De werklozencomite’s en de stakingen om de prijscompensatie

Hoofdstuk 3 boek ‘Werklozen in aktie’, de geschiedenis van de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, 1974-1992

In het voorgaande heb ik trachten aan te geven, dat in het voorjaar van 1976 bij de diskussies over de loonmaatregelen en de bezuinigingen bij de overheid de kwestie van de automatische prijscompensatie centraal stond. De werkgevers hadden in het voorjaar van 1976 bij de presentatie van hun rapport “Perspectief ’80” laten weten, dat ze de automatische prijs- compensatie wilden afschaffen. De leiding van het FNV had in het voorjaar geprobeerd, loonmatiging bij de achterban geaccepteerd te krijgen, maar dit was afgewezen. De werklozencomité’s leverden een bijdrage aan de oppositie tegen de voorstellen van de FNV-leiding en de bezuinigingen van het kabinet den Uyl. In het najaar van 1976 kwamen er weer onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden voor 1977, na het aflopen van de loonmaatregel voor de tweede helft van 1976.1 Op 22 november 1976 ging de achterban van de FNV akkoord met de voorstellen, die namens de vakcentrale aan de werkgevers moesten worden gedaan. De FNV wilde een herstel van de volledige automatische prijscompensatie (dat wil zeggen: een geschoonde prijscompensatie, waarbij oa geen rekening zou worden gehouden met de prijsverhogende invloed van BTW-verhogingen). Verder zou gewerkt moeten worden aan een geringe reële loonsverbete- ring. Al met al betekende het per 1 januari 1977 een loonsverhoging van 4,5% en per 1 juli 1976 een verhoging van 3,8%. De werkgevers brachten hun bod enkele dagen na de FNV naar buiten. Zij weigerden nog langer mee te werken aan een automatische prijscompensatie. Ze wilden 2,5% per 1 januari en 2% per 1 juli. Dan zou over het hele jaar gerekend de stijging van de lonen uitkomen op 3,5%.2

De FNV stelde in een reactie dat de automatische prijscompensatie er in ieder geval moest komen. De onderhandelingen op centraal niveau mislukten. Het woord was nu aan de onderhandelaars in de bedrijfstakken, zoals de metaal, de bouw en de voedingsmiddelen industrie. Maar ook daar weigerden de werkgevers in de cao-onderhandelingen toe te geven aan de eis van een automatische prijscompensatie. Op 10 januari 1977 deelde Wim Kok mee, dat de FNV zich gereed maakte om aktie te gaan voeren en dat een aktiecentrum zou worden ingericht. Op maandag 7 februari begonnen de stakingen. Er werd gestaakt in de havens van Rotterdam en Amsterdam, in de bouw en een aantal industriële bedrijven en woensdag werden de stakingen uitgebreid.3 Volgens de FNV waren er op die dag 35.000 stakers; de werkgevers kwamen uiteraard tot lagere getallen. Op woensdagavond nodigden de werkgevers, met name van Veen, FNV-voor- zitter Kok uit, nog eens te komen praten. De werkgevers waren nu bereid te komen tot een “overgangsregeling”. Zij wilden over 1977 de prijscompensatie in principe betalen, maar wel binnen bepaalde grenzen, en er zou op nieuw gepraat moeten worden over volgende jaren. Daarbij zou gewerkt moeten worden aan een zogenaamde “mitsformule”, automatische prijscompensatie mits de ekonomische ontwikkelingen zouden meevallen. Donderdagmiddag 10 februari kwamen de onderhandelaars weer bij elkaar. De stakingen duurden ondertussen voort. En zondag waren ze eruit. Uit het zogenaamde Haagse Protocol, zoals de overeenkomst tussen vakbeweging en werkgevers genoemd werd: “verklaren werkgeversorganisaties zich bereid mee te gaan met de voortzetting van het huidige systeem van prijscompensatie voor 1977, mits tussen beide partijen een sluitende formule kan worden afgesproken om bij tegenvallende ontwikkelingen de gevolgen samen of met behulp van de overheid op te vangen”.

En om de zinsnede “met behulp van de overheid” ging het. Terwijl de stakingen in volle gang waren, had de regering al enkele malen laten weten, dat er meevallers waren in de sociale fondsen waaruit de werkloosheids en arbeidsongeschiktheids uitkeringen werden betaald. Minister Boersma schreef in een brief aan de Tweede Kamer, dat er in de kassen van de sociale fondsen een meevaller was ontdekt die doorgerekend tot 1980 in de buurt van de 13,4 miljard kwam.4 De werkgevers eisten nu, dat tegenover de inwilliging van de eis van de automatische prijscompensatie zou staan, dat er uit die meevaller een premieverlichting voor de werkgevers zou komen, zodat voor hen de totale loonsom niet teveel zou stijgen. De vakbeweging stelde zich in eerste instantie op het standpunt, dat de premies niet mochten terugvloeien naar het bedrijfsleven. Zij moesten gebruikt worden om eerder door de regering aangekondigde bezuinigingsmaatregelen te niet te doen.5 De FNV-onderhandelaars Kok en Spit gingen uiteindelijk toch akkoord met de eisen van de werkgevers. Werkgeversonder- handelaar van Veen zou hebben gezegd: ” Het doet de vakbeweging nu nog pijn, dat ze akkoord is gegaan met dat terugsluizen van de sociale premies. Ze zijn op dit punt van hun geloof afgevallen”.6

reakties werklozencomité’s

Hoe reageerden de werklozencomité’s op deze ontwikkeling? Tijdens de stakingen werd er een nieuwe aktiekrant gemaakt, die op grote schaal werd verspreid.7 Werklozen solidair met stakers” kopte de krant. Die solidariteit kreeg blijkens de verslagen in de krant vorm doordat werklozen op arbeidsbureau’s en uitkeringskantoren solidariteitslijsten lieten tekenen. Op aktiebijeenkomsten van de stakers werden de resultaten van de steunlijsten overhandigd door delegaties van werklozen. Verder namen de comité’s kontakt op met de afdelingen van de vakbonden, om hun diensten aan te bieden. “Werklozen kunnen manifesten, en folders verspreiden op plaatsen en tijdstippen waarop de werkenden of de stakers zelf moeilijk beschikbaar kunnen zijn”.8 De aktiekrant liet weten, dat er geen enkele twijfel hoefde te bestaan over het standpunt van de werklozen: zij stonden achter de stakers. Op donderdagmiddag 27 januari, dus vlak voor het begin van de stakingen, belegde het AWC een bijeenkomst in hotel de Roode Leeuw. Verschillende sprekers eisten een volledige prijscom- pensatie voor werkenden en werklozen, terwijl verder kritiek werd geleverd op allerlei verslechteringen en nieuwe bezuinigingen die op stapel leken te staan, zoals verlaging van de WAO-uitkeringen en van de uitkeringen voor thuiswonende jongeren. Aan het slot van de bijeenkomst werd een groep gevormd die verschillende initiatieven zou ontwikkelen ter ondersteuning van de vakbondsakties. De eisen van het AWC op deze avond werden ondersteund door de verschillende werklozenprojecten in de stad, zoals Het Borgercentrum, Meervaart en Het Vuurschip. Ook het buurthuis “De Kolenkit” steunde de aktie.9

sociale fondsen

De aktiekrant werklozen had verder kritiek op de standpunten van minister Boersma. Men protesteerde tegen het feit, dat de minister juist nu, tijdens de stakingen met mededelingen over meevallers bij de sociale fondsen kwam, en dat hij dit geld wilde gebruiken om werkgevers en werknemers dichter bij elkaar te brengen door het geld in te zetten voor de handhaving van de automatische prijscompensatie. De comité’s waren erop tegen, dat de meevallers gebruikt zouden worden om de prijscompensatie af te kopen. “Als de prijscompensatie moet worden afgekocht met een loontoeslag, gefinancierd uit de premiefondsen van de werknemers, dan krijgen we koopkrachtverbetering uit eigen zak en de ondernemers blijven buiten schot. “Een sigaar uit eigen doos” noemen ze dat”.10 De aktiekrant was tijdens de stakingen nog optimistisch over het standpunt van de FNV-leiding: ” Gelukkig is ook de vakbeweging, zoals uit een eerste reactie van Wim Kok op de TV bleek, niet bereid om mee te werken aan dit spelletje”. De werklozencomité’s hadden een andere bestemming voor de meevallers in de sociale fondsen: de uitkeringen van de groeiende groep langdurig werklozen moesten verbeterd worden. Verlenging van de uitkeringstermijnen van WWV en WW was immers de eis van de werklozencomité’s en de vakbeweging. “In geen geval mag zo’n miljoenenpotje toegeschoven worden aan de ondernemers”. Prijscompensatie en verhoging van de werkloos- heidsuitkeringen moesten volgens de comité’s tegelijkertijd gerealiseerd worden. Zonder prijscompensatie raakten de uitkeringen snel achterop. Daarom hadden werkenden en werklozen gezamenlijke belangen. De aktiekrant konstateerde, dat terwijl in Nederland het ene bedrijf na het andere zijn poorten sloot, de banken en de grote concerns waren overgegaan tot grote investeringen in het buitenland. “Daar bleef het geld, daarvoor moesten de lonen gedrukt worden, daarvoor waren de miljoenen subsidies aan het bedrijfsleven via de 1% operatie nodig. Niet de lonen, prijscompensatie en uitkeringen moeten aan banden maar de kapitaalexport”. De comité’s moeten teleurgesteld zijn geweest over het uiteindelijke standpunt van de FNV-leiding.

Dit standpunt werd echter ook door de achterban van werkenden niet zonder meer overgenomen. Na het centrale akkoord tussen werkgevers en werknemers bleven de stakingen in de bedrijven voortduren. Er was weliswaar een centrale overeenkomst, maar er moest op bedrijfstakniveau door de bonden toch nog een FNV-eis binnengehaald worden, nl een loonsverbetering van 2%. Het ging daarbij echter voornamelijk om een extra loonsverhoging naast de prijscompensatie, niet in de eerste plaats om het feit, dat de prijscompensatie gedeeltelijk betaald werd uit de sociale fondsen. Vlak na de stakingen werd een nieuwe werklozen aktiekrant verspreid. In de krant werd gekonstateerd, dat de stakingen met resultaten werden afgesloten. De prijscompensatie in de lonen en uitkeringen bleef gehandhaafd. “De strijd van de werkenden voor behoud van verbetering van de lonen is ook voor de werklozen van onmiddellijk belang. Bijna alle uitkeringen zijn gekoppeld aan de lonen en zonder de prijscompensatie zouden de uitkeringen nog sneller achterop raken bij de prijsstijgingen”. Maar er werd ook weer kritiek geleverd op de gang van zaken met de sociale fondsen. Terwijl de regering besloot, de WAO-uitkering stapsgewijs te verlagen van 80% naar 75% werden de premies voor de werkgevers verlaagd. De WAO- premie ging met 1,2% omlaag en de werkgeverspremie ziektewet ging met 0,3% omlaag. De aktiekrant wees er nog eens op, dat het geld gebruikt moest worden om de uitkeringen te verhogen en niet te verlagen.

Wanneer je de kranten uit die tijd erop naslaat, valt op, dat de resultaten van de stakingen werden gezien als een overwinning van de vakbeweging.11 De vakbonden hadden, ook in een tijd van grote werkloosheid een vuist kunnen maken, zo was de teneur, en de werkgevers moesten toegeven. Het inwilligen van de vakbondseisen betekende echter voor de werkgevers niet of nauwelijks een stijging van de loonsom, en bovendien was de vakbeweging ermee akkoord gegaan, dat op de automatische prijscompensatie voor de jaren na 1977 nog gestudeerd zou worden. Achteraf lijken de stakingen minder succesvol te zijn geweest dan veel mensen in die tijd dachten. Het feit, dat de sociale fondsen werden gebruikt als compensatie voor de werkgevers speelde in de commentaren van de kranten uit die tijd nauwelijks een rol.

Naar duurzamer organisatievormen.

öIn de winter van 1976/1977 deed zich in de werklozenbeweging een belangrijke ontwikkeling voor. Tot nu toe was er vooral sprake geweest van personencomité’s, die onder invloed stonden van de CPN. Comité’s verdwenen even snel als ze kwamen. Alleen in plaatsen, waar men over een eigen ruimte beschikte was er enige continuïteit in de akties. in het voorjaar van 1977 kwam vanuit de CPN het voorstel, Werklozen Belangen Verenigingen op te richten. In maart 1977, meldde de aktie krant werklozen dat op een bijeenkomst in het aktiecentrum van het werklozencomité in Sneek werd besloten tot oprichting van zo’n Werklozen Belangen Vereniging.12 De vereniging startte met 70 leden. In de volgende aktiekrant bleek, dat ook in andere plaatsen belangenverenigingen werden opgericht.(Amsterdam, Delft, Munnekezijl, Groningen, Utrecht, Alkmaar)13 In de krant werd uitgebreid ingegaan op de overwegingen, die tot de oprichting van verenigingen hadden geleid. Bij de oprichting van de Werklozencomité’s leefde bij velen de illusie, dat de werkloosheid van korte duur zou zijn en dat door kortstondige, hevige akties verslechteringen konden worden tegengehouden. Maar de werkloosheid bleef stijgen; zo konstateerden de oprichters van de belangenvereniging in Sneek, dat bij Werkspoor en Philips-vestigingen in die plaats nieuwe ontslagen dreigden. En de overheid ging maatregelen voorbereiden die een afkalving betekenden van de rechtspositie van werklozen en van hun inkomen. In plaats van de personencomité’s, die soms een kortstondig bestaan hadden geleid en die alleen gedurende een bepaalde aktie bestonden, wilde men daarom belangenverenigingen oprichten. Deze meer duurzame organisatievorm zou een beter gekoordineerd en langdurig verzet tegen de verslechteringen mogelijk maken in een tijd, waarin de werkloosheid struktureel was geworden; zo was het, dachten de oprichters van de verenigingen, mogelijk ook op langere termijn aktie te voeren om de belangen van werklozen te verdedigen. Men wilde verenigingen met gekozen besturen en leden die contributie betaalden. Verder wilde men werkplannen maken, om zo gericht voor de belangen van werklozen te kunnen opkomen. Op de eerste algemene ledenvergadering van de verschillende verenigingen werd een nieuw bestuur gekozen en werden de statuten, huishoudelijk reglement en werkplannen goedgekeurd. De oprichters van de belangenverenigingen wilden echter niet alleen een duurzamere organisatievorm maar ook een meer demokratische: “een duidelijke, open organisatievorm bleek vereist, waarin werklozen niet alleen recht hebben op informatie over de werkzaamheden van de organisatie, maar ook rechten- duidelijk omschreven- om mee te beslissen over de werkzaamheden, die moeten worden aangepakt”.14 Een overweging, die ook een rol kan hebben gespeeld is, dat de samenwerking tussen de grote vakbonden en de aktiecomité’s nog steeds moeizaam verliep. Er waren lokaal wel allerlei samenwerkingsverbanden tot stand gekomen, en we zagen, dat in de schoolverlaterscomit‚’s het NVV JC samenwerkte met de werklozencomité’s, maar een eigen plaats hadden de uitkeringsgerechtigden binnen de grote vakbonden niet. Het zou nog enige tijd duren, voor er een secretariaat uitkeringsgerechtigden in de FNV kwam, en uitkeringsgerechtigden konden nog steeds niet in die hoedanigheid lid worden van een vakbond. De meer duurzame organisatievorm van belangenverenigingen en daarmee een relatief zelfstandige positie buiten de vakbeweging, zou wellicht de mogelijkheid bieden, meer druk uit te oefenen op de grote vakbonden, meer voor uitkeringsgerechtigden te doen.

Wel bleven ook de nieuwe Werklozen Belangen Verenigingen streven naar samenwerking met het FNV; in de statuten van de WBVA staat nog steeds, dat de vereniging streeft naar aansluiting bij het FNV. Het voorlopig bestuur van de Werklozen belangen Vereniging Sneek nam vrij snel na de oprichtingsbijeenkomst kontakt op met de plaatselijke afdeling van het NVV. Men voerde een uitgebreid gesprek met elkaar en een van de resultaten daarvan was, dat er op 29 april 1977 een gezamenlijke bijeenkomst werd belegd, waar plannen werden besproken om gezamenlijk voorstellen te ontwikkelen voor het verbeteren van de werkgelegenheid in het noorden. De Werklozen Belangen Verenigingen gingen zich vanaf hun oprichting intensief bezig houden met lokale problemen bij de sociale diensten. Zo overhandigde de WBV Groningen kort na haar oprichting een pakket eisen aan de wethouder van sociale zaken T. Wits, die betrekking hadden op de lange wachttijden bij de sociale dienst voordat definitief een RWW-uitkering werd toegekend en de belabberde voorschottenregeling, waarbij mensen soms maandenlang op een veel te laag voorschot moesten leven.15

De Amsterdamse situatie

In Amsterdam vond de oprichting van de Werklozen Belangen Vereniging plaats op 6 april 1977.16 Het AWC ging over in de WBVA. Bert Holvast, de kandidaat-voorzitter van de WBVA, hield tijdens de vergadering, waar ongeveer 50 mensen aanwezig waren, een toespraak, waarin de werkzaamheden van het AWC werden geëvalueerd.17 Hij constateerde, dat het AWC talrijke successen had geboekt in de directe belangenbehartiging middels het advieswerk voor mensen met uitkeringsmoeilijkheden. Volgens Holvast werden aanvallen op de positie van werklozen, zoals aantasting van het dagloon en sluipende ondergraving van het recht op passende arbeid, tegen gehouden. Verder werden de eisen “verlenging van de WWV uitkering” en “geen werklozen naar de bijstand” zeer bekend en stelde de vakbeweging zich daarachter. Bovendien had het AWC grote bekendheid gekregen door aktiviteiten bij het arbeidsbureau en uitkeringskantoren. Holvast noemde ook de overwegingen, die bij andere comité’s tot de oprichting van een belangenvereniging hadden geleid. De werkloosheid bleef toenemen. En daarbij nam ook het aantal langdurig werklozen toe. Dit maakte een duurzamere organisatievorm noodzakelijk. Maar: “in welke vorm de belangenstrijd van werklozen ook gevoerd wordt, de eis “recht op werk” blijft de centrale eis. Zonder werk zijn is een bedreiging van het hele bestaan”. Holvast noemde ook de loondrukkende werking van de grote werkloosheid: Een onderzoek van wetenschappers van het Instituut voor Arbeidsvraagstukken in Tilburg (IVA) had aangetoond, dat 50% van de werklozen die werk vonden was gaan werken tegen slechtere voorwaarden dan in de vorige baan. “Een cijfer, dat aangeeft in welke grote mate werkloos zijn voor velen een gedwongen tussenstap is naar een slechtere baan. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de werkloze zelf. Dit heeft zijn uitwerking op het loonpeil van de hele werkende klasse, die vergelijkbaar is met het legen van de ene emmer koud water na de andere in een warm bad. Het loonpeil gaat gestaag omlaag”. Het onderzoek van de IVA gaf ook aan, dat er niets waar was van de “spookverhalen” dat werklozen te hoge eisen zouden stellen. Holvast wilde ook een demokratischer organisatievorm: het AWC was enige tijd geleden begonnen met zogenaamde contactkaarten. Deze kaarten gaven recht op alle informatie van het comité en moesten een zekere (financiële) binding geven tussen vele werklozen en het comité. “Gebleken is dat de werklozen dit kaartensysteem als onaf ervoeren. Een duidelijke, open organisatievorm bleek vereist, waarin werklozen niet alleen recht hebben op informatie over de werkzaamheden van de organisatie, maar ook rechten, duidelijk omschreven, om mee te beslissen over de werkzaamheden, die moeten worden aangepakt”. Holvast stelde een voorlopig bestuur voor, dat de eerste algemene ledenvergadering zou moeten voorbereiden. Als leden stelde hij voor: B. Holvast, voorzitter, Mej. L Vos-de Wael, sekretaris, D Swart, penningmeester, B. Olie en mevr. J van Groenestijn.

een konferentie

Na de akties tegen de afschaffing van de prijscompensatie in februari 1977 en vlak voor de oprichting van de Werklozen Belangen Vereniging organiseerde het AWC in Amsterdam een konferentie, die bedoeld was om de positie van de werklozen bij een oplopende werkloosheid en steeds verdergaande overheidsbezuinigingen nader te analyseren. De konferentie had ongeveer 150 deelnemers en werd op 26 februari 1977 gehouden in het trefcentrum in de Lutmastraat. Naar aanleiding van de konferentie werd een ongeveer 200 bladzijden tellende “werk- map” samengesteld, in samenwerking met Ben Bugter van de projectgroep arbeidsmarktbeleid van het sociologisch instituut van de Universiteit van Amsterdam. Centraal in de werkmap stond het begrip passende arbeid, en daarmee de onderlinge verhouding tussen werkenden en werklozen. Men ging ervan uit, dat de werkloosheid een loondrukkende werking had en dat werkgevers en overheid de grote werkloosheid zouden gebruiken om zowel te bezuinigen op de uitkeringen als op de lonen, waarbij werklozen zouden worden gedwongen werk aan te nemen beneden hun opleidingsniveau en tegen slechtere arbeidsvoor- waarden. Uitgebreid werd in dit kader ingegaan op hoe de arbeidsbemiddeling funktioneerde, welke de rol was van het arbeidsbureau en wat haar relaties waren met het bedrijfsleven. De conclusie van de konferentie was, dat het arbeidsbureau een verlengstuk was van de werkgever, die via het arbeidsbureau beschikte over een gratis selectieproces, waarin mensen werden uitgekozen die aan zijn wensen voldeden.18 Daarnaast werd op de konferentie ingegaan op het misbruik van sociale voorzieningen door werkgevers en overheid, waarbij de WAO, de sociale werkplaats, de zakgeldpraktijken met het leerlingstelsel, werktijdverkorting, het uitzendwezen en de werk- verschaffing middels werklozenpools de revue passeerden. Verder werd in de map ingegaan op de specifieke problemen van de arbeidsbemiddeling in sommige sectoren, zoals de bouw, de scheepsbouw het welzijnswerk, de gezondheidszorg en het onderwijs. Tenslotte kwamen de specifieke posities van vrouwen, jongeren en buitenlandse arbeiders aan de orde. De konferentie van het AWC had nadrukkelijk als doelstelling,” het formuleren van aktiepunten op een aantal terreinen in samenwerking met organisaties en groeperingen, die met ons strijd voeren voor recht op werk en recht op passende arbeid”. Ook de konferentiemap was het resultaat van samenwerking met verschillende organisaties, zoals de ABVA, De Bouwbond NVV en de CPN. Uit de inleiding van de konferentiemap blijkt, dat de studie vooral ook was bedoeld om een tegenwicht te bieden aan alge- meen heersende opvattingen over werkloosheid en werklozen. Arbeidsbureau en uitzendbureau’s wekten in hun reclamecampagnes de indruk, dat ze banen genoeg in de aanbieding hadden; het AWC postte dagelijks bij het arbeidsbureau en had daardoor heel wat inzicht verkregen in het funktioneren van die organisatie. Men betwijfelde, of er in de “vacaturebank” van het arbeidsbureau wel zoveel reëele vacatures zaten. men wilde middels de konferentie invloed uitoefenen op de beeldvorming over werklozen. Ook toen al verschenen er voortdurend verhalen in de pers over misbruik van sociale voorzieningen door uitkeringsgerechtigden. De aktivisten die de konferentie organiseerden wilden dit recht zetten door nu eens aandacht te besteden aan het misbruik van wetten en voorzieningen door werkgevers.

Enkele conclusies uit de werkmap

Uitgebreid werd in de map ingegaan op de functie van het arbeidsbureau. Het arbeidsbureau probeerde een neutraal bemiddelings- en arbitragebureau te zijn tussen vraag en aanbod van werk. In feite werd daarbij uitgegaan van twee gelijke partners op een vrije arbeidsmarkt. De praktijk was echter anders. De werkzoekende was verplicht “passende arbeid” te aanvaarden op straffe van intrekking van zijn uitkering. De werkgever was vrij om mensen aan te nemen of af te wijzen. Tegenover de werknemers had het arbeidsbureau sanctie middelen, tegenover werkgevers niet. Had een werkzoekende t.a.v. de juiste werkgever of de juiste arbeidsplaats bepaalde verwachtingen of stelde hij bepaalde voorwaarden dan heette dat al snel “minder geschikt” of “irreëel”. In het eerste hoofdstuk werd de procedure van de inschrijving bij het arbeidsbureau beschreven. Gekonkludeerd werd, dat de voorlichting van het arbeidsbureau over de inschrijvingsprocedures gebrekkig was en dat er sprake van zeer lange wachttijden. De werkloze kreeg een stamkaart en werd ingedeeld in een van de categorieën Niet reëel aanbod (NRA), niet bemiddelbaar (NB), minder geschikt (MG) of voor de meer gelukkigen-bemiddelbaar. De werkloze moest regelmatig terugkomen voor een nieuw stempel. Iemand die bemiddelbaar was moest soms meerdere malen per week terugkomen. Hoe vaak je moest terugkomen was afhankelijk van het oordeel van de ambtenaar die de inschrijving verzorgde. Het aantal werklozen begon eind jaren zeventig enorm te groeien. Tegelijkertijd werd het personeelsbestand van het arbeidsbureau nauwelijks uitgebreid. Dit had tot gevolg, dat door gebrek aan voldoende menskracht er minder aandacht besteed kon worden aan elke individuele werkloze. De “moeilijke gevallen” werden zo als vanzelf naar achteren geschoven. En ook toen al begon het gemanipuleer met werkloosheidscijfers: degenen, die werden ingedeeld in de kategorie Niet reeel aanbod, vanwege afwijkend gedrag, irreeële eisen, ongebruikelijke werktijden e.d, telden niet mee in de werkloosheidscijfers. In het najaar van 1977 bleek, dat de manipulatie met de cijfers verder ging: op verzoek van het Directoraat Generaal voor de Arbeidsvoorziening werden vanaf januari 1977 in het maandverslag van het arbeidsbureau in Amsterdam “werkloosheidscijfers” bekend gemaakt en niet meer, zoals tot dan toe, de “geregistreerde arbeidsreserve” Dit laatste begrip omvatte ook de te werk gestelden op aanvullende werken en op de sociale werkvoorzieningsobjecten.19 De aanduidingen NRA, NB of MG gaven volgens de werkmap aan, dat deze werklozen niet geschikt waren volgens de steeds hoger opgeschroefde eisen van het bedrijfsleven en de verslechterde voorwaarden, waaronder arbeiders moesten werken.

Veel arbeidsbureau’s begonnen in deze tijd met de inrichting van een “vacaturebank”. De werkloze kon dan zelf een vacature opzoeken en gaan solliciteren. Door middel van reclame op radio en TV wekten de arbeidsbureau’s daarbij de indruk, dat er grote aantallen vacatures waren en dat de werkloze het maar voor het uitzoeken had. Volgens de werkmap zetten deze reclamecampagnes de werkloze in een slecht daglicht: er was toch werk zat. Het Amsterdams Werklozen Comité deed in november/december 1976 een onderzoekje in de vacaturebank, naar aanleiding van de reclamecampagne. De conclusies waren, dat de bank nauwelijks echte vacatures had. De meesten waren allang vervuld. Er waren erbij die meer dan een half jaar oud waren en waarvoor allang iemand was aangenomen. Bovendien zaten er vacatures in de bakken van werkgevers, waarvoor het arbeidsbureau niet mocht bemiddelen vanwege bijvoorbeeld slechte arbeidsomstandigheden. Verder was de conclusie, dat werkgevers toch banen aanboden, ook al hadden ze die niet. Dit deden ze, om verzekerd te zijn van een constant aanbod van arbeidskrachten, zodat als er eventueel een vacature zou ontstaan, deze snel vervuld zou kunnen worden. Het AWC concludeerde, dat zo’n vacaturebank alleen zin had, wanneer er een werkelijk overzicht zou worden gegeven van van de vraag naar arbeidskrachten, en wanneer er een uitgebreide omschrijving van de functie bij werd gedaan, waarbij ook het loon zou worden vermeld. Het AWC concludeerde in navolging van de vakbonden, dat een forse personeelsuitbreiding van de arbeidsbureau’s noodzakelijk was, om tot een beter funktioneren te komen. Verder werd in de werkmap ingegaan op de omscholingsmogelijkheden die het arbeidsbureau werklozen te bieden had. Op deze mogelijkheden werd kritiek geleverd. Uitgangspunt was ook hier eenzijdig de behoefte van het bedrijfsleven. De werkgevers bepaalden de aard en de omvang van de vraag naar personeel. De ontwikkeling van de vraag naar arbeidskrachten bepaalde weer de omvang en de inhoud van de scholingsvoorzieningen. Dit had tot gevolg, dat er alleen scholingsmogelijkheden waren voor functies in bedrijfstakken en bedrijven, die het meest produktief waren. Ook werd in de konferentiemap gekonstateerd, dat de groep werknemers, die voor scholing in aanmerking kwam beperkt was: ouderen bijvoorbeeld kwamen niet snel in aanmerking, omdat voor hen uitzicht op werk daarna erg klein was. Bovendien kwamen in de praktijk vooral reeds opgeleide werknemers voor de regelingen in aanmerking en waren er voor ongeschoolden bijna geen mogelijkheden. In de “werkmap” werd uitgebreid ingegaan op de arbeidsmarktsituatie in verschillende bedrijfstakken en er werden aanbevelingen gedaan om de functie van de arbeidsbemiddeling te verbeteren, oa door een verplichte vacaturemelding en uitbreiding van het personeelsbestand, terwijl de tijdelijke loonkostensubsidies voor het in dienst nemen van werklozen moesten worden gewijzigd in structurele maatregelen, waarbij de werkloze kans kreeg op een vaste baan. Het zou in het kader van de geschiedenis van de WBVA echter te ver voeren, verder op de “werkmap” in te gaan.

De eerste bezuinigingen en de reacties van de werklozen comite’s.

Hoofdstuk 2 boek ‘Werklozen in aktie’, de geschiedenis van de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, 1974-1992

Na de zomer van 1975 leken de werklozengroepen bezig te zijn met een beweging in opbouw. In het hele land werden trefcentra voor werklozen geopend. De groepen stelden offensieve eisen die ook resultaat leken te hebben. De verlenging van de WWV- termijn voor 55 jarigen was toegezegd, een verruiming van het begrip passende arbeid werd tegengehouden en het kabinet den Uyl gaf veel geld uit aan werkgelegenheidsprojecten oa in de bouw. Weliswaar te weinig naar de zin van de werklozencomite’s, maar een begin leek gemaakt. In de samenwerking met het NVV leek een doorbraak op komst. De NVV-jongeren streefden naar samenwerking, en de comite’s oefenden druk uit op de vakcentrales om op te komen voor de belangen van de werklozen.

Aan het eind van de zomer gingen de aktievoerders van het AWC weer vol goede moed van start. In een interview met de Waarheid zei Jan Mannaert, dat de werklozen in en uitliepen in het gebouw in de Lutmastraat.1 Bovendien vermeldde hij, dat er nieuwe initiatieven op stapel stonden. In augustus organiseerde het AWC een piket-line voor het gebouw van de Nederlandse Bank om de verlengingseis van de WWV weer aan de orde te stellen. Het vrouwenaktiecomite was in bespreking met het NVV- vrouwensecretariaat voor het opzetten van akties. En er werd druk gewerkt aan een nieuwe aktiekrant werklozen, die in september zou verschijnen. In 1975 werd het trefcentrum aan de Lutmastraat opgeknapt. De zaal waar het centrum gevestigd was, kon ongeveer 250 mensen bevatten. Met kleurige schotten konden er verschillende ruim- ten gemaakt worden, waarin oa een tafeltennistafel geplaatst werd. Ook waren er voldoende schaak- en damborden. Het was de bedoeling, dat er simultaanwedstrijden met beroemde schakers zouden worden georganiseerd. Het AWC had in de weken voor de opening met steunlijsten 2500 gulden opgehaald bij het ar- beidsbureau.

De feestelijke opening van het centrum was op 31 oktober 1975; Jan van Dijk, voorzitter van het AWC, hield een inleiding en bovendien was er een feestavond met muziek van de “Silver Tone Steel Band en de Limbo Dancers”. In de winter van 1975 draaide er in het trefcentrum een cultureel programma, met films, lezingen en diskussies. Zo was er op dinsdag 18 november 1975 een film over de krisis in de jaren ’30 in Zweden. En op donderdag 20 november was er een forum over de sociale voorzieningen met vertegenwoordigers van CPN, PvdA en sociale dienst.2 Maar ondertussen werden de eerste bezuinigingen aangekondigd.

De eerste bezuinigingen

Zoals we hiervoor al zagen, streefde het kabinet den Uyl naar een Keynesiaans stimuleringsbeleid als antwoord op de ekonomische problemen en de toenemende werkloosheid. Wel streefde de regering ernaar, dat de rendementen van de bedrijven zouden verbeteren; er moest financiele ruimte blijven voor het bedrijfsleven. Dit betekende, dat er in de ogen van de regering niet genoeg geld was en voor aanzienlijke loonsverhogingen en voor grotere uitgaven in de collectieve sector. Het stimule- ringsbeleid door vergroting van het overheidstekort zou gekombineerd moeten worden met loonmatiging in het bedrijfsleven. Om deze kombinatie mogelijk te maken nam het kabinet in 1973 na de oliecrisis al de eerste loonmaatregel, zodat werkgevers en werknemers niet over de lonen konden onderhandelen. De lonen werden gestabiliseerd op het peil van 30 november 1973 en pas in maart 1974 weer verhoogd. Verder nam de regering op 3 december 1975 een loonmatigingsbesluit, dat moest gelden voor de eerste helft van 1976. Weer konden werkgevers en werknemers niet over de lonen onderhandelen en werd de hoogte ervan in feite door de overheid vastgesteld. Het beleid van het kabinet riep van verschillende zijden negatieve reacties op. De werkgevers weigerden mee te werken, omdat zij niets zagen in een gerichte sturing van de investeringen en een vergroting van het overheidstekort. De vakbonden waren het niet eens met de loonmaatregel, die de werkenden minder loon zouden brengen. En de CPN, met in haar kielzog de werklozencomite’s voerden oppositie tegen den Uyl c.s, omdat zij vonden, dat zowel de lonen als de uitkeringen belangrijk moesten worden verhoogd, naast een uitbreiding van de collectieve sector.

ekonomisch model

Met name de ondernemers kregen voor hun standpunten steeds meer steun vanuit wetenschappelijke kringen van ekonomen. In het najaar van 1974 schreven de ekonomen Den Hartog en Tsjan een wetenschappelijk artikel, dat vervolgens de basis werd van de ekonomische modellen die het Centraal Planbureau (CPB) hanteerde. Het CPB produceerde ieder jaar de Macro Ekonomische Verkenningen, die een grote invloed uitoefenden op de diskussie over het te voeren overheidsbeleid. De expansie van de staatsuitgaven, zoals die onder het kabinet den Uyl werd nagestreefd, werd in het model ter diskussie gesteld. Niet werkgelegenheidsprogramma’s en stimulering van de bestedingen, maar investeringen in de marktsector en verlaging van loonkosten voor werkgevers moesten tot meer werkgelegenheid leiden. De analyse is te zien als een restauratie van wat wel het neo- klassieke denken in de ekonomie werd genoemd; in de visie van de neo-klassieken werd werkloosheid veroorzaakt door relatief te hoge lonen en loonmatiging zou de werkloosheid vanzelf wel weer oplossen.3 Let wel: de neoklassieken wilden dus en loonmatiging en beperking van de collectieve sector, waarbij de beslissingen over investeringen in belangrijke mate aan ondernemers zouden worden overgelaten.

Ik ga hier in het kort nader in op het arbeidsmarktbeleid dat Den Hartog en Tsjan voorstonden, omdat de komende jaren de verschillende regeringen de uitgangspunten van de neo-klassieken hebben overgenomen. In zijn algemeenheid kan men in het arbeidsmarktbeleid een onderscheid maken tussen werkgelegenheidsbeleid en arbeidsvoorzieningenbeleid. Actief werkgelegenheidsbeleid is gericht op beheersing van de vraagzijde van de arbeidsmarkt. Men richt zich dan op de creatie van voldoende en volwaardige arbeidsplaatsen. De overheid kent zichzelf een aktieve rol toe in de bestrijding van de werkloosheid. Passief en indirect werkgelegenheidsbeleid is gericht op variabelen als ekonomische groei, collectieve lastendruk, financieringstekort e.d. Actief werkgelegenheidsbeleid heeft betrekking op de grootschalige creatie van werkgelegenheid door aanvullende werken. Arbeidsvoorzieningen beleid is gericht op beheersing van de aanbodzijde van de arbeidsmarkt. Men richt zich dan op het zoeken van de juiste werkzoekende voor een aangemelde vacature. Ook dit beleid is indirect. Door bemiddeling, scholing, werkverruimende maatregelen en loonkostensubsidies worden werklozen begeleid naar de arbeidsmarkt. De neo-klassieken richten zich op een indirect en passief werkgelegenheidsbeleid en op het arbeidsvoorzieningenbeleid. Zij zoeken de oorzaak van de werkloosheid bij de werkloze. Die moet door omscholing klaargestoomd worden voor de arbeids- markt. Volgens de neo-klassieken is in een situatie van volledige concurrentie werkloosheid slechts tijdelijk en indien zij een hardnekkig karakter draagt is dit toe te schrijven aan “starheden” in de aanpassing van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, zoals “starre” lonen of sociale zekerheidsuitke- ringen waardoor mensen niet meer geprikkeld worden om snel een baan te accepteren en er van de grote werkloosheid in feite geen loondrukkende werking uitgaat. Deze ekonomische visie sluit aan bij een traditionele arbeidsmoraal: men moeten betaalde arbeid verrichten, om volwaardig mens te worden, met werklozen, die geen werk kunnen vinden is iets mis, of ze stellen te hoge eisen. En werklozen moeten terwille van de ekonomische groei en het “algemeen belang” onder druk gezet worden om allerlei baantjes te accepteren ook als ze dat niet willen. In dit kader past een verruiming van het begrip passende arbeid en het onder druk zetten van werklozen door verscherping van de controle op de sollicitatieplicht en het invoeren van strafkortingen. Dit ekonomisch model leverde in een gepopulariseerde vorm de ideologische munitie voor politici om bezuinigingen door te drukken.

In augustus 1975 drongen de inzichten van Den Hartog en Tsjan voor het eerst door in het regeringskamp: Duisenberg overviel de andere ministers met bezuinigingsvoorstellen. De regering stelde in het najaar van 1975 bij het aanbieden van de miljoenennota, dat zij van plan was een ingrijpende een procents- operatie door te voeren. Het plan hield in dat de overheid de druk van de collectieve lasten tot aan 1980 met niet meer dan gemiddeld 1% van het nationaal inkomen per jaar zou laten stijgen, in plaats van de 1,75% per jaar tot dan toe. Door de collectieve uitgaven af te remmen zou er meer geld beschikbaar komen voor het bedrijfsleven en er zou ook meer reeel besteedbaar loon zijn voor de werknemers. Op deze manier probeerde de regering verschillende dingen met elkaar te kombineren. Gedeeltelijk werd immers toegegeven aan de eis van de achterban van de vakbonden, dat er reeele loonsverhogingen zouden komen. Gedeeltelijk werd ook toegegeven aan de eisen van de werkgevers, dat de collectieve lastendruk omlaag moest; en ten slotte werd toch nog vastgehouden aan het principe, dat de overheid investeringen in bepaalde sectoren zou stimuleren.

Nieuwe diskussies over bezuinigingen

Hiervoor werd opgemerkt, dat de ekonomen Den Hartog en Tsjan met hun model op de lijn van de werkgevers zaten, en dat hun modellen werden toegepast door het CPB. Nadat de regering met de aankondiging van de een procents operatie was gekomen, publiceerde het CPB in februari 1976 op basis van dit model voorspellingen over de ekonomische ontwikkelingen in de Macro Ekonomische Verkenningen 1980 (MEV 1980). Op basis van het model dat door Den Hartog en Tsjan was ontwikkeld, zou bij een gelijk blijvend beleid, dus wanneer de overheidsuitgaven evenveel bleven stijgen als in de afgelopen jaren, de werkloosheid in 1980 zijn toegenomen tot 260.000 arbeidsjaren.4 De inflatie zou stijgen tot 8% en de reeel besteedbare lonen zouden ieder jaar met een half procent stijgen. De ekonomische adviseurs rekenden ook uit, wat de 1% operatie zou betekenen. Er traden dan nauwelijks veranderingen op in het beeld. Op basis van de berekeningen van het CPB was het duidelijk, dat er meer bezuinigingen moesten komen. Ondernemersorganisaties konstateerden, dat de MEV 1980 van het CPB op veel punten aansloot bij het ekonomisch herstelplan dat de ondernemersorganisaties onder de naam “Perspectief ’80” publiceerden. Daarvoor al, in januari 1976 publiceerden negen top-managers van grote bedrijven een “brandbrief”, om de regering verder onder druk te zetten. Zij verklaarden, dat de internationale concurrentiepositie van de bedrijven verslechterde en dat de lage rendementen het bedrijfsleven kwetsbaar maakten. Dit leidde er ook toe, dat de vernieuwing en uitbreiding van ondernemingen onder druk kwam te staan.5 De ondernemers pleitten in Perspectief ’80 en in de brandbrief voor het niet door laten gaan van de automatische prijscompensatie. De druk van de werkgevers en de ekonomen leek zijn uitwerking niet te missen. De FNV publiceerde in het voorjaar van 1976 een discussienota over het arbeidsvoorwaardenbeleid dat na het aflopen van de loonmaatregel gevoerd zou moeten worden. De FNV- leiding vroeg haar leden, of er wellicht met een onvolledige prijscompensatie genoegen genomen zou kunnen worden. Men wilde, gezien de slechte ekonomische situatie een deel van de loonstijging opofferen om de collectieve voorzieningen onaangetast te laten. Hiermee wilde leiding tegemoet komen aan de uitgangspunten van het kabinet met haar 1% operatie. (Dus een zij het beperkte stijging van de overheidsuitgaven en tegelijkertijd loonmatiging). De achterban van de FNV ging echter niet akkoord met de voorstellen van de leiding. Op de vakbondsvergaderingen die naar aanleiding van de discussienota werden gehouden wees men de voorstellen af. Handhaving van de volledige prijscompensatie, zo was de teneur. Later zullen we zien, dat leden van werklozencomite’s die tegelijkertijd lid waren van een vakbond een belangrijke rol hebben gespeeld bij het blijven strijden voor de automatische prijscompensatie.

Na de afwijzing door de leden ging de FNV-leiding uit een ander vaatje tappen. Toen in de zomer van 1976 minister Boersma de loonmaatregel voor de eerste helft van 1976 met een half jaar verlengde, zei Wim Kok dat de maatregel een breuk betekende tussen de vakbeweging en het kabinet. In juli 1976 verscheen de ombuigingsnota van de regering, die ook bekend staat als de een procentsnota van Duisenberg. De hierboven geschetste gang van zaken is te beschouwen als een voorspel op de stakingen om de prijscompensatie van januari 1977. Hierna ga ik echter eerst in op hoe de werklozengroepen op de diskussies over de bezuinigingen en de loonmaatregel reageerden.

werklozenorganisaties

De werklozenorganisaties reageerden in januari 1976 op de loonmaatregel met een communique, waarin de maatregel aan de kaak werd gesteld. Hun landelijke organisatie heette toen niet meer “Landelijk Aktiecomite Werklozen” maar “Landelijk Werklozen Comite”(LWC). Voorzitter was Ad Hendriks uit Deventer. De abonnementenadministratie werd bijgehouden door M Tomasini uit Deventer, en de redaktie van de aktiekrant was gevestigd in het nieuwe trefcentrum van het Amsterdamse Werklozen Comite in de Lutmastraat. In het communique en in artikelen in de aktiekrant legden de comite’s uit, waarom ze tegen de loon- maatregel waren. “De regeringsingreep richt zich tegen de vakbondsrechten en wordt door de werkers in de bedrijven terecht van de hand gewezen en is ook voor de werklozen onaanvaardbaar”. Men konstateerde dat er door de loonmaatregel geen volledige vergoeding zou komen voor de prijsstijgingen van het afgelopen jaar. (De loonmaatregel hield in een verhoging van drie tientjes van de brutolonen en enkele premieverlagingen voor ziektewet en WAO) De aktiekrant fulmineerde tegen de redenering, dat de loonmaatregel in het belang van werklozen zou zijn. De redenering van de regering was, dat door loonmatiging meer geld overbleef voor de uitkeringen en de collectieve voorzieningen, en dat daardoor de uitkeringen op peil konden blijven. De aktiekrant konstateerde echter, dat deze lippendienst aan de belangen van de werklozen in strijd was met de maatregelen die werkelijk genomen werden. Ook werklozen zouden er door de loonmaatregel fors op achteruit gaan. De voorstelling van zaken van de regering beschouwden de werklozencomite’s in feite als een poging verdeeldheid te zaaien onder werkenden en werklozen om toe te kunnen geven aan de eisen van de werkgevers. De aktiekrant konstateerde, dat werklozen door de loonmaatregel dubbel getroffen zouden worden.6 In een andere krant werd uitgelegd, in welk opzicht.7 Werkenden kregen drie tientjes bij hun brutoloon. WW-ers hadden echter maar 80% van het laatstverdiende loon, en zij kregen er dus minder dan drie tientjes bij. Bovendien hadden langdurig werklozen die van een bijstandsuitkering moesten leven geen profijt van de aangekondigde premieverlaging, die bedoeld was om de verliezen in koopkracht voor de minima op te vangen. De sociale diensten hadden volgens de aktiekrant geen richtlijnen gekregen deze premieverlaging om te zetten in een verhoging van de netto-uitkering aan langdurig werklozen. Verder was het zo, dat volgens vakbondsbestuurders onder druk van het personeel in verschillende bedrijven de loonmaatregel zou worden ontdoken door allerlei toeslagen te eisen op overwerk en dergelijke. De aktiekrant konstateerde, dat bij ontslag deze toeslagen volledig wegvielen en dat uitkeringsgerechtigden geen toeslagen konden krijgen.

Hier uitte zich voor het eerst een mechanisme, dat bij verdere loonmaatregelen nog terug zou komen; werkgevers en werknemers ontdoken de loonmaatregel door toeslagen in te voeren, iets waar uitkeringsgerechtigden niet van profiteerden. Het was een methode om de lonen te verhogen zonder dat de koppeling tussen lonen en uitkeringen formeel hoefde te worden afgeschaft. Ook de diskussie over de premieverlagingen zou in de toekomst terug komen. De werklozencomite’s hadden wel in de gaten, wat de werkelijke effecten waren van dergelijke “lastenverlichtingen”; veel uitkeringsgerechtigden, met name in de bijstand profiteerden hier helemaal niet van. In een van de aktiekranten werd verder kritiek geleverd op de stelling, dat de looningreep de werkgelegenheid zou verbeteren.8 “Al jaren wordt het matigen van uitkeringen, lonen en salarissen misbruikt als remedie tegen de werkloosheid. De loonmaatregelen hebben de ondernemers geen windeieren gelegd. Hun winsten stegen, maar tegelijkertijd schoot het aantal werklozen in Nederland schrikbarend omhoog”. Het bezuinigingsbeleid zou volgens de aktiekrant rampzalige gevolgen hebben, niet alleen voor de werklozen en hun gezinnen, maar ook voor de middenstand. De teruglopende koopkracht deed hun omzet dalen. Een beroep doen op de werkenden om financieel een stap terug te doen betekende volgens de aktiekrant, dat arbeiders verantwoordelijk werden gesteld voor de werkloosheid. Echter: “Niet zij, maar de grote concerns zijn de oorzaak, want de werkers en de werklozen hebben geen enkele beslissingsbevoegdheid over de produktie of hoe die tot stand komt. Nu de concerns met elkaar in conflict komen over afzetmarkten en grondstoffen, worden de werkenden en werklozen gebruikt om op te draaien voor de kosten van de onderlinge strijd tussen de grote ondernemers”. De aktiekrant werklozen konstateerde, dat werkenden en werklozen gezamenlijk moesten optrekken. Mensen met een minimuminkomen, en daarbij waren zowel werkenden als werklozen wier inkomen gekoppeld was aan de hoogte van de lonen, hadden door de loonmaatregel een inkomensachteruitgang te verwerken gekregen, terwijl er nog meer verslechteringen op komst waren. De aktiekrant werklozen wees erop, dat werkenden en werklozen niet van plan waren af te zien van de volledige prijscompensatie. Verklaringen van personeel in bedrijven en van werklozencomite’s hadden de regering duidelijk gemaakt dat de prijscompensatie moest blijven. Er werd in de aktiekrant verwezen naar de stakingen van de havenarbeiders en sleepbootbemanningen in Amsterdam en Rotterdam in juli en september 1976 die met hun akties hadden onderstreept dat de vakbeweging niet nog eens aan banden mocht worden gelegd met een loonwet.9

nieuwe akties van werklozen

De werklozencomite’s leverden niet alleen inhoudelijk kritiek op de loonmaatregelen, ze voerden ook akties om de maatregel tegen te gaan. In november 1975 startte men met de eis: “de uitkeringen moeten omhoog! 300 gulden voor alle werklozen als noodzakelijk noodverband nu!”.10 Een en ander was te beschouwen als een voortzetting van de aktie voor een duurtetoeslag van 200 gulden minimaal. Er werd gekonstateerd, dat er in 1975 53.000 handtekeningen werden aangeboden aan minister Boersma maar dat daarna nog duizenden handtekeningen waren opgehaald. De comite’s gingen door met het houden van picketlines bij arbeidsbureau’s en sociale diensten en ze voerden gesprekken met gemeentebesturen. In februari 1976 werden verder in verschillende plaatsen openbare vergaderingen georganiseerd. Het AWC startte de 300 gulden aktie met een manifestatie op 14-11-1975, waarbij handtekeningenlijsten werden uitgedeeld.11 In korte tijd kwamen 4000 handtekeningen binnen, vooral van Bouwbondsleden. Sprekers op de manifestatie waren Helen Cappelen, die inging op de achterstelling van de vrouw, en Bert Holvast, die de werkloosheid onder jongeren aan de orde stelde. Jan van Dijk riep op tot deelname aan de fl 300,- aktie. De manifestatie van het AWC werd afgesloten met cabaret en zang door het koor “Morgenrood”.12 Ook daarna stelde het AWC de 300 gulden eis aan de orde. Het comite had vanaf november 1975 iedere dinsdagmiddag een vergadering om het verloop van de aktie te bespreken.13 Op 26-11-1975 postten leden van het AWC voor het stadhuis om de handtekeningencampagne voor de fl 300,- eis meer bekendheid te geven. De CPN-fractie diende die dag een motie in bij de gemeenteraad, waarin de verschillende politieke partijen werd gevraagd, het AWC te steunen. In december was een volgende demonstratie. Onder het motto: “We heien de werkloosheid de grond in” trokken Amsterdamse werklozen naar het gebouw van de sociale dienst. 14 Men had in de demonstratie een tiental bakfietsen en een vrachtauto, waarop de eisen van het AWC stonden afgebeeld. De leuzen waren: “Niet dralen maar betalen!”, fl 300,- nu!” “WWV voor de gehuwde vrouw!” De directeur van de sociale dienst, de heer Schmall, kreeg 6000 handtekeningen ter ondersteuning van de 300 gulden eis en veel adhesieverklaringen van club- en buurthuizen overhandigd. Op de ochtend voor het vertrek brachten aktievoerende marokkanen een bezoek aan het AWC. Deze zogenaamde “182 kerkmarokkanen” hadden de Mozes en Aaronkerk bezet, omdat ze een verblijfsvergunning wilden. Toen de delegatie hoorde, dat het AWC naar het gebouw van de sociale dienst zou trekken, sloten de Marokkanen zich spontaan bij de aktie aan. Na het aanbieden van de handtekeningen aan de directeur van de sociale dienst werd ook aan de orde gesteld, dat de “illegalen” in de Mozes en Aaronkerk geen enkel inkomen hadden, en dat ze voor een bijstandsuitkering in aanmerking moesten komen.15 Ook andere comite’s maakten zich sterk voor de 300 gulden eis. De eis werd daarbij nadrukkelijk geplaatst in het kader van de strijd tegen de regering den Uyl en de loonmaatregelen, die deze regering had genomen. In pamfletten werd gesteld, dat de regering, onder druk van KVP- en AR ministers, de vakbeweging het mes op de keel zette door het nemen van de loonmaatregel. Het Werklozen Comite Arnhem organiseerde een demonstratie in december 1975 en deelde pamfletten en handtekeningenlijsten uit bij de fabriekspoort van ENKA.16 Op 21 januari werd in Geldrop door het werklozen comite een openbare vergadering gehouden, waar de 300 gulden eis ook centraal stond, en waar verder een eigen trefcentrum werd geeist. Ook hier werden handtekeningen opgehaald en overlegd aan de gemeente. Het werklozen comite Nijmegen bood op maandag 22 december 1975 in het kader van de 300 gulden eis 900 handtekeningen aan op het stadhuis. Het gemeentebestuur van Nijmegen stelde in een reactie, dat de gemeente gebonden was aan landelijke regelingen en dat men eigenhandig niets kon ondernemen. Het Nijmeegse comite was niet tevreden met deze reactie. Om het gemeentebestuur verder onder druk te zetten om meer te doen (bijvoorbeeld bij de regering aandringen op inwilliging van de 300 gulden eis) werd alle plaatselijke afdelingen van politieke partijen, en vakbonden gevraagd een adhesieverklaring naar het Nijmeegse comite te sturen. De lokale akties hadden vaak als resultaat dat de gemeentebesturen zich achter de eis van de werklozencomite’s stelden en dat zij meedeelden, te willen overgaan tot de uitbetaling van een duurtetoeslag. Het probleem was echter, zoals uit de reactie van het Nijmeegse gemeentebestuur al bleek, dat de regering haar toestemming moest geven voor inwilliging van de eis, de gemeenten mochten juridisch gezien ook toen al geen eigen inkomensbeleid voeren door het uitbetalen van een duurtetoeslag aan werklozen. De comite’s hebben vanaf 20 januari meer dan een jaar lang intensief campagne gevoerd voor een duurtetoeslag. De akties hebben als -beperkt- resultaat gehad, dat de regering den Uyl in november 1976 overging tot het uitbetalen van een duurtetoeslag van fl 60,-.

verlenging WWV

Ook in een ander opzicht had het onder druk zetten van de regering via de gemeenten resultaat. Boersma had op 22 februari 1975 gezegd, dat de WWV voor werklozen, ouder dan 57 en een half jaar verlengd zou worden tot 65 jaar. In afwachting van een definitieve regeling begonnen verschillende gemeenten alvast oudere werklozen in de WWV te houden. Maar er traden de nodige vertragingen op in de uitvoering van de maatregel. Pas op 1 september 1975 werd er in de Tweede kamer over gediskussieerd en in de pers aandacht aan besteed. In december 1975 was het definitieve wetsontwerp echter nog steeds niet ingediend. Het LWC schreef een brief aan de minister waarin uit- voering van de toezeggingen werd geeist. Maar een definitief wetsvoorstel bleef voorlopig uit. Op 24 maart 1976 hield de vaste kamercommissie van sociale zaken een hoorzitting. Ongeveer honderd vertegenwoordigers van aktiecomit‚’s gingen op die dag naar Den Haag om er bij de kamercommissie op aan te dringen, dat de verlenging van de WWV-termijn voor oudere werklozen nu eindelijk ingevoerd zou worden. Daarnaast maakten de comite’s duidelijk, dat zij bleven vasthouden aan de eis tot algemene verlenging van de WWV en verhoging van de WW- en WWV-uitkeringen. “Geen werklozen naar de bijstand zo blijft het parool!”. Verder legde een vertegenwoordigster van het comite werkloze vrouwen de eis van gelijkberechtiging van vrouwen op tafel.17 Enige tijd na de hoorzitting ging de Tweede Kamer toch akkoord met de verlenging van de WWV-termijn voor werklozen, ouder dan 57 1/2 jaar.18 Er werd op de bijeenkomst in de Tweede Kamer ook gediskus- sieerd over de subsidiering van sociaal-cultureel werk voor werklozen. Tot dan toe was die subsidiering vooral een taak van de lokale overheden; het rijk wilde die subsidiering echter coordineren en naar zich toe trekken. De aanwezige comite’s verklaarden hier geen bezwaar tegen te hebben, als het rijk de regels maar niet zou verslechteren, met name waar het ging om de subsidiering van werklozencentra. Er werd verder aangedrongen op het snel beschikbaar stellen van dergelijke centra.19 Er werd in 1976 ook weer een werklozencongres gehouden. Op het congres werd een nieuwe resolutie aangenomen, waarin de solidariteit tussen de werklozen en andere groepen nog eens werd benadrukt.20 “Wij roepen de werklozen in Nederland op elke aanval op de verworven rechten af te slaan en geen enkele korting op de uitkeringen onder welk mom dan ook uitgevoerd toe te staan. Stop de aanval op de werklozen!. Wij zijn van mening dat de verbeteringen van de uitkeringen niet ten laste mogen gaan van de broodnodige verbeteringen van het levenspeil van de nog werkende mensen. Het uitspelen van de belangen van de werklozen tegenover die van de werkenden is onduldbaar, ook dient onmiddellijk alle propaganda die de schuld van de werkloosheid wil leggen bij de buitenlandse arbeiders en de Surinamers gestaakt te worden. Aan dergelijke vormen van racisme hebben de werklozen geen enkele boodschap”. Daarna werden nog eens de eisen herhaald, die op het eerste congres van het LAW al waren aangenomen.

akties jongeren

Hiervoor heb ik er al op gewezen, dat de NVV-jongeren besloten te gaan samenwerken met de werklozen comite’s. In de winter van 1975 op 1976 werden in het hele land schoolverlaterscomite’s opgericht, die allerlei bijeenkomsten organiseerden.21 De bijeenkomsten werden opgezet door een samenwerkingsverband van vakbondsjongeren, het ANJV, de werklozen aktie comite’s, organisaties van Surinamers en vormingscentra. In Amsterdam werd bijvoorbeeld een manifestatie gehouden op 7 februari 1976 als protest tegen de jeugdwerkloosheid in Noord- Holland. Daaraan voorafgaand demonstreerden enige honderden jongeren in het centrum van Amsterdam. De jongeren trokken van de Westerkerk naar Krasnapolsky, waar de manifestatie werd gehouden.22 In Rotterdam waren er in deze tijd ongeveer 150 jongeren op een vergadering aanwezig.23 Verder waren er manifestaties in Zuid Limburg, Groningen, Brabant en Zuid- Holland. “Samen sterk voor poen en werk” was de centrale leus. De jongeren eisten oa een volwaardige WW-uitkering (dus geen bijstand), geen bezuinigingen op onderwijs en medische voorzieningen en geen bezuinigingen op club- en buurthuis werk. Daarnaast wilde men een minimumloon vanaf 18 jaar. Verder nam men ook de eisen van de werklozencomite’s over, dus volledige prijscompensatie en verlenging en verhoging van de werkloos- heidsuitkeringen. In de aktiekrant werklozen werd nog eens duidelijk aangegeven, dat men niet wilde inleveren.24 “Wij offers brengen? Toe nou, om onze centen naar het ondernemers- dom te zien gaan zeker. En dat terwijl een kind weet dat de ondernemers hun winsten nog meer zullen gebruiken voor het opkopen en vervolgens sluiten van de firma van hun naaste concurrent, of voor het verplaatsen van de bedrijven naar het buitenland”. De lokale bijeenkomsten van de jongeren waren een voorbereiding voor een landelijke manifestatie, die in het voorjaar van 1976 werd gehouden. Ter gelegenheid van die landelijke aktie bracht het LWC een aktiekrant schoolverlaters uit.25 In de krant werd gekonstateerd, dat van de 190.000 schoolverlaters er in 1976 50.000 waarschijnlijk niet aan het werk zouden komen. In 1975 was volgens de aktiekrant van de jongeren tot 25 jaar bijna 8% zonder werk; in bepaalde gebieden nam de jeugdwerkloosheid nog ernstiger vormen aan. Staatssecretaris de Jong van Onderwijs had in een televisieprogramma gezegd, dat de jongeren dan maar wat langer op school moesten blijven. De aktiekrant was boos over die opmerking. Zo’n opmerking, terwijl er studentenstops waren in verschillende studierichtingen, er bezuinigingen waren op het technisch onderwijs en stops aan de lerarenopleidingen. De aktiekrant concludeerde dan ook: “studentenstop is scholierenstrop!”. Jongeren gingen ook aktie voeren tegen de zogenaamde “zakgeld- praktijken”. In januari 1974 was de wet op het minimumjeugd- loon ingevoerd. De werkgevers probeerden deze wet echter te ontduiken. Ze weigerden het cao-loon te betalen aan jongeren in het leerlingenstelsel, omdat die jongeren nog niet volledig mee konden draaien in de produktie. De wet bood mogelijkheden voor deze ontduiking.26 Jongeren gingen aktie voeren tegen deze “zakgeldpraktijken”, ze wilden dat de gaten in de wet zouden worden gedicht.27 Op zaterdag 6 november 1976 waren er 2000 jongeren op een manifestatie tegen “zakgeldpraktijken” in Hengelo. Minister Boersma verklaarde, de praktijken een “grensgeval” te vinden.28

Andere akties van het AWC

De werklozencomit‚’s gingen zich ook steeds meer op de lokale politiek richten om hun eisen gerealiseerd te krijgen. Dat zagen we al bij de fl 300,- aktie. Het AWC ontplooide in 1976 op lokaal niveau diverse aktiviteiten. Op 20 januari 1976 werd in het trefcentrum van het AWC een groot feest gehouden, dat een nieuw tijdperk moest inluiden. Het AWC had namelijk naast de ruimte die ze al gebruikte, ook een aktiviteitensubsidie van de gemeente gekregen. Tijdens het feest werden films gedraaid, er was een schaaksimultaanwedstrijd, en ook andere gezelschapsspelen zorgden voor verdere ontspanning.29 Het AWC bracht in 1976 een krant uit in een oplage van 2000 stuks. De oplage was spoedig uitverkocht, en er moest een tweede druk komen. In 1976 werd er door het AWC ook een financiele campag- ne gevoerd. In enkele weken tijd werd er 2700 gulden opgehaald bij het arbeidsbureau en bij bouw-objecten. Een van de aktie- kranten vermeldde, dat Amsterdam een goed draaiend trefcentrum had, waar op dinsdag en donderdag altijd wat te doen was en waar kan worden gepraat en gekaart.30 Het AWC besteedde ook aandacht aan de specifieke problemen in verschillende buurten van Amsterdam. Zo organiseerde het comite in samenwerking met de Beheersraad, de jongerenorganisatie ANJV en de Turkse organisatie DJF een avond over werkloosheid in de Bijlmer in het Bijlmerhuis. De motto’s van deze avond waren: “geen dis- criminatie van kleurlingen op het arbeidsbureau, versnelde en volledige afbouw van het Academisch Medisch Centrum en WWV ook voor schoolverlaters en de gehuwde vrouwen.31 Ook in de Indische buurt waren er bijeenkomsten. Zo organiseerde het AWC in maart 1976 daar een openbare vergadering. Samen met het comite voor herstel van de buurt werd op de bijeenkomst aangetoond, dat er in de door verval getroffen buurt voldoende werk te doen was. Na de bijeenkomst werd een manifest verspreid, waarin er op werd gewezen, dat tienduizenden bouwvakkers werkloos waren, terwijl er in de Indische buurt tot 1980 slechts bouwplannen bestonden voor 250 woningen. Ook op andere wijze verbond het AWC het achterstallig onderhoud aan woningen en het achterblijven van de stadsvernieuwing met werkgelegenheidseisen. Aktivisten van het comite maakten borden met de tekst “Hier wacht werk op uitvoering”.32 De borden werden opgehangen aan slooprijpe gebouwen en neergezet in bouwrijpe open gaten.

Verder ondersteunden de werklozen de eisen tegen de huurverhoging van 1976 met de leus “Recht op werk, recht op betaalbare woningen”. Het AWC startte daarbij een kaartenaktie. Werklozen konden een kaart naar de wethouder van sociale zaken Kuyper sturen, met de eis van kompensatie voor de stijgende woonlasten. “Dus: geef nu alle Amsterdamse werklozen een voorschot op de prijscompensatie ter grootte van minimaal de stijging van de woonkosten”. Volgens de aktiekrant lagen er binnen drie dagen 1000 briefkaarten op het bureau van de wethouder. Verder gingen er steunlijsten rond om financien voor de aktiviteiten van het AWC bijeen te brengen. Het comite voerde verder aktie voor de eis:”volledige prijs- compensatie ook voor de werklozen!”.33 Voor deze eis plaatsten meer dan 7000 Amsterdamse werklozen hun handtekening op lijsten in de hal van het arbeidsbureau en tegelijkertijd gaven bezoekers van het arbeidsbureau meer dan 4000 gulden aan bijdragen, ter ondersteuning van de eis. Het AWC bracht daarop samen met het werklozencomite uit den Haag de handtekeningen naar de regering. De aktievoerders hadden boodschappenkarretjes bij zich waarop de prijsstijgingen van de afgelopen tijd stonden aangegeven. In een brief aan Boersma schreven de Amsterdamse werklozen, dat mensen in de bijstand niet profiteerden van de premieverlichting die in het kader van de loonmaatregel was ingevoerd. Op 16 september 1976 hield het AWC een bijeenkomst, waar ongeveer 40 mensen aanwezig waren.34 Jan van Dijk, voorzitter van het AWC verklaarde, dat de successen in het verleden een aansporing waren voor nieuwe initiatieven. Namens het comite Vrouwen Tegen Prijsverhogingen zette mevrouw Pereman uiteen dat de vrouwen hun aktie voerden als bijdrage tot de strijd op de bedrijven voor een volledige prijscompensatie. F van der laan sprak namens de ABOP-Amsterdam over de ernstige toestand mbt de werkgelegenheid voor het onderwijzend personeel. Verder werd er een comite van werkloze leerkrachten gevormd, dat besloot te gaan samenwerken met het werklozen comite. Aan het slot van de avond sprak Harry Kuijpers over de akties van het comite schoolverlaters. Dat comite was na de akties in het voorjaar ook in de zomer van 1976 aktief geweest. Schoolverlaters, georganiseerd in het AWC lieten zich op 1 juli demonstratief inschrijven op het hoofdkantoor van de sociale dienst aan de Vlaardingenlaan. De aktie werd gevoerd om erop te wijzen, dat er bij de voorlichting van de sociale dienst het nodige mis was; de voorlichting over de rechten van schoolverlaters was volgens de aktievoerders gebrekkig en tegenstrijdig.

uitzendbureau’s

Aan het eind van 1976 ging het AWC aktie voeren tegen de reclamecampagnes van uitzendbureau’s.35 In de Oude Lelie- straat 8 was het uitzendbureau “ARTO” gevestigd. Dit bureau voerde volgens het AWC een misselijk makende reclamecampagne. In alle Amsterdamse trams en bussen was een reclamebord bevestigd met de tekst: “Of wij een baan hebben?. Je had gisteren al kunnen komen!”. Dergelijke leuzen pasten volgens het AWC in het rechtse offensief dat werkloosheid in de eerste plaats de schuld van de werklozen zelf was. Op 22 oktober 1976 vervoeg- den enkele werklozen zich bij het uitzendbureau: of er werk was. De eerste twee kregen te horen, dat er niks was, een vrouw kreeg wel werk, maar dat betaalde slecht. De vertegenwoordiger van het uitzendbureau zei, dat hij hoopte, dat de betreffende vrouw het tot februari zou volhouden, want andere uitzendkrachten met dat baantje waren ook al vlug vertrokken. Een andere werkloze vrouw kreeg echter weer te horen, dat er geen werk was en dat ze op een wachtlijst geplaatst zou worden. Ook andere vrouwen, die op 1 november op het uitzendbureau kwamen voor een administratieve baan, werd meegedeeld, dat er die dag alleen drie vacatures waren voor gediplomeerd medisch personeel. Het AWC concludeerde dan ook, dat de reclamecampagne alleen bedoeld was, de naam van het uitzendbureau meer bekendheid te geven bij de werkgevers, om zo vacatures binnen te halen en werk voor uitzendkrachten te krijgen. Maar dit dan wel ten koste van de werklozen, die via een dure reclamecampagne in een kwaad daglicht werden gesteld. Het AWC organiseerde vervolgens een picket-line bij ARTO, omdat men wilde dat de reclamecampagne stopgezet zou worden. Men ging bij de ingang van het ARTO-kantoor staan met borden waarop stond: “Ik was gisteren hier, maar er was geen werk”. Dit was een reactie op de leus van het uitzendbureau: “Of wij een baan hebben? Je had gisteren al kunnen komen”. Tevens schreef men brieven naar de wethouder van sociale zaken en de reclamecode- commissie, met het argument, dat er valse verwachtingen werden gewekt. Het uitzendbureau ging uit van de stelling: er is genoeg werk als je maar wilt werken. De werklozen werden daarbij beschouwd als profiteur van de sociale voorzieningen. Dat was volgens het AWC misbruik maken van de werkloosheid door het wekken van valse verwachtingen. Werklozen sollici- teerden ook bij andere uitzendbureau’s. Bij Elite in de Ferdinand Bolstraat ontdekte men, dat het uitzendbureau adverteerde met vacatures die er niet waren. Verder werden in de aktiekrant werklozen de praktijken van het bedrijf van Gend en Loos aan de kaak gesteld. Dit bedrijf adverteerde met de leus:” werken is beter dan WW, uw recht op werk vindt u bij ons!”. Het bleek werk in ploegendienst te zijn, tegen een basisloon op het minimumniveau. Bovendien kwam je niet in dienst bij van Gend en Loos, maar bij een koppelbaas, zonder een vast kontrakt. De koppelbaas had een BV die luisterde naar de naam “De Toekomst”. in deze tijd hadden de aktivisten van het AWC het gevoel, dat er een hetze tegen werklozen was opgezet; zo maakte Vader Abraham een lied, “het leger der werklozen” waarin deze werden voorgesteld als luie profiteurs, die de hele dag zaten te niksen. In muziekprogramma’s werd dit lied veelvuldig gedraaid.36 Twee Groningers maakten daarop een soort tegen- lied.

“Er is voor werklozen eindelijk iets gebeurd, zij zijn door vader Abraham door het slijk gesleurd. En door hun leed verdient hij poen aan heel dat grote legioen. Abraham dus maar niet meer getreurd, want morgen ben jij misschien al aan de beurt.”

In deze tijd verschenen er ook verhalen in de pers over de vele werklozen, die er zwart bij zouden werken. Ook regeringswoordvoerders, zoals minister Wiegel, lieten zich herhaalde malen in negatieve bewoordingen uit over de werklozen.37 In de loop van 1976 werden er in vele plaatsen lokale aktiviteiten ontplooid, teveel om allemaal te behandelen. Er komen in de aktiekrant akties ter sprake in Deventer, Arnhem, Leeuwarden, Helmond, Sneek, Heerlen, Utrecht, Groningen, Leiden, Delft, Nijmegen, Delfzijl, Geldrop en Roermond.38 Het Werklozen Aktie Comite Roermond verspreidde een manifest, waarin werd gesteld “dat het vele zwarte goud dat bij ons in de bodem zit gebruikt moet worden om de werkgelegenheid in deze provincie daadwerkelijk te bevorderen”. In het manifest werd gekonstateerd, dat door de mijnsluitingen 65.000 mensen hun arbeidsplaats hadden verloren, en dat er sindsdien geen hand werd uitgestoken om de werkgelegenheid drastisch uit te breiden.

Het kabinet den Uyl en de eerste werklozencomite’s

Hoofdstuk I -boek ‘Werklozen in aktie’, de geschiedenis van de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam, 1974-1992.

De jaren zestig- jaren van idealisme, bevlogenheid, alles wordt anders. In deze jaren ontstond er een massale jongeren- beweging die afscheid nam van het koude oorlogsdenken en die meer oog had voor de maatschappelijke tegenstellingen in de kapitalistische landen. Daarnaast was er, onder andere door de akties tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam, meer aandacht voor de negatieve gevolgen van het imperialisme op wereldschaal. Er ontwaakte een nieuw politiek idealisme, waarbij men zich afwendde van de kapitalistische maatschappij. Vele buitenparlementaire aktiegroepen kwamen op die niet gebonden waren aan een specifieke ideologie of politieke partij. De buitenparlementaire beweging hanteerde nieuwe aktievormen, zoals bezettingen van instituten, het kraken van leegstaande panden en sit-ins.

In het begin van de jaren zeventig kreeg de CPN steeds meer invloed in deze nieuwe sociale bewegingen; in de studentenbeweging werden velen lid van die partij. Jongeren probeerden ook door te dringen in het establishment van de andere gevestigde politieke partijen. Het betekende een gedeeltelijke radikalisering in katholieke kring en de opkomst van Nieuw Links in de Partij van de Arbeid. Ook in de vakbeweging waren de radikale invloeden merkbaar. Dit kwam bijvoorbeeld tot uiting in de nota “Fijn is Anders” die de Industriebond NVV in 1974 publiceerde. In deze nota werd gepleit voor meer zeggenschap van de werknemers en socialisatie van de produktiemiddelen.1

Aan het begin van de jaren zeventig begonnen de maatschappelijke gevolgen van nieuwe ontwikkelingen in de ekonomie zich echter steeds meer af te tekenen. De konkurrentie dwong grote ondernemingen van de nieuwste technologien gebruik te maken, op straffe van achterblijven en ten onder gaan. Na de Tweede Wereldoorlog kwam een technologische revolutie op gang, die gekenmerkt werd door de invoering van computers en andere produkten uit de elektronische industrie. Automatisering een cybernetica betekenden de vervanging van de menselijke tussenkomst in produktie en administratie door machines. In de jaren vijftig was er een geleide loonpolitiek die ertoe leidde dat bedrijven, die eigenlijk technologisch achterbleven toch nog konden blijven draaien door de lage lonen. De vrije loonpolitiek van de jaren zestig maakte hieraan een eind. Er kwamen explosieve loonstijgingen en alleen bedrijven die voorop liepen in de technologische ontwikkelingen konden en wilden de hogere lonen uitbetalen. Bovendien betekende het ontstaan van de Europese Gemeenschap, dat steeds meer rekening moest worden gehouden met concurrentie uit het buitenland. Vooral zeer grote bedrijven profiteerden van de grotere markt en zij gingen samenwerken met gelijksoortige grote bedrijven in het buitenland. Steeds omvangrijker investeringen in nieuwe produktieprocessen waren nodig, om de concurrentie vol te houden. Investeringen die alleen door zeer grote bedrijven konden worden opgebracht.

De ekonomien van de westerse landen kregen steeds meer een duaal karakter; aan de ene kant zeer grote concerns, die zich steeds meer beperkten tot kernaktiviteiten op basis van een hoogwaardige technologie en aan de andere kant vele kleine toeleveringsbedrijven. Dit duale karakter van de ekonomie kwam het sterkst tot uiting in Japan, maar ook in Nederland kwam een ontwikkeling op gang, die ertoe leidde dat er naast zeer grote bedrijven vele kleine bedrijfjes kwamen cq bleven bestaan, terwijl er relatief weinig bedrijven in de middensector bestonden. Traditionele industrietakken zoals de textielindustrie en de scheepsbouw werden in Nederland afgebroken of zover gerationaliseerd, dat nog slechts weinig mensen voor de produktie nodig waren.

De reorganisatie van de produktie en de automatisering leidden tot een uitstoot van arbeidskrachten. Een golf van fusies, bedrijfssluitingen en massa-ontslagen begon in de jaren zeventig over Nederland te spoelen, waarbij de oliecrisis als een soort katalysator werkte. De werkloosheid werd langzaam maar zeker groter. In 1973 waren er 151.000 werklozen, in 1976 was dit aantal al opgelopen tot 278.000. Wat opvalt is het grote aantal werkloze bouwvakkers. (in 1976 bijna 60.000). Het sociale zekerheidsstelsel zoals de WAO werd gebruikt om overtollige arbeidskrachten te laten afvloeien. Daarnaast verzette de vakbeweging zich door bedrijfsbezettingen tegen de afbraak van werkgelegenheid en de sluiting van bedrijven, zoals bij de ENKA-Breda. Maar vaak werd alleen een “sociaal plan” afgesproken, waarin werd vastgelegd, dat de overtollige personeelsleden er in eerste instantie niet teveel in inkomen op achteruit mochten gaan. Hun werk waren ze dan wel kwijt. Ook trachtte de vakbeweging gedwongen ontslagen te voorkomen. Inkrimping van bedrijven zou dan via “natuurlijke afvloeiing” tot stand moeten komen. Op het investeringsbeleid dat tot de inkrimpingen en de toenemende werkloosheid leidde had de vakbeweging in de jaren zeventig weinig invloed; men moest zich beperken tot afspraken over de sociale gevolgen voor beperkte groepen. Wel probeerde men eind jaren zeventig tot arbeids plaatsen overeenkomsten (apo’s) te komen. Maar deze pogingen mislukten volledig, omdat de werkgevers niet wilden meewerken. Al in 1975 waarschuwde de historicus Ger Harmsen voor een al te defensieve opstelling van de vakbonden: “op korte termijn moet alles gedaan worden om arbeidsplaatsen te behouden, maar wanneer de vakbeweging de overheid vraagt noodlijdende bedrijven bij te springen dan toch alleen, wanneer hier zeggenschap en eigendomsrechten tegenover staan. Het moet niet zo zijn dat de verliezen voor de gemeenschap en de winsten voor de ondernemer en de kapitaalverschaffer zijn”.2

Aanvankelijk leek in het overheidsbeleid ook een meer offensieve tactiek tot uitdrukking te komen; in 1973 trad het eerste kabinet den Uyl aan. De slogan van den Uyl was: verdere rechtvaardige verdeling van kennis, inkomen en macht. Het kabinet diskussieerde over verschillende voorstellen om dit ideaal dichterbij te brengen, zoals vergroting van de bevoegdheden van ondernemingsraden, de vermogens aanwas deling en de grondpolitiek. Het kabinet nam verschillende maatregelen, die tot een grote inkomensnivellering hebben geleid, zoals een extra verhoging van het wettelijk minimumloon, en de koppeling van dit loon en van de uitkeringen aan de gemiddelde ontwikkeling van de cao-lonen in de partikuliere sector. Het kabinet den Uyl reageerde op de oliecrisis van 1973 en de vele bedrijfssluitingen in eerste instantie met een Keynesiaans stimuleringsbeleid. het financieringstekort van het rijk was in 1973 slechts 1,9% van het nationaal inkomen, dit tekort liep op tot 5,1% in 1975. Er werd een programma van aanvullende werken opgezet, bijvoorbeeld in de bouw; dit programma kostte tussen 1972 en 1979, toen het werd afgebouwd, 4,7 miljard gulden.

De eerste werklozenakties

Zoals we al zagen, begon aan het begin van de jaren zeventig met name in de bouw de werkloosheid groter te worden. Bouwvakkers gingen in het najaar van 1974 in Amsterdam dan ook over tot de oprichting van een werklozencomite. Maar zij waren niet de enigen. Hiervoor werd gewezen op de radikalisering in de studentenbeweging, waarbij vele studenten politiek actief werden. Ook werkloze, pas afgestudeerde academici hebben in het najaar van 1974 een comite opgericht. Dit comite publi- ceerde in maart 1975 het “Zwartboek werkloze academici”.3

Al vrij snel gingen de werkloze bouwvakkers en academici samenwerken; dit betekende de oprichting van het Amsterdams Werklozen Comite (AWC). Ook in andere plaatsen werden comite’s opgericht, met name in Groningen, Deventer, Arnhem, Nijmegen en Utrecht. De aktieve kern van veel comite’s werd gevormd door CPN-ers. Op 7 december 1974 werd door vertegenwoordigers van ongeveer dertig comite’s in Amersfoort het Landelijk Actiecomite Werklozen (LAW) opgericht. Het secretariaat was in eerste instantie gevestigd in Deventer, Frans Vries uit Amsterdam werd de eerste penningmeester en Albert van der Lugt de eerste voorzitter van het LAW. In januari 1975 verscheen voor het eerst de “Landelijke Aktiekrant voor Werklozen” waarvan de redaktie in Amsterdam was gevestigd. In de eerste werklozenkranten werden de belangrijkste lijnen uitgezet die de werklozenco- mite’s de eerste jaren zouden volgen. In een interview vertelde Albert van der Lugt, wat volgens de comite’s de positie was van werklozen in een kapitalistische maatschappij. “Het groeien van het leger werklozen wordt door de ondernemers aangegrepen om de lonen van de werkende mensen te drukken. De ondernemersorganisaties spannen zich met medewerking van de rechtse pers enorm in om onze mensen loonmatiging aan te praten”.4

Albert van der Lugt constateerde verder, dat de werkgevers verruiming van het begrip passende arbeid verlangden en een verhoging van de mobiliteit van de beroepsbevolking. “Daarmee hebben zij niets anders op het oog dan het onder druk zetten van de werklozen, om hen te dwingen werk aan te nemen buiten hun beroep dat ze willen uitoefenen en waarin ze zich bekwaamd hebben, vaak tegen een lager loon natuurlijk”. Wat er in de argumenten uitwisseling in de loop der jaren ook veranderd mag zijn, deze argumenten worden nog steeds gebruikt. Nog steeds verlangen werkgevers (en overheid) een flexibeler opstelling van de werklozen, en nog steeds wijzen die er op hun beurt op, dat zij recht hebben op een eigen keuze en op ontplooingsmogelijkheden.

Het eerste aktieprogramma.

De hoofdlijnen in de tactiek van de werklozencomite’s kwamen naar voren in het aktieprogramma, dat tijdens de oprichtingsvergadering van het LAW werd aangenomen. Men eiste verbetering van de sociale voorzieningen, zoals een verlenging van de uitkering in de Werkloosheids Wet (WW) van 26 naar 52 weken, verhoging van de WW-uitkering van 80% naar 90% van het laatst- verdiende loon en optrekking van de uitkering in de Wet Werkloosheids Voorziening (WWV) van 75% naar 85% met een onbeperkte tijdsduur. Dit laatste eiste men om te voorkomen, dat werklozen in de bijstand terecht zouden komen. “Geen werklozen naar de bijstand” was een centrale leus van de samenwerkende comite’s. Deze eis moest ook gelden voor de werklozen, die niet vanuit een werksituatie werkloos waren geworden. Dit betekende, dat de aktiecomite’s volwaardige uitkeringsrechten eisten voor werkloze schoolverlaters en de part-time werkende gehuwde vrouw. Bij werkloosheid na het voltooien van een opleiding moest er volgens de comite’s een WW-uitkering komen, die berekend werd naar het dagloon dat men normaal gesproken in zijn of haar beroep zou verdienen. In het aktieprogramma werd er verder op gewezen, dat de arbeidsbemiddeling moest verbeteren en dat het begrip passende arbeid niet mocht worden verruimd. Het recht op volwaardig werk zou kunnen worden gerealiseerd door het tegengaan van bedrijfssluitingen en reorganisaties, wanneer daar geen vervangende werkgelegenheid tegenover stond. Zwakke bedrijven zouden gesteund kunnen worden door het scheppen van een werkgelegenheidsfonds. Dit fonds zou er kunnen komen door winstafroming bij de grote concerns. Ook winsten uit de bodemschatten (aardgas) zouden gebruikt moeten worden voor verbetering van de werkgelegenheid. De comite’s eisten bijvoorbeeld een versnelde renovatie van oude stadswijken en meer sociale woningbouw. Hierdoor zou met name de werkloosheid in de bouw bestreden kunnen worden. Maar er moest ook een herverdeling van werk komen: verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd met behoud van loon, verlenging van vakanties, verkorting van de arbeidsdag. Maar deze arbeidsverkorting mocht er alleen komen bij behoud van het volle loon. Kortom, de comite’s eisten “echte koopkracht- verbetering door loonsverhoging ter bestrijding van de onderbesteding”.

In feite gingen de comite’s uit van de marxistische onderbestedingsteorie. De redenering van de comite’s was, dat een verlaging van het inkomen- en dat gold zowel voor werkenden als werklozen- ondernemers wel aan winst zou helpen, maar dat het tegelijkertijd zou leiden tot onderbezetting, tot een teruggang van de consumptie en daarmee tot bevordering van werkloosheid. Voor een werkelijke bestrijding van de werkloosheid moesten de inkomens van werkenden en werklozen tegelijkertijd worden verhoogd. Eventuele opmerkingen van werkenden, dat ze niet teveel wilden inleveren voor de premies waaruit de uitkeringen betaald werden, werden bestreden met het argument, dat de hogere werkloosheidsuitkeringen niet door de werkenden betaald moesten worden maar uit de winsten van de grote concerns. Een kritiek op het arbeidsethos of een pleidooi voor afschaffing van de sollicitatieplicht zal men in de eerste werklozen- aktiekranten vergeefs zoeken; van die kant werd het niet bekeken. De mijnwerkers mochten dan gewerkt hebben onder zeer slechte omstandigheden, en sillicose mocht bij hen een beroepsziekte zijn, toch eisten de werklozencomite’s “het bevorderen van de kolenproductie door openhouden van de mijnbedrijven (Juliana, Oranje Nassau, Emma en Hendrik) en door het in productie nemen van de staatsmijn Emma”. Later zou daaraan worden toegevoegd, dat de heropening van de mijnen gepaard moest gaan met een drastische verbetering van de arbeidsomstandigheden.
Speerpunt in het aktieprogramma was de eis van een uitkering ineens van minimaal fl 200,- netto voor alle werklozen en sociaal gesteunden.

Akties voor een uitkering ineens.

Om de eisen uit het aktieprogramma kracht bij te zetten werd vanaf december 1974 overal in het land een handtekeningencampagne gevoerd. Het AWC demonstreerde al op 22 november 1974 met enkele tientallen werklozen op de binnenplaats van het stadhuis voor een duurtetoeslag van fl 200,- ineens. Bij deze aktie kreeg het gemeentebestuur van Amsterdam een petitie aangeboden, die was ondertekend door 2500 werklozen.5
Volgens de aktiekrant werklozen verklaarden gemeenteraden in minstens vijftien grote steden, dat zij zich achter de eisen van de werklozen stelden. In Amsterdam werd door PvdA en CPN een motie ingediend in de gemeenteraad, waarin werd voorgesteld de aktie voor een duurtetoeslag van fl 200,- te steunen. De motie werd door alle partijen in de raad overgenomen en ook wethouder de Cloe van sociale zaken was het eens met de motie. Hij beloofde de zaak te zullen aankaarten in Den Haag.6 Het AWC probeerde zoveel mogelijk instellingen achter de eisen te krijgen. Op 21 januari 1975 overhandigde het Amsterdamse comite een open brief aan het Sociaal Fonds Bouwnijverheid, waarin werd gevraagd om de eisen voor een uitkering van fl 200,- ineens en een verlenging van de WWV-termijnen te steunen.7 De volgende dag hield het AWC een protestvergadering, waar de eisen ook naar voren werden gebracht. Er waren op de manifestatie ongeveer honderd werklozen aanwezig.8

Op 18 februari 1975 overhandigden delegaties van werklozencomite’s uit het hele land aan minister Boersma een petitie, waarin directe verbetering van het inkomen van werklozen werd geeist. Verder werden 53.000 handtekeningen overhandigd van mensen, die het met de eisen eens waren. Voordat de petitie werd aangeboden hielden zo’n 250 vertegenwoordigers van de comite’s een manifestatie in Amicitia in Den Haag. Bij het aanbieden van de petitie deed Boersma twee toezeggingen: het begrip passende arbeid zou niet verruimd worden en op korte termijn zou er een verlenging van de WWV-termijn komen voor werklozen, ouder dan 55 jaar.9
Na het aanbieden van de petitie en de handtekeningen voerden vertegenwoordigers van de actiecomite’s gesprekken met politici van verschillende politieke partijen, waarbij de eisen van de comite’s nogmaals naar voren werden gebracht. De werklozencomite’s waren echter niet tevreden met de toezeggingen van Boersma.

Op 20 februari 1975 verscheen een regeringsnota over de bestrijding van de werkloosheid. De aktiekrant reageerde fel: ” in de nota wordt geen gehoor gegeven aan de eisen van de werklozen voor een verbetering van hun financiele positie. In plaats van een halt toe te roepen aan de werkloosheid, volhardt de regering in passiviteit en komt ze met gunsten voor de ondernemers”.10
Een bedrag van 225 miljoen gulden werd uitgetrokken voor steun aan afzonderlijke “zwakke” bedrijven, maar de aktiekrant konstateerde, dat de meeste gelden terecht kwamen bij de grote concerns, die de grootste winsten maakten. Premies en subsidies voor werkgevers om bepaalde categorien werklozen in dienst te nemen betekenden volgens de werklozencomite’s alleen maar een loonkosten verlaging voor de werkgevers, die tot gevolg hadden dat de ondernemers hun goedkope, gesubsidieerde arbeiders tegen hun duurdere collega’s uitspeelden om zo de lonen te kunnen drukken.

In de nota van Boersma vinden we inderdaad de eerste signalen van een beleidswijziging, waarbij de regering van het keynesiaanse beleid afstapte en overging tot drastische bezuinigingen. In de nota werd het uitgangspunt van de ondernemersorganisaties, dat het de hoge loonkosten waren die de werkloosheid veroorzaakten overgenomen. Loonmatiging, bezuinigingen en afschaffing van de automatische prijscompensatie zouden noodzakelijk zijn. De uitgangspunten van de nota botsten met het uitgangspunt van de werklozencomite’s, dat loonmatiging juist zou leiden tot onderbesteding. De nota Boersma is te zien als een eerste voorbode van een beleid, waarbij uit een heel ander vaatje getapt zou worden. Grote konflikten tussen de vakbeweging en de overheid, met name over de automatische prijscompensatie dienden zich aan.

De grote vakbonds manifestatie tegen de werkloosheid.

Terwijl de werklozencomite’s hun handtekeningencampagne voerden, besloten NVV, NKV en CNV op 22 februari 1975 een landelijke demonstratieve bijeenkomst te organiseren om te protesteren tegen de werkloosheid en de gevolgen daarvan. Albert van der Lugt beschouwde het besluit van de vakcentrales mede als een verdienste van de akties van werklozen.11
Uit zijn reactie bleek, dat de comite’s streefden naar samenwerking met de vakbeweging. “De meeste leden van de werklozencomite’s zijn lid van de vakbonden, in het bijzonder het NVV….in verschil- lende plaatsen in het land werken werklozencomite’s en afdelingen van vakbonden samen om protestbijeenkomsten te organiseren”. De comite’s probeerden een soort intermediair te vormen tussen de vakbonden en de ongeorganiseerden. Zij benaderden deze laatste groep tijdens hun handtekeningencampagnes ook door propaganda te maken voor de demonstratie van de vakcentrales op 22 februari. Bovendien huurden de werklozencomite’s met name in het noorden van het land veel bussen om zoveel mogelijk mensen naar Utrecht te krijgen. Ook vanuit Amsterdam reden er extra bussen en treinen.12
Tijdens de landelijke manifestatie in de Veemarkthallen in Utrecht eiste Wim Kok, voorzitter van het NVV, dat de WW-uitkering zou worden opgetrokken naar 80% van het laatst verdiende loon. Ook moest volgens hem de uitkeringsduur worden uitgebreid. In een verklaring die na afloop van de manifestatie werd uitgegeven deelden de vakcentrales mee, dat ook de WWV moest worden opgetrokken tot 80% van het laatst genoten loon, terwijl de uitkeringsduur moest worden verlengd. Daarnaast zouden ook gehuwde vrouwen, die werkloos werden voor een WWV-uitkering in aanmerking moeten komen.13

Op dat moment was de situatie zo, dat gehuwde vrouwen die geen kostwinster waren geen WWV-uitkering konden krijgen. Tijdens de manifestatie ging Wim Kok tekeer tegen de voorstellen voor loonmatiging. “Als men denkt de werknemers te kunnen aanpraten dat ze voor het bestrijden van de werkloosheid de buikriem maar eens stevig moeten aanhalen dan heeft men het bij het verkeerde eind”. De werklozencomite’s juichten deze opmerkingen toe, maar toch was het niet bepaald koek en ei tussen de comite’s en met name de leiding van de vakcentrales. Een van de aktiekranten: “Het is een publiek geheim, dat de drie vakcentrales zo min mogelijk ruchtbaarheid aan de manifestatie hebben gegeven. Zij gaven slechts mondjesmaat toegangskaarten uit, kennelijk met de bedoeling dat de bijeenkomst een gematigd karakter zou dragen”.14
De aktiekrant konstateerde dat het toch een massale demonstratie werd en dat dit te danken was aan de inspanningen en de propaganda van de werklozencomite’s en verscheidene vakbondsafdelingen. Zij hadden de mensen opgeroepen naar Utrecht te komen. De aktiecomite’s voerden tijdens de manifestatie hun eigen, verdergaande leuzen mee, zoals die ook in het aktieprogramma naar voren kwamen. (De comite’s wilden bijvoorbeeld optrekking van de WW tot 90 % in plaats van 80%) De uitgangspunten van de comite’s botsten met die van de vakcentrales, die wilden dat de manifestatie in de Veemarkthallen alleen bezocht zou worden door een beperkte groep georganiseerden met toegangskaarten. Bij de ingang van de hallen ontstonden ruzies tussen vertegenwoordigers van de bonden en vertegenwoordigers van de aktiecomite’s, die eisten, dat iedereen, dus ook ongeorganiseerden, toegang zou hebben tot de manifestatie. Dit gebeurde uiteindelijk ook.

Het Vrije Volk schreef later, dat de comite’s valse kaarten in omloop hadden gebracht om zoveel mogelijk demonstranten binnen te krijgen. De aktiekrant noemde dit een pertinente leugen. Men konstateerde, dat veel comite-leden aktieve vakbondsleden waren, die een geldige kaart hadden. Verder konstateerde men, dat de bijeenkomst zo’n massaal karakter had, dat er geen sprake van kon zijn dat mensen buiten de deur gehouden konden worden.

Het AWC krijgt een eigen trefcentrum

Hiervoor bespraken we het aktieprogramma van het LAW. Een van de punten uit het programma was ook, dat er trefcentra voor werklozen moesten komen, gesubsidieerd door de gemeenten. In de centra zou advies aan werklozen kunnen worden gegeven over het Arbeidsbureau en de sociale dienst en vanuit de centra zou aktie gevoerd kunnen worden voor de eisen van de comite’s. De akties voor eigen trefcentra hadden al snel resultaat. In Amsterdam demonstreerde het AWC op 4 december 1974 voor het Wibauthuis. De eis voor een eigen trefcentrum stond daarbij centraal. Na de demonstratie vertrok men naar het stadhuis, waar de eis aan het gemeentebestuur werd overhandigd.15
Al op donderdag 6 februari 1975 was het zover: op deze dag werd het nieuwe trefcentrum van het AWC officieel geopend in aanwezigheid van een twintigtal werklozen en de raadsleden van der Ven van de Partij van de Arbeid en Clerx van de CPN. De nieuwe ruimte, die door de gemeente beschikbaar was gesteld, was gevestigd in het gebouw van de sociale dienst aan de Lutmastraat 2-4. De voorzitter van het AWC, Jan Mannaert, verrichtte de opening door het woord “eist” af te knippen van een spandoek waarop stond: “eist een advies-aktie- en trefcentrum”. Daarna werd het spandoek aan de buitenkant van het gebouw bevestigd.

Het AWC beschikte over twee lokalen.16. Het onderkomen was iedere dag van 10.00 uur tot 17.00 uur geopend. Jan Mannaert stelde, dat het centrum van groot belang was als hulpmiddel om de aktiviteiten en de slagvaardigheid van de werklozenbeweging te vergroten. Hij merkte verder op, dat het AWC al veel sympathie onder de werklozen had verworven, tot uitdrukking komend in de landelijke handtekeningenaktie voor een duurtetoeslag van fl 200,-. Tot 5 februari waren er in Amsterdam al meer dan 6000 handtekeningen opgehaald17 Ten slotte bracht Mannaert naar voren, dat het AWC keihard aan de gang zou gaan om de feestelijke sluiting zo snel mogelijk te doen plaatsvinden, namelijk wanneer de werkloosheid zou zijn opgelost.18
In de loop van 1975 kwamen er ook trefcentra in andere plaatsen, zoals Deventer, Groningen, Nijmegen, Sneek en Utrecht.

Aktiviteiten van het AWC in 1975

In de loop van 1975 waren er in de nieuwe ruimte van het AWC vele aktiviteiten. Elke dag was er tussen 10.00 uur en 16.00 uur advieswerk voor werklozen met een uitkering. Verder waren er akties bij bedrijfsverenigingen en sociale dienst, om “onrechtmatige stopzettingen van uitkeringen teniet te doen”. Er werden bijvoorbeeld beroepsprocedures opgezet voor werklozen, die een strafkorting hadden gekregen omdat ze te weinig zouden solliciteren. Elke dinsdagmiddag om 14.00 uur was er een openbare aktivistenvergadering, waar het lopende werk werd besproken en akties werden gepland. In het voorjaar van 1975 waren er lezingen over de februaristaking en de toepassing van de sociale wetten. Bovendien bestonden er kontakten met kunstenaars om gezamenlijk aktiviteiten te ontwikkelen.19 Daarvoor werd een culturele commissie in het leven geroepen. Dit leidde er oa toe, dat het werklozen cabaret uit Hoorn in Amsterdam optrad.20
Verder werd er een financiele campagne gevoerd. Er gingen steunlijsten rond op bouwprojecten in Amsterdam, en er werd regelmatig gepost bij het arbeidsbureau. Het krantje van het AWC meldde dat men in drie weken meer dan fl 2500,- ophaalde.21

Op 14-4-1975 organiseerde het AWC een manifestatie in Krasnapolsky.22 Daarbij bleek, dat het AWC verschillende werkgroepen had, die aandacht besteedden aan de belangen van specifieke groepen. Er waren sprekers van het AWC en van de comite’s voor werkloze academici, jongeren, bouwvakkers en vrouwen. Besloten werd, een open brief naar de Tweede Kamer te versturen, waarin de eisen die ook al in het aktieprogramma van het LAW naar voren kwamen nog eens werden genoemd. Maar er waren in 1975 nog meer akties. In mei werd door het AWC in de Haarlemmerbuurt een aktie gehouden voor een snelle aanpak van de stadsvernieuwing. Op een groot braak liggend terrein- het grootste gat van Amsterdam- werden op symbolische wijze huizen gebouwd.23

Vrouwen

In het voorjaar van 1975 werd bij het AWC ook een Aktiecomite Werkloze Vrouwen opgericht, dat druk probeerde uit te oefenen op de regering, en met name minister Boersma om de WWV-discri- minatie van de vrouw af te schaffen.24 Op 8 april 1975 organiseerde het vrouwencomite een openbare aktievergadering in het Marco Pologebouw.25 Op de vergadering werd namens het Comite Werkloze Vrouwen het woord gevoerd door Jannie Tuin. Jan van Dijk voerde het woord namens het bouwvakcomite. In een pamflet dat naar aanleiding van de aktievergadering werd geschreven deelden de vrouwen mee, dat ze het initiatief hadden genomen om aktie te voeren tegen een aantal werkloosheidsregelingen, waarbij vrouwen duidelijk gediscrimineerd werden. De vrouwen eisten recht op gelijk loon en gelijke uitkeringen, en gelijke behandeling bij de WW- uitkering, dus geen willekeur; deze eis werd gesteld, omdat het de vrouwen gebleken was, dat met name part-time werkende vrouwen lang niet altijd een WW-uitkering kregen, ook niet als ze er wel recht op hadden. Verder werd de eis gesteld, dat vrouwen in aanmerking moesten komen voor een WWV-uitkering, ongeacht de vraag, of de werkende gehuwde vrouw kostwinner was of niet. De vrouwen eisten ook, dat er bij het arbeidsbureau geen verplichte inschrijving voor hele dagen zou zijn voor part-time werkenden. Deze eis werd gesteld omdat veel vrouwen met kleine kinderen geen tijd hadden om hele dagen te werken. En ten slotte eiste men, dat er geen korting op het salaris van de vrouw zou komen, wanneer haar man in de bijstand verzeild raakte. Op dat moment was de regeling zo, dat wanneer mannen werkloos werden en in de bijstand terecht kwamen, de salarissen van hun werkende vrouwen stevig werden ingekort; een derde van haar salaris mocht de vrouw houden, met een minimum van fl 92,- Na de aktievergadering werd een handtekeningencampagne georganiseerd bij het arbeidsbureau en bij bedrijven, waar veel vrouwen werkten. Ook bij avondscholen, waar veel vrouwen een cursus volgden, werd gepost.

Op donderdag 29-5-1975 werden de handtekeningen op het ministerie van Sociale Zaken overhan- digd. De Nederlandse Vrouwen Beweging en Man Vrouw Maatschappij hadden zich inmiddels solidair verklaard. Een afvaardiging van het comite mocht de eisen van de vrouwen die hierboven ook al werden genoemd binnen voorlezen aan een ambtenaar. s’Middags hadden de vrouwen een gesprek met de technische commissie van de sociale verzekeringsraad, waarbij de eisen nogmaals werden toegelicht. Ten slotte voerden de vrouwen gesprekken met leden van Tweede Kamerfracties van politieke partijen.26
De aktie van de vrouwen kreeg veel publiciteit. Zo besteedde de NOS TV aandacht aan werkloze vrouwen in het programma “Ot en hoe zit het nou met Sien”. In dit programma speelden de vrouwen van het AWC een belangrijke rol. Veel vrouwen hebben naar aanleiding van de uitzending naar het AWC gebeld.

Landelijke akties in 1975.

Van 26 mei tot 30 mei organiseerden de comite’s in het hele land bijeenkomsten en lezingen. Ook probeerden verschillende comite’s hun werk meer bekendheid te geven door met informatiekramen op markten te gaan staan. Hoogtepunt van de aktie- week was een landelijke congresdag op woensdag 28 mei in Amsterdam. Tijdens de aktie week probeerden de diverse lokale comite’s deelnemers voor het congres te werven. Er werd daarbij een financiele campagne gestart. Werklozen konden “bouwstenen” kopen voor een gulden, om de akties te steunen. Verder werden er kaarten voor de manifestatie op 28 mei verkocht. Iedere ochtend stond het AWC in de hal van het arbeidsbureau waar manifesten naar aanleiding van het congres werden verspreid en kaarten werden verkocht. Op deze wijze haalde men bijna fl 1000,- binnen. Het AWC liet op 26 mei een geluidsboot door de grachten en over het IJ varen om overal op te roepen tot ondersteuning van de aktie voor een positieverbetering van werklozen. De boot meerde oa enige tijd aan voor het arbeidsbureau op het Singel.27 In verschillende plaatsen werden manifestaties gehouden, oa in Deventer, Enschede, Groningen, Heerlen, Utrecht en Amsterdam. In Deventer was er op zaterdag 31 mei een manifestatie onder de leus: “Deventer maakt een vuist voor werk en hogere uitkeringen”. In Enschede was er een bijeenkomst op dinsdagavond 27 mei in Concordia. Het comite uit Delft deelde mee, dat ze met 40 deelnemers zouden komen, en de Limburgse comite’s kwamen met een bus. Na het demonstratieve congres hebben het LAW en de aangesloten comite’s een ansichtkaart onder werklozen verspreid die moest worden opgestuurd naar de Minister van Sociale Zaken. Het landelijk werklozen congres, de aktieweek en het opsturen van de ansichtkaart waren bedoeld om de druk op Boersma op te voeren. Deze was immers wel bereid tot verlenging van de WWV-uitkeringen voor werklozen van 571/2 jaar en ouder, maar de comite’s wilden een verlenging van de WWV- uitkeringen voor alle werklozen. 28

Jongeren in aktie tegen de werkloosheid.

Zoals we hiervoor hebben gezien, was er wel samenwerking tussen werklozencomite’s en vakbondsafdelingen (veel aktivisten waren aktief in beide). Maar de leiding van de vakcentrales wilde zich volgens de comite’s slechts in beperkte mate inzetten voor de belangen van de werklozen. Bij de jongerenorganisaties van de erkende bonden kreeg de bestrijding van de werkloosheid echter steeds meer prioriteit. Op 7 en 8 november 1975 kwamen op het Troelstra-oord in Beekbergen 200 NVV-jongeren bijeen voor de konferentie “Recht op Arbeid”. Daarvoor al, in 1974 hadden de jongeren een grote aktie “stop de jeugdwerkloosheid” gehouden, waarbij de jongerenorganisatie van het NVV een aanzet gaf tot een plan voor werkgelegenheidsprojecten voor jongeren. In 1974 waren er onder de 134.900 werklozen 47.500 jongeren onder de 25 jaar. De strijd tegen de jeugd- werkloosheid begon in deze tijd voor het NVV-JC steeds belang- rijker te worden.29 Op de konferentie in Beekbergen werd een resolutie aangenomen, waarin gepleit werd voor samenwerking met de aktiecomit‚’s van werklozen. De NVV-jongeren besloten, “elk bondslid op te roepen om in eigen bond en omgeving te werken aan een grotere bereidheid tot samenwerken met de werklozencomite’s, zowel op plaatselijk als landelijk niveau”. Bovendien verklaarden de jongeren, dat zij de oproep tot samenwerking onder de aandacht van het verbondsbestuur zouden brengen. De jongeren konstateerden, dat er weliswaar verschillen in eisen waren tussen het NVV en de comite’s (bv de optrekking van de WW tot 80 resp 90%) maar dat ook bij de comite’s de gezamenlijke belangen van werkenden en werklozen centraal stonden en dat dit samenwerking noodzakelijk maakte. De oproep van de NVV-jongeren zou met name de strijd van werkloze schoolverlaters nieuwe impulsen geven. In verschillende plaatsen werd vanaf dat moment gewerkt aan “schoolverlaterscomite’s”.

Inleiding Boek ‘Werklozen in aktie’, de geschiedenis van de Werklozen belangen Vereniging Amsterdam, 1974-1992/WBVA-1992

Deze brochure gaat over de geschiedenis van de Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam (WBVA) in de afgelopen vijftien jaar. Daarnaast besteed ik aandacht aan de voorloper van de vereniging, het Amsterdams Werklozen Comite. Bij het schrijven van deze brochure kreeg ik met verschillende moeilijkheden te maken. Het bleek, dat het archief van de vereniging voor een groot gedeelte een chaos was. Vele meters papier, die niet geordend waren. In de loop der jaren hebben verschillende vrijwilligers en/of beroepskrachten

meer of minder ambitieuze plannen opgezet om het archief te ordenen, maar al deze plannen lijken na een aanvankelijk ongetwijfeld enthousiast begin te zijn gestrand. Bij iedere nieuwe poging werd een nieuw systeem bedacht, en een klein gedeelte volgens dit systeem geordend. In 1987 werd het meest ambitieuze plan opgezet, nl een knipselarchief over alles wat met werkloosheid en uitkeringen te maken heeft, toegankelijk te maken door een systeem van trefwoorden, ingevoerd in de computer. Het leidde tot de ordening van ongeveer drie meter archief, geordend in mappen die van titels zijn voorzien. Na de stopzetting van de subsidie door de gemeente Amsterdam is echter ook dit project ter ziele gegaan. Wel zijn er nu enkele vrijwilligers, die kranten bijhouden en de knipsels onderbrengen in de verschil-lende mappen, zodat het archief wat dit gedeelte betreft enigzins toegankelijk is. De rest is zoals gezegd of een chaos, of er zit enig systeem in door het feit, dat met name de Vrouwen Steun Groep papieren naar aanleiding van haar aktiviteiten onderbracht in afzonderlijke mappen. Het viel niet mee, om op basis van dit archief een lopend verhaal te maken over de geschiedenis van de vereniging.

Verder is het zo, dat in 1979 in de zomer of vlak ervoor, het pand waar de WBVA gevestigd was, in de Lutmastraat, door brand werd verwoest. Veel materiaal is daarbij waarschijnlijk verloren gegaan. Dit zal de oorzaak zijn van het feit, dat over de periode van voor 1979 vrij weinig in het archief terug te vinden is. Ik moest me voor die periode vooral baseren op de landelijke aktiekrant werklozen, waarvan alle jaargangen nog aanwezig zijn, en daarnaast een kleine verzameling pamfletten en affiches. Verder heb ik voor deze periode gebruik gemaakt van krantenartikelen en her en der materiaal verzameld, oa uit het archief van de Vereniging Bijstandsbond Amsterdam, van individuele personen en van het gemeentearchief. De tijd ontbrak mij echter om uitgebreid op zoek te gaan naar materiaal.

bestaande geschiedschrijving

Ik stelde mij in het begin voor, met name aandacht te besteden aan de WBVA, maar allengs bleek mij, dat de geschiedenis van de WBVA en van het AWC nauw verbonden is met landelijke ge-beurtenissen en het landelijk beleid van de overheid, met name in de zeventiger jaren. De redaktie van de aktiekrant werklozen was in Amsterdam gevestigd, in het pand van het AWC en later de WBVA, en ook vele bestuursleden van de landelijke organisatie waren uit Amsterdam afkomstig, vele akties werden vanuit Amsterdam opgezet. Maar ook in de tachtiger jaren waren er kontakten met landelijke organisaties. Bovendien waren de meeste akties van de WBVA een reaktie op landelijke ontwikkelingen. In deze brochure komen daarom maatregelen van de landelijke overheid ook ter sprake. Ik ben daarbij echter wel steeds uitgegaan van de Amsterdamse inbreng. Dit betekent, dat voor wat betreft de landelijke ontwikkelingen en de ontwikkelingen in andere plaatsen een vertekend beeld ontstaat.

Ik heb vooral aandacht besteed aan die overheidsmaatregelen, die tot verzet van uitkeringsgerechtigdengroepen hebben geleid. Een en ander betekent, dat bijvoorbeeld allerlei beleidswijzigingen bij de Gemeentelijke Sociale Dienst of het Arbeidsbureau slechts summier aan de orde komen, wanneer daar niet of nauwelijks op werd gereageerd. Ik kon me voor een landelijk beeld nauwelijks baseren op wat anderen voor mij daarover geschreven hadden. De geschiedschrijving van belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden in de afgelopen twintig jaar verkeert nog in een beginstadium. De beschrijving van wat uitkeringsgerechtigdengroepen binnen en buiten de grote vakbonden nu wel hebben gedaan is magertjes vergeleken bij de uitgebreide wetenschappelijke onderzoekingen naar het gedrag van werklozen en andere uitkeringsgerechtigden, die niet in aktie zijn gekomen.

De belangrijkste studies die zijn verschenen hebben betrekking op de strijd tegen de voordeurdelerskortingen (van den Oord), de strijd van de comite’s Vrouwen in de Bijstand in de jaren 1982/1983 en een brochure over de geschiedenis van Unitas uit Nijmegen. Verder werden door enkele landelijke organisaties korte overzichten uitgegeven. Door de enigzins eenzijdige geschiedschrijving over de belevingswereld van uitkeringsgerechtigden ontstaat een vertekend beeld. Benadrukt wordt in veel studies dat werklozen en WAO-ers passief zijn, niet in aktie komen, meestal omdat het werkloos zijn een te negatief begrip is om mensen op te orga-niseren. Bovendien zouden de meeste uitkeringsgerechtigden een traditioneel arbeidsethos hebben, waarbij ze eerst verwoede pogingen doen om aan het werk te komen, waarna ze in passiviteit vervallen en de hand lichten met de regels die de overheid heeft gesteld. Het kan niet worden ontkend, dat massa-akties van werklozen in de zin van massale demonstraties en grote belangenorganisaties met veel leden zijn uitgebleven. De WBVA had eind zeventiger jaren ongeveer 1500 leden. Toch lijkt dit beeld wel te moeten worden genuanceerd. Er is in de loop der jaren een veelheid van lokale groepen ontstaan, die allerlei aktiviteiten ontplooiden, van alternatieve werkvormen tot individuele en collectieve belangenbehartiging. Deze groepen blijven in de officiele geschiedschrijving buiten beeld. Hoewel akties van werklozen wel in de publiciteit zijn gekomen, is dit toch beperkt; lokale aktiviteiten van allerlei groepen gaven maar zelden aanleiding tot sensationele reportages in de kranten.

De beweging van uitkeringsgerechtigden wordt momenteel gekenmerkt door een zoektocht naar nieuwe aktiemethoden en mogelijkheden van beinvloeding van het overheidsbeleid. Ik hoop met dit boekje over de geschiedenis van de werklozenbeweging een bijdrage te leveren aan die diskussie; je rekenschap geven van wat anderen in het verleden hebben gedaan kan leiden tot nieuwe argumenten en aktiviteiten.

nadere probleemstellingen

Wat de geschiedenis van het AWC en de WBVA betreft heb ik mij vooral gericht op de volgende vragen:

1. In welk theoretisch kader plaatsten de aktivisten van de WBVA de werkloosheid, en welke veranderingen zijn er in hun zienswijze opgetreden? Een belangrijke vraag daarbij is in hoeverre opvattingen over arbeid zich hebben gewijzigd en waarom die zich wijzigden. Verder probeer ik na te gaan, welke alternativen tegenover het overheidsbeleid werden gesteld.
2. Welke organisatievormen koos men om de doelgroep te berei-ken en hoe definieerde men die doelgroep?
3. Welke coalities streefde men na, om de gestelde doelen te bereiken?