Commentaar op de concept nota ‘Beleidsplan Sociale Zekerheid 1997’. Hoofdlijnen van het beleid van 29 oktober 1996

In de concept-beleidsnota ‘sociale activering’ van de Utrechtse Dienst Welzijn staat de volgende formulering: ‘Bin­nen de hedendaagse verzorgingsstaat is sprake van een over­waardering van betaalde arbeid en een onderwaardering van onbetaalde arbeid. In het verlengde daarvan is er een over­waardering van materiele waarden en consumptie tegenover een onderwaardering van kwalitatieve aspecten van het leven van burgers. In die context krijgen mensen aan de onderkant van de samenleving een lage maatschappelijke status toegekend. Socia­le activering beoogt evenwicht te brengen in de verhouding tussen betaalde en onbetaalde arbeid en slaagt wanneer de onmisbare zorg voor leefomgeving, sociale verbanden in de stad Utrecht en mantelzorg een gelijkwaardige status als betaalde arbeid verwerven’.

Over bovenstaande tekst valt veel te zeggen. Zo mag de zinsnede over de onderwaardering van het kwalitatieve aspect van het leven geen alibi zijn om te zeggen: ‘jullie hebben een zeer lage uitkering, maar de kwalitatieve aspecten van het leven worden ondergewaardeerd, dus richt je daar maar vooral op en laat de lage uitkering maar zo’. Van belang is echter de formulering ‘sociale activering beoogt een evenwicht te bren­gen tussen betaalde en onbetaalde arbeid’. Over de verhouding tussen die twee is in de maatschappij uitgebreid gediscus­sieerd, waarbij vooral een technische uitwerking ter discussie staat. Allerwegen is men het er echter over eens, dat onbe­taalde arbeid wordt ondergewaardeerd en dat een nieuw even­wicht tussen betaalde en onbetaalde arbeid tot stand moet worden gebracht, voor zowel mannen als vrouwen. Het besef dat onbetaalde arbeid wordt ondergewaardeerd zal men in de be­leidsnota ‘sociale zekerheid’ van de gemeente Amsterdam ver­geefs aantreffen, zoals verderop nog zal blijken.

Wanneer de Utrechtse beleidsnota spreekt over de ‘blijvers in de bijstand’ wordt gesteld: Ook voor hen gaat het om activiteiten, die aantrekkelijk uitdagend en stimulerend zijn en voor de samenleving in een behoefte voorzien of om andere redenen positief worden gewaardeerd. We hebben daarbij te maken met geemancipeerde, mondige burgers en dat vraagt om tweerichtingsverkeer bij het maken van afspraken over individuele arrangementen.’

In de nota worden concrete voorstellen gedaan voor een voorwaardenscheppend beleid, waar clienten op kunnen bouwen en rechten aan kunnen ontlenen. In het licht van deze uitgangs­punten zoekt de gemeente Utrecht een uitbouw van het minimabe­leid langs vier sporen: participatie, kwijtschelding, schuld­hulpverlening en intensivering van het gebruik van bijzondere bijstand. In de nota worden de grenzen van de gemeentelijke beleidsvrijheid verkent en worden op open wijze de eisen genoemd die het rijk aan experimenten stelt. De moeilijkheid daarbij is, dat het Rijk bij de uitvoering van experimenten met vrijwilligerswerk in principe een uitgebreide controle verlangt, waarbij aan een groot aantal administratieve eisen moet worden voldaan. Bovendien verplicht het Rijk de gemeente te voorzien in een intensieve trajectbegeleiding. Maar in de onderhandelingspositie die de gemeente Utrecht inneemt worden verschillende onorthodoxe voorstellen gedaan, gebaseerd op de visie die hiervoor ter sprake kwam, daarvoor wil men zich sterk wil maken.

Vergelijk dat eens met de beleidsnota van de gemeente Amsterdam! Nadat is benadrukt, dat betaald werk de absolute prioriteit heeft, wordt slechts eenmaal gesteld: ‘maar ook het doen van onbetaald werk is voor onze clienten en voor de stad van maatschappelijk belang’. Verder worden in de nota ‘werk’ en betaalde arbeid voortdurend aan elkaar gelijk gesteld. ‘Wie aan het werk kan wordt daarbij gestimuleerd. Voor wie een betaalde baan nog wat verder weg is, zijn er andere mogelijkheden voor maatschappelijke deelname.’ Wanneer het om zorgar­beid van bijstandsvrouwen of vrijwilligerswerk gaat wordt niet gesproken over werk. Zo weerspiegelt de nota ‘sociale zeker­heid’ de onderwaardering van onbetaald werk en vrijwilligers­werk. Het is eigenlijk geen werk. Voor de schrijvers van de nota zijn er maar twee mogelijk­heden: betaald werk of ‘zorg’ waarbij ook weer ‘werk’ en ‘betaalde arbeid’ aan elkaar gelijk worden gesteld. ‘Clienten waarvoor werk nog niet (direct) bereikbaar is, krijgen zorg aangeboden. Voor wie een betaalde baan nog even op zich laat wachten, geeft een uitkering op grond van de bijstandswet als tijdelijk inkomen een ondersteuning’ (blz 1)

De beleidsnota spreekt steeds over zorgtrajecten, poortwach­tersfunctie, handhaving, repressie, etc. Allemaal begrippen, waarbij de client eenzijdig als een te sturen object wordt gezien en niet als een mondige burger, waarmee een tweerich­tingsverkeer mogelijk is. Niet eenmaal wordt aan de orde gesteld, in hoeverre kan worden aangesloten bij positieve eigenschappen van uitkeringgerechtigden, bij de initiatieven die zij vaak vanuit zichzelf ondernemen om weer een perspectief te krijgen, zoals in de Utrechtse nota wel gebeurt. Niet eenmaal wordt in de beleids­nota de suggestie gewekt, dat vele uitkeringsgerechtigden verantwoordelijkheid tonen voor de maatschappij, dat velen van hen zonder de sociale dienst allerlei werk doen, en hoe wellicht bij deze activiteiten kan worden aangesloten. Uitke­ringsgerechtigden worden eenzijdig gezien als mensen met een handicap, waaraan gesleuteld moet worden om hen weer bij de maatschappij te betrekken. Zij behoeven alleen maar zorg en controle.

In hoofdstuk 3 veronderstelt de sociale dienst, dat zij een grote kennis heeft opgebouwd over de clienten. Maar is dat wel zo?. Geheel in het verlengde van ‘alles of niets’, dus zorg of betaald werk, wordt veronderstelt, dat voor maar liefst 70% van de clienten uit de D categorie een ‘uitstroomperspectief op lange termijn’ bestaat. Deze boute bewering wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Tegenover de optimistische prognoses staan geen konkrete cijfers over de resultaten van het beleid tot nu toe. De beleidsnota is in dit opzicht behoorlijk vaag.

Er worden daarvoor verschillende redenen genoemd. Het is een beetje de redenering: ‘ons beleid van positieve en negatieve prikkels en de grote nadruk op het belang van betaald werk heeft effect, maar we kunnen het helaas niet aantonen. Het moet logisch gesproken wel zo zijn’.

De eenzijdige, gesloten bureaucratische benadering van boven af zoals die in de beleidsnota van de gemeente Amsterdam tot uiting komt roept weerstanden op in de Amsterdamse samen­leving bij individuele clienten maar ook bij organisaties van uitkeringsgerechtigden en andere organisaties die op enigerlei wijze betrokken zijn bij het (preventieve) anti-armoede be­leid.

De schrijvers van de beleidsnota zijn zich van deze weerstanden oproepende eenzijdigheid niet bewust. ‘Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de animo bij de clienten voor het toepassen van verschillende instrumenten voor zorg en herintreding niet heel groot is. In 1997 zullen daarom grote inspanningen moeten worden verricht om het draagvlak bij de clienten te vergroten. In eerste instantie gebeurt dit door positieve prikkels, uiteraard in planmatig overleg met de clienten. Daarbij kan het verstrekken van premies een rol spelen. Maar voor mensen die wel kunnen maar niet willen, zal het sanctiebeleid stringent worden toegepast. Van belang is daarbij de nieuwe wet boeten. Wie niet kan, zal uiteraard worden geholpen binnen de zorginstelling’ (blz 16). Er wordt wel gesproken over een ‘planmatig overleg met clienten’, maar verder wordt alles geinterpreteerd in termen van positieve en negatieve prikkels. Je moet ze prikkelen, anders doen ze niks. Wie kan en niet kan, dat bepaalt uiteraard de sociale dienst in samenwerking met het arbeidsbureau, op basis van een door de sociale dienst uit te voeren ‘individuele diagnose’. (blz 17).

Omdat een visie op de verhouding tussen betaalde en onbetaalde arbeid in de Amsterdamse nota ontbreekt, en niet wordt nage­gaan hoe vanuit deze visie voorwaardescheppend kan worden opgetreden, staan de verschillende soms positief te waarderen voorstellen in de Amsterdamse nota los van elkaar, waarbij ze zonder onderlinge samenhang worden gepresenteerd, of het moest het voortdurend benadrukken van de prioriteit van de betaalde arbeid en de poortwachtersfunctie van de dienst zijn.

In plaats van het ontwikkelen van een visie wordt in de beleidsnota verder veel aandacht besteed aan de technisch bureaucratische problemen van samenwerking met anderen, waarbij een projektmatige aanpak wordt gehanteerd die aansluit op de visie van een client als te sturen object en niet als een persoon, die vaak zelf allerlei oplossingen zoekt om uit de armoede te komen. Voor de opzet van allerlei projekten wordt een nieuwe uitvoeringsorganisatie in het leven geroepen die controlerend en sturend moet optreden of wordt samenwerking gezocht met andere grote organisaties, waartussen afspraken en convenanten worden gemaakt op basis van contracten. Naar onze mening leidt dit in sommige opzichten tot een grote mate van inefficiency. Het kost veel geld (overheadkosten) en er worden slechts kleine groepen bereikt. Het projekt in Zuid-Oost, opgezet door de BZO en de thuiszorg voor de creatie van Mel­kert 3 banen bereikt in het eerste jaar slechts een 120 tal mensen, althans dat is de door een van de medewerkers optimis­tisch ingeschatte prognose. Het ‘vrijwilligers’ project in De Baarsjes kon in het kader van vrijwilligerswerk voor uitkeringsgerechtigden slechts 12 allochtonen aan een vrijwilli­gersbaan helpen. Ook het aantal clienten, dat van een premie­regeling gebruik zal kunnen maken is minimaal. Vernieuwende ideeen om voorwaarden te scheppen voor grote groepen van uitke­ringsgerechtigden die hen weer perspectief en een toekomst geven ontbreken.

De eenzijdige visie van de client als te sturen object, het zoeken van bureaucratisch-technische oplossingen, de projectmatige hap snap aanpak en de grote nadruk op individuele beoordeling zonder een voorwaarden scheppend beleid waaraan clienten rechten kunnen ontlenen weerspiegelt zich in de dage­lijkse contacten van de clienten met medewerkers van de dien­st.

In de eerste plaats kan worden gesteld, dat op het spree­kuur van verschillende belangenorganisaties dagelijks clienten komen, die vertellen over de negatieve manier waarop ze door sociale dienst ambtenaren zijn benaderd. (De goede ambtenaren niet te na gesproken). “Je wordt behandeld als oud vuil’, ‘ik had het gevoel, bij voorbaat in het verdachtenbankje te zit­ten’, ‘als je niet van je afbijt lopen ze over je heen’ en: ‘ik zat te huilen. Toen hebben ze zonder mij te raadplegen een keuringsarts ingeschakeld en mij daarvoor een oproep gestuurd. Maar ik ben niet ziek’. Vaak is er een onontwarbare kluwen ontstaan van administratieve procedures die misgelopen zijn en een negatieve opstelling van ambtenaren. Het Komitee Amsterdam Tegen Verarming schreef het rapport ‘Schrijf het van je af’ waarin vele voorbeelden in dit verband worden genoemd. Dit voorjaar zal een nieuw rapport verschijnen over deze ‘conti­nuing story’.

In de tweede plaats kan worden gesteld, dat de arbeidsbemidde­ling hopeloos verstopt zit, wat niet alleen aan de sociale dienst is te wijten. Er wordt in de beleidsnota van de gemeente Amsterdam verder niets over gezegd, behalve de zin: ‘Wij willen in Amsterdam geen situatie dat een deel van de clienten met premies of straffen worden geprikkeld om te gaan werken, terwijl andere clienten aan hun lot worden overgelaten’ Wij zouden het iets anders willen stellen als het om de effecten van het huidige beleid gaat en om wat de beleidsnota ‘integra­le activering’ noemt:  veel clienten, die zinvol vrijwilli­gerswerk doen, en die (tijdelijk) genoegen nemen met een karige uitkering, worden onder druk gezet betaalde arbeid te aanvaarden en krijgen vaak te maken met sancties die zinloos zijn, veel clienten die graag betaald werk willen krijgen een stempel opgedrukt van D of C categorie waarbij hun kansloos zijn door de bemiddelingsinstanties wordt gereproduceerd. Voorbeelden zijn er in dit verband te over.

De afgelopen maanden organiseerden de W.B.V.A. en de Bijstandsbond acht buurtbijeenkomsten over het functioneren van bemiddelingsin­stanties en de sociale dienst. Op deze bijeenkomsten waren in totaal 150 mensen aanwezig. Wat opviel, was dat clienten die zeer gemotiveerd waren om betaald werk te aanvaarden en die er ook veel naar zochten, in hun dossiers bij de diverse instan­ties allerlei negatieve formuleringen terugvonden, zoals ‘weinig flexibel’, gestresst’ etc. Wanneer je dan probeert te solliciteren op een bepaalde vacature, of een bepaalde scho­ling wilt volgen, wordt je in de voorselectie van het arbeids­bureau al afgewezen, omdat je niet een de gestelde criteria zou voldoen.

Geheel in het verlengde van de eenzijdige visie wordt nergens gesproken over de zeggenschap van de belangenorganisa­ties die opkomen voor de rechten van de minima. In hoeverre is bijvoorbeeld het overleg met de clientenraad, het komitee amsterdam tegen verarming en het stedelijk signaleringsoverleg van belang voor de sociale dienst en hoe wil zij dit verder ontwikkelen?.

Het beleidsplan sociale zekerheid 1997 heeft een dubbele doelstelling: ‘de gemeente Amsterdam beschrijft in dit plan de beleidslijnen voor het begrotingsjaar 1997’ Daarnaast heeft het plan de bedoeling, het kader aan te geven waarbinnen de sociale dienst als uitvoeringsorganisatie haar kerntaken in 1997 verricht. De armoedeconferentie van een half jaar geleden wordt daar niet bij betrokken. Er is een conferentie geweest over armoede in Amsterdam, waarover een rapport ver­scheen en waarin door maatschappelijke organisaties vele con­crete voorstellen werden gedaan die op korte termijn uitvoer­baar zijn. In de beleidsnota wordt gesteld dat ‘de output van de minimaconferentie en de voorstellen uit de ‘andere kant van Nederland’ zullen meegenomen worden in de concrete uitwerking van de beleidslijnen zorg voor 1997′. (blz 12) In de beleids­nota sociale zekerheid wordt hier verder geen aandacht aan besteed. Had een half jaar na de conferentie nu in dit be­leidsplan niet meer aandacht kunnen worden besteed aan de vele voorstellen die daar zijn gedaan? Malen de bureacratische molens zo langzaam?.

In de beleidsnota staat geen duidelijke omschrijving van de doelgroep, waarop de lokale sociale zekerheid in Amsterdam zich richt. Min of meer stilzwijgend wordt er echter van uitgegaan, dat het hier de clienten van de sociale dienst betreft. Met name deze categorie wordt in de beleidsnota tenminste uitgebreid geanalyseerd. Heeft de lokale sociale zekerheid geen betrekking op andere groepen?. Bijzondere bijstand is toch voor alle minima, zoals ouderen?. Op de minimakonferentie is oa gevraagd om een minima-effect rappor­tage en een onderzoek naar de omvang en karakter van armoede in Amsterdam. Wij vinden dat dergelijke voorstellen thuishoren in een beleidsnota over lokale sociale zekerheid. Op de minimakonferentie zijn vele andere voorstellen gedaan voor een beleid op het gebied van lokale sociale zekerheid.

Uitleg van Jacq Wijnen van buro voor rechtshulp oost over de nieuwste maaregelen in de sociale onzekerheid dd 15-10-1996

Bijeenkomst bij komitee amsterdam tegen verarming
Enige tijd geleden is de oude ziektewet in principe afgeschaft en ervoor in de plaats komt de WULPS. Wel blijft voor mensen die vanuit tijdelijke kontrakten of de WW ziek worden de oude ziektewet bestaan. De Wulps is eigenlijk loon, dat door de werkgever uitbetaald moet worden gedurende een jaar maximaal. Hij moet 70% van het laatstverdiende loon uitbetalen en minimaal het wettelijk minimumloon (dus 70% daarvan). In de cao kunnen nadere afspraken over de hoogte van de ziektewetuitkering zijn gemaakt. Sommige werkgevers lezen de wet, en veronderstellen dan, dat ze alleen 70% van het WML moeten uitbetalen, maar dat is lang niet altijd zo. Het begrip passende arbeid in de ziektewet is afgeschaft. Dus als een jurist bij het buro voor rechtshulp ziek wordt, en de werkgever zegt: ik heb nog een koffiejuffrouw nodig, dat kun jij mooi doen, dan kan de jurist niet zeggen, dat past niet bij mijn opleiding en talenten/mogelijkheden. Dan ben je gedwongen dat te gaan doen. Omgekeerd betekent het, dat als een werknemer of de bedrijfsvereniging tegen de werkgever zegt: er is passend werk, en de werkgever doet het niet, dan krijgt ie problemen met de bedrijfsvereniging.
De beroepsprocedures bij meningsverschillen over wel of niet ziek zijn gewijzigd. Er is nu altijd een deskundigenrapport nodig. Dit mag ook van de eigen huisarts zijn, maar of men daar veel waarde aan hecht is de vraag. Daarnaast, als iemand ziek wordt, moet de werkgever een begeleidingstraject opstellen dat moet terugleiden naar het werk of ander werk. Als een werkgever dat niet doet, kan hij problemen krijgen wanneer de werknemer in de wao terecht komt. De bedrijfsvereniging kan dan besluiten dat de werknemer omdat er geen traject was gedurende langere tijd na een jaar door de werkgever betaald moet worden. De WULPS wordt dan verlengd omdat er geen begeleiding was.
Wijnen konstateert, dat we hard op weg zijn naar het beruchte ministelsel. De rest moet je dan maar bijverzekeren. De werkgevers doen dat soms collectief, omdat dit goedkoper is dan individueel. De werknemer krijgt dan bv 45,- minder loon per maand.
Nemen werkgevers mensen niet meer aan, omdat het risico bestaat dat iemand ziek wordt? Daarover is bij het Buro voor Rechtshulp niets bekend, daarvoor is de maatregel nog maar te kort van kracht. Wel is het zo, dat aan de andere kant het voor een werkgever aantrekkelijk kan zijn een wao-er in dienst te nemen; de eerste drie jaar krijgt hij forse subsidies, plus dat de werknemer als hij in die periode weer ziek wordt, kan terugvallen in de wao en de werkgever dus niets hoeft te betalen. Dat is de andere kant van de medaille.
Bij iemand in de WULPs moet na drie maanden afspraken worden gemaakt over het herintredingstraject met de werkgever. Dan volgt na een half jaar de wao-keuring. In de wao is het begrip gangbare arbeid ingevoerd, dwz er wordt gekeken wat je met gangbare arbeid nog kunt verdienen, en dit wordt vergeleken met je laatstverdiende loon in de functie die je had. Het verschil is dan de wao-uitkering of zo, qua percentage.
Sommige wao-ers weten het niet, maar vaak is hun betrekking niet opgezegd en bestaat het arbeidscontract nog steeds, dus ze hebben officieel nog steeds de status van werknemer. Eerst zei de Hoge Raad, dat de werknemer uit zichzelf naar de werkgever moest gaan om te vragen om passende(?) arbeid, maar nu zegt de Hoge Raad, dat de werkgever uit zichzelf deze arbeid moet aanbieden. Zo kun je op basis van het bestaande arbeidscontract weer aan het werk komen, dat is makkelijker dan eerst ontslag en dan via de wao proberen werk te vinden. De werkgever mag na twee jaar wao ontslagvergunning vragen bij het arbeidsburo. Maar de werkgever kan naar de kantonrechter stappen, die door de besluiten van het arbeidsburo heen kan fietsen. Het WAO-gat (dat ik niet helemaal heb begrepen) wordt aangevuld via cao’s.
Als je naast de wao gaat werken wordt in tegenstelling tot vroeger je percentage arbeidsongeschiktheid verlaagd. Tenzij de bedrijfsarts zegt: nou, ik weet niet of ie het wel redt. Je moet in principe al je verdinede geld inleveren. je houdt er niet s aano ver. De maximum duur van de WAO is vijf jaar. Daarna moet je op eigen initiatief de uitkering opnieuw aanvragen. De invoering van de koppelingswet betekent, dat illegalen met een wao-uitkering in nederland geen uitkering meer krijgen, dwz de uitkering wordt stopgezet, en wanneer de illegaal zich in het land van herkomst op een bepaalde plaats meldt, kan de uitkering weer gaan lopen. De bedrijfsverenigingen zoeken die illegale wao-ers op op basis van de koppelingswet.
De Toeslagenwet kan zowel bij ziektewet als wao en ww worden toegekend. Aanvulling tot wettelijk minimumloon maar nooit meer dan wat je bij je oude werkgever verdiende. De toeslagenwet kent een partnertoets. Sommige bedrijfsverenigingen kennen hem automatisch toe, maar anderen hanteren het bekende piepprincipe. Sommige mensen hebben dus drie uitkeringen: ww, tw en bijstand.
Een nieuwe ontwikkeling is de WAGW van toepassing verklaren voor bijstandsgerechtigden. De WAGW regelt, dat de bedrijfsvereniging je moet begeleiden naar werk. De bv kan ook loonkostensubsidies voor de werkgever regelen. Vroeger kon voor mensen uit de bijstand geen beroep op de wagw worden gedaan. Maar nu zijn door de sociale dienst in amsterdam afspraken met het gak gemaakt. Met ingang van 1-10-1996 worden de nieuwe gevallen van mensen die zich ziek melden niet meer naar de GG en GD gestuurd, maar naar het GAK voor een keuring. Er wordt vanaf die datum mee gewerkt in de rayonkantoren centrum en drie in oost. Met ingang van 1 januari zal dit gaan gelden voor alle rayonkantoren. Iedereen wordt dan gekeurd door het GAK. Doel van de sociale dienst is, dat ze zeggen: we zijn niet zozeer geinteresseerd in wat mensen niet kunnen maar wat ze wel kunnen, en we willen de groep onbemiddelbaren zo klein mogelijk houden.
In de wagw zit een percentage, dat werkgevers aan arbeidsongeschikten in diesnt moeten hebben. Daar staan geen sancties op.
Een volgende maatregel is de wet boeten en maatregelen die op 1 augustus is ingevoerd (?)Niet bij de sociale dienst???
De wet kent een onderscheid tussen maatregelen en boeten. De eerste hebben betrekking over een overtreding van de voorschriften enzovoorts. Dus een sanctie wegens niet solliciteren betekent een maatregel. Daarnaast kun je een boete krijgen, als je niet aan de informatieverplichtingen voldoet. Het TICo speelt hierin een belangrijke rol. Zij hebben het maatregelbesluit en boetebesluit genomen. Vroeger hadden de bedrijfsverenigingen een grote beleidsvrijheid. Er was in de wet sprake van kan bepalingen en nu is er in de wet sprake van moeten bepalingen. In principe hoort bij een bepaalde overtreding een bepaalde boete. Men kan het in principe ook niet meer individueel beoordelen. Men kan alleen in zeer dringende gevallen van de wet afwijken. De maximale boete bedraagt 5000 gulden. Maar het tica heeft 1800 gulden vastgesteld. De boete is een strafrechtelijke maatregel. Dit betekent, dat je cautie hebt. Als iemand je wil gaan vervolgen, moet hij je waarschuwen. Dit kan mondeling, en hoeft niet schriftelijk. De gsd heeft momenteel een boetebesluit in voorbereiding.
Bij 6000 gulden moet het openbaar ministerie beslissen, of ze gaan vervolgen. Dan moet de bv wachten.
Bij verwijtbaar ontslag is men verplicht te korten op grond van de nieuwe wet boeten. Heel verhaal over toneelstuk voor de rechter. Vroeger was het zo, als de werknemer het zat was, en beslist niet terug wilde, dan konden de advokaten voor de kantonrechter een stukje opvoeren, waarbij ze het in feite eens waren, en waarna men ervoor zorgde, dat door de uitspraak van de kantonrechter de betrokkene recht had op ww, ook al was er in feite sprake van vrijwillig ontslag. Nu moet de bv een korting opleggen, dus men moet voor de rechter een heel toneelstuk opvoeren, alsof het niet zo is. Wat het ontslag op medische gronden betreft, wordt het ook moeilijker. Vroeger, als je absoluut niet met je werkgever kon opschieten, en je werd er ziek van, en het was duidelijk, dat je na ontslag na drie maanden weer beter was, dan kon je ondanks het feit, dat je zelf ontslag had genomen toch ww krijgen en vandaaruit weer nieuw werk. Hoe de rechters in de nieuwe situatie gaan oordelen is onbekend, daarvoor is de maatregel nog te vers.
Dan volgt uitleg van de nieuwe algemene nabestaanden wet. Inkomen van arbeid en inkomen uit arbeid. 1 kind jonger dan 18 jaar, voor 1-1-1950 geboeren en oarbeidsongeschikt. Overgangsrecht. Het ANW-gat. Geen vermogenstoets, wel een inkomenstoets.
Tenslotte: de VO 18 plus. Geldt voor mensen ouder dan 18 die voortgezet onderwijs volgen zoals havo, mavo en vwo voor uitwonenenden was de uitkering vroeger 1000,- per maand. Deze kategorie van uitwonenden gaat naar de wet tegemoetkoming studiekosten. Dan gaat de helft eraf. Het betreft ruim 10.000 leerlingen. De kinderbijslag voor 18 plus wordt ook afgeschaft in principe.
De wet is in 1995 aangenomen. Vanuit SSO brief gestuurd naar vaste kamercie voor onderwijs. Gebeld om met ze te praten. De wet wordt per 1 januari ingevoerd. Divosa heeft al gezegd, dat ze het niet via de gsd gaan aanvullen, omdat het een bezuiniging op een voorliggende voorziening is. De afdeling bios heeft wel een brief gestuurd of zij bijzondere bijstand kunnen verlenen, maar eigenlijk kan dat niet in de nieuwe bijstandswet. Projekten in de stad voor begeleid wonen.
Er is een nieuw werkvoorschrift voor mensen die een opleiding volgen, bijvoorbeeld een beperkt aantal uren per week, en die niet voor studiefinanciering in aanmerking komen en die een arbeidsmarktrelevante opleiding volgen. Geldt per definitie niet voor hogere beroepsopleidingen en academische studies. Die zijn per definitie niet arbeidsmarktrelevant. Want met een middelbare opleiding kun je altijd wel aan de slag.
PvdL

Creatieve beleidsvorming

Sinds kort ben ik namens de Bijstandsbond betrokken bij een proces van ‘creatieve beleidsvorming’ in Amsterdam Oost. Doel van deze ‘creatieve beleidsvorming’ is voor het stadsdeel een beleid ter bestrijding van de verarming te bedenken. Hiervoor werden hulpverleners uit het stadsdeel en vertegenwoordigers van stedelijke organisaties van uitkeringsgerechtigden uitgenodigd. Dus niet eerst een beleidsnota, waar vervolgens commentaar op gegeven kan worden, nee, eerst wordt aan ons, vertegenwoordigers, gevraagd wat wij belangrijk vinden en via het ‘creatieve beleidsproces’ komen er dan voorstellen voor een nieuw beleid.
Op de eerste dag van het ‘creatieve proces’ werden ‘aandachtspunten’genoteerd. Ieder van de vijftien aanwezigen mocht roepen wat hij of zij belangrijk vond. Dit werd op grote flap-overs geschreven, en aan het eind van de dag werden al deze aandachtspunten verwerkt tot ‘beslispunten’, ‘randvoorwaarden’ e.d. De bedoeling was dat bij het noemen van aandachtspunten niemand die van een ander zou afkraken. De rayonmanager beleid en communikatie van het rayon Oost van de Sociale Dienst stelde echter voortdurend aandachtspunten ter discussie. Ik konstateer bijvoorbeeld, dat veel gedetineerden  bij detentie hun huis kwijtraken, omdat ze de huur niet meer kunnen betalen omdat hun uitkering stopgezet wordt. De wijkagent die naast mij zit, bevestigt dit verhaal. De sociale dienst ambtenaar werpt tegen: ‘maar we hebben een regeling, waarbij het eerste half jaar de huur door de sociale dienst betaald wordt. Als ze een langere gevangenisstraf krijgen, niet, maar als ze dan uit de gevangenis komen, hebben ze binnen drie maanden een woning.’ Weg is de signalering van het knelpunt van de dakloze gedetineerden. Achteraf blijkt zijn verhaal echter niet te kloppen. Er zijn wel degelijk lange wachttijden voor woningzoekenden die uit de gevangenis komen!
Het tweede discussiepunt gaat erover dat niet kunnen lezen en schrijven een vorm van armoede is. De sociale dienst ambtenaar: ‘Er zijn mensen, die dat niet kunnen, en toch gelukkig zijn. Dit hoort dus niet bij het armoede beleid, je moet het beperken tot inkomensvoorzieningen.’
Ook werd gesteld dat als allochtonen die geld sturen naar het land van herkomst, in armoede leven, dat dit hun eigen schuld is. Dus de bijstandswet hoeft op dat punt niet te worden aangepast. Dan wordt de redenering opgezet dat allochtonen soms  een Mercedes kopen van fl 5000,- om naar het land van herkomst te gaan, en dat je dan de vraag moet stellen, of je ze nog wel inkomensondersteuning moet geven. Het is toch hun eigen keuze.
En als mensen arbeidsongeschikt zijn, en ze willen niet meewerken aan een psycho-sociale therapie, waarbij ze vervolgens weer arbeidsgeschikt zouden worden, dan is dat ook hun eigen keuze. ‘Een keuze om in de armoede te blijven, en in het beleid hoeven we daar dus geen prioriteit aan te geven.’
Tenslotte vertelt de sociale dienst ambtenaar trots over een projekt dat enige tijd geleden in Oost is opgezet. “Mensen voelen zich prettiger, als ze in een nette, opgeruimde buurt wonen, en in een huis dat netjes opgeruimd is en goed in de verf zit. Daarom hebben wij als sociale dienst een  klein projektje gestart, waarbij we mensen fl 110,- bijzondere bijstand gaven, om potten verf te kopen. Nou, het liep storm. Dat is ook weer een voorbeeld van hoe je mensen kunt stimuleren.”
De bijdragen van de andere mensen in het creatieve beleidsproces waren gelukkig heel wat positiever, anders zou ik er acuut mee ophouden.
Piet van der Lende


De werkgelegenheidsmaffia en het Wisconsin model

De arbeidsbemiddelaars van allerlei diensten en instanties die de gelden voor de bevordering van de werkgelegenheid verdelen (door Ben Bugter, direkteur van Maatwerk-banenpool wel de ‘werkgelegenheidsmaffia genoemd) hebben een nieuw speeltje ontdekt: het Wisconsinmodel. De notoire werklozenhater Eduard Bomhoff, professor in de ekonomie en columnist van NRC-handelsblad is het eerst met het Wisconsin model gekomen. Al die klaplopende uitvreters in de bijstand moeten streng aangepakt worden. Privatisering van de arbeidsbemiddeling en de sociale zekerheid is de slogan. Kort gezegd houdt het Amerikaanse model in, dat een partikulier bedrijf twee jaar werkloosheidsuitkering van een client krijgt. Die mogen ze sowieso houden. Als ze binnen die twee jaar de werkzoekende aan werk helpen, maken ze dus winst. Hoe eerder de werkzoekende werkt, hoe groter de winst. Het Wisconsinmodel zal binnnenkort ingevoerd worden in de Bijlmermeer, waar men 1000 langdurig werklozen binnen korte tijd aan “werk” hoopt te helpen.
privatisering
Er gaat het gerucht, dat er een besloten overleg tussen Ben Bugter, directeur van Maatwerk, en minister Melkert heeft plaatsgevonden bij de Wiardi Beckman stichting, het wetenschappelijk bureau van de partij van de Arbeid, en dat daarbij de mogelijkheden van het Amerikaanse model ‑als experiment in Amsterdam‑ aan de orde zijn gekomen. Ook op het DiVOSA-congres- het congres van direkteuren van sociale diensten was er een workshop, die aan het Wisconsin model was gewijd. Vooraanstaande ambtenaren uit Amsterdam zijn door werklozenhater Bomhoff voorgelicht over het Wisconsin model. Ze waren enthousiast. Binnenkort start een experiment in de Bijlmermeer. Je krijgt in Wiscinsin een gesprek van enkele uren. Eerst worden je problemen besproken. Dan worden je schulden gesaneerd. En drie uur later ga je de deur weer uit met een baan. Wat voor werk? Hoe wordt het betaald? Dat komt nauwelijks aan de orde. Werk is werk. Passende arbeid? Nooit van gehoord. Het blijkt verder, dat er bij dit enthousiast verdedigde model niet alles zo mooi is als het wordt voorgesteld. Mensen, die voor 20 uur tewerk worden gesteld, halen het sociale minimum niet, maar soms weigert in de Verenigde Staten het partikuliere bedrijf dat de bemiddeling doet dan een aanvullende bijstandsuitkering te verstrekken. De Amerikaanse overheid controleert dit niet. Minister Melkert heeft in het overleg bij de Wiardi Beckmanstichting gezegd, dat alleen de ‘poortwachtersfunctie’ van de sociale dienst, dus de eerste intakegesprekken, niet geprivatiseerd mogen worden, evenals de feitelijke beoordeling of iemand voor een uitkering in aanmerking komt. Dit is ook het standpunt dat de minister heeft ingenomen in onderhandelingen met Frank de Grave, staatssecretaris van sociale zaken van de VVD. Samen hebben ze een nota over de privatisering van de arbeidsbemiddeling en de sociale zekerheid gemaakt. Ondanks het standpunt van de minister gaan veel gemeenten al veel verder bij de privatisering. Zeker gezien het experiment in de Bijlmer. In dit verband is het ook interessant, dat de sociale diensten worden geprivatiseerd. Met name in Assen wordt niet alleen de uitkeringsadministratie, maar ook de beoordelings‑ en bemiddelingsgesprekken gevoerd door partikuliere organisaties.

Piet van der Lende

Discussie in de Rode Hoed over de participatiewet van de Partij van de Arbeid d.d. 08-10-1996

De participatiewet is een wet tussen de bijstand en de werkne­mersverzekeringen in. Het is de bedoeling, dat deze wet geen partnertoets kent en geen vermogenstoets en ruime mogelijkhe­den voor scholingsverlof en bijverdiensten. Op die manier worden mensen middels een traject geactiveerd, overeenkomstig de manier waarop ze nu hun leven afwijkend van de maatman inrichten, bezig te zijn. De participatiewet kan zowel toe­stroom krijgen van bovenaf als van benedenaf. Dit vanwege het strategisch bewustzijn, dat je niet alleen een sociale zeker­heid voor de armen moet ontwikkelen, maar dat je de sociale zekerheid breed moet zien. Je moet ook een sociale zekerheid maken voor de middengroepen, zodat ze bereid zullen zijn ook de premies op te brengen voor de onderkant. De Partij van de Arbeid als coalitie tussen midden en arm. In de participatie­wet kunnen oa worden ondergebracht de WIK en ook volgens mij de melkertregelingen, maar ook scholingsverlof. 

Er zijn nu drie problemen in de samenleving gezien vanuit de sociale zekerheid. De zekerheid verlamt mensen nu. Zie de bijstands­wet. De problemen zijn: flexibilisering, armoede en verande­rende betekenis van zorgarbeid. Met de mensen uit de partici­patiewet, die tijdelijk is, wordt een activeringstraject afgesproken, dat in principe weer moet toeleiden naar de arbeidsmarkt, maar tijdelijke ontheffing van de sollicitatie­plicht zit er ook bij.

Door Derksen van de W.R.R. werd de volgende kritiek naar voren gebracht.
1. Er wordt geen rekening gehouden met de globalisering, de internationalisering van de economie, waardoor deze sociale zekerheid niet betaalbaar is en achterhaald voor zij is inge­voerd.
2. De sociale zekerheid en het wettelijk minimumloon verhinde­ren het ontstaan van goedkope banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Die banen zijn er nu niet. De PvdA kan beter focussen op een basisuitkering via de negatieve inkomstenbe­las­ting, waarbij faciliteiten bestaan om bij te verdienen via de flexibele arbeid en alleen voor de mensen die echt niet kunnen een aanvulling.
3. Er wordt geen rekening gehouden met de mondigheid van de burgers. De participatiewet is weer een vorm van verregaande bureaucratische betutteling. Je bent weer afhankelijk van de verzorgingsstaat en de overheid en daar wil de mondige burger nu juist vanaf.

Het rapport is tweeslachtig op dit punt en met zichzelf in discussie gebleven. Enerzijds activering, en zelfinitiatief bevorderen, anderzijds verregaande betutteling. De mensen moeten zelf maar invullen wat ze willen aan zekerheid naast inkomen. En zorg dan als overheid voor een garantie dat er voldoende werk is.

Adelmund: de internationalisering van de economie is een punt. Ik had tussen de twee rapporten die er nu liggen graag een derde gezien, namelijk de globalisering en alles wat daarmee samenhangt, zodat dit als scharnierpunt zou kunnen fungeren tussen de andere twee. Dit rapport gaat over de aanbod kant; wat gebeurt er als we niets doen, en wat moeten we anders met mensen die anders onherroepelijk buiten de boot vallen. Maar er is natuurlijk ook een vraagkant. Ik zou niet alle sociale zekerheid op een bepaald niveau willen; je moet niet capitule­ren voor de tijd­geest, die een scheiding aangeeft tussen de mid­denklasse en de onderkant. Beide groepen moet je bedienen, dus niet alleen een sociale zekerheid garanderen voor mensen op het minimum.
Er is ook geen tegenstelling tussen solidariteit en eigen initiatief. De solidariteit in de samenleving neemt juist toe.

Wat de werkgelegenheid betreft: we hebben aan verschillende groepen drie scenario’s voorgelegd: wat willen jullie. Men kon kiezen uit: niets doen, met 1 miljoen mensen in de bijstand, melkert als minister president en 1 miljoen melkertbanen en geloof ik een soort basisinkomen scenario, waarbij toch mensen worden uitgesloten van werk. Men wilde dan toch het liefst het tweede. Je moet de redenering van volledige werkge­legenheid niet opgeven. Men wil vasthouden aan de herverde­lingsoperatie, via atv en deeltijdwerk. Niet opgeven. Als je dat opgeeft, leg je je neer bij de tweedeling in de samenle­ving.

Na de pauze was een punt van kritiek dat werd gezegd: er komt een gigantische bureaucratisering als je al die trajectplannen moet gaan opstellen en bovendien een wet schuift tussen de werknemersverzekeringen en de bijstand.
Bovendien worden de armen door deze wet niet geholpen. De wao en de ww worden afgebroken, al die mensen zitten al op het minimum. De bijstand is veel te laag. Wat wordt daarvoor gedaan?

Antwoord Adelmund: dit is nu eens niet een nota die streeft naar bezuinigingen, maar naar anders, beter. De pvda maakt zich sterk tegen aantasting van hoogte en duur van de uitke­ringen en er moet meer poen komen voor de mensen op het mini­mum. We willen verbeteringen. De participatiewet biedt moge­lijkheden om jezelf door eigen initiatief te verbeteren en doorstroming leidt tot vermindering van armoede.

Daarna wordt er gediscussieerd over het ‘stabiliteitspact’. Dit houdt in, dat er informele afspraken zijn gemaakt over de hoogte van het financieringstekort in de verschillende landen, dit zijn echter informele afspraken die geheel verschillend worden uitgelegd. Men zegt dat de afspraken in dit pact zo stringent zijn, dat er geen ruimte overblijft voor een sociale paragraaf, waarbij een goede sociale zekerheid kan worden opgebouwd.
In Belgie schijnt een wet op de loononderbreking te zijn, waarbij iemand gedurende zijn leven maximaal vijf jaar verlof mag opnemen.
De directeur van de openbare bibliotheek treedt naar voren. Hij heeft vele honderden werknemer sin dienst, waarvan 70% flexibel werkt. Men is daar zeer tevreden over. Er wordt te gemakkelijk gepraat over om nu maar de lasten bij de werkge­vers te leggen voor een goede sociale zekerheid op basis van flexwerk. (Premies betalen en rechten opbouwen per uur.)
Als ik meer moet gaan betalen voor dit flexwerk waar iedereen tevreden over is, kon ik het wel eens gaan veranderen.

Antwoord Adelmund: werkgevers en werknemersorganisaties waren over de flexwerkers waarover het kabinet het moeilijk eens konden worden veel sneller akkoord, ook de werkgevers. Men beseft wel, dat verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de flexwerkers noodzakelijk is. Met name in deze sector bestaat een groot tekort. Als de voorwaarden niet verbeteren, kunnen ze geen mensen krijgen en werkgevers willen graag flexibilise­ren. Dus een sociale zekerheid eraan koppelen, die dit moge­lijk maakt. Het lijkt wg waardevol, om meer flexwerkers te hebben. Het kan op verschillende manieren gefinancierd worden, statiegeld op arbeid, premiedifferentiatie in de ww.

Tenslotte: de participatiewet is juist een gigantische vereen­voudiging.
Adelmund merkte tenslotte op, dat de werkgelegenheidsdiscussie telkens weer terugkwam, maar dat dit niet de probleemstelling was. Aan de ene kant zijn er mensen, die zeggen: volledige werkgelegenheid is onhaalbaar geworden, aan de andere kant zeggen mensen: pvda, eis veel meer banen in de collectieve sector. Dit rapport zit er als ik het goed begrijp tussenin. De discussie over de volledige werkgelegenheid is een sudder­lapje.
De pvda zou in haar vorige verkiezingsprogramma het boete­kleed hebben aangetrokken over de wao. Hoeveel as enzovoort. Maar nu moeten we iets nieuws.

Ine: wat is de participatiewet anders dan de bijstand, qua hoogte van uitkering en zo, minus de bijverdienste, de part­nertoets en de vermogenstoets?.