feit, dat de cycli voor die tijd in de vooral agrarische maatschappijen in Europa een ander karakter hadden. (De seculiere trend). De golfbewegingen waren toen langer en werden door diverse andere factoren beinvloed. Na afloop van zijn inleiding ontstond een discussie over de invloed van rente op kapitaal in de economie, zoals die oa door Strohalm in Utrecht wordt uitgedragen, als verklaring voor de huidige crisis. Rodriguez is het er niet mee eens dat je een centrale oorzaak op die manier kunt aanwijzen. In dit verband kwam ook het Islamitisch bankieren ter sprake. Rodriguez merkte op dat ook bij deze methode het geld lenen niet voor niets is, en dat er momenteel studie wordt gemaakt van een uiterst stabiel financieel systeem in een of ander kalifaat in het Arabisch verleden, waarvan ik de naam vergeten ben.
  • Verschuiving in de machtsrelaties tussen staten en markten, de studie van de internationale politieke economie. Enkele aspecten daarvan zijn hiervoor ter sprake gekomen.
  • De “schoonheidswedstrijd” van Keynes. Wat weten mensen van elkaar, hoe denken ze te reageren op gedrag van anderen, kuddegedrag, etc. Voorbeeld is dat iemand in een stadion ‘brand’ roept terwijl er geen brand is. Als jij naast degene staat die dat roept en je weet, dat er geen brand is, moet je toch mee in de gehele stroom van mensen verderop in het stadion, die denken dat er na de oproep wel brand is, anders word je geplet onder de voeten van anderen. Basis voor de goed functionerende economie is vertrouwen. Als mensen denken, dat banken en medemensen niet te vertrouwen zijn, dan kan er een crisis ontstaan. Het begrip kritieke massa. Keynes had zelf ook een soort “hedgefonds’ zegt Rodriguez, en hij wist heel goed hoe het spel werkte.
  • ‘Fictief kapitaal’ van Marx. In de marxistische economie bestaat de volgende analyse: Als we zeggen G= geld en M= goederen dan zijn er de volgende stadia.
G-M-G (Met goederen die je geproduceerd hebt krijg je geld op de markt en daarmee koop je weer goederen, die je zelf niet kunt maken of die je zelf niet hebt.)
M-G-M’ (Met geld koop je goederen en die verkoop je dan weer, om meer geld te maken) (Hier gaan de drie delen van Das Kapital van Marx over). In het kapitalisme kunnen in dit stadium die goederen ook arbeidskrachten zijn, die minder krijgen dan ze aan waarde produceren. (arbeidswaardeleer)
M-M-M’. M-G-M’en M-M-M’ zijn vormen van kapitaalsaccumulatie. We zijn nu in M-M-M’gekomen. Met geld geld kopen en daar meer geld mee maken.
  • Reguleringsschool van Boyer. Dit is een neo-marxistische Franse school. Zij hebben geanalyseerd hoe het mogelijk was dat de Amerikanen hun huidige schuldpositie konden opbouwen. Zij analyseerden, dat sinds de jaren zestig de lonen in de Westerse landen gelijk zijn gebleven en dat toch de consumptie geweldig is gestegen. Dit was mogelijk door de ‘financialisation’ van de maatschappij. Het feit dat arbeid niet meer werd beloond en dat daarmee dus niet meer geconsumeerd kon worden leidde ertoe dat er een kredietsysteem is ontstaan dat de grotere consumptie afdekte. Wanneer dat systeem niet meer functioneert, zoals nu gebeurt, wordt het weer zichtbaar. Er is door R. ook nog iets gezegd over deze reguleringsschool en de verzorgingsstaten van de zeventiger en tachtiger jaren. Je kunt dit verbinden met een analyse van de verhouding Amerika-China en het neutraliseren van verzetsbewegingen van verarmden in het neoliberalisme. R. noemt dit niet.
Rodriguez zoemt nu in op de geschiedenis van 1945 tot de jaren negentig.
  • 1929- Werden de Glass Steagall regels ingevoerd. Banken werden zwaar gestraft en aan strenge regels onderworpen
  • 1995-1971. Het Bretton Woods stelsel. Geld kon niet van het een naar het andere land, of zeer moeilijk.
  • Het dollarsysteem
  • 1958: ontstaan van de Eurodollar markten. Dit waren markten, waar in de dollar gehandeld werd buiten de Verenigde Staten om, waarbij landen en instituties in dollars onderling handelden. Deze markt was vooral geconcentreerd in Londen, waar een soort wild west tafereel ontstond omdat men zei: we gaan die handel niet aan banden leggen. Deze Eurodollar markt heeft in de loop der jaren een grote vlucht genomen en de ‘cowboys’ of de opvolgers van deze handelaren legden de basis voor het huisige systeem van financialisation.
  • 1971. Ontkoppeling van het goud en de dollar.
  • Vervolgens deregulering en steeds grotere kapitaalsmobiliteit.
  • Privatisering, groei van de staatsschulden.
Nader inzoemen op de voorgeschiedenis van de jaren negentig tot 2008.
  • Deze periode wordt gekenmerkt door de groei van het aantal institutionele beleggers. Bij de afbouw van de traditionele welvaartsstaten zijn de claims geprivatiseerd, in particuliere ziekenfondsen, in pensioenfondsen (kapitaaldekkingsstelsel in verschillende Noord-Europese landen vs het nog steeds bestaande premiedekkingsstelsel in Zuid-Europese landen, een van de bronnen van verdeeldheid tussen de West-Europese en Zuid-Europese vakbonden vakbonden in het EVV over de politiek die op Europees niveau gevoerd moet worden). Dit heeft gigantische hoeveelheden privaat kapitaal bijeen gebracht. De reserves van deze fondsen zijn veel groter dan de reserves van de olielanden en zo.
  • Groei van de securisatieschuld. Ik heb een aantekening gemaakt onder de punten dat volgens mij hierbij hoort. Centraal probleem is de grote schuldenlast van de Verenigde Staten in verhouding tot de economische productie. Ook Nederland heeft zeer grote schulden in relatie tot het Nationaal Inkomen.
  • opkomst van ‘originate and distribute’. Bij dit punt hoort volgens mij het betoog over de ‘Special Purpose Vehicles’, brievenbus maatschappijen, die in Amsterdam bijvoorbeeld volop aanwezig zijn, en die vooral sinds 1998 een sterke groei kennen. Rodriguez laat een statistiek zien van de groei van deze ontwikkeling. Het gaat daarbij om het aantal emissies naar de beurs van obligaties. Tot 1998 volgt de emissieontwikkeling de uitgave van de Nederlandse staat van staatsobligaties. Daarna bestaat die relatie niet. De uitgifte van obligaties door brievenbusmaatschappijen waarbij Nederlandse banken Nederlands geld naar de beurs brengen stijgt dan zeer sterk. De grafiek gaat na 1998 recht omhoog. De waarde van deze emissies bedraagt nu 300 miljard euro. Rodriguez tekent twee schema’s om de werking van deze brievenbusmaatschappijen uit te leggen. Eerst tekent hij het schema zoals in vroeger tijden een bank in principe werkte. Huishoudens en bedrijven zetten hun geld op een bank tegen rente. Andere huishoudens en bedrijven lenen geld van die bank tegen een hogere rente. Het verschil is de winst van de bank, die voor zijn operaties afhankelijk is van vele regels van de overheid. In de nieuwe situatie -tweede schema- schuiven banken als het ware zo’n brievenbusmaatschappij, die niet aan regels onderworpen is, en waarvan de banken zeggen: daar hebben wij niets mee te maken hoor, tussen de huishoudens en bedrijven die geld sparen en huishoudens die geld lenen. De banken stoppen dan bv 30 miljard euro in zo’n brievenbusmaatschappij met 3 medewerkers. In schema:
Huishoudens lenen geld (obligaties uitgegeven door de bank)
/
/
/
SPV———Bank
/
/ SPV brengt obligaties naar de beurs
/
Institutionele beleggers (kopen obligaties op de beurs)
De bank brengt via de brievenbusmaatschappij 30 miljard euro aan obligaties naar de beurs, die gekocht worden door institutionele beleggers. Deze kunnen behalve van de rendementen profiteren van koerswinsten. Nederland is een van de grootste en meest vooruitstrevende spelers op deze financiele markten. IN Amsterdam bijvoorbeeld was voor constructies als de bovengenoemde van de SPV’s reeds een (kennis)infrastructuur aanwezig van grote advocatenkantoren, die al tientallen jaren met het opstellen van contracten in de financiele sector en de wereldhandel bezig waren. De banken halen hun winsten uit oa deze SPV’s door fees in rekening te brengen voor geleverde diensten. Daar halen ze inkomsten uit, die nu al groter zijn bij sommige banken dan inkomsten uit andere activiteiten.
Dan de situatie in Nederland.
Je zou kunnen zeggen (daarbij worden nieuwe grafieken getoond) dat de Nederlandse eigendomsrelaties ‘transnationaliseren’, dwz oa de pensioenfondsen als belangrijkste dragers van deze ontwikkeling beleggen steeds meer en het overgrote deel van hun reserves in buitenlandse ondernemingen. Daarbij neemt het toepassen van ‘innovatieve’producten explosief toe. De Rabobank stelt zichzelf wel voor als een solide bank, die geen last heeft van de kredietcrisis, maar in werkelijkheid is zij een grote speler op deze financiele markten, vooral in Nederland, waarbij in feite veel te veel geld wordt uitgeleend en allerlei slechte hypotheken in de toekomst niet terugbetaald zullen kunnen worden. Er is veel te veel geld uitgeleend. Dit betekent, dat de crisis die in Amerika begon eigenlijk maar een klein stukje van de ontwikkelingen is, die nog tot grote problemen zal leiden. In tegenstelling tot Amerika zijn het hier vooral de hypotheken op de aanschaf van een huis die belangrijk zijn. In Amerika was het veel meer gespreid over ook andere hypotheken. In Amerika waren bijvoorbeeld de studentenleningen net zo groot als de hypottheken op huizen. Die hypotheken werden ook doorverkocht, waarbij de verkoper van de risico’s af was. Ook veel autoproducenten maken gebruik van kredietsystemen om geld te verdienen, meer nog dan aan de verkoop van auto’s. Veel bedrijven die zich officieel met het concreet maken van producten bezig houden halen hun werkelijk grote winsten uit dit kredietsysteem. (Hier noemen VU professor) Er is bij de inleiding een kort intermezzo over de opvattingen van rechts Amerika. Aan het verstrekken van leningen, waaraan nauwelijks voorwaarden werden gesteld en die weer werden doorverkocht wordt een racistische theorie verbonden. Het zou volgens sommige Republikeinen misgegaan zijn omdat ook leningen werden verstrekt aan negers, die door hun onverantwoorde gedrag en het ontbreken van verantwoordelijkheidsgevoel hun leningen niet kunnen terugbetalen en die dus de oorzaak zijn van de crisis.
Dan gaan we naar de vraag in welke fase van de ontwikkeling we zitten.
  • Je kunt qua fasen een onderscheid maken tussen Mania’s, panics en crashes. De Mania was oa de situatie begin negentiger jaren, toen iedereen het had over de dotcom boom. Door de ontwikkeling van internet en een nieuwe netwerkmaatschappij zou het kapitalisme voortaan gevrijwaard blijven van crises en groeiden de bomen tot in de hemel. Volgens Rodriguez zitten we nu in de panics fase, dus de grote crash moet nog komen. In deze fase ontstaat er bij verschillende staten een onhoudbare schuldenlast en een liquiditeitscrisis, die een solvabiliteitscrisis wordt. Voorbeelden zijn Griekenland nu, Mexico in een verder verleden, Rusland, etc.
  • Er ontstaan grote wisselkoersfluctuaties zoals met Oost Europa, de ontwikkelingslanden, de PIGS. De Amerikaanse FED heeft een teorie van de “ring of fire” ontwikkelt, waaruit blijkt dat de machthebbers in de financiele wereld deze problemen wel op zich af zien komen. De theorie houdt in het kort in dat net als bij de bestrijding van brand even verderop een terrein wordt platgebrand, een ‘ring van vuur’wordt aangelegd, zodat als de grote brand komt er geen materiaal voorhanden is dat in brand kan vliegen en de brand stopt. Men wil naar analogie hiervan dan bij grote problemen enkele of sommige landen bewust laten crashen, failliet gaan, om grotere problemen te voorkomen. Iedereen focust zich dan daarop en later kun je dan weer proberen die landen erbovenop te helpen.
  • Er zijn gevolgen voor de Macro economie. Dit is wat de afgelopen twee jaar is gebeurd met de recessie en krimp. Er ontstaat een discussie of er deflatie of hyperinflatie komt. R. zegt dat die ontwikkelingen dicht bij elkaar liggen, en wereldwijd naast elkaar kunnen voorkomen, en eigenlijk als bron dezelfde problemen hebben. Een chronische crisis heerst in Japan, waar al 20 jaar een vorm van deflatie bestaat. Ze slagen er niet in, weer uit te komen, de deflatie gaat gepaard met massawerkloosheid en grote staatsschulden. Het probleem is namelijk dat je in zo’n situatie geen ‘Keynesaanse’ politiek kunt voeren. Als je als staat geld in de economie pompt helpt dat niet, omdat de mensen dat geld gaan oppotten en niet uitgeven. Je weet immers bij wijze van spreken dat als je met het geld dat je hebt nog even wacht om een wasmachine te kopen, dat ie dan veel goedkoper is. Mensen gaan aanschaf van dingen dus uitstellen. Daardoor heeft Japan nu een grote staatsschuld en is niet uit de problemen. Een vand e aanwezigen merkt op dat hij in Japan is geweest en dat hij daar weinig armoede heeft gezien. Het is net zo’n land als Nederland. R. zegt echter, dat Japan 20 jaar geleden een zeer welvarend land was, dus op een hoog niveau is begonnen, en dat je er daarom nu misschien nog niet zoveel van merkt, maar dat dat in landen die armer zijn en die met dezelfde problemen zullen worden geconfronteerd dat wel het geval zal zijn. Reinier heeft de oplossing: je moet zoveel mogelijk geld bijdrukken, dan ontstaat er inflatie, worden de schulden minder waard. R. zegt dat het zo eenvoudig niet is. Tegenover die schulden staan partijen, die het geld geleend hebben, er zijn altijd twee partijen in het geding. Concreet betekent de strategie dat de gewone mensen geen inkomsten meer hebben. Zie Zimbabwe. De pensioenfondsen kunnen geen pensioenen meer uitbetalen, etc.
    Er ontwikkelt zich ook een discussie over de rol en betekenis van het IMF. Wanneer het IMF op een land afgestuurd wordt, zoals nu met Griekenland dreigt te gebeuren en bij de Baltische staten, dan zijn het in feite de technocraten van deze instelling die in dat land de macht overnemen. Zij zeggen dan: doe maar wat wij zeggen, qua bezuinigingen, ingrepen in de sociale zekerheid en andere belangrijke beleidsbeslissingen want ach, wij gevend e kredieten. Het zijn eigenlijk de het IMF financierende landen die de voorwaarden bepalen waarop kredieten aan landen verstrekt worden. Nederland is een belangrijke speler in het IMF en een van de strengste landen. Bos heeft bepleit dat het IMF op Griekenland afgestuurd zou worden, en heeft daar sterk voor gepleit, maar Duitsland heeft dat afgeremd. Er ontwikkelt zich een discussie over het karakter van het IMF. Het gaat er eigenlijk volgens R. niet om, dat de belangen van het land en de bevolking voorop staan, maar de belangen van de grote schuldeisers, de banken. Maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat die schulden betaald kunnen worden met voorbijzien aan andere belangen, de relatie schuldeiser schuldenaar moet verzekerd zijn. R. zegt dat de technocraten van het IMF dat eigenlijk zelf ook wel inzien en dat ze zelfs vanuit het IMF voorstellen hebben gedaan om de situatie te veranderen.

We komen in de discussie terug op een ander punt, nl de financiele stabiliteit in de wereld, als poging om een uitweg te vinden uit de huidige situatie. R. noemt het ‘Financial Stability Forum’, met hun website www.wis.org.Een ander punt wat in de discussie ter sprake kwam is de vraag, waarom moet er in het kapitalisme perse economische groei zijn? Dit heeft te maken met de onstilbare honger van de kapitaalsaccumulatie.  

De economische achtergronden van het neoliberalisme. Een traditionele verklaring.

Om de oorzaken te achterhalen van de ‘neoliberale revolutie’ kunnen we terecht bij een verklaring van de economische crises. In absolute cijfers zijn de winsten van grote bedrijven enorm, maar als percentage van het geïnvesteerde kapitaal vertonen ook zij een neiging om gestaag te dalen. Door de onderlinge concurrentie worden bedrijven gedwongen steeds te investeren in nieuwe machines en productiemethoden. Er is steeds meer kapitaal nodig. Aangezien het in het kapitalisme draait om de winst die er met de investering van een bepaalde som kapitaal kan worden geboekt, leidt de gestage daling van de winstvoet tot stagnatie en crisis. Mensen gaan hun kapitaal bij een lage winstvoet steeds minder beleggen in productieve ondernemingen en veel meer in speculatie, in vaste waarden of men zet het vast op de bank.
Sinds ongeveer midden jaren zeventig van de vorige eeuw is er voor het kapitaal in het Westen bijna geen mogelijkheid meer, dagelijks opnieuw te investeren in verdere ontwikkeling, dus verbetering en uitbreiding van de bestaande kapitaalgoederen voorraad. Er zijn sinds die tijd verminderde mogelijkheden om tot de uitbreiding van de winstgevende investeringen te komen. Dit had tot gevolg, dat het kapitaal uitwegen zocht om nog wel winstgevende investeringen te kunnen doen. De jaren ’70 en ’80 zien we een verplaatsing van productie naar lage lonen landen en als gevolg daarvan hogere winsten. De cijfers van de kapitaalexport geven dat aan. Er is een explosie in buitenlandse investeringen in een periode waarin in West-Europa de groeivoet lager was dan daarvoor. In de jaren van ’45 tot ’75 was de groei 5% per jaar, daarna was hij minder dan 3%, terwijl China een groei kende van 10%. Ook de groei van de arbeidsproductiviteit is veel lager na ’75. Dit zijn empirische bewijzen voor de stelling dat we in een fase van relatieve overaccumulatie zitten, hetgeen betekent: grote hoeveelheden kapitaal die in het Westen niet winstgevend kunnen worden geïnvesteerd in uitbreiding van de productieve investeringen. [1].
Hiervoor werd gezegd dat delen van de productie werden verplaatst naar lage lonen landen. Een tweede mogelijkheid voor het kapitaal om een vluchtweg te zoeken is investeringen doen buiten de productiesector, dus speculatieve mogelijkheden om winst te maken.
Men hangt aan deze ontwikkelingen wel het label van de ‘financialisation’ wat een patroon is in de ontwikkeling van de kapitaalaccumulatie waarbij winsten gemaakt worden in de financiële sector en niet in de concrete goederenproductie. Zo zie je in de loop van de tijd een ontwikkeling, dat financiële ondernemingen zich een groter deel van de winstmarges toe-eigenen ten koste van de industrie.
In 1960 werd in Amerika 16% van de winsten behaald in de financiële sector, nu is dat 30%. In 1960 werd 46% van de winsten behaald in de industrie, nu is dat 17%. Het gaat daarbij om Amerikaanse bedrijven in Amerika. Er zijn dus grote verschuivingen opgetreden. De cijfers zijn ook wel voor Europese landen terug te vinden, maar berekeningen daar zijn moeilijker vanwege de vele landen die allemaal hun eigen gegevens hebben.
Verder is het zo, dat ook binnen het industriële kapitaal een steeds groter deel van de winst gemaakt wordt door financiële transacties, wat dan niet hun core -businness is. Bijvoorbeeld door met valuta te speculeren of het kredietsysteem van de autofabrikanten en verkopers. Dit betekent overigens ook, dat dit belangrijke criteria zijn geworden in de strategische besluitvorming van die ondernemingen. De doelstellingen en het strategisch beleid worden steeds meer afgestemd op de mogelijkheden om met speculatieve transacties geld te verdienen.
In de Verenigde Staten is de verhouding tussen financiële transacties en niet-financiële transacties toegenomen van 10% vs 90% begin jaren ’50 tot begin 2000 50% vs 50%. Resultaat is dat een vorm van kapitalisme is ontstaan van het piramidespel, vooral als je ook kijkt naar de positie van een land als Amerika in de wereld. Dit land maakt steeds meer schulden om het systeem in gang te houden. De twee bovengenoemde punten- vlucht van kapitaal naar goedkope lonen landen en financialisation- betekenen een mogelijkheid om de voorwaarden voor verdere accumulatie van kapitaal te herstellen en tegelijkertijd de mogelijkheid deels het dilemma op te lossen dat de arbeidskosten in de westerse landen moesten worden verlaagd terwijl tegelijkertijd de voorwaarden voor reproductie van de arbeidskracht, dus hogere lonen, in de westerse landen in stand moesten blijven. (Alleen al vanwege het eventuele verzet dat bij rechtstreekse verlagingen van de lonen in die landen te verwachten was) Het betekende een nieuwe verdeling van de arbeiders langs internationale scheidslijnen en een tijdelijke oplossing van de overaccumulatie, die met de kredietcrisis aan een einde lijkt te zijn gekomen.
We bevinden ons thans aan het einde van een lange golfbeweging. Je zou kunnen zeggen dat het industrieel-technische complex dat zich vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw in West-Europa, Japan en de Verenigde Staten heeft ontwikkeld en dat gebaseerd was op de automobielindustrie, de petrochemische industrie en de vliegtuigbouw in een crisis verkeert en ophoudt de drager te zijn van andere sectoren. Dit betekent dat zij niet de drager kunnen zijn van een nieuwe fase in de kapitalistische expansie maar dat eerder andere sectoren naar voren zullen komen, die zoeken naar een kapitalistisch antwoord op de klimaatcrisis. In dit verband zijn de discussies over de mogelijkheden van groen kapitalisme belangrijk.
Zoals gezegd bevinden we ons aan het einde van een lange golfbeweging. Er vallen in de economische ontwikkeling opgaande en neergaande golven te onderscheiden die zich over een langere periode uitstrekken. Die markeren als het ware verschillende historische perioden in het de geschiedenis van het kapitalisme. De Rus Kondratieff deed in de jaren twintig van de twintigste eeuw onderzoek naar de lange golven in de economie, waarbij hij onder andere de goederenprijzen en het investeringsgedrag van ondernemers onderzocht. Hij kwam tot het inzicht dat zich vanaf ongeveer 1780 constant golfbewegingen voordeden, met een volledige cyclus van ongeveer 50 tot 60 jaar. Men spreekt bij deze golfbewegingen ook wel van de Kondratieff-cyclus. Een golf verdeelde Kondratieff in vier perioden, die hij aanduidde met seizoensnamen. De lente is de opbouwfase, de zomer de consolidatiefase, de herfst is de plateau of stabilisatiefase en de winter is de liquidatie of afbraakfase. Wat de prijsontwikkeling betreft zien we achtereenvolgens inflatie in de lente, stagflatie in de zomer, desinflatie in de herfst en deflatie in de winter.  
Belangrijke winterperiodes waren de Grote Depressie vanaf ongeveer 1870 en de crisis van de dertiger jaren van de twintigste eeuw. Na 1945 waren het de drastisch veranderde krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal, als gevolg van fascisme en wereldoorlog, alsmede de toepassing van nieuwe in de oorlogsindustrie ontwikkelde technieken die leidde tot een dusdanig herstel van de winstvoet dat er een nieuwe periode van opgang mogelijk was. Deze opgaande periode eindigde ongeveer halverwege de zeventiger jaren van de twintigste eeuw. We lijken thans in een nieuwe ‘winterperiode’ te zijn aangekomen.
De vraag is, of  een ‘winterperiode’ in de lange golfbeweging, waarin we nu lijken te zitten, vanzelf weer leidt tot een nieuwe opgaande fase. Uit studies van de lange golfbeweging blijkt dat een lange periode van opgang op den duur als het ware vanzelf leidt tot een periode van stagnatie, maar dat het omgekeerde niet het geval is. Het lijkt erop, dat in tegenstelling tot de korte conjuncturele golf een lange golf in zijn neergaande fase niet vanzelf de voorwaarden creeert voor een nieuwe periode van opgang. Enige tijd werd gedacht, en gehoopt, dat de internet economie gecombineerd met de nieuwe markten van de landen van het voormalige Oostblok zouden leiden tot een nieuwe opgaande lange golf. Inmiddels is het duidelijk dat dat niet het geval is. De economische crisis van dit moment toont aan, dat we nog steeds ‘naar beneden’ gaan. De gemiddelde winstvoet staat sterk onder druk en er wordt koortsachtig gezocht naar mogelijkheden om die ontwikkeling tegen te gaan.



[1] De bovenstaande gegevens zijn ontleend aan een toespraak van Henk Overbeek op een conferentie ‘voor de verandering’.

Het neoliberalisme als politiek project

We kunnen vanaf ongeveer 1975 de ontwikkeling van het neoliberale beleid zien als een algemeen kader om een politiek antwoord te formuleren op de neergaande fase in de lange golf. (Zie hier voor de uitleg daarvan) Men probeert de ontwikkelingen tegen te gaan door een winstverhoging na te streven op basis van het terugdringen van de variabele kosten van ondernemingen. En dat zijn met name de kosten van de factor arbeid. Lonen, kosten voor arbeidsvoorwaarden van de eigen werknemers, maar ook kosten die de ondernemer indirect betaalt aan uitkeringen en belastingen die besteed worden aan algemene voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg, pensioenen en dergelijke. Zoveel mogelijk naar de winsten en zo min mogelijk naar de collectieve voorzieningen, dat is het streven. [1] Deze ontwikkeling heeft de afgelopen decennia in verschillende landen geleid tot pogingen, te bezuinigen op de collectieve voorzieningen en de sociale zekerheid. De arrangementen van de welvaartsstaat, die in de vijftiger jaren en zestiger jaren werd opgebouwd, werden weer afgebroken. 

Een ander kenmerk van de huidige ontwikkelingen is wat men wel ‘globalisering’ noemt: het is een soort verzamelbegrip waarin verschillende ontwikkelingen bij elkaar worden genomen. Men gebruikt de term wel om aan te geven dat de massamedia, luchtvaart en de ICT en het internet de wereld in vele opzichten kleiner hebben gemaakt. Je kunt nu heel goedkoop op verschillende manieren communiceren met andere mensen waar ook ter wereld. De massamedia maken het mogelijk, dat je kennis neemt van gebeurtenissen die zich vandaag hebben afgespeeld in een heel ander deel van de wereld. Reizen wordt goedkoper en hoge snelheidstreinen of vliegtuigen maken het mogelijk dat je je in korte tijd over grote afstanden verplaatst.

 Maar de term ‘globalisering’ wordt ook wel gebruikt om economische veranderingen aan te duiden. Mede door technologische ontwikkelingen zijn allerlei veranderingen in de productie van goederen en diensten mogelijk geworden. Productieprocessen zijn steeds meer internationaal georganiseerd. Onderdelen van een auto, televisie of computer worden in verschillende continenten geproduceerd en ergens anders weer in elkaar gezet. Er is sprake van de ontwikkeling van wereldwijd georganiseerde productieketens, van grondstof tot eindproduct, waarbij de productie in verschillende fasen van het proces in vele verschillende landen kunnen plaatsvinden. Of deze ontwikkeling werkelijk mondiaal is over de hele linie of dat er sprake is van een schaalvergroting en een internationalisering waarbij de wereld meer verdeeld is in enkele grote economische en politieke machtsblokken, staat ter discussie. De in- en uitvoer van de EU bijvoorbeeld naar de rest van de wereld bedraagt ongeveer 10% van het BNP in dat gebied. Duidelijk is echter wel, dat er voor steeds meer producten sprake is van een wereldmarkt.
De rol van de grote multinationale ondernemingen is enorm toegenomen. Zij beheersen een steeds groter deel van de wereldproductie en wereldhandel. Kapitaal stroomt steeds makkelijker en in steeds groter hoeveelheden van het ene deel van de aardbol naar het andere. Regels en beperkingen op de in en uitvoer, die in vele landen in de zeventiger jaren nog bestonden, zijn uit de weg geruimd. Dit heeft het vrije verkeer van kapitaal en goederen mogelijk gemaakt. We kunnen echter stellen, dat het bij deze economische veranderingen niet gaat om onontkoombare gevolgen van een soort immanente ontwikkeling, waarop we geen invloed hebben zoals de technologische ontwikkelingen. Het is een gevolg van politieke keuzes. Het feit dat het technisch mogelijk is om in een supermarkt dagelijks groente, fruit en snijbloemen van de andere kant van de wereld aan te bieden betekent nog niet dat dit ook hoeft te gebeuren.
De theorie van de vrije concurrentie
Het neoliberalisme is ook een opvatting over hoe meer marktwerking kan en moet worden ingevoerd. Deze opvatting houdt in essentie het volgende in. Door concurrentie tussen ondernemingen op een vrije markt, dus zonder tolmuren en andere beperkingen, leidt het spel van vraag en aanbod tot een prijs van goederen en diensten die voor evenwicht tussen die twee zorgt en op die wijze wordt via een zelfregulerend prijsmechanisme, als het waren buiten de wil van individuele aanbieders en vragers om, alles waar ook ter wereld geproduceerd op de meest efficiente en effectieve manier. Dit leidt tot de stijging van welvaart, welzijn en rijkdom voor iedereen, althans op die manier worden de voorwaarden daartoe geschapen.
We hebben hiervoor gezien, dat het terugdringen van de loonkosten voor de ondernemers en bezuinigingen op de collectieve uitgaven van de staat naast het bevorderen van globalisering belangrijke maatregelen zijn die onderdeel uitmaken van het neoliberalisme als politiek project. De zich wijzigende rol van de staat ten opzichten van de economie op basis van de neoliberale doctrine leidt ook tot pogingen meer marktwerking in te voeren op terreinen, die voordien het exclusief terrein van de staat waren. Dus privatisering van overheidsdiensten en ook weer afbouw van de collectieve sector. De afbouw van de collectieve sector  betekent overigens niet altijd, dat in de verschillende landen de uitgaven van de staat als percentage van het BNP afnemen. Er vindt eerder een verschuiving plaats van collectieve arrangementen die het leven en de bestaanszekerheid van de burgers moeten beschermen naar uitgaven die –ten behoeve van grote ondernemingen- noodzakelijk zijn om de productie van die ondernemingen soepel te laten verlopen, met name investeringen in de infra-structuur.
Een ander aspect van de zich wijzigende rol van de staat in het neoliberalisme is de wijze, waarop omgegaan wordt met mensen die in de ratrace van de economie niet mee kunnen komen. Het nastreven van het ideaal van de vrije markt blijkt namelijk allerminst te leiden tot meer welvaart en welzijn voor iedereen. Er is in de voormalige welvaartsstaten van het westen sprake van een chronische massawerkloosheid, waarbij door de afbouw van de collectieve arrangementen in de sociale zekerheid miljoenen geen baan hebben en ook geen uitkering, waardoor ze een beroep moeten doen op de charitas, familieleden, partners of het informele circuit’, criminaliteit inbegrepen. De negatieve ontwikkelingen leidden vooralsnog niet tot een fundamentele herziening van de neoliberale doctrine en van het vrije marktdenken, integendeel, men ging ervan uit dat de ‘vrije marktwerking nog niet rigoreus genoeg was doorgevoerd, en dat het feit, dat velen niet meekunnen in de concurrentiestrijd van allen tegen allen die tot meer welvaart leidt, aan henzelf te wijten is. Van deze mensen moet dus het gedrag worden gewijzigd, door hen onder druk te zetten en te dwingen de flexibele arbeid in de nieuwe economie te vervullen. Dit leidt tot de gigantische uitbreiding van het gevangenissysteem en andere disciplinaire maatregelen, zoals in Europa aan het begin van de negentiger jaren het principe van het sociale panopticum. Elders ga ik aan de hand van een boek van Kurt Wyss nader in op de achtergronden van deze ontwikkeling. Waarom gaan de bestuurders door met het beleid, terwijl de doelstellingen die ze zeggen na te streven niet worden gehaald?
Zo zien we dat het neoliberalisme een combinatie is van invoering van nieuwe technologien, terugdringen kosten factor arbeid, globalisering, een herdefiniering van de rol van de staat, opvoering van concurrentie tussen mensen, ondernemingen en andere organisaties, verdedigd op basis van een bepaalde doctrine, nl die van de vrije marktwerking, die men overal wil invoeren. Doel van dit beleid is het verhogen van de winstvoet in een neergaande periode van de lange golf in de economie. We hebben hiervoor gesteld, dat het kapitaal een vluchtweg zocht in investeringen buiten de productiesector, dus speculatieve mogelijkheden om winst te maken. Hierbij zie je, dat het politieke project van het neoliberalisme en de economische ontwikkelingen in elkaar grijpen. Het neoliberalisme zorgde voor deregulering van de kapitaalmarkten, die het kapitaal een vluchtweg bood.



[1] Zie voor een korte beschrijving van het neoliberalisme en de rol van Europa daarin ook ‘ Hun Europa en het onze’ blz 16/17

Het begin van de neoliberale revolutie

Waar ligt het begin van de neoliberale revolutie?. Net als veel andere schrijvers positioneert Richard Sennett het begin van de neoliberale revolutie in de zeventiger jaren van de twintigste eeuw, toen er een einde kwam aan het zogenaamde Bretton-Woods systeem.[1] De Overeenkomst van Bretton Woods was een akkoord in 1944 gesloten tussen 44 landen dat getekend werd in het dorp Bretton Woods in de Verenigde Staten. Dit leidde tot de oprichting van het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en het opnieuw invoeren van de goudstandaard. Het Bretton-Woodssysteem bestond er onder andere uit dat de waarde van alle nationale valuta gekoppeld werd aan die van de dollar en de dollar op zijn beurt gekoppeld werd aan het goud tegen een vaste pariteit (35 dollar per ounce). Hiermee werd de dollar dan nu ook officieel de belangrijkste munt ter wereld. Tijdens de Vietnam oorlog verloren veel landen echter het vertrouwen in de Amerikaanse economie; zij gingen hun munteenheden weer koppelen aan het goud, door goud op te kopen. Daarbij maakten ze de vaste koers van hun valuta ten opzichte van de dollar ongedaan. In maart 1973 zagen de Amerikanen zich genoodzaakt de goudstandaard los te laten, waarmee een einde kwam aan het systeem van Bretton-Woods, en landen gingen over op koersen de los van elkaar konden fluctueren. Gigantische speculaties met valuta werden mogelijk. Verder werden allerlei barrières voor de investering van nationaal kapitaal over de grenzen opgeruimd.
            Er kwam daardoor een enorm surplus aan investeringskapitaal vrij. Kapitaal dat in lokale of nationale ondernemingen en banken had vastgezeten kon veel gemakkelijker over de wereld worden verplaatst. In de olierijke landen in het Midden Oosten, bij banken, en bij de nieuw opkomende economiën in Zuid-Oost Azie popelde men om te investeren in nieuwe winstgevende activiteiten. In de jaren tachtig en negentig werd dit gevolgd door de activiteiten van grote pensioenfondsen en kleine investeerders, die eveneens op zoek waren naar nieuwe investeringsmogelijkheden.  
      

Andere signaleringen van het begin

Dat de oorsprong van de hier genoemde ontwikkelingen in de zeventiger jaren ligt blijkt ook uit andere gegevens. In 1977 verscheen in Nederland een boek naar aanleiding van de bedrijfssociologische studiedagen in dat jaar. [2]In dit boek wordt geconstateerd, dat er toen al een toenemende tendens was van industriële ondernemingen flexibele productieketens op te zetten, dus producten niet meer zelf te produceren maar onderdelen in te kopen, fabrieken en machines niet te kopen maar te huren, externe planningsbureau’s in te schakelen, arbeidskrachten te leasen middels onderaannemers, uitzendbureau’s, contract arbeid e.d. Deze ontwikkelingen deden zich het eerst voor in bedrijfstakken, die in  Nederland inmiddels zijn afgebouwd, zoals de textielindustrie, de schoenindustrie en de scheepsbouw. In deze bedrijfstakken volgde op deze flexibilisering uiteindelijk het verdwijnen ervan uit Nederland. Door de genoemde organisatorische wijzigingen in de productie waarbij men taken en functies liet uitvoeren door externe ondernemingen kon men bezuinigen op de loonkosten omdat de toeleverende bedrijven in een moordende concurrentie waren verwikkeld die ze afwentelden op slecht georganiseerde werknemers door hen lagere lonen uit te betalen en was het makkelijker, het bedrijf te sluiten. Men hoefde dan in feite alleen een sociaal plan met de vakbonden af te spreken voor de kernwerknemers, terwijl de contracten met externe partners eenvoudigweg werden opgezegd. De ontwikkelingen zouden wat dit betreft zelfs al zijn begonnen in de zestiger jaren, tijdens de periode van hoogconjunctuur toen de ‘herstructurering’ van die oude industrietakken op gang kwam. In het boek gaat men er nog van uit, dat de overheid door een geplande ‘sector-structuur politiek’  de ontwikkelingen in het bedrijfsleven direct kan beinvloeden. Dit hield in, dat de overheid een beleid voerde, waarbij verliesgevende ondernemingen werden gesteund wanneer men dat van belang achtte voor een samenhangende industriële structuur.

             Ook Lois Wacquant situeert het begin van de neoliberale revolutie, of eigenlijk wat hij noemt de ‘neoliberale strafstaat’ aan het einde van de zestiger jaren, begin van de zeventiger jaren. Hij noemt daarbij weer een ander aspect. Wacquant zegt dat de neoliberale strafstaat een reactie was op de burger-rechten beweging van Martin Luher King die in de zomer van 1966 begon in Chicago. Bij deze campagne werd ernaar gestreefd, de zwarten in de getto’s meer rechten te geven en van Chicago een ‘open’ stad te maken zonder getto’s. Deze pogingen om van Chicago een stad te maken zonder segregatie werd in de kiem gesmoord door repressie van de kant van de staat door de inzet van 4000 man ‘National Guards’ en woede uitbarstingen van een blanke menigte, en door aanvallen en aanklachten in de gevestigde media zoals de Chicago Tribune. Maar er was ook verbeten verzet van het gemeentebestuur, het gerechtelijk apparaat en de vastgoedsector. [3]De liberale blanken die King hadden gesteund bij zijn verzet tegen de segregatie in het zuiden keerden zich nu tegen hem. Zij verweten hem dat hij in de getto’s onverantwoord en provocerend te werk ging. Dit alles veroorzaakte een heftige tegenreactie, die de daaropvolgende twee decennia steeds sterker zou worden en die uiteindelijk de brandstof zou opleveren om het welfare-systeem in de Verenigde Staten af te bouwen (met name veel afro-amerikanen in de getto’s waren noodgedwongen op dit systeem aangewezen), de steden aan hun lot over te laten en het lokale en federale strafapparaat sterk uit te breiden. Het effect van deze ontwikkelingen was, dat de bevoorrechte positie van de blanken in de steden werd gehandhaafd en de getto’s de functie bleven behouden van leverancier van goedkope ongeschoolde arbeidskrachten in de zich flexibiliserende economie, op basis van maatschappelijke discriminatie van een groep paria’s. 
Dit zou de basis zijn van de neo-conservatieve revolutie, die eerst Nixon en later Reagan aan de macht bracht.
            Aan het begin van de zeventiger jaren van de twintigste eeuw kunnen verschillende historische feiten worden genoemd die het begin van de neoliberale ontwikkelingen lijken te markeren. Het eerste praktijkexperiment met de neoliberale politiek vond plaats in Chili, na de bloedige staatsgreep van 11 september 1973. Het nieuwe regime onder leiding van generaal Pinochet voerde een heftige repressie tegen politiek links en de arbeidersbeweging. Politieke partijen en vakbonden werden verboden en duizenden activisten werden gevangen genomen vermoord of verdwenen. Een groep Amerikaanse economen onder leiding van Milton Friedman werden door Pinochet als adviseurs aangenomen en kregen de kans om hun neoliberale opvattingen in praktijk te brengen. De politieke en sociale omstandigheden waren natuurlijk ideaal om de winsten te verhogen en de internationale concurrentiepositie van de Chileense bedrijven (en de daar gevestigde multinationale ondernemingen) te verbeteren. Effectief verzet ertegen was onmogelijk. Zie Naomi Klein, de shockdoctrine.
Uit het bovenstaande blijkt, dat zich tal van politieke en economische ontwikkelingen hebben voorgedaan die het begin van de opkomst van het neoliberalisme lijken te markeren.



[1] Zie voor de relativerende opmerkingen over het beginpunt van de ontwikkelingen voetnoot 3. 
[2] A.W.M. Teulings (red) Herstructurering van de industrie. Praktijk, beleid en perspectief. Samson reeks arbeidsverhoudingen.
[3] Lois Wacquant – Straf de armen. Het nieuwe beleid van de sociale onzekerheid. blz 232 e.v.

Enkele opmerkingen over de economische crisis, de controlemaatschappij en het verzet ertegen

Je zou kunnen stellen dat we in een doorgeschoten controlemaatschappij leven. Koppelingen van databanken, uitbreiding van het politieapparaat, uitdijende gevangenissen en een zwerm van controleurs moet de burgers in het gareel houden. De bevoegdheden van al die instanties worden steeds meer uitgebreid. Onaangekondigde Huisbezoeken waarbij het recht op huisvrede wordt omzeild bij bejaarden en bijstandsgerechtigden, opname van hele huisgezinnen in een strak begeleidingsprogramma en geavanceerde signaleringstechnieken moeten gedetailleerde informatie verschaffen over wat de mensen doen en hoe ze leven. Het controlesysteem moet de mensen in het gareel houden, waarbij stigmatisering van bepaalde bevolkingsgroepen onvermijdelijk lijkt te zijn. Criminologen tonen keer op keer aan, dat in feite de criminaliteit en fraude niet is toegenomen en dat het gevoerde beleid ineffectief is. Maar men gaat door op de oude voet.
Sociologen gebruiken voor de beschrijving van de ontwikkelingen in de moderne controlemaatschappij wel de metafoor van het sociale panopticum. Dit is een voortdurende controle op het doen en laten van specifieke groepen in de maatschappij middels zoals hierboven reeds gezegd moderne technieken (bewakingscamera’s, koppeling van databanken, registratie van individuele kenmerken middels vingerafdrukken, etc). Dit wordt aangevuld met controle door allerlei overheids- en particuliere organisaties met een stoet van bewakers in dienst, zoals conducteurs, stadswachten en buurtvaders. De mensen moeten daarbij het gevoel krijgen, dat ze voortdurend worden waargenomen en dat door de autoriteiten als afwijkend gedefinieerd gedrag zal worden bestraft. Dit wordt gecombineerd met een ideologisch offensief dat de ontwikkeling en invoering van het panopticum moet rechtvaardigen. Men streeft naar illegalisering en criminalisering van gedrag dat de bedoeling heeft aan het panopticum te ontsnappen of om vorm te geven aan het samenleven van mensen buiten de principes van de kapitalistische markteconomie om. Dit geillegaliseerde en gecriminaliseerde gedrag wordt vervolgens streng bestraft.
Neoliberalisme
De doorgeschoten controlemaatschappij is opgekomen met de invoering van de neo-liberale politiek, gekenmerkt door rigoureuze invoering van het marktdenken in alle sectoren van de maatschappij. Dit marktdenken ging gepaard met een afbraak van de oude welvaartsstaat en bezuinigingen. Men kan deze neo-liberale politiek zien als een antwoord op de neergaande conjunctuur sinds midden jaren zeventig van de 20e eeuw. Een van de uitgangspunten die in de neo-liberale politiek opgeld doet is dat ieder individu op de markt zijn of haar eigenbelang moet nastreven. Het marktmechanisme zal de welvaart en het welzijn van iedereen het grootst maken. Dit geldt voor de mondige consument, die de stroom informatie met keuzemogelijkheden die op hem afkomt efficiënt kan managen en de meest rationele keuzes maken. Dit geldt voor de arbeidskracht, die zich op de flexibele arbeidsmarkt als de verkoper van het product arbeidskracht opstelt. Het individu dient zich te gedragen als ‘homo economicus’ die efficiënt reageert op prikkels (sancties en beloningen) van buiten. Het marktmechanisme regelt de organisatie van de productie, de verdeling van goederen en de inrichting van de maatschappij.
Qua uitgangspunt wil het principe van de homo-economicus echter twee tegenstrijdige dingen verenigen. Enerzijds moeten mensen zich gedragen als een individuele ondernemer of mondige consument die op de markt in een verder organisatorisch voor hem of haar ongestructureerde omgeving zelfstandig als ‘vrij’ individu zijn bestaan organiseert. Maar sommige mensen gaan in een ongestructureerde omgeving ‘doelloos rondzwemmen’ of  hun handelen blokkerende redeneringen opzetten, of de verkeerde organisatorische argumenten gebruiken. Voorzover ze deelnemen aan organisatorische en sociale verbanden zien ze zichzelf vaak als te belangrijk en zijn ze bang dat ze zelf uit beeld verdwijnen. Sommigen streven ernaar een eigen winkeltje op te zetten en niet samen te werken met anderen die hetzelfde doen. En ze anticiperen niet op mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Dit waren eigenschappen die sommige mensen altijd al hadden, maar de neo-liberale politiek heeft dit verergerd. Door de privatiseringen van allerlei hulpverleningsinstanties, particuliere verzekeringen en het verdwijnen van sociale verbanden gebaseerd op solidariteit komt een stroom informatie op het individu af van allerlei elkaar beconcurrerende instellingen. Daarbij moet men steeds opnieuw keuzes maken en een steeds uitgebreidere administratie bijhouden. Sommige mensen lukt dat niet. En soms is het ook niet te doen. Burgers hebben in strijd daarmee vaak van jongsaf op school geleerd te werken aan een omschreven deeltaak in een organisatie op basis van discipline van buitenaf. In dit verband wordt de maatschappij steeds tegenstrijdiger, want aan de ene kant wordt die discipline nog steeds gevraagd, doen wat je baas zegt, en zijn woorden voor zoete koek slikken, in een gestructureerde omgeving. Anderzijds betekent een flexibele arbeidsmarkt en de projectmatige en tijdelijke opzet van allerlei projecten waarin je tijdelijk kunt meedraaien dat je vanuit jezelf geredeneerd, in een ongestructureerde omgeving, ‘de maatschappij’, je eigen bestaan moet organiseren. Daarbij moet je de informatie die verkopers of anderen ter beschikking stellen in twijfel trekken en dus niet voor zoete koek slikken. Daarom zijn de work first projecten en andere disciplineringtrajecten ook zo verkeerd. Mensen leren daar de verkeerde dingen. Ze leren discipline, van buitenaf opgelegd, en gehoorzamen daaraan, verrichten op vaste tijden eenvoudige routinearbeid. Maar die discipline komt niet uit henzelf, ze leren niet hoe op een flexibele arbeidsmarkt die veel onzekerheid met zich meebrengt hun eigen bestaan in vrijheid te organiseren, met alle kennis en vaardigheden -ook van je eigen functioneren- die daarbij behoren. Daarom werken die projecten ook niet.
Nieuw revolutionair subject?
De vraag is, of vanuit de bovenomschreven tegenstrijdigheid de mensen die als vrije ZZP-ers of flexibele ondernemers en free-lancers in de soms kunstzinnige (media) sector opereren kunnen worden gezien als een betrekkelijk nieuw revolutionair subject dat rebelleert tegen de disciplinerende controlemaatschappij. Daarbij bronnen aanborend en benuttend die- bij solidarisering met uitgeslotenen- de mogelijkheid bieden voor massaal verzet. Ik denk van niet. Het grote probleem waar we voor staan is daarmee niet opgelost. Dit probleem is de blokkade van het handelen in sociale verbanden en collectieven vanuit bepaalde kritische opvattingen over de maatschappij. Ik kom daar nog op terug. Verschillende onderzoekers hebben in de huidige ontwikkelingen- de herstructurering van sociale relaties- de opkomst van nieuwe revolutionaire subjecten gezien. Hardt en Negri hebben betoogd, dat ‘immateriële arbeid’ steeds belangrijker wordt en zij ontwikkelden het concept van de ‘multitude’ waarbij de strijd niet meer zou gaan tussen kapitaal en arbeid maar tussen ingeslotenen en uitgeslotenen. Het zou te ver voeren, hier in te gaan op de discussies die het afgelopen decennium gevoerd zijn rond de begrippen ‘multitude’ of  ‘arbeidersklasse’ in vaak theoretisch ingewikkelde boeken voor een kleine minderheid.
Het gaat mij in dit discussiestuk om pragmatische argumenten geredeneerd vanuit de praktijk die de huidige blokkade tussen opvattingen (waarden) en actief handelen in sociale verbanden kunnen doorbreken. Daarbij zijn processen van insluiting en uitsluiting in mijn ogen nauw verbonden met de ontwikkeling van het kapitalisme.
Gemeenschapsdenken in sociale verbanden op basis van solidariteit
De innerlijke tegenstrijdigheid tussen gedisciplineerde ondergeschikte enerzijds en vrije mondige burger anderzijds is slechts oplosbaar door vormen van gemeenschapsdenken in de organisatie van de maatschappij waarin solidariteit tussen mensen de basis is voor overleg en samenwerking. Daarbij kunnen mensen door uitwisseling van niet-commerciële informatie en onderlinge taakverdeling bewust afwegen wat de gevolgen zijn van individuele keuzen voor de gemeenschap als geheel. Het welbegrepen eigenbelang moet soms opzij geschoven worden voor het groepsbelang en bewuste democratische keuzen van de groep bepalen dan wat geproduceerd of gedaan wordt. Het marktmechanisme speelt daarbij een ondergeschikte of geen rol. In feite proberen mensen dit voortdurend te realiseren ondanks de bovengenoemde moeilijkheden die ze daarbij ten aanzien van hun eigen functioneren en dat van anderen tegenkomen. Voortdurend proberen mensen gemeenschappen en groepen te vormen op basis van normen en waarden die afwijken van het marktdenken om een antwoord te geven op de innerlijke tegenstrijdigheden van dat markt denken in het kapitalisme. En voortdurend pogen overheden en ondernemers vanuit dat kapitalisme aanpassingen tot stand te brengen aan dit marktdenken. Voor wie er oog voor heeft zie je in dit opzicht voortdurend botsingen en spanningen op vele sociale niveaus. In feite is de doorgeschoten controlemaatschappij een methode om deze spanningen te managen en te beheersen en mensen ertoe te brengen zich als ‘homo economicus’ te gedragen. Verschillende sociale verbanden, organisaties en gemeenschappen worden daarbij niet gesteund of tegengewerkt of onschadelijk gemaakt. Met name gaat het daarbij om groepen waarbij een fundamentele kritiek op het kapitalisme of uitwassen daarvan wordt geformuleerd en waarbij die gemeenschappen dienen om verzet te organiseren en de innerlijke tegenstrijdigheden te politiseren. Andere sociale en organisatorische verbanden worden geïncorporeerd in het kapitalisme door middel van ‘governance’. Op dit begrip kom ik nog terug. De controlemaatschappij in het kapitalisme met de van buitenaf opgelegde discipline waaraan men moet gehoorzamen, reproduceert echter de tegenstrijdigheid in de benadering van het menselijk gedrag.
Structurering van sociale relaties in het neoliberalisme
De bovengenoemde ontwikkeling heeft de sociale relaties tussen mensen op een ingrijpende manier geherstructureerd. Het zou te vervoeren al de kenmerken daarvan te noemen.
Enkele punten wil ik naar voren brengen.
  1. Vaak zijn traditionele gemeenschappen met niet op marktdenken gebaseerde waarden en normen uit elkaar gevallen, zoals familie en buurtverbanden. Dat is een proces dat al bij de ontzuiling van Nederland is ingezet en een gevolg van moderniseringen, die niet alleen aan de ontwikkeling van het neoliberalisme zijn toe te schrijven. Tegelijkertijd moet worden gezegd dat veel van deze traditionele verbanden nog steeds springlevend zijn, denk maar aan de ‘bible-belt’. We zien echter in de jaren zestig, zeventig en tachtig nieuwe sociale bewegingen opgekomen, naast een hernieuwde bloei van de arbeidersbeweging, waarbij op basis van solidariteit tussen mensen burgers zichzelf politiek organiseerden en vanuit eigen organisaties hun emancipatie nastreefden. Met het naar voren komen van het geatomiseerde, mondige individu in het neoliberalisme zijn ook deze sociale bewegingen nagenoeg verdwenen. Daarvoor in de plaats kwam de politiek van ‘governance’. Staten en grote bedrijven zochten overleg met NGO’s die vaak wel ontstaan zijn in sociale bewegingen van onderop, maar die zich ontwikkeld hebben tot door machtige instituties en staten gesubsidieerde instellingen, waarbij de legitimatie voor hun optreden niet meer voortkomt uit het actieve optreden van de leden. De leden zijn in plaats van actieve burgers die hun emancipatiedrang politiseren passieve consumenten geworden, die deelnemen aan van bovenaf opgezette zwaar gesubsidieerde projecten. Ook de vakbeweging gaat in feite de kant op van een consumentenorganisatie op basis van ‘governance’.
  2. In het neoliberalisme waarbij de onderlinge concurrentie tussen individuen wordt bevorderd zijn er winnaars en verliezers; wie de ratrace om de schaarse hulpbronnen en bij grote massawerkloosheid de race om de schaarse banen niet kan volhouden komt terecht in de uitzichtloze positie van een onderklasse. Daarbij speelt etnisering van de achtergestelden een rol. Hierdoor zijn nieuwe tegenstellingen ontstaan tussen middengroepen die tijdelijk geprofiteerd hebben van het casinokapitalisme en degenen, die daar niet van geprofiteerd hebben. Deze tegenstellingen zijn geglobaliseerd. Niet alleen komen ze voor in 1 land, maar ze zijn wereldwijd. In feite stonden de architecten van de neo-liberale politiek voor de vraag: hoe de lonen te bevriezen, loonkosten te drukken, bezuinigen op uitkeringen te realiseren en toch in de westerse landen de voorwaarden voor de reproductie van de arbeidskrachten in stand te houden en het verzet te kanaliseren. Dit is gebeurt door de nieuwe internationale arbeidsverdeling: productie van massagoederen werd verplaatst naar lage lonen landen door het openbreken van markten in de derde wereld en structurele aanpassingsprogramma’s waardoor massagoederen werden geproduceerd die de arbeiders in het westen goedkoop konden aanschaffen. Bij de verlaging of het achterblijven van hun koopkracht kon de financiering van hun consumptie worden gerealiseerd door de ontwikkeling van een schuldeneconomie. Mensen konden in het casinokapitalisme lange tijd geld lenen (met bijvoorbeeld de waarde of overwaarde van hun huis als onderpand en voor de gepensioneerden de waarde van de aandelen waarin de pensioenfondsen belegden). Met dat geleende geld kon de consumptie op peil blijven. Het is overigens voor mij de vraag of dit wel een van te voren opgezet plan is. Het is meer een gevolg van trial and error in de ontwikkeling waarbij men al experimenterend in een bepaalde richting probeerde te werken.
  3. Met de opkomst van de controlemaatschappij zijn op vele terreinen de mogelijkheden voor de burger om invloed uit te oefenen ingeperkt. De bewegingsvrijheid om het eigen leven, de eigen baan of het eigen gedrag naar eigen keuzen vorm te geven is afgenomen. Dit geldt ook voor de mensen die betaald werk hebben. De sociale relaties in bedrijven zijn sterk veranderd. Er is niet alleen een flexibilisering van de arbeidsmarkt, waarbij verschillen ontstaan tussen kernarbeiders in vaste dienst en flexibele uitzendkrachten zonder binding aan het bedrijf. Bedrijven hebben de commandostructuren anders gereorganiseerd. Door de groei van de communicatietechnologie kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de bureaucratische hiërarchieën zoals de administratieve of productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen. Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven aan het werk dat ze doen. De ruimte om in organisaties een eigen invulling te geven aan je baan en de taken daarbij wordt geminimaliseerd. Automatisering leidde ertoe, dat de bureaucratische piramides in organisaties ingrijpend veranderden. De basis van de piramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel bij handarbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door innovaties als barcodelezers, stemherkenningtechnologie en micromachines die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse landen een permanente, structurele werkloosheid heerst. De flexibilisering van de arbeid en allerlei organisatorische veranderingen leiden tot wat Wacquant noemt de ‘sluipende desocialisatie’ van de arbeid. In de bureaucratische productiestructuren die tot de zeventiger jaren overheersend waren hadden mensen voor langere tijd een vaste functie, waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap over de inrichting van hun werk. Ze waren trots op de organisatie waar ze werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen. Richard Sennett wijst ook op de desocialisatie van de arbeid. Het ‘sociaal kapitaal’ verdwijnt uit de productieorganisaties. De voortdurende organisatorische veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder werknemers en verzwakking van de institutionele kennis. 
  4. De ontwikkelingen onder punt 3 hebben grote gevolgen voor de relaties tussen de gemiddelde burger cq consument en die organisaties. Als je een (administratief) probleem hebt, krijg je iemand van een call-center aan de telefoon, of directe medewerkers van de organisatie, die alleen antwoord kunnen geven op een beperkte set van te voren opgestelde standaardvragen. In het verleden konden professionele hulpverleners van mensen met problemen in de bureaucratieën een sociaal netwerk opbouwen van contacten met functionarissen, die er al jaren werkten, die een grote kennis hadden van de besluitvormingsprocedures in de organisatie en die ook antwoord konden geven op meer specifieke vragen. Dit bevorderde, dat mensen toch uiteindelijk hun rechten konden effectueren via overleg. Deze situaties zijn in de flexibele productieorganisaties steeds minder te vinden waardoor het voor mensen met problemen en hun hulpverleners steeds moeilijker wordt tot een oplossing te komen. In het verlengde hiervan ligt weer, dat burgers noodgedwongen in plaats van via overleg met een instantie tot een oplossing te komen steeds meer een beroep moeten doen op de rechter om hun gelijk en hun rechten te halen. Het aantal advocatenkantoren is het laatste decennium explosief gestegen.
  5. De sociale relaties tussen mensen worden ook beïnvloed door het streven, met behulp van de mogelijkheden die de automatisering biedt als het ware consumenten delen van het productieproces te laten uitvoeren. Je haalt je kontante geld al sinds jaar en dag uit de automaat, terwijl je vroeger naar de balie moest om het geld op te halen bij een medewerker van het postkantoor die de mensen en de problemen van de buurt kende. De kleine ondernemer die dezelfde functie had is voor een groot gedeelte al uit het straatbeeld verdwenen.  In supermarkten is men bezig systemen te ontwikkelen, waarbij het afrekenen aan de kassa tot het verleden behoort. (Oa bij de Vomar) De consument scant zelf zijn of haar artikelen die in de supermarkt zijn opgehaald met behulp van een scanapparaat dat de barcodes leest die op de producten staan. Er zijn dan veel minder caissières nodig. Contact met medewerkers van het bedrijf heb je als consument niet meer. Er zijn alleen enkelen die meer een bewakingsfunctie hebben om te kijken of alles vlot verloopt. Dit principe- de consument het productiewerk laten doen wordt op vele manieren ingevoerd. Schiphol is bezig met een geautomatiseerd systeem om de passagiers zelf te laten inchequen. Vaak betekent dat ook een extra administratieve belasting voor de burger cq consument, die steeds nieuwe kennis en vaardigheden moet ontwikkelen om een zelfstandig bestaan te organiseren zonder daarbij een beroep te kunnen doen op medewerkers van een bedrijf voor ondersteuning. Dit sluit aan bij wat hiervoor werd gezegd over mensen die het niet meer lukt hun bestaan te managen.
  6. Vooral voor de zogenaamde ‘onderklasse’ is de bewegingsvrijheid en van daaruit een handelingsperspectief afgenomen door de invoering van de controlemaatschappij en het sociaal panopticum: je hebt voortdurend het gevoel te worden waargenomen en gecontroleerd, ook al is dit feitelijk niet het geval. Foucault bracht naar voren, dat een automatisch functioneren van de macht bij het sociale panopticum is verzekerd. Als gevolg van constante bewaking en de surveillance van de bewakers  raken individuen verstrikt in een onpersoonlijke machtsrelatie met de abstracte institutie die tegelijkertijd de machtsrelatie zelf niet-individueel maakt en die degenen, die aan het sociale panopticum zijn onderworpen individualiseert en losmaakt van collectieve verbanden.  Foucault zag deze techniek als een essentiële ontwikkeling bij de toenemende controle, hiërarchiesering, disciplinering en classificatie van mensen in de moderne maatschappij, door middel waarvan het gedrag van individuen voortdurend gereguleerd en gecontroleerd wordt door onpersoonlijke instituties.
Belangrijk bij het functioneren van het sociale panopticum is, dat de mensen die bewaakt worden niet voortdurend in de gaten hoeven te worden gehouden. Zij hoeven alleen maar het gevoel te hebben, dat dit wel zo is, dat ze op ieder moment ineens kunnen worden waargenomen. De gevolgen van deze ontwikkeling zie je bij bijvoorbeeld bijstandsgerechtigden en bejaarden. Wie een uitkering aanvraagt, krijgt een huisbezoek. Daarbij moeten zowel vrijwel de gehele administratie als de leefomstandigheden zichtbaar gemaakt worden. Ook mensen die al een uitkering hebben kunnen eventueel een huisbezoek verwachten. Daarnaast moet maandelijks een werkbriefje ingevuld worden, waarmee wijzigingen in de leefomstandigheden moeten worden aangegeven, je moet zo’n briefje ook invullen als er niets gewijzigd is. Verder zijn er routinematig de periodieke heronderzoeken, waarbij alle privé-gegevens over leefomstandigheden, bankrekeningen, uitgavenpatroon, sociale relaties, eventueel vrijwilligerswerk, etc, steeds opnieuw op tafel gelegd, ‘zichtbaar’ gemaakt moeten worden. Verder wordt iedereen die zegt niet te kunnen werken wegens arbeidsongeschiktheid onderworpen aan een keuring. Daarnaast worden mensen, die nu niet geschikt zijn voor de arbeidsmarkt maar dat in de toekomst wel zouden kunnen zijn, onderworpen aan allerlei vormen van trajectbegeleiding middels vaak particuliere reintegratieinstituten.
Mensen zijn zich er over het algemeen zeer van bewust dat ze voortdurend worden waargenomen, dat ze voortdurend ‘zichtbaar’ zijn. Wat dit betreft klopt de waarneming van Foucoult, dat zij het symbool van de anonieme macht, de sociale dienst, in Amsterdam de DWI altijd in hun gedachten hebben, dat zij vanuit zichzelf vanwege die constante zichtbaarheid, of beter gezegd je kunt ieder ogenblik volledig zichtbaar gemaakt worden met je privé-leven, iedere dag wel aan de sociale dienst denken. Dat men in werkelijkheid weinig werkelijk contact heeft met die dienst is daarbij niet van belang. Ook veel uitkeringsgerechtigden die maar eens in het half jaar een her controle hebben en voor de rest met rust worden gelaten, denken vaak iedere dag aan de sociale dienst. Men ‘verinnerlijkt’ de anonieme macht van de sociale dienst. Bij de gedachtegangen die uitkeringsgerechtigden dan hebben gaat het dan voortdurend over de grenzen van de sociale techniek van het panopticum die op hen wordt toegepast. Mag je een huisbezoek weigeren? Moet ik echt alle giroafschriften van de laatste drie maanden laten zien, moet ik de originelen laten zien, mag ik uitgaven voor de boodschappen en zo ook afplakken en dan een kopie maken, want met mijn dagelijks leven hebben ze niets te maken? Is een medische keuring verplicht? De arbeidsbemiddelaar heeft mij een aanbod gedaan voor bemiddeling. Mag ik dan weigeren? Wat kan ik verwachten als ik op gesprek ga bij de Dienst Werk en Inkomen en wat niet? Etc.
Angst voor de anonieme macht van de sociale dienst speelt een belangrijke rol. Klanten malen door hierover en vermengen dit met fantasieën over hoe aan het sociale panopticum te ontsnappen. De mensen definiëren hun situatie in dit verband, en schatten wat dit betreft hun eigen mogelijkheden en onmogelijkheden in. Sommige mensen definiëren zich als ziek Ik kan er niet meer tegen, ik kan die druk niet hebben ik denk er voortdurend aan, wat kan ik doen om met rust gelaten te worden? Weer anderen willen dit helemaal juist niet. Zij denken aan andere ontsnappingsmogelijkheden zoals illegale activiteiten. Of betaald werk zoeken als dat mogelijk is. Wat ook benadrukt wordt in de gesprekken met mensen op de Bijstandsbond is de absurditeit van de techniek van het sociale panopticum. Mensen zijn zich op het uitvoeringsniveau vaak scherp bewust van de tegenstrijdigheden in het systeem. In een dergelijke situatie is het zeer moeilijk mensen tot collectief, openlijk verzet te brengen in organisatorisch verband.
Onoverbrugbare tegenstellingen en individualisering?
Uit het bovenstaande moet in mijn ogen niet worden afgeleid, dat de wereld in het algemeen en de westerse maatschappijen in het bijzonder alleen maar vaten vol onoverbrugbare tegenstellingen zijn geworden. In Nederland is er weliswaar bijvoorbeeld een niet te verwaarlozen groep Wilders aanhangers, die zich behoorlijk roeren in de media en internet.  Maar wat betreft haar opvattingen lijkt de meerderheid van de Nederlandse bevolking zelfs toleranter en kritischer te worden. Dit blijkt oa uit een onderzoek van Motivacion. (Geloof jij dat je betrokken bent? Sociale kwesties in de samenleving. Onderzoek door Motivaction in opdracht van het Leger des Heils. Amsterdam, oktober 2008)
Conclusies van het rapport:
Voor wat betreft de wijze waarop mensen met elkaar omgaan, worden geen/weinig respect
en individualisme, egoïsme en desinteresse als de belangrijkste problemen ervaren. Deze problemen worden herkend en erkend (waargenomen of zelfs persoonlijk ervaren), de confrontatie gaan de Nederlanders echter vaak uit de weg.
Ook weten de Nederlanders beter dan voorheen van de problematiek rondom kwetsbare groepen in de samenleving die risico lopen om buitengesloten te worden. We zien het, we weten het, maar we kijken steeds liever de andere kant op wanneer deze problematiek te dichtbij komt. Dit duidt op normatieve betrokkenheid (volgens de meetlat) en afnemende actieve betrokkenheid (met het hart).
Nederlanders weten dat eenzaamheid een groot probleem is in de huidige maatschappij. Deze eenzaamheid heeft impact op hoe wij in het leven staan. In vergelijking met voorgaande jaren geven meer mensen aan zich eenzaam te voelen en geven minder mensen aan tevreden te zijn met hun huidige leven.
Tegelijkertijd maakt de gemiddelde Nederlander zich over het algemeen minder zorgen
om diverse kwetsbare groepen zoals eenzamen en mensen die door ouderdom niet meer
meedoen in de samenleving. De betrokkenheid is afgenomen. In vergelijking met eerder onderzoek blijkt ook dat Nederlanders de schuldvraag minder bij de kwetsbare groepen zelf leggen. Dit kan duiden op het erkennen van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Nederlanders relateren dit echter niet aan het eigen leven en de eigen verantwoordelijkheid. Als het erop aankomt zelf een actieve rol hierin te spelen en de (gedeelde) verantwoordelijkheid hiervoor te dragen, kijken Nederlanders liever weg. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een afname van het aantal Nederlanders dat aangeeft dat we met ons allen de verantwoordelijkheid dragen dat iedereen voldoende geld heeft om rond te komen. Het zijn vooral de Nederlanders van 50 jaar en ouder, die aangeven dat wij met zijn allen die verantwoordelijk dragen.
We wéten dus als Nederlander meer over deze maatschappelijke problematiek, maar we
dóen er minder mee.
Uit het bovenstaande blijkt waar volgens mij de crux ligt: we zijn nog steeds tolerant en kritisch over de maatschappij, al willen de media en bepaalde groepen in de maatschappij ons anders doen geloven, maar het handelingsperspectief om in sociale verbanden collectief op te treden voor een rechtvaardiger maatschappij en het organisatorisch vermogen om dat tot op lokaal niveau te organiseren is gedeeltelijk verdwenen. Mensen hebben het gevoel dat ze er toch niks aan kunnen doen en dat het geen zin heeft je als burger, arbeider, te organiseren om collectief in verzet te komen. Af en toe komt de kritische mening boven water, wanneer daar de ruimte voor bestaat, zoals bij het referendum over de grondwet. Maar mensen kiezen vaak voor het individuele perspectief in hun overlevingsstrategie. Ik moet zelf zien te overleven, en schakel individueel allerlei hulpbronnen in (individuele hulpverlening, particuliere verzekeringen) om dat doel te bereiken. Het kader dat eens de kern van sociale bewegingen vormde en ervaring had in het organiseren van acties is deels verdwenen of opgenomen in de politiek van ‘governance’.
Wat moet er gebeuren?
Natuurlijk kan ik geen ultiem antwoord geven op wat er moet gebeuren. Niemand kan de toekomst voorspellen, en we praten allang over een gehoopte opleving van sociale bewegingen en hoe dat te realiseren, zonder dat de antwoorden gegeven zijn.
De economische crisis biedt wat betreft verzet tegen het neoliberalisme en varianten daarvan ook kansen. Het marktdenken en de graaicultuur zijn van hun voetstuk gevallen. Veel mensen die dachten, ik heb niets te vrezen en die dachten dat ze een vakbond niet nodig hadden zijn in de problemen gekomen en velen zullen nog volgen. Wil echter de ontmaskering van het neo-liberale denken met als alternatief een hernieuwde waardering voor de organisatie van de maatschappij op basis van gemeenschapsdenken  een nieuwe kans krijgen, dan moeten we met verschillende dingen rekening houden. We kunnen niet eenvoudigweg de antwoorden kopiëren die in andere crisissen gegeven zijn. We hebben 30 jaar neo-liberale politiek van herstructurering van sociale relaties tussen mensen achter de rug. Dit heeft mensen gevormd en een diepgaande invloed gehad op de sociale relaties tot op de dag van vandaag. De scheiding tussen opvattingen en gedrag, tussen handelen en opvattingen is daarbij zeer sterk.
Om dit te doorbreken moeten we ons richten op een verbinding van verschillende bevolkingsgroepen, die langs verschillende scheidslijnen zijn verdeeld en die op verschillende momenten op verschillende manieren door de neo-liberale politiek zijn getroffen. Daarbij moeten we voor wat betreft de speerpunten ons niet alleen richten op de traditionele punten, zoals de loonstrijd, de inkomenspolitiek en het werkgelegenheidsbeleid. Het gevaar bestaat dan meer dan vroeger dat mensen zich daarbij zullen opstellen als passieve consumenten die in massademonstraties opkomen voor hun materiele rechten zonder dat de organisatie van het verzet de hele maatschappij doordringt tot op lokaal niveau waarbij mensen zich actief opstellen en nieuwe vaardigheden ontwikkelen om het verzet een duurzaam karakter te geven. We moeten ons ook richten op de organisatorische blokkades die de scheiding tussen opvattingen en handelen als mondige burger in stand houden en die de mensen ruimte om te handelen ontnemen. Dus een verzet tegen en een ontmaskering van de doorgeschoten controlemaatschappij. Daarbij moeten we aansluiten bij initiatieven van (kleine) gemeenschappen die de blokkades proberen te doorbreken en die tegelijkertijd ondanks alle moeilijkheden telkens weer worden georganiseerd. Daarbij is de wederopbouw van hulpdiensten met vrijwilligers, lokale actiecomités en andere organisatorische vormen nodig die praktische solidariteit organiseert in het verzet tegen de controlemaatschappij en de verdere afbraak van materiele en immateriële rechten. Dit betekent in mijn ogen naast de traditionele vakbondsstrijd tevens een nieuwe min of meer overkoepelende beweging voor burgerrechten, vrijheid en democratie die de afbraak ervan ter discussie stelt en verbindt met een kritiek op het kapitalisme en het neoliberalisme als samenlevingsvorm.
PvdL  22/03/2009

Recensie van het boek ‘straf de armen’

De liberale strafstaat

zondag, 07 oktober 2007 13:13

De bijstand en het gevangenissysteem zijn twee communicerende vaten

Lezing van het boek ‘straf de armen’ van de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant en van enkele publicaties van Nederlandse criminologen leidde tot onderstaand discussiestukje.

In de afgelopen decennia is geleidelijk aan de liberale strafstaat ingevoerd. Wat is de liberale strafstaat? Dit is een overheidsbeleid, waarbij sterk wordt bezuinigd op de sociale voorzieningen en strafmaatregelen worden ingevoerd om de onderste lagen van de maatschappij te disciplineren en op hun plaats te houden. Zij moeten de in toenemende mate gedesocialiseerde loonarbeid verrichten die als gevolg van de flexibilisering van de arbeid ontstaat. (Het begrip gedesocialiseerde loonarbeid wordt onderaan uitgelegd) Aan deze arbeid kun je in toenemende mate geen materiele en immateriele bestaanszekerheid ontlenen. Wie rebelleert tegen deze situatie of ontsnappingsroutes zoekt wordt opgesloten en uitgesloten. In Nederland en Amerika is er een explosie van het aantal gedetineerden.
Het Work First principe is komen overwaaien uit Amerika, waar het als straf en disciplineringsmaatregel is ingevoerd na de afschaffing van de bijstand onder president Clinton. Werklozen die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien worden in ruil voor voedselbonnen gedwongen arbeid te verrichten. Mensen die rebelleren tegen het systeem, of om andere redenen uit de boot vallen, zijn aangewezen op de informele sector en de illegale straathandel om in hun levensonderhoud te voorzien. En daarvoor worden ze ook weer gestraft. Er is een explosie van het gevangenissysteem in de Verenigde Staten qua aantallen gevangenen, vooral uit de getto’s. De situatie in Amerika is geanalyseerd door de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant, die een ook in het Nederlands vertaald boek heeft geschreven getiteld ‘straf de armen’, waarin hij aantoont dat de bijstand en het gevangenissysteem twee communicerende vaten zijn: wanneer de bijstand wordt afgeknepen, gaan mensen naar de informele sector om in levensonderhoud te voorzien, als ze geen andere mogelijkheden zien, en daarvoor worden ze gestraft met opsluiting. Nederland is wat dit betreft het enige Europese land dat met de VS kan worden vergeleken. In ons land is het aantal civielrechtelijke detenties tussen 1985 en 2005 verviervoudigd. Dit zijn detenties dus van mensen die geen criminelen zijn zoals uit huis plaatsingen, jeugdinrichtingen, ter onderscheiding van strafrechtelijke detenties. Criminologen beargumenteren, dat dit een rechtstreeks gevolg is van bezuinigingen op de jeugdzorg en de opvang van psychiatrische patienten. Bovenstaande gegevens haal ik uit een artikel van de criminologen M. Boone en M. Moerings, de cellenexplosie; voorlopig gehechten, veroordeelden, vreemdelingen, jeugdigen en tbs in Justitiele verkenningen van het WODC hier te downloaden.
De Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling heeft onlangs de redenen onderzocht voor het toenemend aantal psychiatrische patienten in de strafrechtsector (Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling: straf en zorg, een paar apart; passende interventies bij delictplegers met psychische en psychiatrische problemen. Amsterdam, SWP 2007) Zij komen tot dezelfde conclusies als Boone en Moerman.
Waarom wordt de neo-liberale strafstaat ingevoerd?
Een belangrijke vraag voor iedere samenleving is hoe de samenleving bij elkaar wordt gehouden, hoe een situatie kan ontstaan dat groepen en individuen vreedzaam naast elkaar leven. Het liberalisme bevordert de concurrentie van allen tegen allen en de overheid bezuinigt sterk op de sociale voorzieningen, dus de bestaansbasis van de mensen die niet door middel van reguliere betaalde arbeid in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De concurrentie tussen mensen wordt dus scherper. Tegelijkertijd leidt migratie tot een veelheid aan verschillende groepen met een cultureel verschillende achtergrond. Wie om wat voor reden dan ook niet meekan in de concurrentie race komt langdurig aan de kant te staan. Tegelijkertijd zijn steeds weer nieuwe mensen nodig met kant en klare nieuwe kennis en vaardigheden. Naast structurele werkloosheid ontstaan grote tekorten op de arbeidsmarkt. Dit bevordert weer de migratie. Kant en klare arbeidskrachten worden uit het buitenland gehaald. Werkgevers willen niet voor de opleiding van nieuwe arbeidskrachten betalen, tenzij de overheid hen subsidie geeft.
Er is een veralgemeende en geestelijke onzekerheid, die door het liberalisme wordt opgeroepen en die nog versterkt wordt door de verspreiding van de gedesocialiseerde loonarbeid.
Om de mensen onder deze omstandigheden bij elkaar te houden en de mensen te dwingen ondanks de desocialisatie van de arbeid mee te blijven draaien in de caroussel van de flexibele arbeid is de neo-liberale strafstaat ontwikkeld. Dit is in feite een politiek van uitsluiting, waarbij de economisch overbodigen uitgesloten worden van de maatschappij en ‘onschadelijk’gemaakt. Het strafsysteem heeft een drieledige functie:
Ten eerste dienst onderaan de sociale ladder dient straf om de overtollige delen van de bevolking op te slaan en fysiek te neutraliseren, met name leden van gestigmatiseerde groepen die in de armoede zijn beland en volharden in de sociale rebellie tegen hun sociale omgeving.
Een sport hoger op de maatschappelijke ladder vervult het netwerk van sociale diensten, politie, inburgeringsorganisaties en het gevangenissysteem een functie dat ze de discipline oplegt aan de betere lagen van de bevolking en die delen van de middenklasse, die het moeilijk hebben en in bestaansonzekerheid leven. De prijs die ze betalen voor een ontsnappings en verzetsstrategie wordt alsmaar hoger.
Op een derde meer symbolisch niveau vervult het strafinstituut de functie van een hernieuwde bevestiging van het gezag van de staat en de hervonden wil van de politieke elite om duidelijke grenzen af te bakenen en er respect voor af te dwingen door in haar uitsluitingspolitiek een onderscheid te maken tussen verdienstelijke burgers en groepen met afwijkend gedrag, tussen ‘goede’en ‘slechte’armen, tussen hen die het verdienen ‘geintegreerd’ te worden in het circuit van de precaire loonarbeid en degenen die op een index terechtkomen en worden uitgesloten of opgesloten. De conclusie van Boone en Moerman is duidelijk:
‘Nederland is van een land dat bekend stond om zijn tolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag, verworden tot een land dat zijn problemen met minderheidsgroepen en probleemgroepen oplost door hen op te sluiten’
Wat is de desocialisatie van de loonarbeid?
Afname van zeggenschap in je werk. Door de groei van de communicatie-technologie kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de bureaucratische hierarchien, de administratieve of productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen. Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven aan het werk dat ze doen.
Structurele werkloosheid naast tekorten op de arbeidsmarkt. Automatisering leidde ertoe, dat de bureacratische pyramides in organisaties ingrijpend veranderden. De basis van de pyramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel bij hand arbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door innovaties als barcodelezers, stemherkenningstechnologie, en micromachines die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse landen een permanente, structurele werkloosheid heerst.
Toename flexibele arbeid.
De overheid bevordert flexibele arbeid door afschaffing van rechtsbescherming voor werkenden, het mogelijk maken van tijdelijke contracten en het bevorderen van uitzendwerk door de oprichting van uitzendbureau’s.
Geen mogelijkheden meer een netwerk van sociale relaties op te bouwen. In de bureaucratische productiestructuren van vroeger hadden mensen voor langere tijd een vaste functie, waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap over de inrichting van hun werk wanneer ze tenminste niet aan de lopende band stonden. Ze waren trots op de organisatie waar ze werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen.
Het ‘sociaal kapitaal’ verdwijnt uit de productie-organisaties. De voortdurende organisatorische veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder werknemers en verzwakking van de institutionele kennis.
————————
Straf de Armen, Het Nieuwe Beleid van de Sociale Onzekerheid: isbn: 9789064454028 · 2006 · paperback (15 x 22,5 cm) â 360 p. Oorspr.titel: Punir les pauvres. Le nouveau gouvernement de l’insecurite sociale – uit het Frans vertaald door Wim de Neuter
Dit bericht is geplaatst in controlestaat. Bookmark de permalink