Economie zal nooit meer zijn wat het geweest is

Op 30 october verscheen de Nederlandse vertaling van ‘Kapitaal in de een en twintigste eeuw’ van de Franse econoom Thomas Piketty. Het boek is in Frankrijk lauw ontvangen, maar de Engelse vertaling, een pil van 685 bladzijden,  heeft geleid tot een hausse aan reacties en het boek werd een bestseller. Er lijkt een discussie te worden opengebroken, die lange tijd gesloten geweest was. Wat Piketty op basis van uitgebreide historische analyses op de agenda zet, is niet zozeer het feit, dat we in het kapitalisme puissante rijkdom naast extreme armoede kennen. Velen hebben dit waargenomen in de loop der eeuwen en daar theorien aan gewijd. De discussie die Piketty weer op de agenda zet is de vraag, of die extreme verschillen tussen arm en rijk en eventueel een verdergaande verarming van grotere delen van de bevolking het gevolg zijn van immanente systemische onvolkomenheden van het kapitalisme, van de tendenzen die het gedrag van het kapitaal en de verdeling van armoede en rijkdom bepalen, of dat het kapitalisme die onvolkomenheden niet kent, in zich een goed naar evenwichten tenderend systeem is, dat harmonisch kan functioneren waarbij externe factoren de evenwichten kunnen verstoren. In de neo-klassieke economie worden in feite externe variabelen in het systeem ingebracht, die evenwichts verstorend kunnen werken en die  de verschillen tussen arm en rijk bepalen. Een tweede stroming die er impliciet van uitgaat, dat het kapitalisme op zich goed functioneert  is de morele stroming, die ter discussie stelt of de tegenstelling tussen arm en rijk op zich verkeerd is. Wat is erop tegen, als maar iedereen te eten heeft? En uitwassen moeten bestreden worden door de mensen een goede moraal bij te brengen, door sociaal ondernemerschap, want ja, ook de kapitalisten moeten niet zo hebberig zijn en proberen zoveel mogelijk winst te maken. Sociale ondernemer zijn betekent, dat je sociaal voelend a la Bill Gates een deel van je fortuinen weggeeft en verdeelt onder de armen. In het verlengde daarvan liggen de initiatieven voor een sociaal kapitalisme. De ‘sociale ondernemingen’ schieten als paddenstoelen uit de grond. Heel andere uitgangspunten dan wanneer je het kapitalisme beschouwt als een productiesysteem van immanente onvolkomenheden, dat uit zichzelf als het ware de stagnatie van de samenleving organiseert.

Een oude gedachte

Marx analyseerde de immanente tegenstrijdigheden van het kapitalisme als systeem van productie. Centraal in zijn theorien staat de arbeidswaardeleer. Het zou te ver voeren, dat verder hier uit te leggen, maar ook in die theorie is het kapitalisme een productiesysteem dat armoede, stagnatie, oorlog en ellende produceert als uitvloeisel van de wetmatigheden in de productie.  Het is onmiddellijk duidelijk dat uitgaan van de immanente onvolkomenheden van het productiesysteem zelf een adequate kritiek oplevert op de stromingen, die stagnatie zoeken in externe factoren of de moraal, of de mens als beest, dat altijd in ons sluimert. Je leidt dan de aandacht af van het feit, dat het kapitalisme als productiesysteem minstens net zo’n groot probleem is. Dat de tegenstellingen tussen arm en rijk, en de concentratie van rijkdom in handen van zeer weinigen niet zozeer het gevolg zijn van de moraal, of externe factoren, maar inherent zijn aan het kapitalistisch productiesysteem en dat dus eerst dat productiesysteem ter discussie gesteld moet worden alvorens te werken aan een rechtvaardiger maatschappij. Het is een weerlegging van de Amerikaanse droom, die verwoord dat iedereen de maarschalksstaf in zijn ransel heeft. Iedereen kan hogerop komen, als je maar wil, als je maar de goede ondernemersmentaliteit hebt. Iedereen krijgt kansen in het kapitalisme, grijp die! Nee, zegt nu Piketty, op basis van een indrukwekkende historische analyse, wanneer het kapitaal zich concentreert in handen van een steeds kleinere elite, stagneert de samenleving, neemt de sociale mobiliteit af, worden de kansen voor mensen hogerop te komen en/of zich te ontplooien minder. Het gevolg is stagnatie van de gehele maatschappij.

stagnatie en gebrek aan sociale mobiliteit

Bij steeds grotere ongelijkheid in bezit en inkomen komt er een rem op de economische groei omdat rijken hun geld nog slechts gedeeltelijk besteden in de economie en de rest oppotten. Grote ongelijkheid is een gevaar voor de democratie en politieke invloed van alle burgers: rijken kunnen de duurste advocaten en lobbyisten inhuren en met geld invloed kopen om wetten aangenomen te krijgen die zij willen. Mensen met een laag inkomen hebben geen reserves. Bij een tamelijk geringe tegenslag komen ze al in de problemen of schulden die alle tijd en energie opslokken. Mensen met weinig inkomen investeren ook minder in scholing en opleiding voor zichzelf en hun kinderen waardoor ze niet hogerop kunnen komen. Grote ongelijkheid remt de sociale mobiliteit. Maar er is ook een tendens dat de middengroepen verdwijnen. Langzaam in de loop der jaren opklimmen in de maatschappij of het bedrijf waar je werkt wordt steeds moeilijker. Het wordt steeds meer: alles of niets. Piketty is niet de eerste die op deze tendenzen gewezen heeft. Reeds de historicus Jan Romein formuleerde de wet van de remmende voorsprong: Een bedrijf of organisatie, kan een product met grote innovatieve waarde ontwikkelen en daar winsten mee maken, maar daarna in de verleiding komen op de inkomsten te blijven teren en noodzakelijke investeringen voor innovatie te veronachtzamen. In de tijd van Romein bestonden grote verschillen tussen verschillende delen van de wereld waardoor hij veronderstelde, dat dan elders de op hun lauweren rustende ondernemingen zouden worden voorbijgestreefd. Wanneer echter de concentratie van steeds meer toenemende rijkdom in handen van weinigen wereldwijd is, kan dit teren op de inkomsten algemeen worden en vernieuwende ontwikkelingen tegenhouden.
Daarmee wordt ook een kritiek geformuleerd op strategien om mensen aan de onderkant van de samenleving zelfredzaam te maken en te ontwikkelen door aan hun gedrag te sleutelen. Bijvoorbeeld de reintegratie cursussen voor werklozen, eigen kracht conferenties, etc. Werklozen ervaren aan den lijven dat het zo niet werkt, dat om een hen soms onbekende redenen of door de grote massawerkloosheid het hogerop komen niet lukt, dat er op de een of andere manier factoren in het spel zijn die dat belemmeren, die buiten henzelf liggen. Marxistische theorien waren in het verleden explosieve kritieken op de ideologie van de self made man die iedereen kan worden, op de plaats van de moraal in het discours van de verdedigers van het kapitalisme.

Piketty

En nu is er Piketty. Beslist geen marxist, hij zet zich expliciet af tegen de hiervoor genoemde arbeidswaardeleer. Ook bij Piketty tendeert het kapitalisme uiteindelijk naar een nieuw evenwicht alleen…. hier gaan vele decennia overheen. En in die periode stagneert de samenleving, de economie. En moeten miljoenen in ellende leven.
Piketty zegt zelf, dat vermogensongelijkheid helemaal niet erg is, dat het in Europa nog geen probleem is, de concentratie van vermogens, en dat we blij moeten zijn dat we zoveel vermogen hebben, er moeten hooguit kleine belastingen komen op die vermogens.  Eigenlijk, zou je kunnen zeggen, trekt hij dus geen radicale politieke conclusies uit zijn eigen verhaal. Waarom doet hij dat?  Is dit een bewuste strategie van hem, terwijl hij wel weet, dat het probleem veel groter is? Het is in strijd met de urgentie van de analyses in zijn boek. Hij betoogt steeds, dat hij de vrije markteconomie lief heeft en dat hij houdt van het kapitalisme en dat hij in Oost Europa geweest is tijdens de val van de muur en dat hij dacht: hoe is het mogelijk, dat mensen voor zo’ n systeem kiezen, ik wil dat nooit. Hierdoor is hij voor rechts zeer moeilijk met de traditionele middelen te bestrijden. Toch heeft hij een opzienbarend boek geschreven, waarin een fundamentele kritiek wordt geleverd op het kapitalisme. Echter, hem daarop wijzen, helpt niet. ‘ Ik hou van het kapitalisme, zegt Piketty, ik wil het helemaal niet afschaffen. Ik lever er alleen kritiek op’ . Wat is eigenlijk het doel van Piketty? Wellicht het volgende. In verschillende interviews geeft hij aan, dat we volgens hem historisch belast zijn met de tegenstellingen tussen Oost en West, met de koude oorlog, met het mislukken van het communistisch experiment in Oost-Europa. Hij geeft aan, dat we eigenlijk een beetje collectief opgehouden zijn met denken. Rechts en links zijn de afgelopen decennia met de opkomst van het neoliberalisme een soort psychologische oorlogvoering begonnen op basis van de tegenstellingen in het verleden. Piketty wil dat doorbreken.

Geen politieke strategie

Maar een politieke strategie om de hervorming van het kapitalisme door te voeren staat niet in de dikke pil van Piketty. Al op de eerste bladzijden kun je hem op een tegenstrijdigheid betrappen. Aan de ene kant zegt hij, dat de kwestie van de ongelijkheid van rijkdom, kapitaal, inkomen heeft geleid tot zelfs gewelddadige politieke conflicten en dat de wetenschap niet in staat is deze conflicten te verzachten of te modereren. Aan de andere kant stelt hij zijn hoop op die wetenschap en de democratie en dat die in staat zullen zijn de regie van de democratie over het kapitalisme te herstellen, voorzover die regie is verdwenen en dat daarom een rationele oplossing zal worden gekozen en dat de kladderedatsch die Marx voorspelde van revolutie of oorlog zal worden voorkomen. In dit verband stelt hij, dat wetenschappelijke economische inzichten al veel goed werk hebben gedaan. Wat is het nu? Kan de wetenschap ons verder helpen, of niet? En zo niet, hoe kunnen wij een verandering bewerkstelligen? Een echt nieuw antwoord zul je in het boek van Piketty niet vinden.

Piet van der Lende

Reactie op ingezonden brieven in Het Parool van de wethouder en de directeur van de Sociale Dienst

In Het Parool van donderdag 6 februari 1997 en van dinsdag 10 februari hebben respectievelijk Hans Denijs, directeur van de sociale dienst in Amsterdam en wethouder Jaap van der Aa, verantwoordelijke wethouder voor de dienst, hun commentaar gegeven op de hoorzittingen in de Tweede Kamer over de nieuwe bijstandswet. Hieronder een commentaar, dat niet is gepubliceerd.
Ik ben blij dat van hoog tot laag het armoedeprobleem eindelijk serieus wordt genomen en dat de schrijvers voorstander zijn van ruimere financiële armslag voor de gemeenten om de armoede te bestrijden. Maar tegelijkertijd getuigt hun visie van verouderde opvattingen over de toekomst van de sociale zekerheid.
De heer Denijs begint met te stellen, dat we in een beschaafd land leven. We hebben de ruimtelijke ordening in de hand, een zorgvuldige euthanasie-wetgeving en ook de sociale zekerheid is een fundament onder onze beschaving. In andere landen hebben ze dat niet zozeer. Deze sociale zekerheid moet drastisch gewijzigd worden. Betere sturing, betere beheersbaarheid en vooral ook betaalbaar houden. Met de inhoud van de nieuwe bijstandswet is niets aan de hand. Het is een pijler onder de nieuwe sociale zekerheid. Het gaat er nu om hem goed uit te voeren. Er zijn echter nog enkele beren op de weg, die de beleidsmakers hebben uitgestippeld om onze beschaving te handhaven. Dat zijn in de eerste plaats de langdurig werklozen en de fraudeurs, en de mensen die wel kunnen werken, maar dat niet willen. Zij veroorzaken, dat de kosten van de bijstand ‘gierend’ uit de hand lopen, ze maken het stelsel onbetaalbaar. De langdurig werklozen mogen wel in de bijstand blijven, want zij kunnen niet werken. De wetgeving van de beleidsmakers is goed. In de tweede plaats is het probleem, dat de wetgever geen rekening houdt met de uitvoeringspraktijk. Er is geen ‘task force’ voor het maken van een uitvoeringsstrategie. En dus loopt de uitvoeringsorganisatie vast. De boodschap van de heren is duidelijk: de uitgangspunten van het (lokale) beleid zijn goed, alleen de vele taken de die gemeente worden opgelegd (uitstroom naar betaalde arbeid, fraudebestrijding) moeten leiden tot meer geld voor de uitvoeringsorganisatie. Ik zal niet uitgebreid ingaan op de visie van de heer De Nijs over onze beschaving, hoewel ik het niet met hem eens ben. Er valt wel wat te zeggen over de vraag, of we onze ruimtelijke ordening in de hand hebben en of de Betuwelijn wel onder de grond wordt gestopt. Ook spreekt uit zijn visie het klassieke superioriteits-besef, dat veel westerse beleidsmakers kenmerkt: ‘wij’ zijn of ‘Nederland’ is beschaafd, in andere landen schieten ze mekaar dood, omdat ‘ze’ niet beschaafd zijn.
fraude
Ik wil het hebben over de visie van de heer Denijs op de cliënten van de sociale dienst en de feiten die hij debiteert. Het beleid is goed, alleen de mensen in de bijstand kunnen en of willen niet. Ze frauderen, of hebben een gebrek. Daarom moet er flink aan hen gesleuteld en gecontroleerd worden, en daarom moet er meer geld komen voor de uitvoeringsorganisatie In enkele zinnen wordt een koppeling gelegd tussen de betaalbaarheid van de sociale zekerheid en het gedrag of de eigenschappen van mensen in de bijstand. Laten we nog eens naar de prioriteiten in het overheidsbeleid kijken.
De ‘omvangrijke’ fraude zou de betaalbaarheid van onze sociale zekerheid in gevaar brengen. Denijs noemt geen cijfers. Dus doe ik dat maar. Het CBS heeft in het kwartaalbericht rechtsbescherming en veiligheid 96/2 een artikel gepubliceerd, dat bij mijn weten het belangrijkste op feiten gebaseerde overzicht is. Het artikel is geschreven door D. Koper en R.P.C. Baak. Een onthullend artikel over de effecten van het overheidsbeleid bij de bestrijding van fraude. In 1995 werd door de sociale diensten 226,58 miljoen aan fraude gekonstateerd. Dit jaarlijkse bedrag is tussen 1992 en 1993 opmerkelijk gestegen, evenals het aantal fraude gevallen, vooral als gevolg van de belastingsignalen. Opmerkelijk is dat absoluut de stijging van het aantal door de uitvoeringsorganen vastgestelde fraudegevallen vooral plaatsvindt in de categorie onbekend (nihil) en minder dan zesduizend gulden als fraudebedrag. Voor de omvang van de schade zijn vooral de fraudegevallen uit de schadecategorie twaalfduizend en meer gulden van belang. Ongeveer driekwart van het totale schadebedrag komt voor rekening van fraudeurs uit deze categorie. De omvang van dit fraudebedrag stijgt door de jaren heen nauwelijks, ondanks de verhalen in de pers over de toenemende fraude van grote criminele organisaties.
Ik pleit niet voor een grote uitbreiding van fraude, maar ik trek uit deze cijfers wel twee conclusies. Ten eerste is het aantal fraudeurs zeer beperkt; ongeveer 79 op de 1000 bijstandsgerechtigden fraudeert. Denijs heeft het alleen over omvangrijke fraude, maar in ieder geval is het kletskoek als hij bedoelt dat de huidige omvang van de kleine fraude (de bijklussende bijstandsvrouw) de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in gevaar brengt. Driekwart van het schadebedrag komt voor rekening van de grote fraudeurs.
En hiermee kom ik op mijn tweede conclusie. De overheid (de heer Denijs incluis) baseren hun beleid van fraude bestrijding op onjuiste uitgangspunten. De fraude is omvangrijk, en brengt de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in gevaar. Dus trekt de overheid alle registers open om alle bijstandsgerechtigden steeds strenger te controleren en om de bijklussende bijstandsvrouw, een minderheid onder de bijstandsgerechtigden te achtervolgen en op te sporen. Uitgebreide inzet van buitendienst ambtenaren, sociale rechercheurs, wat niet al. Daarom meer geld voor de uitvoeringsorganisatie. En.. de grote criminele organisaties waarover Bart Middelkoop in deze krant schrijft en die de bijstand als dekmantel gebruiken voor hun criminele activiteiten blijven buiten schot. Een uitvoeringsprobleempje of fundamenteel verkeerde keuzen in de prioriteiten van het beleid, waarvoor ook de lokale overheid verantwoordelijk is?.
kosten van bijstand.
De heer Denijs veronderstelt ook, dat de kosten van de bijstand ‘gierend’ uit de hand lopen, waarbij dit ook weer gekoppeld is aan het gedrag en de eigenschappen van bijstandsgerechtigden. Laten we weer eens naar het beleid en de cijfers kijken. Het aantal bijstandsgerechtigden stijgt licht, maar ligt al jaren rond de half miljoen. Het bedrag aan bijstandsuitkeringen is de afgelopen vijf jaar gestegen van 11 miljard naar 13 miljard per jaar, voor een groot gedeelte een gevolg van de (onvoldoende) stijging van de uitkeringen als compensatie voor de inflatie.
Wel zijn er prognoses, dat de kosten van bijstand voor de gemeenten de komende jaren met 23% zullen stijgen. Dit is echter een gevolg van het feit, dat de gemeenten een groter deel van de bijstand zelf moeten financieren (er moet 380 miljoen op de bijstand worden bezuinigd) en omdat elders in de sociale zekerheid ook fors wordt bezuinigd waardoor meer mensen een beroep op de bijstand moeten doen. (de invoering van de nieuwe Algemene Nabestaanden Wet). Hoezo armoedebestrijding?. De verlaging van de norm-uitkeringen en het toeslagenbeleid, waarbij de gemeenten een toeslag zelf moeten gaan financieren, is de opmaat van nieuwe bezuinigingen, waarbij de gemeentelijke bestuurders bij het doorvoeren daarvan naar Den Haag kunnen wijzen. Op de inhoud van die wet valt heel wat aan te merken, maar dan zou dit artikel veel te lang worden. 
arbeidsethos
Ook het aantal langdurig werklozen neemt toe, terwijl het aantal werklozen momenteel ongeveer gelijk blijft. Ook Amsterdam heeft daar geen oplossing voor.
De heer van der Aa zegt, dat de gemeenten niet hebben te klagen over de steun van het rijk om mensen weer aan het werk te krijgen. Dus daar kan het niet aan liggen. Met de arbeidsbemiddeling in Amsterdam gaat veel fout vooral als gevolg van een gebrek aan visie van de lokale bestuurders. De arbeidsbemiddeling in Amsterdam zit hopeloos verstopt. Belangenorganisaties hebben de afgelopen tijd bijeenkomsten in verschillende buurten georganiseerd en daarbij kwam het volgende naar voren.
Sommige uitkeringsgerechtigden hangt de voortdurende dreiging van een korting boven hun hoofd als ze niet solliciteren. Ook als duidelijk is, dat al dat solliciteren niet tot resultaat zal leiden. De sollcitatieplicht en de daaraan verbonden sancties leiden niet tot een nieuw perspectief op bestaanszekerheid. De dreiging van sancties op de achtergrond weerhoudt werklozen ervan, contact te zoeken met arbeidsbemiddelaars. Het belemmert zo eerder activering dan dat zij deze stimuleert.
Aan de andere kant worden veel werklozen in de categorie van onbemiddelbaar gestopt, terwijl ze vaak graag betaald werk willen en niet als onbruikbaar aan de kant gezet. Er zijn maar liefst vier categoriën van werklozen, waarbij de vierde categorie weer is ingedeeld in een stuk of twaalf sub-categoriën. De sociale dienst zet werklozen onder druk, die (tijdelijk) tevreden zijn met hun karige uitkering en het vrijwilligerswerk dat ze doen, waarbij ze in een situatie van grote werkloosheid ruimte maken voor mensen, die graag betaald werk willen maar minder kansen hebben. De sociale dienst en het arbeidsbureau zouden meer energie moeten steken in het ondersteunen van de laatste categorie.
Terwijl Utrecht kiest voor een frisse aanpak, in de voorwaarden scheppende sfeer, die vele werkzoekenden ook op korte termijn perspectief biedt, kiest Amsterdam voor de doodlopende weg. Alle energie en financiële middelen worden ingezet om een kleine groep aan betaald werk te helpen. Op 18 februari zal tijdens een feestelijke bijeenkomst worden gevierd, dat 875 moeilijk plaatsbare werkzoekenden via maar liefst zeven toeleidingscentra na intensieve begeleiding aan arbeidsbemiddeling kunnen worden overgedragen. (Daarmee hebben ze nog geen werk). En er zijn 50.000 langdurig werklozen in Amsterdam, dus dat schiet op. Ik pleit niet voor het opheffen van deze bemiddeling, maar de cijfers maken wel duidelijk, dat er meer zal moeten gebeuren in de voorwaarden scheppende sfeer, waarbij de langdurig werklozen nu eens niet worden benaderd als mensen met een gebrek, maar als mensen, die iets kunnen, die misschien vrijwilligerswerk doen, zich nuttig maken voor de maatschappij, waarvoor op korte termijn waardering en erkenning van de overheid tegenover staat zoals vrijstelling van de sollicitatieplicht en een premie.
Maar bij het premiebeleid voor vrijwilligers is een beperkt bedrag uitgetrokken, het beleid is op dit punt nog niet van de grond gekomen en Amsterdam houdt strak vast aan de sollicitatieplicht, waarbij ook weer kleine groepen tijdens een korte periode van intensieve trajectbegeleiding worden vrijgesteld.
Wethouder van der Aa houdt vast aan het klassieke arbeidsethos: alleen betaald werk is echt belangrijk, het geeft niet wat. Dit weerhoudt hem ervan, een beleid te ontwikkelen dat vele langdurig werklozen op korte termijn perspectief biedt en dat de sociale zekerheid werkelijk vernieuwd door een andere opvatting welke arbeid belangrijk is en welke niet.
de wethouder
Wethouder van der Aa sluit zich aan bij het betoog van Denijs waarbij de nadruk wordt gelegd op de uitvoeringsproblemen, die een gevolg zijn van te weinig geld hiervoor van het rijk. Vervolgens benadrukt hij het belang van bijzondere bijstand en legt hij uit, dat Amsterdam al veel doet om de toenemende armoede in de stad te bestrijden. Maar Amsterdam heeft nu zijn financiële grenzen bereikt. De heer van der Aa trekt uit de toenemende armoede niet de conclusie, dat het sociale minimum in de bijstand moet worden verhoogd, zoals men in Groningen en ook vele van zijn partijgenoten wel doen. Hij kiest voor een uitbreiding van de bijzondere bijstand, dat lapmiddel, een methode die veel energie en geld voor de uitvoering kost, en dat met een sociale dienst waar de automatisering mislukt is (gevolg van het rijksbeleid?) en waar de ambtenaren alle energie nodig hebben om de bijstandsgerechtigden te controleren, en nog eens te controleren, en nog eens…
Aardig is de opmerking, dat hulpverleners en belangenbehartigers de armoede uit de dagelijkse praktijk kennen, en dat daarom op lokaal niveau snel en adequaat gereageerd wordt om de problemen die de armoede veroorzaakt aan te pakken. Gelukkig erkent wethouder van der Aa nu ook, dat er een toenemend armoedeprobleem in de stad is en dat er meer maatregelen moeten komen om de armoede te bestrijden. Maar dit is niet zomaar gegaan. De gemeentelijke bestuurders hebben zelf dit probleem slechts schoorvoetend erkent, in de afgelopen jaren. Reeds enkele jaren geleden is vanuit ons komitee erop gewezen, dat de gemeente drie pijlers onder zijn beleid had, nl de onderwijsnota, de ekonomische nota en het plan, om mensen aan het werk te helpen. Wij zeiden; er ontbreekt een vierde pijler, nl de armoedebestrijding voor mensen die nooit meer kunnen of hoeven te werken. Pas na lang aandringen is er een armoedeconferentie gekomen, en werden maatregelen op stapel gezet om tot bestrijding van armoede over te gaan. En nu nog malen de molens langzaam. Pas dit voorjaar, dwz meer dan een jaar na de armoedeconferentie, komt er een ‘armoedenota’ waarin de belangrijkste maatregelen worden opgesomd. Snel en adequaat reageren op lokaal niveau is dit niet.

Piet van der Lende

Burgemeester Patijn op bezoek bij Bijstandsbond d.d 4 december 1996

1. Welkomstwoord met inleiding door Piet.
Het gaat al jaren bergafwaarts met de inkomensposi­tie van de minima. De meningen zijn verdeeld over de mate, waarin de armoede toeneemt. Alle onderzoekingen tonen echter aan, dat de mensen die langdurig op een minimum zijn aangewezen steeds armer worden. Nader onderzoek naar de positie van de minima is noodzakelijk. Onbegrijpelijk, dat het onderzoek, dat op de armoe­decon­ferentie is toegezegd, en waarvoor ook probleem­stellingen in het verslag van de armoedeconferentie zijn geformuleerd, nog niet plaatsvindt. Derge­lijke onder­zoekingen zouden in feite de basis van het beleid moeten zijn. Er wordt te weinig aan minimabeleid gedaan. Het gaat zowel op rijks-als gemeenteniveau om beperkte lapmiddelen, die geen structurele oplossing betekenen. Een voorbeeld is de uitbetaling van fl 50,- voor mensen met huursubsidie. De regeling is voor een beperkte groep en wat gebeurt hiermee volgend jaar?
Ook op het spreekuur van de Bijstandsbond wordt het steeds druk­ker; er komen steeds meer mensen in noodsituaties, die soms niet meer bij ons weg willen gaan voor er een oplossing is bereikt. De vrijwilligers bij de Bijstandsbond komen zo steeds meer onder druk te staan. Als dat zo doorgaat, komt er een tijd, dat we dit werk niet meer kunnen doen.
Veel mensen raken in een stress, omdat ze voelen, dat de basis van hun bestaan: eten, een bed en een dak boven je hoofd- begint te schuiven. Onze ervaring is, dat hulpverleningsin­stellingen in het algemeen en de sociale dienst in het bijzon­der totaal niet zijn gericht op het tijdig opvangen van men­sen, zodat ze niet terecht komen in een fatale spiraal naar beneden. Stopzetting van de uitkering in het kader van de nieuwe bijstandswet, omdat er is bijverdient of omdat de computer de nieuwe gegevens niet kan verwerken, of om andere redenen kan vaak moeilijk ongedaan worden gemaakt. Dit neemt vaak vele weken in beslag. Ook de tijd tussen het tijdstip van aanvraag van een uitkering en de defintieve beschikking neemt veel te veel tijd in beslag. Mensen met dreigende schulden, die hun huis kwijt dreigen te raken, worden niet op tijd gehol­pen. Een schrijnend voorbeeld is de brief, die wij u aan het eind van de discussie zullen aanbieden, van een meneer uit Amsterdam-Noord, die al een half jaar zonder gas en licht zit.
Hulpverleningsinstellingen zijn vaak moeilijk toegankelijk, of beperken zich alleen tot de afhandeling van een bepaald aspect van het probleem. Wat betreft het energiebedrijf en de woning­bouwverenigingen en andere huisbazen kan worden gesteld, dat zij zich zeer strak opstellen en dat zij vaak nauwelijks willen meewerken aan een oplossing. In Zuid-Oost proberen louche particuliere schuldbemiddelingsburo’s de mensen hele­maal uit te kleden. Een voorbeeld daarvan is Crecencia.
Uiteindelijk komen mensen in onoplosbare situaties terecht en kan huisuitzetting en dakloosheid volgen. Het gaat echter om het opolssen van problemen in een voorgaande fase, het pre­ventieve beleid. De gemeente moet in de eerste plaats bij het rijk sterker aandringen op maatrege­len, ook in de openbaar­heid, om verbeteringen tot stand te brengen. Meer reageren, bijvoorbeeld met de wet boeten en maatregelen. Protest laten horen. Vaak gaat het uitoefenen van invloed langs omwegen, bijvoorbeeld de VNG of DIVOSA. Dit neemt vaak veel tijd in beslag. Deze burokratische besluitvor­mingsprocedures moeten worden doorbro­ken. De gemeente moet meer aan de weg timmeren om de uitzichtloze positie van mensen op het minimum aan de orde te stellen.
Ook door de gemeente wordt gesteld, dat werk uiteindelijk de beste oplossing is om uit de armoede te komen. De werkloosheid blijft echter hoog, ondanks de invoering van de additionele arbeid. Voor velen is betaalde arbeid nooit meer weggelegd, zoals ouderen, arbeidsongeschikten en langdurig werklozen. De sociale dienst is hier in haar beleidsnota veel te positief over. Voor deze kategorie moet er een verbetering van het inkomen komen. Overigens geldt dit ook voor veel werkenden. Er zijn ook werkenden die langdurig aangewezen zijn op een mini­muminkomen. Een voorbeeld is de melkertregeling. Velen komen daardoor niet uit de financiële problemen, terwijl er geen kans op doorstroming bestaat. Daarnaast moeten er meer faciliteiten komen om zonder burokratische procedures vrijwilligerswerk te doen met een premie. De gemeente heeft in haar beleidsnota sociale zekerheid een eerste aanzet toe gemaakt, maar alles dreigt weer te verzanden in incidentele projekten die burok­ratisch zijn opgezet.

– een goed minimabeleid moet nu echt van de grond komen op basis van een gedegen onderzoek. Zie verslag armoedeconferen­tie en beleidsnota is verschillend.
– meer mogelijkheden om een HBO-opleiding te volgen
– automatische kwijtschelding gemeentelijke heffingen
– verbetering bijverdiensteregeling (herstel van de oude regeling)
– verruiming bijzondere bijstand naast de Amsterdam plus voor­ziening. Zie beleidsnota sociale zekerheid
– meer mogelijkheden voor uitkeringsgerechtigden om met vrij­stelling van sollicitatieplicht en een premie vrijwilligers­werk te doen (zie voorwaarden reaktie beleidsnota)
– Verbetering van de organisatie van de sociale dienst, waar­bij ambtenaren tijd hebben voor hun cliënten en uitkeringen niet te pas en te onpas worden stopgezet.
– Uitbreiding van de steun aan het noodfonds.
– Verbetering van de schuldhulpverlening; in zijn algemeenheid geldt, dat de samenwerking tussen instellingen moet verbete­ren.
– Arbeidsbemiddeling meer afstemmen op de wensen en mogelijk­heden van de cliënten. Mensen, die graag betaald werk willen, helpen en anderen die tijdelijk tevreden zijn met een uitke­ring en vrijwilligerswerk doen daartoe de mogelijkheden geven.

Gesprek van Komitee Amsterdam tegen Verarming met Cees Huls­man, gemeenteraadslid voor Groen Links, 10-04-1996 op het stadhuis

Wij stellen de vraag, of het waar is dat op de voorzieningen in de buurten zoals het sociaal-cultureel werk, de buurthuizen en de wijkopbouworganen in het nabije verleden drastisch bezuinigd is en of wij op de minimaconferentie aan de orde kunnen stellen, dat dit teruggedraaid moet worden, omdat de voorzieningen niet op peil blijven.

Cees antwoordt, dat de bevoegdheden van de centrale gemeente voor de uitgaven ten behoeve van welzijnsinstellingen tot nul zijn teruggebracht. Bij de instelling van de stadsdeelraden is destijds een eenmalig bedrag vastgesteld. Later is nog een poging gedaan, vast te stellen of dit bedrag wel juist was, door een poging te doen, de uitgaven van de stadsdeelraden te vergelijken met de uitgaven voor dit beleidsonderdeel bij zelfstandige gemeenten. Dit was moeilijk, omdat zelfstandige gemeenten meer zelfstandige taken hebben. Maar je kunt toch zeggen, dat gepoogd is, de verschillende taken zodanig uit te splitsen, dat een vergelijkbaar beeld ontstond. Het ging bij deze discussie overigens niet zozeer om het totale bedrag dat van de centrale gemeente komt, maar om de verdeling tussen de stadsdelen. Daarvoor zijn toen criteria bedacht. Er wonen zoveel allochtonen, zoveel minima, zoveel werklozen, zoveel ouderen, en daar zijn die en die voorzieningen voor nodig. Op basis van die criteria is een sleutel bedacht voor de verde­ling over de stadsdelen. Dat was in totaal dus niet een lager bedrag dan de gemeente uitgaf. Maar, zeiden de stadsdelen, jullie geven ons schoolgebouwen en zwembaden met achterstallig onderhoud, daar moet geld bij. Toen is het bedrag tijdelijk verhoogd met wat wel genoemd werd de “Etty-gelden”.

Er is eigenlijk vanuit de centrale stad niet rechtstreeks op welzijnsvoorzieningen bezuinigd wat het bedrag betreft, maar er is op twee andere fronten wel fors bezuinigd:
1. Tijdens het proces van decentralisatie zijn de bijdrage van de gemeente aan het onderwijs boven de rijksgelden die in totaal 80 miljoen bedroegen, drastisch teruggeschroefd. Er is 60 miljoen vanaf gegaan. De bijdrage is nu dus 20 miljoen. Het argument daarvoor was, dat het de bedoeling was, dat met die gelden iets extra’s gedaan werd, naast het gewone schoolpro­gramma, maar dat gebeurde nauwelijks, de scholen beschouwden het gewoon als een vaste inkomstenbron naast alle andere voor het reguliere schoolprogramma. De bestuurders vroegen zich af wat dan het effect van zo’n bijdrage zou zijn naast de gigan­tische rijksbijdragen die misschien wel in de miljarden loopt. In dit opzicht hebben de stadsdelen dus een bezuinigingstaak opgelegd gekregen. Maar ze waren/zijn vrij, om die bezuinigin­gen naar eigen goeddunken uit te voeren. Ze hoeven niet perse op onderwijs te bezuinigen. Sommige stadsdelen hebben de bezuinigingen gevonden door efficiency en effectiviteitsmaat­regelen. Andere stadsdelen zijn in diverse posten gaan snij­den: welzijnsvoorzieningen, straten, onderwijs.
2. Het decentralisatieproces naar de stadsdelen toe was ook een gigantische bezuinigingsoperatie op het ambtenarenapparaat naar de stadsdelen toe in de apparaatssfeer. Ook hier was het probleem, dat als de stadsdelen er niet in slaagden, te bezui­nigen op het apparaat, dat het dan bijvoorbeeld uit de vuil­nisophaal moest komen.
In het begin wilden de stadsdelen de buurtbewoners niet voor het hoofd stoten en is er relatief weinig bezuinigd op wel­zijnsvoorzieningen. Zo zijn er in het begin bijvoorbeeld kinderopvangvoorzieningen gerealiseerd. later werd dit minder omdat er bezuinigingstaakstellingen op de stadsdelen afkwamen. Een derde van het totale budget van de gemeente gaat naar de stadsdelen, dus als de gemeente een bezuinigingstaak­stelling vaststelt, moeten de stadsdelen die ook voor een derde dragen. In sommige stadsdelen is dus wel bezuinigd op sociaal-cultu­reel werk, in andere weer niet.
3. De stadsdelen zijn ook verantwoordelijk voor het maatschap­pelijk werk. Er is daar niet echt bezuinigd, maar aan de andere kant zijn allerlei noodzakelijke uitbreidingen ook niet uitgevoerd. Sommige stadsdelen zijn erin geslaagd de kwaliteit van de dienstverlening toch te verbeteren, door bijvoorbeeld ouderenzorg, maatschappelijk werk, sociaal raadslieden etc. onder te brengen in een voorziening. Dan kun je besparen op de overheadkosten, omdat al die clubs niet volledig zelfstandig zijn maar bij elkaar in een gebouw zitten.

Groen Links gaat een armoedenota uitbrengen, waarin wordt gevraagd, het maatschappelijk werk weer op peil te brengen. Het maatschappelijk werk, dus de stadsdelen, hebben een be­langrijke taak in de budgettering en de schuldhulpverlening, waarbij contracten zijn afgesloten met Crediam, dat zij de onderhandelingen met de schuldeisers doen, en het maatschappe­lijk werk de verdere hulpverlening, in samenwerking met het STIB.

Wij stellen de vraag, of niet kan worden gezegd, dat allerlei grootschalige projekten, zoals de Noord-Zuid lijn van de metro betekenen, dat er minder geld is voor de minima, of dat de gemeentelijke lasten omhoog moeten. Uit de nota “Amsterdam naar 2000” dat de basis was voor de onderhandelingen over de VINEX-akkoorden bleek, dat de financieringsstruktuur voor die grote projecten gebrekkig was, en dat er bezuinigd moest worden in de reguliere begroting om alles rond te krijgen. Naast de grote rijksbijdragen werd immers ook een substantiële bijdrage van de gemeente Amsterdam gevraagd. Er is, luidt dan de conclusie, geen geld voor de minima, er komen nieuwe bezui­nigingen op ons af.
Cees is het niet eens met deze redenering. Bij de planning van de aanleg van Nieuw-Oost is een afweging gemaakt van de kosten en baten. Dit project wordt geheel gefinancierd uit de verkoop van de kabel. De woningbouwverenigingen waren aandeelhouder van de kabel, en zij gebruiken het geld om te bouwen in Nieuw Oost. Dit heeft verschillende voordelen. Er ontstaat een wijk, waar mensen willen wonen, die anders zouden wegtrekken uit de stad. Deze rijkeren kunnen ook een bijdrage leveren aan de gemeentefinanciën, en bovendien is het zo, dat daardoor het inwonertal van de gemeente weer wat groter wordt en dus de bijdrage uit het gemeentefonds. Zo is een afweging gemaakt van wat levert het op en wat kost het. Er zijn nog andere voorde­len. Als de mensen die in Amsterdam werken hier ook blijven wonen, heeft dat consequenties voor de reisafstanden, het gebruik van de auto. Mensen wonen dan niet buiten de stad.
Wat betreft de Noord-Zuid lijn wordt een 5 procentsbijdrage gevraagd van de gemeente Amsterdam. Dat betekent op een begro­ting van een miljard ongeveer 50 miljoen. Daarvoor is in de gemeentebegroting wel ruimte te vinden door geld te lenen, waarbij je aan rente en aflossing jaarlijks 6 of 7 miljoen moet betalen, gespreid over een groot aantal jaren. Je kunt op dit moment zeggen, dat door de drastische bezuinigingen met name op het ambtenarenapparaat, die hiervoor werden genoemd, de gemeente aardig financieel rond komt en dat er voor nieuw beleid jaarlijks toch wel zo’n 10 tot 20 miljoen beschikbaar komt, het ene jaar wat meer, het andere jaar wat minder.

Wij brengen naar voren, dat de rijksbijdrage aan het gemeente­fonds toch drastisch wordt teruggeschroefd. Ook dit heeft volgens Cees voor Amsterdam weinig consequenties, want er vindt tegelijkertijd een verschuiving in de verdeling van de gelden plaats, waardoor Amsterdam veel meer geld krijgt en andere gemeenten minder, zoals Amstelveen. Het rijk zegt, als jullie die bezuinigingen willen opvangen, dan moeten jullie de onroerend goed belasting maar verhogen op de duurdere huizen van de mensen met hogere inkomens.

Wij zeggen dat dan hierop doorredenerend onze bijdrage aan het minimadebat niet zou moeten zijn, er wordt ontzettend veel bezuinigd, er is nergens geld voor, alles wordt minder, we zijn tegen al die bezuinigingen, maar er is nu ruimte in de gemeentelijke begroting voor een anti-armoedebeleid, Amsterdam doe er wat mee. Cees is het daarmee eens. We moeten erop letten dat we niet links gepasseerd worden door De Grave. Die heeft al gezegd, dat er meer mogelijkheden komen voor kwijt­schelding van gemeentelijke heffingen. Groen Links is ten eerste voorstander van een daluren kaart op de tram, die je kunt kopen met de stadspas. Dan zou je pas wat aan die pas heb­ben. Bovendien zou de maatregel kunnen worden genomen, dat mensen in de bijstand automatisch kwijtschelding krijgen van gemeentelijke heffingen.
Verder zouden wij op de conferentie aan de orde kunnen stel­len: de stadsdelen moeten voor goede voorzieningen zorgen, en voor een goede schuldhulpverlening. Loopt dat wel goed? We zouden kritiek daarop naar voren kunnen brengen en daarmee de relatie stadsdelen-centrale stad, of er wel genoeg geld voor komt. Bovendien wat die voorzieningen op bijvoorbeeld sociaal-cultureel terrein betreft: de gemeentelijke sociale dienst en de wethouder zitten op de lijn van de sociale activering mensen moeten gestimuleerd worden om betaald dan wel onbetaald werk te doen, cursussen te volgen, etc. Wat je daar verder ook van vindt, zijn er in de buurten wel genoeg voorzieningen, om voor en door al die mensen activiteiten op touw te zetten? Over dit thema gaat Matrix binnenkort een conferentie organi­seren.

Wij stellen de vrijstelling van de sollicitatieplicht en de onkostenvergoedingen voor vrijwilligers aan de orde. De ge­meen­teraad heeft uitdrukkelijk vastgesteld, dat deze vergoe­dingen voor veel vrijwilligers zoals langdurig werklozen moeten gelden, dit is door het CDA en Groen Links in de dis­cussie aan de orde gesteld, maar niet verder in de officiële stukken vastgelegd; het mag dus niet alleen gelden voor vrij­willigers, die dit werk doen in het kader van een traject dat toeleidt naar de arbeidsmarkt. Als dit door de sociale dienst te eng wordt geïnterpreteerd zouden we dit in de vorm van een raads­adres aan de orde kunnen stellen. Dan volgt er een dis­cussie over in de gemeenteraad.

We stellen aan de orde, dat vergoeding van duurzame gebruiks­goederen uit de bijzondere bijstand nu niet mogelijk is, Cees vraagt, of wij dan een vergoeding willen of leenbijstand, waarvoor geen rente hoeft te worden betaald. Wij zeggen, dat bijvoorbeeld iemand op een minimum wier wasmachine na 5 jaar versleten is, een vergoeding moet krijgen uit de bijzondere bijstand om een nieuwe aan te schaffen. We discussiëren verder over het declaratiefonds, zoals dat in Dordrecht is ingevoerd. Zien wij iets in een dergelijk fonds voor vergoeding van kosten van het maatschap­pelijk verkeer ten bedrage van 100 tot 200 gulden per jaar bijvoor­beeld naast de stadspas? Wij wel.

Verder onderzoekt Groen Links of er categoriale toepassingen van de bijzondere bijstand mogelijk zijn, dat mag nu, Groen Links denkt aan ouders met middelbare scholieren. Weten wij nog andere groepen?
Een maatregel, om mensen die langer dan een bepaalde periode in de bijstand zitten categoriaal een extra bijdrage te geven wordt niet overwo­gen. Ine zegt, dat de balansuitkering in Rotterdam ook mislukt is, omdat de criteria zo streng waren, dat slechts drie mensen ervoor in aanmerking kwamen.
Wel overweegt Groen Links om de draagkrachtberekeningen voor de bijzondere bijstand aan de orde te stellen, en dan bijvoor­beeld dit voor mensen die langer in de bijstand zitten soepe­ler uit te voeren. Of bijvoorbeeld ook voor mensen, die iets boven het minimum zitten. Dit verlaagt de armoedeval.

We discussiëren verder over de koudetoeslag. Cees zegt, dat daarover pas iets aan het eind van het jaar bekend is, als de rekeningen van het energiebedrijf komen. Wij zeggen, dat die rekeningen bij iedereen op een verschillend moment komen. Het hangt er maar vanaf, wanneer je in de woning bent gekomen, de datum waarop het energiebedrijf begint te tellen met 12 ter­mijnen. Dat is bij iedereen verschillend en niet altijd aan het einde van het jaar, er zijn nu al mensen die hoge rekenin­gen krijgen. Cees zegt, dat hij graag voorbeelden van rekenin­gen van mensen zou zien, er zijn wel allerlei gemiddelden en schattingen daarvan gemaakt, maar concrete voorbeelden zijn belangrijk.

In de MUG heeft een artikel gestaan over het Dordrechtse model bij tandartskosten. Cees overweegt, dit in Amsterdam ook voor te stellen.

Natuurlijk komt de bijverdienregeling weer aan de orde. Wij hebben daarover gezegd, dat men bij de helpdesk nABW ook ten aan­zien van de categoriale groepen, dus bijstandsvrouwen met kinderen jonger dan 12 jaar, en gedeeltelijk arbeidsongeschik­ten zegt, dat het individueel beoordeeld wordt, en dat er geen generieke regeling is waarop je een beroep kunt doen. Cees is het met deze regeling eigenlijk helemaal niet eens, maar als hij er toch is, moet het uitdrukkelijk alleen beoordeeld worden ten aanzien van: is iemand wel geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt, en heeft een bijstandsvrouw wel zoveel zorgen aan de kinderen, dat ze er niet volledig bij kan wer­ken. Als het antwoord ja luidt, moet de premieregeling zonder meer worden toegepast. Als dit toch niet zo is, zouden we dit in de vorm van een raadsadres aan de orde kunnen stellen.
Het is een beetje mistig, omdat Bea Erik in de gemeenteraad op de valreep van de discussie nog een motie heeft ingediend, waarbij de bijverdienregeling werd uitgebreid voor bijstands­vrouwen met kinderen tot 12 jaar, indien de kinderen veel verzorging vergen. Komt dat eigenlijk wel in de verordening? Verder punten zijn de uitkering aan jongeren, die omhoog moeten, de verhuiskostenregeling voor ouderen.

Wij stellen aan de orde, dat er moeilijkheden zijn met de verhuiskostenvergoeding voor gehandicapten, in het kader van de WVG, die verhuizen van een niet- aangepaste woning naar een aangepaste. Deze verhuiskosten worden soms niet vergoed, omdat men het geen vergoeding vindt voor ergonomische aanpassingen in het huis. De verhuiskosten vallen daarbuiten. Cees zal de aansluiting van bijzondere bijstand en WVG op dit punt nader onderzoeken.
Tenslotte: de kwijtscheldingsnorm moet naar 100% en dit zal ook wel gebeuren.
Wij brengen nog naar voren, dat we een wetenschappelijk onder­zoek willen naar de omvang van de armoede in Amsterdam. Cees zegt, dat dit ook door de SP aan de orde is gesteld, en dat dit ook uitstekend past binnen de armoedenota van Melkert, omdat daar wordt geconstateerd, dat er over de armoede veel onbekend is.

PvdL 10-04-1996