Naar een democratisch alternatief

Gepubliceerd op de website en in het tijdschrift van het initiatief de Derde Kamer. november 1995

In de Derde Kamer hebben we de afgelopen tijd veel gediscussieerd over de conclusies die we kunnen trekken uit onze openbare bijeenkomsten. We stelden ons daarbij de vraag: mogen we de Derde Kamer zien als platform van en voor sociale bewegingen, of moeten we de Derde Kamer zien als platform voor radicale democratie? In het eerste geval proberen we vertegenwoordigers van sociale bewegingen met elkaar in discussie te brengen en een gezamenlijke analyse te ontwikkelen. In het tweede geval concentreren we ons meer op de Derde Kamer als (actie)groep voor meer democratie.
Naar aanleiding van deze discussie schreef ik een bijdrage, waarin verschillende concepties van democratie naast elkaar werden gezet en de betekenis van democratie in sociale bewegingen nader werd geanalyseerd. Het verhaal is mede gebaseerd op het boek van M. de Geus ‘Organisatietheorie in de politieke filosofie’. Veel actie- en belangengroepen discussiëren de laatste jaren over de te volgen strategie om hun doelstellingen te bereiken. Wat bij die discussie een rol speelt is dat traditionele actiemodellen, zoals massale manifestaties en bezettingen of blokkades nauwelijk invloed lijken te hebben op het overheidsbeleid. In de tweede helft van de jaren tachtig leidde dit tot twee reacties:
Sommigen gingen de weg op van het reguliere overleg met de overheid. Groepen uitkeringsgerechtigden werden lid van “clientenraden” en ook een stichting als Natuur en Milieu zit in vele overlegorganen. Zij gaan er van uit dat het mogelijk moet zijn het overheidsbeleid bij te stellen door het voortdurend naar voren brengen van inhoudelijke kritiek en het formuleren van tegenargumenten.
Anderen dachten dat het beter was om zelf concrete doe-het-zelf-projecten op te zetten, waarmee de eigen idealen direct in de praktijk zouden zijn te brengen. Zij schiepen woon-werk-gemeenschappen (soms vanuit de kraakbeweging), alternatieve geldsystemen zoals het LETS-systeem, gebruikers-coöperaties, biologische landbouwprojecten, etcetera. Overigens is deze doe-het-zelf-beweging wel een constante onderstroom in de maatschappij. Een verschil met vroeger is echter, dat zij in deze post-moderne tijd minder wordt ingepast in een volledige maatschappij-analyse zoals het socialisme. Het is een enigszins verbrokkeld geheel van praktisch bezig zijn op basis van persoonlijke deel-analyses.
Bureaucratiën
Zowel op het niveau van het reguliere overleg met de overheid of grote ondernemingen als op het meer individuele niveau stuit de burger echter op de ondoordringbaarheid van bureaucratiën en op de beperkingen van ons democratisch systeem. Wanneer groepen burgers het overheidsbeleid trachten te beïnvloeden, worden zij geconfronteerd met ambtelijke beleidsnota’s die door politieke bestuurders worden gedekt, en waarbij plannen op de rails worden gezet, die niet meer zijn te beinvloeden. Het blijkt een soort langzaam draaiende bureaucratische machine te zijn, die niet meer kan worden bijgestuurd en die niet is te stoppen. Bureaucratiën worden gekenmerkt door hiërarchische structuren, waarbij mensen aan de top veel te vertellen hebben en mensen in lagere functies niet. Op lagere functieniveaus hou je je bezig met een deeltaakje dat vanuit centrale sturing wordt afgestemd op andere deeltaakjes. De soms verborgen veronderstelling van de voorstanders van dit model is, dat mensen slechts in zeer beperkte mate in staat zouden zijn zichzelf te besturen. De gewone organisaties dienen te gehoorzamen en beslissingen van hogerhand te aanvaarden, aangezien de elite met superieure kennis begiftigd is. De leiders zijn vooral bezorgd om de efficiency en rationaliteit van de organisatie en om het soepel en probleemloos laten verlopen van de controle van bovenaf. Vertegenwoordigers van sociale bewegingen die met dergelijke burokratiën in overleg treden worden vaak geconfronteerd met een inperking van de discussie tot de uitwisseling van technische argumenten op het gebied van de uitvoering van overheidsbesluiten, die zelf niet ter discussie staan.
Integratie benadering
Om de demokratie, de invloed van de burger, te verbeteren, wordt meestal de integratieve organisatieconceptie naar voren gebracht. Deze conceptie heet integratief, omdat er wordt gestreefd naar wilsintegratie van individuen, d.w.z. de individuele wil gaat op in de collectieve wil, die meestal op basis van meerderheidsbesluiten en referenda wordt vastgesteld. Hierin past de conceptie van burgerschap. Het individu gaat niet zomaar akkoord met de wil van de meerderheid. Daarvoor neemt hij/zij actief deel aan allerlei discussies waarin argumenten worden afgewogen alvorens een besluit wordt vastgesteld. Dan pas legt het individu zich neer bij de wil van de meerderheid en stelt zich beschikbaar voor bestuurlijke funkties om een en ander uit te voeren. Daarbij wordt gekozen voor een systeem van vertegenwoordigers die namens de burgers optreden en periodiek worden gekozen. Het zou te ver voeren, hier alle beperkingen van dit democratiemodel te noemen. Een punt wil ik echter naar voren halen. Ook bij de integratieve benadering wordt de scheiding tussen de sfeer van hiërarchische verbanden zoals bedrijven en (overheids)bureaucratiën enerzijds en de staat als democratische organisatie anderzijds niet in twijfel getrokken. In de politieke sfeer worden democratische concepties geaccepteerd en gepropageerd. Hier wordt het individu beschouwd als een vrij en gelijk mens die recht heeft op inspraak en zeggenschap, zelfontplooiing en zelfbeschikking (burgerschap) zoals in de oudheid bij de Grieken. In het particuliere domein worden meer hiërarchische concepties gepropageerd. De mens is een werknemer die zich heeft aan te passen aan de wensen van het management; de mens als gehoorzame, betrouwbare en loyale werknemer.
Libertaire benadering
De scheiding tussen deze twee domeinen moet worden doorbroken. Een meer libertaire organisatieconceptie zou daarbij als leidraad kunnen dienen. Hierbij staat niet het heersersprincipe of de collectieve soevereiniteit centraal, maar de individuele soevereiniteit, de mens als zelfbepalend individu, waarbij wordt gestreefd naar een maximale individuele vrijheid. Dit heeft gevolgen voor de ordening van de maatschappij; er is dan geen plaats meer voor centrale sturing van de ekonomie of voor een meerderheidsgebonden inrichting van de staat. In plaats daarvan komt een federatief geheel van lokale, in hoge mate autonome gemeenschappen met ruimte voor zelbesturing. Het gaat om losse, beweeglijke en niet-hiërarchische organisatieverbanden, waarbij zelforganisatie, flexibiliteit en onafhankelijkheid worden benadrukt. Men gaat hierbij uit van het zelfregulerende karakter van een dergelijke organisatie. Daarbij geldt als uitgangspunt dat mensen uitstekend in staat zijn zichzelf en, samen met anderen, lokale gemeenschappen te besturen. Overigens moeten we hierbij niet alleen denken aan territoriaal afgegrensde gemeenschappen. Flexibele, horizontaal gestructureerde organisatievormen worden ook nu al tot ontwikkeling gebracht bij zowel belangengroepen, overheid alsook het bedrijfsleven, en dit is niet alleen maar negatief. Men kan hierbij denken aan netwerkachtige verbanden; organisaties als een soort spinnewebben waarbij de draden alle kanten opgaan en de onderdelen op verschillende wijze met elkaar in verband staan. Dit kan worden gecombineerd met horizontaal gestructureerde organisaties, gebaseerd op soms tijdelijke project- en taakgroepen die in grote mate autonoom zijn en op democratische wijze tot besluiten komen. Een voorbeeld daarvan kwam ter sprake op de Amsterdamse bijeenkomst van de Derde Kamer, nl. de ambtelijke projectgroepen in het kader van de stadsvernieuwing.
Tot slot
De ervaringen van individuele burgers en vertegenwoordigers van sociale bewegingen met de overheidsbureaucratie brengen mij tot de opvatting dat het een hoofdtaak van de Derde Kamer zou moeten zijn in het publieke debat over democratie de nadelen van zowel de bureaucratische als de integratieve benadering naar voren te brengen en zelf
nieuwe organisatieconcepties in de praktijk te brengen en verder te ontwikkelen. Daarbij kunnen meer libertaire uitgangspunten van organisatie als alternatief naar voren worden gebracht.

1 Reactie op Naar een democratisch alternatief

  1. pvdlende zegt:
    begin 1996
    Thema: Derde Kamer
    Door: Clemens Raming
    Naar een democratisch alternatief door een open diskussiekultuur
    Het gaat bergafwaarts met onze parlementaire democratie. Onderworpen aan de dictatuur van de markt, is ze niet in staat zich de oprukkende Euro-burocratie en de insluipende politiestaat van het lijf te houden. Eerste- en Tweede-Kamerleden praten over verbeteringen, waarvan niemand gelooft dat die het tij kunnen keren. Daarom is het goed dat er een Derde Kamer is.
    Heerschappij en vrijheid
    In de Derde Kamerberichten van november 1995 zet Piet van de Lende een spoor uit ‘Naar een democratisch alternatief’. Hij constateert dat onze samenleving nog altijd wordt gedomineerd door bureaucratische structuren en dat de zogenaamde integratieve organisatieconceptie die aan de parlementaire democratie ten grondslag ligt, onvoldoende tegenkracht opbrengt. Als leidraad voor een alternatief huldigt de auteur de libertaire organisatieconceptie: ‘Hierbij staat niet het heersersprincipe of de collectieve soevereiniteit centraal, maar de individuele soevereiniteit, de mens als zelfbepalend individu, waarbij gestreefd wordt naar een maximale individuele vrijheid’.
    Deze libertaire basisgedachte klinkt mooi, maar verdient niet de eer die Piet haar bewijst. ‘Individuele soevereiniteit’ is een uitdrukking die de heerserskultuur voortzet – soevereiniteit is de aanspraak van staten op heerschappij over een stuk aardoppervlak met de bijbehorende bevolking. Het libertaire denken tendeert naar het individualiseren van het heersersprincipe: de mens als heerser in het koninkrijk van het eigen bestaan. De libertaire ideologie bewijst volgens mij de menselijke vrijheid een slechte dienst omdat ze deze uit de concrete werkelijkheid van het leven wegplukt, op een voetstuk zet en daarmee prijsgeeft aan de spot van de realisten en aan het hoofdschudden van de wetenschapper. Voor hen zijn mensen kortzichtig, manipuleerbaar en machtsafhankelijk. Mensen lopen achter politici aan die hen welvaart en veiligheid beloven en die inspelen op chauvinisme en onvermoede krachten in hen oproepen. En als tenslotte de teleurstelling toeslaat, verliezen ze alle interesse in de politiek.
    Ik zie geen heil in mensdefinities die daaraan voorbijgaan. Zelfbeschikking en demokratische vrijheden komen mijns inziens slechts tot hun recht in een klimaat van tolerantie, openheid, konstruktieve kritiek en zelfinzicht. Vrijheid is een project waar mensen, los van ideologische grootspraak, vallend en opstaand, maar met elkaar vorm aan moeten geven.
    De voorwaarden voor democratie
    Uit het libertaire basisconcept leidt Piet van de Lende een reeks organisatorische constructies af. Zijn samenvatting daarvan is zo kompact dat zeker de oningevoerde lezer erdoor wordt overrompeld. Jammer, want het ontwikkelen en uitproberen van zulke constructies is volgens mij een noodzakelijk onderdeel van het streven naar een volwaardige democratie. De meeste mensen die zich daarmee bezig houden blijken daarvoor echter helemaal geen libertaire beginselen nodig te hebben. Volgens mij is democratisering meer dan een kwestie van organisatievormen. Een onderzoek van anarchistische groepen vier jaar geleden heeft aangetoond dat in sommige van deze groepen, ondanks een prachtig basisdemocratische besluitvorming, enkele dominante figuren de lakens uitdeelden, terwijl anderen niets hadden in te brengen.
    Het libertaire denken gaat ervan uit, zegt Piet van de Lende, ‘dat mensen uitstekend in staat zijn zichzelf en, samen met anderen, lokale gemeenschappen te besturen’. Dat is een ideologische losse flodder. Het reëel bestaande lokale zelfbestuur funktioneert binnen de kaders van de gevestigde maatschappij. Dat beperkt met de beslissingsruimte ook de keuzeproblemen. Hoe belangrijker de zaken waarover mensen in eigen kring beslissen, des te groter het beroep op hun democratische gezindheid.
    Ik ben overtuigd van de wenselijkheid en zelfs de harde noodzaak van een onthiërarchiseringsbeweging, alleen al omdat besluitvorming en actie volgens het ‘A beveelt B’ principe onvoldoende zijn voor de besturing van een complexe en dynamische samenleving. Er is ook al zo’n beweging, alleen kan niemand voorzien wat die uiteindelijk zal opleveren. Concentreren we ons daarom op de vooruitgang die binnen ons eigen bereik ligt.
    Piet van de Lende raadt de Derde Kamer aan om zelf nieuwe organisatieconcepten en besluitvormingspatronen in praktijk te brengen en te ontwikkelen. Dit lijkt me een goede zaak, maar niet bij wijze van experiment om het experiment. Laten we ons richten op het ontwikkelen van een goede organisatorische opzet van het Derde Kamerproject. Mijn grootste prioriteit ligt dan bij de democratisering van de manier waarop we plannen en problemen bediskussiëren en gezamenlijke keuzes bepalen.
    Een ander problematisch punt voor links dat grote aandacht verdient is de diskussie met mensen die er onlinkse gevoelens en ideeen op nahouden. Zo heb ik zelf veel moeite met het reageren op mensen die aan het vreemdelingensyndroom lijden. Er moeten toch zoveel vooruitstrevende mensen zijn die met dit probleem zitten, denk ik, maar als ik linkse clubbladen lees ontmoet ik wel heftige protesten tegen het vreemdelingenbeleid en standpunten die als de regering ze overnam een volksopstand zouden ontketenen, maar geen woord over de vraag hoe we in het dagelijks contact met anderen kunnen werken aan het opbouwen van een draagvlak voor een humaner vreemdelingenbeleid.
    Naar een open diskussiekultuur
    Mijn voorstel om het streven naar democratie vooral ook op de eigen discussiepraktijk te richten sluit aan op de eerste rondzendbrief van de initiatiefgroep van de Derde Kamer, lente 1994: ‘We bepleiten in de eerste plaats een open diskussiecultuur die uitgaat van een sterke doordrongenheid van de situatie, gekoppeld aan een grote relativering van de eigen machtspositie.’
    De progressieve beweging kampt met de naweeën van het ideologisch tijdperk. Oude scheidslijnen zijn vervaagd zonder te verdwijnen. Het is moeilijk om uit de ontbonden ideologische complexen het waardevolle te halen. De een blijft gehecht aan wat de ander heeft afgeled en waar een derde nooit in heeft geloofd.
    De moeilijkheid is dat de manier waarop we ‘discussiëren’ deel uitmaakt van het probleem. De initiatiefgroep raakt aan deze complicatie met haar pleidooi voor het relativeren van de eigen machtspositie. Hoe meer je je fixeert op ‘macht’ om je in naam van de rechtvaardigheid, de vrijheid en de toekomst der mensheid in de boze wereld te doen gelden, des temeer hanteer je de taal als machtsvoertuig, al was het alleen maar om jezelf het gevoel te geven in het politieke strijdperk van de partij te zijn.
    Tegenover de frustrerende ervaringen die het diskussiëren op basis van ‘wij hebben gelijk en willen macht’ heeft opgeleverd, vormt de idee van een open diskussiekultuur een aantrekkelijk alternatief. Het in praktijk brengen ervan is geen gemakkelijke opgave, omdat we ons daarbij moeten losmaken van de spelregels van de gevestigde politieke cultuur. Als we echter voorwaarden willen scheppen voor een demokratisch zelfbestuur, zullen we moeten beginnen met ons dáárvoor in te zetten.

Nummers en vergissingen. Iedereen krijgt overal een nummer voor

Ook verschenen in het decembernummer 1995 van het Maandblad Uitkeringsgerechtigden MUG in de rubriek ‘De gang van zaken’. 
Nummers
Dankzij de zegeningen van de automatisering krijgt u overal een nummer voor. Het huisnummer en de postcode kunt u nog wel onthouden, tenminste dat hoop ik. Hebt u een girorekening en een pinpas? Dan krijgt u drie nummers. De girorekening zelf, het nummer van het pasje en de pincode. Bij de uitkeringsinstantie of de werkgever krijgt u ook weer nummers, zoals het uitkeringsnummer of personeelsnummer. Op de uitkeringsspecificatie van de sociale dienst staan nog andere nummers, zoals een code voor de wijk en het team waar u onder valt. Ook handig om te weten, want soms wordt ernaar gevraagd als u opbelt. Deze voorbeelden kunnen met vele worden aangevuld. Het ziekenhuis, de woningbouwvereniging, het bevolkingsregister, de belastingen (diverse soorten), het GEB, het ziekenfonds, overal krijgt u een nummer. U moet al die nummers weten, want zonder deze kan men dikwijls niets voor u doen. Hebt u alle registratienummers die op u van toepassing zijn, wel eens geteld? Ik schat, dat de gemiddelde Nederlander toch gauw zo’n veertig nummers moet bijhouden.
Nu zijn in het verleden al die instanties door al die nummers een beetje in de war geraakt. Daar hebben ze een oplossing voor bedacht. U raadt het al: een nieuw nummer, het sociaal-fiscaal nummer. Dit nummer is heel belangrijk, want veel van die andere nummers zijn aan dit nummer gekoppeld. Veel instanties vragen ernaar. U moet van al die nummers een geordende administratie bijhouden, die teruggaat tot minstens een jaar of acht geleden, want anders komt u in moeilijkheden. Soms is het niet voldoende dat u een nummer opgeeft, nee, u moet het originele document overleggen, waarop is aangegeven welk nummer u hebt gekregen. Zo vraagt de sociale dienst naar het originele document van de belastingdienst, waarop is aangegeven welk sofinummer u hebt gekregen. Bij veel mensen is dit document al in 1987 verstrekt. Hebt u het document niet (meer), dan moet u eerst naar de belastingdienst om een officiële verklaring te vragen waarop dit sofinummer staat vermeld.
De koppeling van al die nummers is moeilijk. Niet alleen omdat de Wet op de Persoonsregistratie instanties allerlei beperkingen oplegt, maar ook omdat het in de praktijk problemen geeft. In de eerste plaats heeft elke instantie afzonderlijk bij de automatisering geprobeerd, het wiel uit te vinden. Daarom kunnen al die verschillende databanken niet zomaar aan elkaar gekoppeld worden. In de tweede plaats zijn de bestanden ‘vervuild’, het schrikbeeld van iedere ambtenaar. Hoe komt dat? U hebt, laten we zeggen, veertig nummers. Nu gaat u verhuizen, of u gaat samenwonen, of er zijn ander veranderingen in u privéleven. Gaat u al die nummers verwittigen van die wijziging? Natuurlijk niet. Daarom staat u in verschillende bestanden onder verschillende adressen genoteerd. In de derde plaats maken ambtenaren fouten bij het invoeren van de gegevens die bij een nummer horen.
Een voorbeeld. Een van onze spreekuurbezoekers had een WAO-uitkering, natuurlijk met een bijbehorend nummer. Hij vroeg om toestemming met vakantie te gaan naar het land van herkomst. Dit kwam hij persoonlijk aanvragen op het GAK-districtskantoor. De betrokkene zou een schriftelijke bevestiging thuis gestuurd krijgen. Dit gebeurde echter niet, en wij belden op. De functionaris van het GAK zocht op basis van het nummer de gegevens van de heer T. op in de computer: ‘Hij is op die en die datum op dat en dat districtskantoor geweest.’ ‘Nee meneer, het was op een heel andere datum.’ ‘O, ik zal even kijken. O, er is een vergissing begaan, in het bestand zit een meneer T. met dezelfde achternaam, waarvan het uitkeringsnummer een cijfer verschilt met dat van de meneer T. die bij u gekomen is. Daarom is de brief naar een ander adres verstuurd.’ De ambtenaar op het districtskantoor had dus bij vergissing een van de ongeveer vijftien cijfers van het uitkeringsnummer voor de WAO verkeerd ingetypt, en omdat het om iemand met dezelfde naam ging, was de fout niet ontdekt. Deze vergissing kon niet zomaar ongedaan worden gemaakt. Daarvoor moesten wij een brief schrijven, waarin de hele situatie werd uitgelegd, met medezending van allerlei bewijsstukken.
Piet van der Lende, Bijstandsbond