Werkconferentie over de problematiek van minima en armoede in Amsterdam

Werkconferentie over de problematiek van minima en armoede in Amsterdam d.d. 24 april 1996 in het stadhuis van Amsterdam.
Aanvullingen op de verslagen die zijn gemaakt en gepubliceerd in het rapport ‘Amsterdamse Cahiers’ onder red. van Els de Boer en Jeroen Slot.
De toespraak van E. J. Goosen, wnd directeur Crediam is niet goed verslagen. Hij somde de diverse knelpunten mooi op die in de schuldhulpverlening zitten, maar daarvan kwam weinig terug in het verslag. Er is een cie afstemmingsoverleg, die een signaleringsfunctie heeft. De verschillende organisaties die zich met schuldhulpverlening bezig houden zitten op eilanden, de communikatie tussen de organisaties moet beter worden. De cie afstemmingsoverleg zal voortgangsrapportages maken. Daarin staan bevindingen met aanbevelingen. De uitvoering van het noodfonds gaat naar de kredietbank. Er is ook nog een schuldhulpfonds. Gemiddeld wordt er 2300,- aam krediet verstrekt in totaal 2,3 miljoen. De voorwaarden om voor zo’n schuldhulpfonds in aanmerking te komen zijn onvoldoende bekend. Er zijn vele andere knelpunten.
1. Er is geen geintegreerde schuldhulpverlening. De verschillende organisaties werken langs elkaar heen.
2. Er is een diversiteit van normen bv bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit bij de verschillende instanties. De Kredietbank gaat uit van 94% van het minimum. Alles wat daarboven zit kan gebruikt worden voor schuldaflossing. Er zijn ook normen vatsgelegd door het overleg van crediteuren en volkskredietbanken. Daar is een soort gedragscode uitgerold De crediteuren spelen de verschillende organisaties die zich met schuldhulpverlening bezig houden tegen elkaar uit. De gedragscode schuldenregeling zou bij alle organisaties van toepassing moeten zijn.
3. het komen en gaan van commerciele bemiddelingsbureau’s is ook een belangrijk knelpunt. (zie de juwelier op de Albert Cuypmarkt). Bureau’s die zich rechtstreeks tot de clienten wenden zijn over het algemeen onbetrouwbaar. Vaak worden er hoge bedragen voor de bemiddeling gevraagd. Deze gevallen zijn aangemeld bij de Economische Controle Dienst (ECD)
Er zijn ook commerciele bureau’s die iets betrouwbaarder zijn (?) en die zich op de bestaande instellingen richten. Zij hebben een soort bemiddelingsrol. Ten aanzien van deze bureau’s wil het afstemmingsoverleg geen kwalitatief oordeel uitspreken.
4. Een volgende knelpunt is het wel of niet adequate inkomensbeheer. Er zijn veel organisaties, maar veel mensen komen niet voor bemiddeling in aanmerking. Sommigen werken met een budgetregeling, anderen met een zakgeldregeling en weer anderen met een doorbetalingsregeling. Dit zijn primair taken die door een gemeentelijke instelling uitgevoerd zouden moeten worden.
De cie afstemmingsoverleg wil:
– trajecten met integrale schuldhulpverlening op poten zetten.
– De bekendheid van het schuldhulpfonds moet groter worden.
-inkomensbeheer moet voor iedereen toegankelijk worden. Ook kijken naar participatie en nut. De cie afstemmingsoverleg heeft een verzoek gericht aan de gemeente om tot een stedelijk bureau voor schuldhulpverlening te komen.
verslag diskussie in de werkgroep uitsluiting activering en maatschappelijke participatie
Officiele verslag gemaakt door jens Roep
Er is een sector maatschappelijke opvang en zorg van de afdeling MGZ. (Kan inmiddels veranderd zijn met de reorganisaties van MGZ). Deze afdeling houdt zich bezig met de “uitvallers”
Er is opvang voor vrouwen in onhoudbare gezinssituaties, opvang van psychiatrische patienten en van daklozen. Door de gemeente wordt 23 miljoen uitgegeven voor maatschappelijke opvang van deze groepen. maar een groot gedeelte van de opvang wordt gefinancierd door de AWBZ en de psychiatrie. Er is een overlap tussen maatschappelijke opvang en psychiatrie. Tussen de 2 en de 50% van de daklozen heeft psychische problemen. De aantallen daklozen in Amsterdam is onbekend. Er zijn wel steeds schattingen. In de loop van een jaar komen er vele duizenden daklozen aanwaaien en verdwijnen weer. Er zijn op zeker moment 2000 verschillende mannen in de opvangcentra. Het zijn vele nationaliteiten, het is een mondiaal probleem. Iedere nacht slapen 250 mensen buiten. Er zijn 160 plaatsen in het passantencircuit en 1000 (2000?) plaatsen in de sociale pensions. Daarnaast is er een uitgebreid circuit van begeleid wonen. Voor de vrouwenopvang zijn 300 plaatsen beschikbaar terwijl het aantal aanmeldingen vorig jaar 3800 was. Daarvan zijn er 1400 gehonoreerd. De helft is afgewezen omdat er geen plaats is. Die zijn elders ondergebracht (?)
2000 mensen per jaar worden opgenomen in de psychiatrie waarvan de helft meerdere opnamen heeft. Er zijn ook veel mensen die met strafontslag uit de gevangenis worden gestuurd. Dit is een grote groep potentiele daklozen.
Vervolgens doet zich de vraag voor, hoe dakloosheid en psychiatrische problemen kunnen worden voorkomen door de overheid.
Er zijn drie nivoos.
1. de primaire preventie. Hoe kun je als overheid voorwaarden creeeren dat de problemen niet ontstaan. Goed onderwijs/betaalbare woningen inkomenspolitiek. Het effect van deze maatregelen is niet te meten.
2. Secondaire preventie. Risicogroepen via een gerichte aanpak benaderen en maatregelen nemen dat ze niet uit de boot vallen.
3. tertiaire preventie. Zosnel mogelijk mensen laten terugkeren in de hoofdstroom van de samenleving en voorkomen dat het nog erger wordt. De literatuur over dit onderwerp belicht twee kanten, nl het persoonlijk onvermogen van de betrokkene en de strukturele en maatschappelijke redenen. Beide moeten bij een preventief beleid aan de orde komen.
Wethouder van der Geissen zal in dit verband een actieplan preventie produceren waarbij vooral de problematiek van dak-en thuislozen en vrouwen aan de orde zal komen. We moeten niet alleen denken aan het creeeren van voorzieningen, we moeten het breder zien, verhuurders van woningen en stedelijke diensten moeten op hun beleid worden aangesproken. Binnenkort komt de nota uit.
Er zijn dus drie belangrijke dingen:
1) huisvesting 2) inkomenspositie 3) samenhang in het circuit van de hulpverlening. Hierbij kan een les worden getrokken uit het incident in de Vrolikstraat.
Daarover wordt in de werkgroep uitgebreid gediskussieerd.
Er is eigenlijk in de stad een enorme hulpverleningsdichtheid, maar de mensen werken langs elkaar heen, wat ook al bij de schuldhulpverlening ter sprake kwam. De dader was al diverse malen door buurtbewoners bij diverse instellingen gesignaleerd, maar die deden niets. Eigelijk bestond er een systeem van gespreide verantwoordelijkheid, waardoor niemand zich verantwoordelijk voelde. De verschillende instellingen zijn er alleen maar op gespitst, hun terrein af te bakenen. Er was in dit geval een te late en en een te weinig op elkaar afgestemde interventie.
Een van de discussianten haalt het verhaal van Jos van der Lans aan – het nieuwe paternalisme. Die kant moeten we op. We moeten voorkomen, dat mensen uit hun huis gezet worden. Er moet voor de diverse instellingen een draaiboek komen hoe om te gaan met huurschulden. Netwerkbenadering met alle instellingen van belang. Proberen alle signalen op een plek te krijgen=op elkaar afgestemde hulpverlening. De vrouwenhulpverlening moet beter worden aangepakt. Daders plus weerbaarheidstraining. Meer crisisachtige voorzieningen = passantenvoorzieningen. Snel en kort en intensief intervenieren. Risicogroepen vroegtijdig opsporen en een op elkaar afgestemnde aanpak. In het Westerpark is een netwerk burenoverlast. Vroegtijdige interventie/ uitval voorkomen en integratie bevorderen. Er worden 1100 mensen per jaar uit hun huis gezet.

P vd Lende

Gesprek van Komitee Amsterdam tegen Verarming met Cees Huls­man, gemeenteraadslid voor Groen Links, 10-04-1996 op het stadhuis

Wij stellen de vraag, of het waar is dat op de voorzieningen in de buurten zoals het sociaal-cultureel werk, de buurthuizen en de wijkopbouworganen in het nabije verleden drastisch bezuinigd is en of wij op de minimaconferentie aan de orde kunnen stellen, dat dit teruggedraaid moet worden, omdat de voorzieningen niet op peil blijven.

Cees antwoordt, dat de bevoegdheden van de centrale gemeente voor de uitgaven ten behoeve van welzijnsinstellingen tot nul zijn teruggebracht. Bij de instelling van de stadsdeelraden is destijds een eenmalig bedrag vastgesteld. Later is nog een poging gedaan, vast te stellen of dit bedrag wel juist was, door een poging te doen, de uitgaven van de stadsdeelraden te vergelijken met de uitgaven voor dit beleidsonderdeel bij zelfstandige gemeenten. Dit was moeilijk, omdat zelfstandige gemeenten meer zelfstandige taken hebben. Maar je kunt toch zeggen, dat gepoogd is, de verschillende taken zodanig uit te splitsen, dat een vergelijkbaar beeld ontstond. Het ging bij deze discussie overigens niet zozeer om het totale bedrag dat van de centrale gemeente komt, maar om de verdeling tussen de stadsdelen. Daarvoor zijn toen criteria bedacht. Er wonen zoveel allochtonen, zoveel minima, zoveel werklozen, zoveel ouderen, en daar zijn die en die voorzieningen voor nodig. Op basis van die criteria is een sleutel bedacht voor de verde­ling over de stadsdelen. Dat was in totaal dus niet een lager bedrag dan de gemeente uitgaf. Maar, zeiden de stadsdelen, jullie geven ons schoolgebouwen en zwembaden met achterstallig onderhoud, daar moet geld bij. Toen is het bedrag tijdelijk verhoogd met wat wel genoemd werd de “Etty-gelden”.

Er is eigenlijk vanuit de centrale stad niet rechtstreeks op welzijnsvoorzieningen bezuinigd wat het bedrag betreft, maar er is op twee andere fronten wel fors bezuinigd:
1. Tijdens het proces van decentralisatie zijn de bijdrage van de gemeente aan het onderwijs boven de rijksgelden die in totaal 80 miljoen bedroegen, drastisch teruggeschroefd. Er is 60 miljoen vanaf gegaan. De bijdrage is nu dus 20 miljoen. Het argument daarvoor was, dat het de bedoeling was, dat met die gelden iets extra’s gedaan werd, naast het gewone schoolpro­gramma, maar dat gebeurde nauwelijks, de scholen beschouwden het gewoon als een vaste inkomstenbron naast alle andere voor het reguliere schoolprogramma. De bestuurders vroegen zich af wat dan het effect van zo’n bijdrage zou zijn naast de gigan­tische rijksbijdragen die misschien wel in de miljarden loopt. In dit opzicht hebben de stadsdelen dus een bezuinigingstaak opgelegd gekregen. Maar ze waren/zijn vrij, om die bezuinigin­gen naar eigen goeddunken uit te voeren. Ze hoeven niet perse op onderwijs te bezuinigen. Sommige stadsdelen hebben de bezuinigingen gevonden door efficiency en effectiviteitsmaat­regelen. Andere stadsdelen zijn in diverse posten gaan snij­den: welzijnsvoorzieningen, straten, onderwijs.
2. Het decentralisatieproces naar de stadsdelen toe was ook een gigantische bezuinigingsoperatie op het ambtenarenapparaat naar de stadsdelen toe in de apparaatssfeer. Ook hier was het probleem, dat als de stadsdelen er niet in slaagden, te bezui­nigen op het apparaat, dat het dan bijvoorbeeld uit de vuil­nisophaal moest komen.
In het begin wilden de stadsdelen de buurtbewoners niet voor het hoofd stoten en is er relatief weinig bezuinigd op wel­zijnsvoorzieningen. Zo zijn er in het begin bijvoorbeeld kinderopvangvoorzieningen gerealiseerd. later werd dit minder omdat er bezuinigingstaakstellingen op de stadsdelen afkwamen. Een derde van het totale budget van de gemeente gaat naar de stadsdelen, dus als de gemeente een bezuinigingstaak­stelling vaststelt, moeten de stadsdelen die ook voor een derde dragen. In sommige stadsdelen is dus wel bezuinigd op sociaal-cultu­reel werk, in andere weer niet.
3. De stadsdelen zijn ook verantwoordelijk voor het maatschap­pelijk werk. Er is daar niet echt bezuinigd, maar aan de andere kant zijn allerlei noodzakelijke uitbreidingen ook niet uitgevoerd. Sommige stadsdelen zijn erin geslaagd de kwaliteit van de dienstverlening toch te verbeteren, door bijvoorbeeld ouderenzorg, maatschappelijk werk, sociaal raadslieden etc. onder te brengen in een voorziening. Dan kun je besparen op de overheadkosten, omdat al die clubs niet volledig zelfstandig zijn maar bij elkaar in een gebouw zitten.

Groen Links gaat een armoedenota uitbrengen, waarin wordt gevraagd, het maatschappelijk werk weer op peil te brengen. Het maatschappelijk werk, dus de stadsdelen, hebben een be­langrijke taak in de budgettering en de schuldhulpverlening, waarbij contracten zijn afgesloten met Crediam, dat zij de onderhandelingen met de schuldeisers doen, en het maatschappe­lijk werk de verdere hulpverlening, in samenwerking met het STIB.

Wij stellen de vraag, of niet kan worden gezegd, dat allerlei grootschalige projekten, zoals de Noord-Zuid lijn van de metro betekenen, dat er minder geld is voor de minima, of dat de gemeentelijke lasten omhoog moeten. Uit de nota “Amsterdam naar 2000” dat de basis was voor de onderhandelingen over de VINEX-akkoorden bleek, dat de financieringsstruktuur voor die grote projecten gebrekkig was, en dat er bezuinigd moest worden in de reguliere begroting om alles rond te krijgen. Naast de grote rijksbijdragen werd immers ook een substantiële bijdrage van de gemeente Amsterdam gevraagd. Er is, luidt dan de conclusie, geen geld voor de minima, er komen nieuwe bezui­nigingen op ons af.
Cees is het niet eens met deze redenering. Bij de planning van de aanleg van Nieuw-Oost is een afweging gemaakt van de kosten en baten. Dit project wordt geheel gefinancierd uit de verkoop van de kabel. De woningbouwverenigingen waren aandeelhouder van de kabel, en zij gebruiken het geld om te bouwen in Nieuw Oost. Dit heeft verschillende voordelen. Er ontstaat een wijk, waar mensen willen wonen, die anders zouden wegtrekken uit de stad. Deze rijkeren kunnen ook een bijdrage leveren aan de gemeentefinanciën, en bovendien is het zo, dat daardoor het inwonertal van de gemeente weer wat groter wordt en dus de bijdrage uit het gemeentefonds. Zo is een afweging gemaakt van wat levert het op en wat kost het. Er zijn nog andere voorde­len. Als de mensen die in Amsterdam werken hier ook blijven wonen, heeft dat consequenties voor de reisafstanden, het gebruik van de auto. Mensen wonen dan niet buiten de stad.
Wat betreft de Noord-Zuid lijn wordt een 5 procentsbijdrage gevraagd van de gemeente Amsterdam. Dat betekent op een begro­ting van een miljard ongeveer 50 miljoen. Daarvoor is in de gemeentebegroting wel ruimte te vinden door geld te lenen, waarbij je aan rente en aflossing jaarlijks 6 of 7 miljoen moet betalen, gespreid over een groot aantal jaren. Je kunt op dit moment zeggen, dat door de drastische bezuinigingen met name op het ambtenarenapparaat, die hiervoor werden genoemd, de gemeente aardig financieel rond komt en dat er voor nieuw beleid jaarlijks toch wel zo’n 10 tot 20 miljoen beschikbaar komt, het ene jaar wat meer, het andere jaar wat minder.

Wij brengen naar voren, dat de rijksbijdrage aan het gemeente­fonds toch drastisch wordt teruggeschroefd. Ook dit heeft volgens Cees voor Amsterdam weinig consequenties, want er vindt tegelijkertijd een verschuiving in de verdeling van de gelden plaats, waardoor Amsterdam veel meer geld krijgt en andere gemeenten minder, zoals Amstelveen. Het rijk zegt, als jullie die bezuinigingen willen opvangen, dan moeten jullie de onroerend goed belasting maar verhogen op de duurdere huizen van de mensen met hogere inkomens.

Wij zeggen dat dan hierop doorredenerend onze bijdrage aan het minimadebat niet zou moeten zijn, er wordt ontzettend veel bezuinigd, er is nergens geld voor, alles wordt minder, we zijn tegen al die bezuinigingen, maar er is nu ruimte in de gemeentelijke begroting voor een anti-armoedebeleid, Amsterdam doe er wat mee. Cees is het daarmee eens. We moeten erop letten dat we niet links gepasseerd worden door De Grave. Die heeft al gezegd, dat er meer mogelijkheden komen voor kwijt­schelding van gemeentelijke heffingen. Groen Links is ten eerste voorstander van een daluren kaart op de tram, die je kunt kopen met de stadspas. Dan zou je pas wat aan die pas heb­ben. Bovendien zou de maatregel kunnen worden genomen, dat mensen in de bijstand automatisch kwijtschelding krijgen van gemeentelijke heffingen.
Verder zouden wij op de conferentie aan de orde kunnen stel­len: de stadsdelen moeten voor goede voorzieningen zorgen, en voor een goede schuldhulpverlening. Loopt dat wel goed? We zouden kritiek daarop naar voren kunnen brengen en daarmee de relatie stadsdelen-centrale stad, of er wel genoeg geld voor komt. Bovendien wat die voorzieningen op bijvoorbeeld sociaal-cultureel terrein betreft: de gemeentelijke sociale dienst en de wethouder zitten op de lijn van de sociale activering mensen moeten gestimuleerd worden om betaald dan wel onbetaald werk te doen, cursussen te volgen, etc. Wat je daar verder ook van vindt, zijn er in de buurten wel genoeg voorzieningen, om voor en door al die mensen activiteiten op touw te zetten? Over dit thema gaat Matrix binnenkort een conferentie organi­seren.

Wij stellen de vrijstelling van de sollicitatieplicht en de onkostenvergoedingen voor vrijwilligers aan de orde. De ge­meen­teraad heeft uitdrukkelijk vastgesteld, dat deze vergoe­dingen voor veel vrijwilligers zoals langdurig werklozen moeten gelden, dit is door het CDA en Groen Links in de dis­cussie aan de orde gesteld, maar niet verder in de officiële stukken vastgelegd; het mag dus niet alleen gelden voor vrij­willigers, die dit werk doen in het kader van een traject dat toeleidt naar de arbeidsmarkt. Als dit door de sociale dienst te eng wordt geïnterpreteerd zouden we dit in de vorm van een raads­adres aan de orde kunnen stellen. Dan volgt er een dis­cussie over in de gemeenteraad.

We stellen aan de orde, dat vergoeding van duurzame gebruiks­goederen uit de bijzondere bijstand nu niet mogelijk is, Cees vraagt, of wij dan een vergoeding willen of leenbijstand, waarvoor geen rente hoeft te worden betaald. Wij zeggen, dat bijvoorbeeld iemand op een minimum wier wasmachine na 5 jaar versleten is, een vergoeding moet krijgen uit de bijzondere bijstand om een nieuwe aan te schaffen. We discussiëren verder over het declaratiefonds, zoals dat in Dordrecht is ingevoerd. Zien wij iets in een dergelijk fonds voor vergoeding van kosten van het maatschap­pelijk verkeer ten bedrage van 100 tot 200 gulden per jaar bijvoor­beeld naast de stadspas? Wij wel.

Verder onderzoekt Groen Links of er categoriale toepassingen van de bijzondere bijstand mogelijk zijn, dat mag nu, Groen Links denkt aan ouders met middelbare scholieren. Weten wij nog andere groepen?
Een maatregel, om mensen die langer dan een bepaalde periode in de bijstand zitten categoriaal een extra bijdrage te geven wordt niet overwo­gen. Ine zegt, dat de balansuitkering in Rotterdam ook mislukt is, omdat de criteria zo streng waren, dat slechts drie mensen ervoor in aanmerking kwamen.
Wel overweegt Groen Links om de draagkrachtberekeningen voor de bijzondere bijstand aan de orde te stellen, en dan bijvoor­beeld dit voor mensen die langer in de bijstand zitten soepe­ler uit te voeren. Of bijvoorbeeld ook voor mensen, die iets boven het minimum zitten. Dit verlaagt de armoedeval.

We discussiëren verder over de koudetoeslag. Cees zegt, dat daarover pas iets aan het eind van het jaar bekend is, als de rekeningen van het energiebedrijf komen. Wij zeggen, dat die rekeningen bij iedereen op een verschillend moment komen. Het hangt er maar vanaf, wanneer je in de woning bent gekomen, de datum waarop het energiebedrijf begint te tellen met 12 ter­mijnen. Dat is bij iedereen verschillend en niet altijd aan het einde van het jaar, er zijn nu al mensen die hoge rekenin­gen krijgen. Cees zegt, dat hij graag voorbeelden van rekenin­gen van mensen zou zien, er zijn wel allerlei gemiddelden en schattingen daarvan gemaakt, maar concrete voorbeelden zijn belangrijk.

In de MUG heeft een artikel gestaan over het Dordrechtse model bij tandartskosten. Cees overweegt, dit in Amsterdam ook voor te stellen.

Natuurlijk komt de bijverdienregeling weer aan de orde. Wij hebben daarover gezegd, dat men bij de helpdesk nABW ook ten aan­zien van de categoriale groepen, dus bijstandsvrouwen met kinderen jonger dan 12 jaar, en gedeeltelijk arbeidsongeschik­ten zegt, dat het individueel beoordeeld wordt, en dat er geen generieke regeling is waarop je een beroep kunt doen. Cees is het met deze regeling eigenlijk helemaal niet eens, maar als hij er toch is, moet het uitdrukkelijk alleen beoordeeld worden ten aanzien van: is iemand wel geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt, en heeft een bijstandsvrouw wel zoveel zorgen aan de kinderen, dat ze er niet volledig bij kan wer­ken. Als het antwoord ja luidt, moet de premieregeling zonder meer worden toegepast. Als dit toch niet zo is, zouden we dit in de vorm van een raadsadres aan de orde kunnen stellen.
Het is een beetje mistig, omdat Bea Erik in de gemeenteraad op de valreep van de discussie nog een motie heeft ingediend, waarbij de bijverdienregeling werd uitgebreid voor bijstands­vrouwen met kinderen tot 12 jaar, indien de kinderen veel verzorging vergen. Komt dat eigenlijk wel in de verordening? Verder punten zijn de uitkering aan jongeren, die omhoog moeten, de verhuiskostenregeling voor ouderen.

Wij stellen aan de orde, dat er moeilijkheden zijn met de verhuiskostenvergoeding voor gehandicapten, in het kader van de WVG, die verhuizen van een niet- aangepaste woning naar een aangepaste. Deze verhuiskosten worden soms niet vergoed, omdat men het geen vergoeding vindt voor ergonomische aanpassingen in het huis. De verhuiskosten vallen daarbuiten. Cees zal de aansluiting van bijzondere bijstand en WVG op dit punt nader onderzoeken.
Tenslotte: de kwijtscheldingsnorm moet naar 100% en dit zal ook wel gebeuren.
Wij brengen nog naar voren, dat we een wetenschappelijk onder­zoek willen naar de omvang van de armoede in Amsterdam. Cees zegt, dat dit ook door de SP aan de orde is gesteld, en dat dit ook uitstekend past binnen de armoedenota van Melkert, omdat daar wordt geconstateerd, dat er over de armoede veel onbekend is.

PvdL 10-04-1996