Het poldermodel “We moeten een nieuwe sociale kwestie stellen”

Demonstreren in Luxemburg

Op vrijdag 21 november was er in Luxemburg een overleg van de Europese regeringsleiders over werkgelegenheid. Het Euro­pees Verbond van Vakverenigingen (EVV) riep op tot een demon­stratie aan de vooravond van de top, op donderdag, met als een van de cen­trale eisen: een effectieve, drastische arbeids­tijd­verkor­ting om de werkloosheid te verminderen. De FNV deed echter niet mee. Het komitee dat in Neder­land de Euromarsen tegen werk­loos­heid, armoede en sociale uitsluiting had georga­niseerd besloot daarop, een delegatie naar Luxewmburg te sturen. Zo namen toch nog ruim 50 demon­stranten uit Nederland deel aan de grote demonstratie, die ruim 25.000 mensen telde. Enkele ervaringen.
s’Morgens om zeven uur vertrok de bus achter het Centraal station in Amsterdam. In Utrecht en Eindhoven werden nog groepjes demonstranten opgehaald, en toen zat de bus vol. Aangekomen in de stad Luxemburg reden we naar het station van de spoorwegen, waar de demonstratie begon. We stapten uit en voegden ons bij het blok van de Euromarsen. Alle demonstranten in dit blok hadden zwart-witte hesjes met het embleem van de Euromarsen erop. En op de achterkant: Chomage Ya Basta!. Het was een kleurige demonstratie met rode, groene en blauwe hesjes van de verschillende blokken. Men demon­streerde in de verschillende blokken vooral voor arbeids­tijd­verkorting met herbe­zet­ting. We liepen de Avenue de la Li­berte af, een grote Boule­vard van 25 meter breed. Zo ver je kon kijken waren er demon­stranten. Zij liepen in de blokken van hun vakbonden, vooral Belgi­sche en Franse. Maar er waren ook Grieken, Italia­nen en Span­jaarden en veel Duitsers. Een Neder­lander vertelde mij, dat hij met de bus uit Duisburg was gekomen. De Duitse vakbonden hadden niet opgeroe­pen tot de demonstratie, maar veel kaderle­den waren toch tot mobiliseren overgegaan. Zo waren er oa drie bussen uit Duisburg. Het was een levendige demonstratie met vuur­werk, gezang, muziek, toortsen en grote ballonnen. Uit een grote luidspreker op een auto schalde een Vlaamse versie van het Mariannelied. Dit riep bij mij gemengde gevoelens op. Aan de ene kant: een meer dan honderd jaar oud, prachtig lied uit een mooie tradi­tie. Aan de andere kant besefte ik, hoe ver de grote groep van werklozen in zijn/haar dagelijkse leefwereld inmiddels verwij­derd is van deze tradi­tie, vooral in Neder­land.
bekenden
Tij­dens de demon­stra­tie heb ik allerlei beken­den ontmoet uit de tijd van de Euromar­sen. In dit blok van ongeveer 2000 mensen waren veel vertegenwoordigers van het Franse Action Chomage en van de vakbond SUD. Er waren veel beken­den van AC! Gironde, die ook meegelopen hebben in de Euromar­sen. Veel Fransen waren met een trein gekomen. Zij hadden enkele dagen eerder in Parijs een pamflet verspreid, waarin opgeroepen werd op de twintigste om acht uur s’morgens te verzamelen bij het Gare de l’Est. Daar zou men eisen, dat er een trein naar Luxemburg zou gaan, zonder dat de reizigers hoefden te beta­len, zodat ook mensen met weinig geld konden deelnemen aan de demonstratie. De trein is inderdaad in Luxem­burg aangekomen. Maar vrijdag­nacht zijn de ongeveer twee­hon­derd treinreizigers bij terug­komst in Parijs gearresteerd. Ik weet niet, hoe het hen verder is vergaan.
Bij het eindpunt verliep de demonstratie. Er was geen centrale manifestatie. Iede­reen liep via de winkel­straten in het cen­trum een park in, terug naar de par­keerplaats voor de bussen. Het netwerk van de Euromarsen had wel een manifes­tatie georga­niseerd, in de halle de Victor Hugo. Maar de zeer grote hal nauwelijks gevuld met mensen. De meesten van het Euromar­sen­blok waren direct met de bus terug­ge­gaan naar huis. Het was sommigen ook niet duide­lijk, dat er na afloop nog een manifes­tatie was, en de halle Victor Hugo was ook niet eenvou­dig te vinden. 
FNV doet niet mee
Wat moet je verder denken van zo’n demonstratie? Je kunt je op het standpunt stellen van Lodewijk de Waal, voorzitter van de FNV, die in een brief aan de bestuurders van de aangesloten bonden schreef, dat demonstreren op dit moment geen zin heeft. Beter is overleg met de werkgevers en met Kok en lobbywerk achter de schermen. Behalve de beinvloeding van de top heeft zo’n demonstratie echter ook als functie: een bijdrage in het opbouwen van een Euro-kritische beweging van onderop, waarbij een veelheid van internationale contacten ontstaat. De vakbe­weging ontleende in het verleden haar macht en invloed aan de mobili­satie van de achter­ban, waarbij mid­dels een grote varie­teit aan aktievormen druk werd uitgeoefe­nd op werkgevers en overheid. Deze lijn lijkt De Waal te hebben verlaten. Alles wordt op het overleg gegooid, waar­bij men in feite de voor­waarden van de tegenpar­tij accepteert. De leiding van de Neder­landse vakbewe­ging accepteert de uitgangspunten van het pol­dermodel en van de invoering van de Europese munt, die grote overheids bezuinigingen met zich meebrengt. Uit het proefschrift van Ruud Vlek -‘Inactieven in actie’ blijkt, dat de vakbewe­ging geen prioriteit geeft aan de belan­gen van de laagstbe­taalden, met hun flexibele arbeid, en de werklozen en arbeids­ongeschik­ten, die vaak moeten rond­komen van een mini­mumuitke­ring. De verdediging van hun belangen wordt gesmoord in de vaak stroperige en bureacratische besluitvormingsproce­dures van de bonden.
resultaten top
De activiteiten van Action Chomage in Frankrijk, de Euromar­sen, de demonstratie in Luxemburg en andere akties hebben ertoe bijgedragen, dat het vraagstuk van de werkloosheid op de Europese agenda is geplaatst. Vooralsnog zijn de afspraken die in Luxemburg werden gemaakt echter boterzacht. Men wil binnen vijf jaar stage­plaatsen of werk regelen voor jongeren die werkloos zijn, maar landen met een grotere werkloosheid mogen er langer over doen. Er wordt op de Europese begroting een miljard uitgetrokken voor startende ondernemers. De lidstaten moeten verder werken aan nationale banenplannen, maar harde verplichtingen voor de landen zitten daar niet aan vast. De lidstaten gokken op lastenverlaging voor werkgevers, die meer werk zou opleveren. Nederland probeerde op de top in Luxemburg haar poldermodel te exporteren. Het is nu zaak, de kritiek op dit model te intensiveren en alternatieven aan te dragen.
Piet van der Lende

Ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening en investeringsbeleid van de gemeente Amsterdam

Gedeeltelijk gepubliceerd in Krant voor aktieve Baanlozen in Amsterdam- KABAM- december 1997

De zeventiger jaren waren op het gebied van de ruimtelijke ordening in Amsterdam de jaren van Lammers en De Cloe. Zij vonden dat de gewone Amsterdammers de stad uitmoesten om in plaatsen als Almere en Lelystad te genieten van ruimte en groen. Zaken die tot dan toe als een voorrecht van welgestelden werden gezien. Op deze manier zou er in de hoofdstad plaats vrijkomen voor de rijke mensen, waarmee voorkomen werd dat Amsterdam een stad van relatief arme mensen werd, omgeven door groene voorsteden van welgestelden. Amsterdam zou in deze visie ruim van opzet worden. De Dapperbuurt zou bijvoorbeeld worden afgebroken om plaats te maken voor ruimer opgezette wijken.
1978 is het omslagpunt. Het begrip “compacte stad” (een dicht- bebouwde stad, de Dapperbuurt hoeft dus niet afgebroken worden) wordt naar voren gebracht door wethouder van der Vlis. Deze wethouder heeft blijkens het onderzoek “Het stempel van de besluitvorming – Macht, invloed en besluitvorming op twee amsterdamse beleidsterreinen” door Jaco Berveling- een grote invloed uitgeoefend op het beleid in amsterdam gedurende de tachtiger jaren. Het uitgangspunt van de compacte stad werd aangevuld met Schaefers “bouwen voor de buurt”. De oorspronkelijke bewoners hoefden niet meer te verdwijnen naar de voorsteden, integendeel, er wordt met hun woonwensen rekening gehouden en na de bouw of renovatie keren de bewoners terug naar hun duurdere-dat wel- woning. Het idee van menging van inkomensgroepen wordt daarbij bevorderd.
Het idee compacte stad doet tot op de dag van vandaag opgeld. Functiemenging voor de binnenstad, dat houdt in wonen, werken en vermaak gehadhaafd in het centrum van de stad. Dit is een belangrijke richtsnoer. Het hele idee van een multifunctioneel centrum speelde ook een rol bij de diskussies over de IJ-oevers; tegenover de zich min of meer spontaan ontwikkelende kantoorkolossen aan de Zuid-As moest in het centrum een plan worden bedacht, dat het centrum nieuwe ekonomische impulsen zou geven, om het evenwicht op verschillende lokaties tussen wonen, werken en vermaak te handhaven. Ook het thema van de verdichtingsbouw speelde daarbij; hoe hoog mochten de kantoren aan de Ij-overs worden en hoeveel groen komt tussen de huizen? De IJ-oevers zijn echter behalve een handhaven van het concept van de compakte stad ook een uiting van een nieuwe belangrijke beleidswijziging. Scheaffers slogan “bouwen voor de buurt” wordt afgeschaft.
In de loop van de jaren tachtig gaat de aandacht meer uit naar “stedelijke vernieuwing” en niet meer naar stadsvernieuwing. De aandacht van de sociaal=demokraten wordt verlegd van van het bouwen van goede en goedkope wonin- gen in de buurten naar een herorientering op het stedelijk vernieuwingsproces. “Bouwen voor de buurt” wordt “bouwen voor de markt”. Daarbij worden nieuwe financieringsgrondslagen ontwikkeld, de publiek-private samenwerking. Er moeten finan- ceiringsmaatschappaijen worden opgezet, waarin overheid en bedrijfsleven deelnemen. Door die samenwerking kan een geld- stroom in de richting van concrete projekten op gang worden gebracht. De financieringsmaatschappij moet zich bezig houden met het aantrekken en uitzetten van gelden voor ontwikkelings- maatschappijen die concrete projekten ter hand nemen. Bij de Ij=oevers is deze construktie beproefd maar roemloos ten onder gegaan. Allerlei grote projekten staan echter nog steeds op stapel. Allerlei varianten voor de toekomstige inrichting van Amster- dam zijn al in een vergevorderd stadium van besluitvorming. Het gaat daarbij om projekten als een autoluwe binnenstad, Nieuw Oost, de Noord-Zuidlijn van de metro en de Westpoort.
Deze grote herstruktureringen van de “compacte stad” zullen een grote invloed hebben op het stedelijk sociaal leven. Daarbij denken niet alle groepen in de stad hetzelfde en leggen zij verschillende prioriteiten. Op de door de gemeente (Eise kalk) en het Instituut voor Publiek en politiek georganiseerde stadsconferentie op 29 januari 1994 in de Beurs van Berlage discussieerden Vera Dalm van het Milieucentrum (een samenwerkingsverband van milieuorganisaties) en Jacqueline Kuhn van het Amsterdams Steunpunt Wonen met elkaar. Zij waren het niet eens over het tema van de compacte stad en de verdichtingsbouw. Door de alarmerende woningnood wint de gedachte om groene ruimtes op te offeren voor woningbouw terrein, met name in de westelijke tuinsteden wordt er steeds meer voor verdichtingsbouw gekozen. Door deze ontwikkelingen komen milieu (groenvoorzieningen ) en woningbouw (voor met name kansarmen) op gespannen voet met elkaar te staan. De discussianten waren het met elkaar eens dat anders bouwen (niet langer de eengezinswoning met tuin als standaardmodel) de beste oplossing is. Verdichtingsbouw heeft op dit moment niet de voorkeur van de ASW (“Maar als ons het mes op de keel wordt gezet kiezen we uiteindelijk wel voor verdichtingsbouw, het MCA vergeet wel eens dat leefbaarheid niet alleen slaat op de openbare ruimte maar ook op de woningen”.)
Het concept van de publiek-private samenwerking om in een tijd van toenemende overheidsbezuinigingen op sociale voorzieningen toch voldoende geld voor bepaalde projekten los te krijgen vinden we ook op andere beleidsterreinen, zoals de sociale vernieuwing. Op buurtniveau moeten stadsdeelraden, bewonersgroepen, leefbaarheidsgroepen, en projektontwikkelaars in innige samenwerking de verloedering in de buurt tegengaan en werkgelegenheid in de buurt scheppen. Bij de sociale vernieuwing speelt het “upgraden’ van de buurt een grote rol. Niet alleen sociale huurwoningen in de buurt, maar ook koopwoningen, te bouwen door partikuliere maatschappijen, zodat een menging van verschillende bevolkingsgroepen en inkomensgroepen ontstaat. Je zou kunnen zeggen, dat op Amsterdams niveau de pogingen tot publiek-private samenwerking gepaard gaande aan decentralisatie en deregulering, pogingen zijn van sociaal- demokraten op lokaal niveau, investeringen in de stad op peil te houden en daarbij een verbinding te leggen met het tegengaan van verloedering in de stad en de steun aan de armere bevolkingsgroepen.
De sociale vernieuwing is een roemloze dood gestorven, en heeft vooral gefungeerd als propaganda middel van het kabinet Lubbers/Kok. Verder blijkt dat het beleid op het gebied van ruimtelijke ordening is verbonden met het vraagstuk van segregatie en gettovorming en hoe de overheid daartegenaan kijkt. Dit bleek hierboven ook al bij de ideen van Lammers en De Cloe. Hier volgt een opsomming van de notaas waarin bovengenoemde beleidsuitgangspunten zijn vastgelegd. De eerste nota waarin de ruimtelijke ordening in en om Amsterdam systematisch wordt behandeld is de nota over de uitbreiingsdplannen van 1935 (AUP). Na de oorlog is er een Struktuurplan voor Amsterdam uit 1974. Dit wordt gevolgd door het Struktuurplan uit 1981. Dan is er het Struktuurplan uit 1985 (1986) en het Struktuur- plan 1991. Dan is er nog het Ontwerp Struktuurplan 1994 Ten slotte is er het Regio-Struktuurplan van de ROA voor 1994. (Voorontwerp Regionaal Struktuurplan 1995-2005) Deze struktuurplannen gaan gepaard met onderhandelingen met het rijk over investeringen. Deze onderhandelingen werden gevoerd ook op basis van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening en de Vierde Nota Extra (VINEX), waarbij de ROA de verplich- ting op zich nam om in de periode 1995-2005 tussen de 100.000 en 120.000 woningen te bouwen. Inbreng van de gemeente Amsterdam bij de onderhandelingen van de in 1994 tot stand gekomen VINEX-akkoorden was de nota “Amsterdam op weg naar 2005″.
Amsterdam is in de vierde nota Ruimtelijke ontwikkeling aangwezen als toplokatie; het stedelijk knooppunt Amsterdam moet worden klaargemaakt voor de concurrentieslag met andere Europese steden. Wil de randstad “Gateway” tot Europa blijven, dan zal een toplokatie als de IJ-oevers moeten worden benut. Gebeurt dit niet, zo is de redenering, dan zal de randstad worden overvleugeld door andere regio’s zoals rond Londen, Parijs en Dusseldorf. De IJ-oevers moeten een groot-stedelijk vestigingsmilieu worden dat zich kan meten met La Defence in Parijs. Hiermee zijn we dus op een ander argument gekomen voor de ontwikkeling van de IJ-oevers; het eerste staat hierboven al genoemd, en was, dat in de compakte stad een evenwicht moet worden gevonden ten opzichte van de Zuid-as. De plannen over de ontwikkeling van de IJ-oevers zijn gepaard gegaan met een stroom van nota’s alle genoemd in het boek van Berveling. Ook het milieu krijgt aandacht in de plannen van de gemeente Amsterdam. Met name in het Ontwerp Beleidsnota Ruimtelijke Ordening en Milieu (BROM). Men ontwikkelt daarbij modellen, waarbij een relatie gelegd kan worden tussen de lokatie van bepaalde functies en het milieueffekt ervan. Op die manier wil men komen tot optimale keuzen die zowel voor het milieu als voor de ekonomie het meeste rendement opleveren. Je kunt je echter afvragen, of al die bovengenoemde notaas wel een reeel beeld geven van wat de overheid in feite doet.
Is die planning die door de sociaal-demokraten in de stad wordt nagestreefd, er eigenlijk wel? Op een conferentie over het Zeeburgereiland in 1997 kwam het volgende naar voren. Je kunt de stad beschouwen als een struktuur, waarbij er goederen en personen voortdurend de stad binnengaan, vooral forensen en eindprodukten, en andere goederen en personen de stad uitgaan. Weer forensen en bijvoorbeeld afval. Bij het reguleren van deze stroom van goederen en personen moet met verschillende specten rekening worden gehouden: milieu, bereikbaarheid, afstand wonen werken, leefbaarheid, etc. Er zou eigenlijk voor zo’n stedelijke regio een totaal-plan moeten worden ontwikkeld, op grond waarvan vragen worden beantwoord als: welke industrie of dienstverlening willen we in de stad hebben? Wat kan verder- weg? Hoe is de verhouding tussen wonen en werken in de stad en hoe kan dit worden geintegreerd? Welke delen van de stad maken we autoluw of zelfs autovrij, etc. Ten behoeve van welke groepen creeeren we werkgelegenheid in de stad, en hoe wordt die werkgelegenheid in de vorm van bedrijven opgezet?. En ook: hoe kan er een evenwicht ontstaan tussen woon- en werkfuncties? Nu blijkt het zo te zijn, dat in Am- sterdam een dergelijke totaal-visie geheel ontbreekt. Er is een ambtelijke molen, die doordraaid, en waarin deelbeslissingen worden genomen, die niet meer kunnen worden teruggedraaid. Als voorbeeld werd oa genoemd, dat er bij het Zeeburgereiland nu al een tunnel wordt gebouwd voor een sneltram die daar zou moeten komen voor de bewoners, terwijl de bestemming van het eiland officieel nog moet worden vsstgesteld!. Een van de sprekers gaf aan, dat in Amsterdam in feite visies op deelterreinen worden ontwikkeld door gespecialiseerde afdelingen van ambtenaren, die geen rekening houden met het totaal. Integratie van die verschillende beleidsterreinen in een visie vindt niet plaats. Professor Lambooy zei het zo: de ontwikkelingen in Amsterdam zijn zodanig dat deze stad in feite niet een structuurplan heeft voor de ekonomie. De ekonomie is onderdeel van de ruimtelijke plannen. Er is geen ruimtelijk ekonomisch plan waarin, uitgaande van ekonomische functies, en de logistieke analyses, een behoeftenlijstje is opgezet. Vaak wordt ad-hoc per gebied gewerkt of het wordt helemaal afhankelijk gemaakt van woningbouw. Deze eenzijdige gerichtheid van het Amsterdamse beleid op woningbouw versterkt ook effecten in het kader van het marktmechanisme: de woonfunctie in de binnenstad overvleugeld de werkfunctie, en verdringt deze, omdat door de grote vraag naar woningen er voor een vierkante meter wonen inmiddels op sommige plaatsen meer betaald wordt dan voor een vierkante meter kantoor. Daarom worden bedrijven door partikuliere woningen verdrongen. Bedrijven willen echter graag in de binnenstad zitten: aan de rand van Amsterdam, waar veel bedrijven naartoe verhuizen, is kantoorruimte over, in de binnenstad is een groot tekort aan kantoorruimte. Door het Amsterdamse beleid en de werking van het marktmechanisme worden werken en wonen nog steeds sterk gescheiden, hetgeen weer gevolgen heeft voor de vervoersstromen. De lobby van het bedrijfsleven speelt handig op deze situatie in.
Bedrijven of groepen van bedrijven proberen met verschillende argumenten erdoor te drukken, dat met hun specifieke bedrijfsbelangen rekening wordt gehouden. Zo zeggen de bedrijven die nu op het Zeeburgereiland zitten en die daar willen blijven: “Nieuw Oost komt er toch, evenals allerlei snelwegen, trams en spoorverbinden en de ontwikkeling van de IJ-oevers, dan is het Zeeburgereiland in dit geheel een steeds belangrijker knooppunt, waar bedrijven gevestigd moeten zijn, dichtbij de stad, die afval verwerken, bouwmaterialen aanvoeren en rioolwater zuiveren”. Terwijl over al die projekten nog moet worden beslist!. Zo spelen de bedrijven dus handig in op de nauwelijks te beinvloeden ambtelijke doorloop. Maar ook chantage wordt niet geschuwd: “als wij moeten verhuizen, dan gaan we ver weg, en dan kost dat 60 miljoen, en dat konden we wel eens gaan verhalen op de gemeente Amsterdam, we eisen in ieder geval schadevergoeding, en als we mogen blijven zitten, investeren we veel in nieuwe ontwikkelingen ter plaatse. Zo ontstaat er in mijn ogen een congsi van lobbyende bedrijven, amtenaren en politici, die beslissingen nemen op deelterreinen, waarbij niemand een totaal-overzicht heeft. De conclusie kan luiden, dat de ekonomische ontwikkeling van de regio amsterdam ondergeschikt gemaakt is aan de ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een soort ad-hoc beleid wordt gevoerd: we kijken waar bedrijven zich vestigen, en gaan dan nadenken over wat we daarmee doen, of er wordt op grond van niet-ekonomische overwegingen ergens een bedrijfsterrein gepland. (een voorbeeld daarvan is volgens mij ook de IJ-markt).
Vanuit ekonomisch oogpunt gezien zijn de miljardeninvesteringen die Amsterdam aan het plannen is slecht onderbouwd en de werkgelegenheid lijkt al helemaal een ondergeschikte rol te spelen, ondanks fraaie woorden in beleidsnota’s waar men het tegendeel poogt aan te tonen. Het gemeentebeleid is een rommelig zooitje en met name de Amsterdammers, die op een minimum leven, zijn hiervan de dupe. De verschillende miljardeninvesteringen hebben zo hun gevolgen voor met name mensen met een minimuminkomen. Tegenover de vele investeringen staan forse bezuinigingen op de gemeentebegroting om alles te financieren. De bezuinigingen en de investeringsinspannin- gen leiden tot hogere lasten voor de burgers, die indirect zijn, dwz iedereen moet bepaalde belastingen betalen ongeacht de hoogte van het inkomen. Voor de sociale woningbouw (stads- verniewuing ) is geen geld meer. We moeten ons systematischer afvragen, of er in Amsterdam sprake is van getto-vorming, segregatie, tweedeling, onder- klasse, sociaal isolement van bepaalde groepen en of dit steeds sterker wordt en wat de effecten zijn van het over- heidsbeleid in dit opzicht. Daarvoor is het allerleerst noodzakelijk, de verschillende begrippen goed te definieren. Op Amsterdams niveau zijn mij wat dit betreft geen uitgebreide onderzoeken bekend.
Dit bericht is geplaatst in Ruimtelijke ordening. Bookmark de permalink. Be

Partnertoets in de bijstand

Big Brother is watching you

Wanneer bij twee samenwonenden een van beiden een inkomen heeft boven het bestaansminimum, dan heeft de ander geen recht op bijstand. De partner met het inkomen wordt geacht de ander te kunnen onderhouden. Dit is de partnertoets in de bijstand. Vaak verschillen de sociale dienst en clienten van mening over het antwoord op de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huishouding en of de partnertoets van toepassing is. Het betreft hier soms zeer ingewikkelde kwesties, waarbij het moeilijk te bepalen is of er wel of geen recht bestaat op bijstand. Om dit te kunnen bepalen moet vaak diep in het priveleven van betrokkenen worden gegraven. Je zou kunnen zeggen, dat dit onderdeel van de bijstandswet bijkans onuit­voerbaar is. Neem de volgende situatie, die onlangs op het spreekuur van de Bijstandsbond ter sprake kwam. Een vrouw koopt een woning voor haar twee zoons. De woning heeft een waarde van fl 60.000,- en bestaat uit de begane grond en de eerste verdieping. De twee broers gaan samen op de eerste etage wonen en zij verhuren de begane grond aan een student. Verder is er nog een bovenbuurman, die op de tweede verdieping woont. In 1994 vraagt een van beide broers een bijstandsuitke­ring aan. Deze wordt hem verleend onder voorwaarde, dat bij verkoop van de woning een groot gedeelte van zijn aandeel in de woning aan de sociale dienst moet worden terugbetaald. Bij de invoering van de nieuwe bijstandswet vindt een heronderzoek plaats. De uitkering wordt stopgezet, omdat de sociale dienst van mening is, dat beide broers samenwonen en de ene broer voor het onderhoud van de andere kan zorgen. De broer wier uitkering wordt stopgezet gaat in beroep. Er vindt vervolgens een nauwkeurig onderzoek plaats tijdens een hoorzitting, waarbij de rol van de drie hoofdpersonen © de broers en de onderhuurder in het huishouden wordt vastgesteld. Eerst wordt de indeling van de woning op de begane grond en de eerste verdieping bepaald. Waar zijn het toilet, de badkamer, de keuken, de woonkamers etc?. En wie woont waar? Het blijkt, dat de drie hoofdpersonen alledrie hun eigen kamer hebben, maar sommige ruimten gemeen¬schappelijk gebruiken. Vervolgens wordt de keukeninventaris vastgesteld. Wat is van wie, en wie heeft het gekocht?. Het koffiezetapparaat bijvoorbeeld is door de broers gezamenlijk aangeschaft. Wat is de taakverdeling in het huishouden? Wie doet de boodschappen? Wie maakt welke ruimten schoon? Bovendien wordt bepaald, wie welke kosten draagt. Wie doet de boodschappen? Wie betaalt het? Wie betaalt de vaste lasten van de woning? Welke gemeenschappelijke en afzonderlij­ke giro- en bankrekeningen zijn er? In totaal zijn er vijf van dergelijke rekeningen. De betalingen over en weer worden in kaart gebracht. De onderhuurder stort zijn huur natuurlijk op een van die rekeningen. Hier komt ook de bovenbuurman om de hoek kijken, want er is voor alle bewoners van het pand een gemeen¬schappelijke rekening, waaruit allerlei vaste lasten worden betaald, zoals de brandverzekering. Tijdens de hoorzit­ting worden vele bescheiden overlegd, zoals de afschriften van een gezamenlijke girorekening in de periode 25 oktober 1996 tot 7 november 1997. En dan de uitspraak: in tegenstelling tot de oude bijstandswet kunnen in de nieuwe ook twee samenwonende broers zijnde bloed­verwanten in de tweede graad een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren. Belangrijk daarbij is het zogenaamde ‘verzor­gingscriterium’. Op de vraag of de beide broers een gezamen­lijke huishouding voeren dient vast komen te staan dat beiden er blijk van geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage aan het huishouden dan wel an­derszins. Bij de beoordeling van dat verzorgingscriterium komt geen zelfstandige betekenis toe aan de omstandigheid dat er sprake is van gezamenlijke eigendom van de woning. Tijdens de hoorzitting werd geconcludeerd, dat er slechts kosten worden gedeeld, die samenhangen met het gezamenlijk bewonen van een eigen woning, -andere kosten worden niet gedeeld- en dat aan het verzorgingscriterium niet is voldaan. Er is derhalve geen sprake van een gezamenlijke huishouding en dus vervalt de grondslag voor de beeindiging van de uitkering. Aangezien in de woning de huurder en de broer tevens hun hoofdverblijf hebben en de client beschikt over de inkomsten uit onderhuur, wordt aan hem bijstand verleend naar de norm van een alleen­staande verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10% van het netto-minimumloon onder verrekening van de inkomsten uit verhuur. Nu denkt u misschien, beste lezer(es) dat dit een weinig voorkomend ingewikkelde situatie is, maar ik kan u verzekeren, dat er nog wel ingewikkelder situaties voorkomen. En nu wil men de ‘partnertoets’ ook al gaan invoeren in andere sociale wetten, zoals de AOW. Een individualisering van de sociale zekerheid zou veel van dit soort problemen kunnen oplossen.

Piet van der Lende

De wetenschap zegt ons na: minstens 15% extra voor de minima

Vereniging Bijstandsbond Amsterdam
Werklozen Belangen Vereniging Amsterdam

De wetenschap zegt ons na: minstens 15% extra voor de minima

Op maandag 1 december bij de promotie van Ruud Vlek zullen bovengenoemde organisaties actie voeren in de aula van de universiteit van Amsterdam om 11.00 uur. Het proefschrift van Vlek bevestigd wat wij al vermoedden. De verarming van grote groepen in onze samenleving is volop in discussie. De politici
benadrukken, dat ze er alles aan doen om dit tegen te gaan.
Het proefschrift van Ruud Vlek, ‘Inactieven in actie. Belangen­strijd en belangenbehartiging van uitkeringsgerechtigden in de Nederlandse politiek’ toont ons wat men in werkelijkheid doet:
de bezuinigingen op de sociale zekerheid gaan voort, er wordt een ministelsel ingevoerd en de koopkracht van mensen met een minimuminkomen is onder het kabinet Kok verder teruggelopen.
Het kabinet heeft meer dan 3 miljard bezuinigd op de sociale voorzieningen, zoals bijstand, Wet Sociale Werkvoorziening (de tewerkstelling van arbeidsongeschikten tegen normale arbeids­voorwaarden) en de kinderbijslag, die eigenlijk een volksver­zekering is. Verdere bezuinigingen op de kinderbijslag staan
op het programma. Geen enkel voorgaand kabinet heeft zo sterk op de sociale voorzieningen bezuinigd.

De reeele waarde van de gezinsbijstandsuitkering in prijzen van 1996 is tussen 1980 en 1985 drastisch gedaald (ongeveer 15%). Tussen 1985 en 1992 blijft zij ongeveer gelijk. Na 1993 is er weer sprake van een daling.
De koopkracht van de minima wordt steeds lager, en steeds meer mensen zijn erop aangewezen. Het kabinet voert een ministelsel in. Het percentage minimumuitkeringen in het totale volume van de sociale zekerheid exclusief de AOW zal tussen 1995 en 1998 oplopen van 66% naar 75%.
En de gevolgen worden op het bordje van de gemeenten gelegd zonder dat die daar de financiele middelen voor krijgen.
Tussen 1995 en 1999 lopen de kosten van de kosten van de sociale voorzieningen (voornamelijk bijstand) op van 14 mil­jard in 1995 tot 17 miljard in 1999. 2 miljard van deze kos­tenstijging zal opgehoest moeten worden door de gemeenten, zodat de bijdragen van de gemeenten oplopen van 17,7% tot
25,8%.