Periodisering van de geschiedenis

Periodisering van de geschiedenis is meer dan het indelen ervan in perioden waarbij een nieuwe periode begint op basis van ingrijpende gebeurtenissen zoals nieuwe economische activiteiten, oorlogen en revoluties of  grote culturele veranderingen. In de geschiedenis kun je vele van dit soort grote gebeurtenissen onderscheiden, dus welke indeling kies je dan? Periodisering is dikwijls ook een indeling van de geschiedenis op basis van bepaalde maatschappijtheorien, waarin het ene of andere element of een bepaald samenstel van oorzaken voor de ontwikkeling van de maatschappij als doorslaggevend wordt beschouwd. En deze theorien veranderen in de loop van de tijd. 

Oude transitietheorien

Kort door de bocht gezegd werden sinds de tijd van de Romantiek in de 19e eeuw verschillende theorien over (evolutionaire) stadia in de maatschappelijke ontwikkeling gepresenteerd, waarbij de ene fase bijna noodzakelijkerwijs werd gevolgd door de volgende en waarbij er sprake zou zijn van meer gesloten samenlevingen naar meer openheid met een meer gecompliceerde economische structuur, met toenemende arbeidsdeling en technologische ontwikkeling. Samenlevingen ontwikkelden zich van meer gesloten ‘primitieve’ samenlevingen naar de open moderne mondiale samenleving. Meestal werd er in dergelijke evolutionaire theorien van uitgegaan, dat er een ontwikkeling is van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’: een ontwikkeling van een gesloten, egalitaire samenleving met weinig onderlinge sociale verschillen en verschillen in rijkdom en bezit naar de moderne samenlevingen, waarin een grotere openheid bestaat en wel grote verschillen in sociale stratificatie.[1] Er worden daarbij duidelijke breuken gezien in de ontwikkeling, zeg maar mutaties. Bijvoorbeeld de drie mutaties van Linton: eerst was er de uitvinding van het gebruik van vuur en het gebruik van gereedschappen, in een volgende fase de domesticatie van plant en dier (de overgang van jagers en verzamelaars naar landbouwende volken) en tenslotte met de industriele revolutie de productie van energie op grote schaal en toepassing van nieuwe, wetenschappelijk rationele methoden in een kapitalistisch productieproces. Wat de conservatieve uitwerking van deze theorien over de stadia in de maatschappelijke ontwikkeling betreft: veel mensen hadden in de 19eeeuw een nostalgische, conservatieve hang naar het ideale verleden met haar vaststaande tradities. Daarbij speelden allerlei oorsprongsteorien een rol; de ene fase bouwt voort op de vorige en zo kan uitgaande van de vroegste steentijd tot de huidige tijd een continue ontwikkelingslijn worden geschetst. Wanneer men teruggaat in de tijd kan men de ‘oorspronkelijke’ basiskenmerken van een volk of groep en haar cultuur vaststellen  Deze oorspronkelijke cultuur werd geïdealiseerd als de nastrevenswaardige, meest ‘zuivere’ cultuur. Deze theorien werden gebruikt om zaken als het min of meer erfelijk ‘volkskarakter’, en het ‘eigene’ van een volk, evenals het begrip zelf, te verklaren.[3]
 In de tijd van de Romantiek in de negentiende eeuw ontstond in zijn algemeenheid bij delen van de burgerij een idealisering van de goede oude tijd. Men idealiseerde het dorpsleven in vroeger tijden: de mensen handelden in onderlinge consensus en volgens tradities. Er is weinig sociale differentiatie. Iedereen is gelijk en werkt voor de gemeenschap. De mensen blijven hun hele leven in het eigen, vertrouwde dorp waar men in vrede samenleeft. In de tijd van de Romantiek verlangde men terug naar deze dorspgemeenschappen. Tegenover deze dorpsgemeenschap werd de moderne maatschappij met haar opkomende industrialisatie en kapitalisme als kil afgeschilderd: een samenleving, waarin ieder individu zijn eigen, particuliere belang nastreefde en waarbij sociale relaties vaak een beperkt commercieel, instrumenteel en onpersoonlijk karakter hebben. De individuen zijn in een voortdurende onderlinge concurrentie met elkaar bezig hun eigen belang na te streven, waarbij de samenleving wordt gereguleerd door wetten en niet door tradities. 

[1] Het onderscheid komt oorspronkelijk van de socioloog Tönnies
[3] De nationalistische tendenties die in de 19e eeuw opkwamen baseerden zich ook op de gemeenschappelijke kenmerken van een volk, niet alleen hun gemeenschappelijke afkomst en geschiedenis maar ook tot in de moderne tijd voortlevende basiskenmerken waarin zij zich zouden onderscheiden van andere volkeren. Dit werd verbonden met het bestaansrecht van de natie-staat. In Nederland ontwikkelde zich de volkskunde, de bestudering van gewoonten, de cultuur en economie van de boerenbevolking.

Periodisering van de geschiedenis deel II

De echo’s van de romantisering uit de 19e eeuw vinden we ook nu nog terug in beschouwingen over het eigen karakter van een deel van Noord-Nederland van voor de industriele revolutie. Bijvoorbeeld in discussies over wat de middeleeuwse Friese vrijheid wordt genoemd. De middeleeuwse grietenijen zoals de Stellingwerven worden dan voorgesteld als rechtvaardige, democratische republieken van vrije boeren, waar een stedelijke elite en adel ontbraken en waar dus een grote en rechtvaardige gelijkheid tussen de mensen bestond. Er bestaat zelfs een boek uit de vijftiger jaren van de twintigste eeuw dat als titel draagt: ‘de vrije natie der Stellingwerven’. De stellingwervers worden in deze en andere publicaties dan voorgesteld als boeren en boerinnen, die erg op hun vrijheid en onafhankelijkheid gesteld waren, waarbij ze nuchter hun eigen weg gingen en solidair met elkaar waren. Op basis van hun vrijheidsideaal, dat bij hen sterker was dan bij andere volkeren, hebben zij zich verzet tegen (onrechtvaardige) machten van buiten. Is dit een goede beschrijving van die samenleving, of idealiseren we die samenlevingen dan teveel, kijken we teveel met nostalgische twintigste en een en twintigste eeuwse ogen en begrippen naar een samenleving, die zeer ver van ons afstaat?  De in de Romantiek opgekomen tegenstelling tussen de ideale, warme, vredige, vertrouwde dorpsgemeenschap en de kille moderne samenleving is verouderd. Onderzoekingen van antropologen in dorpsgemeenschappen in de wereld, waar men nog steeds in het pre-industriele tijdperk leefde hebben aangetoond, dat die oude dorpsgemeenschappen helemaal niet zo ideaal waren als eerst werd aangenomen. Er was vaak wel degelijk een sociale differentiatie tussen arm en rijk met een grote groep landlozen. Er heerste vaak een groot onderling wantrouwen en er waren vetes tussen families die elkaar het leven zuur maakten. Het zou verder ook onjuist zijn, de tribale samenlevingen als ‘primitief’ te kenschetsen. Vaak bezitten zij een cultuur die erg complex is, met een uitgebreid stelsel van normen en waarden, religie en verwantschapssystemen.
Naast deze theorien uit de meer conservatieve hoek was er ook de opkomst van marxisme en socialisme in de 19e eeuw. Ook in het marxisme werd een theorie over de verschillende stadia in de maatschappelijke ontwikkeling opgesteld. Deze theorie werd echter niet verbonden met nationalistische tendenzen en een nostalgische hang naar het verleden. In de arbeidersklasse die in het ontwikkelden kapitalisme opkwam werd de voorbode gezien van een emancipatiestrijd, die zou leiden naar ene moderne, rechtvaardige, socialistische samenleving, waarin enerzijds moderne productiemethoden en organisatie hun plaats krijgen, maar anderzijds het kapitalisme werd afgeschaft. De indeling in perioden was die van de natuur-economie, de eenvoudige warenproductie,  het handelskapitalisme en  het industriele kapitalisme. Deze marxistische theorie speelt tot op de dag van vandaag bij wetenschappelijke analyses een rol en zal verderop in verschillende interpretaties ana de orde komen, naast andere  moderne uitwerkingen. 
Maar ook in de 20ste en 21 ste eeuw hebben wetenschappers zich bezig gehouden met het vraagstuk van verschillende stadia in de maatschappelijke ontwikkeling. Het  vraagstuk blijft bestaan waarin de huidige samenleving verschilt van vorige en door welke oorzaken bepaalde veranderingsprocessen zich hebben voltrokken. Nog steeds zijn er wetenschappers, die trachten te werken met behulp van bepaalde ontwikkelingsmodellen bij de indeling van de geschiedenis op basis van een evolutionaire ontwikkeling en bij de analyse van maatschappijformaties waarbij getracht wordt de ontwikkeling en kenmerken van die maatschappij te beschrijven en te verklaren.  [1]



[1] Naast deze discussies is er toen de Franse revolutie in 1987 200 jaar geleden plaats vond een stortvloed aan boeken over dat onderwerp geweest. Met als een van de hoofdprobleemstellingen of het een plotselinge omwenteling was of dat revoluties niet bestaan, dwz er waren voor 1787 ook al belangrijke verschuivingen in de maatschappij. De Bonald en Marx hebben hier aandacht aan besteed.

De ontwikkeling van peasant-samenlevingen. Beschrijving van het model en kritiek erop

De eerste nederzettingen die men ‘stad’ zou kunnen noemen, waarbij een betrekkelijk grote groep mensen dicht op elkaar woonde en er specialisatie in de samenleving plaatsvond van landbouwers, die alles zelf deden naar handelaren, kooplieden en ambachtslieden in de steden zien we in Nederland verschijnen in de 10e en 11e eeuw. Steden als Dorestad, Deventer en Stavoren werden handelsplaatsen, waar goederen uit ver van elkaar verwijderde gebieden werden aangevoerd en verhandeld en weer uitgevoerd naar andere gebieden. Daarnaast bleef er een overwegend agrarische samenleving, die het surplus produceerde waarvan de burgers in de steden moesten leven. Het geld gaat een geleidelijk aan steeds belangrijkere rol spelen in de economie. Om deze samenlevingen te beschrijven gebruikt men wel het ‘peasant-model’.
Antropologen gebruiken deze term om samenlevingen aan te duiden die zowel trekken hebben van pre-industriele, tribale, gesloten samenlevingen zonder relaties met de buitenwereld als van moderne, open samenlevingen. Een Nederlands woord voor ‘peasant’  bestaat er eigenlijk niet. In het Engels maakt men een onderscheid tussen ‘peasant’ en ‘farmer’. Het Engelse woord ‘peasant’ is vergelijkbaar met het Nederlandse woord keuterboer: een kleine conservatieve boer, die met vrij primitieve middelen landbouw bedrijft en die deel uitmaakt van traditionele dorpssamenlevingen, waar de moderne wereld nog nauwelijks doorgedrongen is. De farmer is meer vergelijkbaar met een moderne boer in de IJsselmeerpolders.

Antropologen noemen peasantsamenlevingen ook wel intermediaire samenlevingen. Daarmee bedoelen ze, dat deze samenlevingen qua sociale en economische ontwikkeling tussen oudere samenlevingen en de moderne samenleving in staan. Je kunt bij de beschrijving van samenlevingen uitgaan van een soort continuum: aan de ene kant staat de moderne, westerse samenleving, aan de andere kant de tribale samenlevingen die een grote mate van geslotenheid kenden en waar sprake was van zelfvoorziening. Jagers en verzamelaars of de eerste boeren produceerden voor het eigen gebruik en niet voor de markt.
Bij de moderne boer is het precies omgekeerd; hij produceert voor de markt en nauwelijks voor het eigen gebruik. De producten van zijn bedrijf worden fabrieksmatig verwerkt tot eindproducten en daarna verkocht.

Maar er zijn vele verschillen tussen tribale samenlevingen en moderne samenlevingen. In tribale samenlevingen is een minder vergaande taak en arbeidsverdeling dan bij ons. Een persoon in zo’n samenleving kan veel meer zelf en is van minder mensen afhankelijk dan iemand in onze maatschappij. Veel meer taken zijn in een persoon verenigd. Iemand is zowel visser, jager, boer, heeft politieke en juridische functies en vervaardigt een groot deel van zijn eigen gereedschappen en voorwerpen.
Er is ook minder organisatie en calculatie. Er zijn geen doelgerichte taak-organisaties zoals bij ons. Dus verdeling in organisaties die verschillende taken hebben: het onderscheid dat na de Franse revolutie is ontstaan tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht kende men niet. Het begrip ‘staat’ is onbekend.
Ook de technische ontwikkeling is geringer; men is meer afhankelijk van en onderworpen aan de grillen van de natuur. Qua energie heeft men alleen de bezielde energie van mens en dier ter beschikking. Men kan met de spierkracht van mens en dier minder grote hoeveelheden land in een beperkte, daartoe door de natuur beschikbare, tijd bewerken dan bij ons met grote landbouwmachines. Er is daardoor ook nauwelijks een economisch surplus en dat betekent dat niemand kan worden vrijgesteld van de dagelijkse landarbeid.
Er is ook minder grote mobiliteit. Er zijn krachten, die het losmaken uit de oude context bemoeilijken, er zijn meer krachten aanwezig die als een rem en als sociale beheersingsmechanismen werken. Een individu zit meer verankerd in zijn kleine maar hechte context.
Onze samenleving kent een verdergaande taak en arbeidsverdeling, de technische ontwikkeling is groter er is veel verandering en mobiliteit en we bezitten het schrift en andere communikatiemedia. Ook gaat het bij moderne samenlevingen om grotere aantallen mensen die bijeen wonen in een stad. Het dorp is in tribale samenlevingen een tamelijk gesloten geheel, met een eigen cultuur. In de moderne samenleving heeft het dorp nauwelijks een eigen gezicht meer. Een modern dorp in Drente verschilt nauwelijks van een modern dorp in Holland.

In het navolgende wil ik vanuit twee invalshoeken die samenleving volgens dit model verder beschrijven. De eerste invalshoek is het economisch-technologische aspect en de tweede invalshoek is het sociaal-struktureel aspect.

Het economisch-technologische aspect.

Het gaat in peasantsamenlevingen om boeren, die in de agrarische sector werkzaam zijn en produceren met gebrekkige, traditionele, paleotechnische gereedschappen. Zij oefenen het boerenberoep uit om in hun onderhoud te voorzien. Het zijn dus boeren die op zelfvoorziening zijn gericht (subsistence boeren). Maar toch produceren de peasants in beperkte mate ook voor de markt. De meeste productie is echter bedoeld voor het eigen onderhoud. Ze verbouwen wel wat voor de markt, maar het geld dat ze hiermee verdienen wenden ze aan om bepaalde zaken te kopen die ze zelf niet maken. (lucifers, tabak, suiker, petroleum). Ze investeren verder niet in het eigen bedrijf.
Er is een intensieve bewerking van de grond met een simpele technologie. Zo’n samenleving bestaat uit een veelheid van agrarische dorpen op het platteland, met een paar steden. In grote meerderheid zijn de bewoners van de plattelandsgemeenschappen agrariërs. De welvaart van de elite, de steden en alle verder complexere entiteiten drijven op het werk van de plattelanders. De markten waarvoor de boeren produceren zijn vaak in de steden gevestigd. De steden kunnen bestaan als bevolkingsconcentraties dankzij een surplus-ekonomie.

Het sociaal-structurele aspect


Dit aspect heeft betrekking op de aard, de intensiteit en de frequentie van kontakten met de buitenwereld en hoe die gestructureerd zijn. De steden vormen in intermediaire samenlevingen de politieke, bestuurlijke, religieuze en economische centra. In de steden woont de nationale elite. Veelal zit die niet op het platteland hoewel er wel lagere ‘goden’ in de kleinere plattelandsgemeenschappen zijn te vinden. Zij vormen veelal de lokale vertegenwoordigers van systemen uit de grote steden. (Bestuurlijke, militaire en religieuze functionarissen).
De dorpssamenlevingen zijn niet geïsoleerd, zoals de tribale samenlevingen, maar ook niet in die mate ingebed in en verbonden aan grotere gehelen als in complexe maatschappijen zoals in de onze het geval is. De dorpen zijn in een aantal opzichten verbonden met supra-lokale systemen en instituten, maar de relaties zijn veelal beperkt, niet zo omvangrijk en intensief en meestal van sterk persoonlijke aard. Personalisering van zakelijke relaties is sowieso in dit soort samenlevingen zeer belangrijk en kenmerkend. Voorzover er overeenkomsten in bijvoorbeeld cultuur bestaan tussen verder van elkaar verwijderde gebieden spreekt men van de Grote Cultuur (Grand Culture) in peasantsamenlevingen. De beperkte mate van inbedding in de grotere verbanden brengt met zich mee, dat zo’n dorp veelal nog vrij sterk een eigen karakter heeft, een eigen cultuur, maar een en ander is toch niet helemaal bepaald door het dorp zelf. De mate van inbedding in supralokale systemen is minder dan in complexe, westerse samenlevingen. De relaties van de inwoners onderling zijn van veel grotere frequentie en intensiteit dan die met de buitenwacht.

Een voorbeeld van zulke samenlevingen zijn de feodale samenlevingen. Dorpen waren in belangrijke mate autark en autonoom, maar stonden toch in een zekere relatie met het grotere centrum (landelijk en regionaal). Men spreekt hier van de Kleine Cultuur. Wanneer een element uit een lokale cultuur wordt verspreid over een groter gebied en wordt opgenomen in de Grote Cultuur spreekt men van universalisatie, wanneer een element uit de Grote Cultuur werd opgenomen en weer bewerkt in een lokale cultuur, waardoor het een ‘eigen’ karakter krijgt spreekt men van parochialisatie. De typische wisselwerking tussen Grote en Kleine cultuur komt bijvoorbeeld tot uiting bij de verbreiding van het Christendom over West-Europa. De nieuwe godsdienst, die werd gedragen door de opkomende elite van feodale machthebbers kwam in botsing met het heidendom en de daarmee verbonden vereringen en rituelen. Deze botsing komt tot uiting in de vele legenden, die de strijd van heiligen tegen het heidendom tot onderwerp hebben. In de intermediaire samenleving behoorden deze heiligenlegenden tot de Grote Cultuur. In de Grote Cultuur van het bisdom Utrecht waren bijvoorbeeld de legenden van de 11.000 maagden en van St Maarten en St Nicolaas belangrijk. Ook in de manier, waarop legenden zich hebben verspreid en werden geinterpreteerd komt het specifieke karakter van de intermediaire samenlevingen tot uiting. Enerzijds een kultuurpatroon, dat in vele streken hetzelfde is (Grand Culture)  anderzijds een kultuurpatroon met kenmerken, die alleen in een bepaalde streek voorkomen (Kleine Cultuur).

Op politiek plan was het in feodale samenlevingen vaak zo, dat de feodale machthebbers of de staat of de stad bepaalde dat de dorpelingen belasting moesten betalen, maar men liet aan de dorpelingen vaak zelf over, via eigen bestuur, de organisatie hiervan te bepalen. Het supra-lokale systeem had dus wel relaties met het dorp, maar de frequentie en intensiteit waren gering. Nu onderscheidt men wel meer gesloten en meer open peasant-samenlevingen. Het is duidelijk, dat zo’n dorpssamenleving of combinatie daarvan in de buurt van een grote of middel-grote stad een ander karakter heeft dan tamelijk geïsoleerde dorpen, bijvoorbeeld op de Drentse zandgronden in de middeleeuwen.

Men kan in dit model stellen, dat naarmate het dorp of de kombinatie van dorpsgemeenschappen meer gesloten is, de dorpelingen meer communaal georienteerd zijn, meer gezamenlijk doen, waarbij er weinig verschillen in ekonomische rijkdom zijn en geen sociale stratificatie, dwz er was geen sterke bovenlaag van rijkere boeren of hoogwaardigheidsbekleders, men kent dorpsraden die uit alle mannen bestaan. De relaties met markten zijn zeer beperkt, dwz alleen kleine overschotten worden direct geruild tegen kleine hoeveelheden goederen die je zelf niet kunt maken. In meer open peasant-samenlevingen blijft het hoofdonderscheid tussen subsistence vs herinvestering wel bestaan, maar dorpssamenlevingen bijvoorbeeld in de buurt van de stad produceren toch grotere hoeveelheden goederen voor de markt. (Vis, bier, turf en hout). Wat betreft het grondbezit zien we hier een tendens tot individualisering en er ontstaan verschillen in rijkdom tussen de boeren onderling. Wat wordt verdiend met de verkoop van goederen wordt minder gebruikt voor communale activiteiten en meer voor het verhogen van de eigen status. Op politiek gebied beginnen de crediteuren van de peasants macht te krijgen; het zijn kooplieden die een grotere invloed op de dorpssamenleving gaan uitoefenen. Op deze wijze zien we, dat het ekonomisch systeem en het socio-kulturele systeem samenhangen. 

methodische knelpunten

·         De ontwikkeling van gebeurtenissen in de tijd. Je kunt bijvoorbeeld een peasant samenleving in de middeleeuwen beschrijven als een peasant-society met bepaalde kenmerken, die door cultureel antropologen zijn uitgewerkt. Probleem is echter, dat bepaalde structurele kenmerken van die samenleving zich voordeden toen andere alweer waren verdwenen of omgekeerd. 
·         De situering van bepaalde ontwikkelingen in geografische zin, dwz de geografische afbakening van de samenleving of het onderzoeksgebied. 
·         De afgrenzing van de stratificatie van de samenleving in een bepaalde sociale gelaagdheid, waarbij aan bepaalde sociale groepen veel betekenis wordt toegekend. Dit heeft grote debatten opgeleverd. De analyse en beschrijving van sociale ongelijkheden, de ongelijke verdeling en beschikkingsmacht over schaarse goederen en middelen is een centraal thema in de sociologie. Hier staan bijvoorbeeld marxistische klassentheoretische benaderingen en Weberiaanse stratificatie-theoretische tradities tegenover elkaar. In de moderne tijd spelen debatten over de verzorgingsstaat daarbij een rol. (Uitleggen?)
  • Het inpassen van een bepaalde dynamiek in de samenleving in een model, dat vanuit zichzelf tamelijk statisch is. (Boeren op het zand)

Wanneer men naar verdere ontwikkelingen van de technologie in de landbouw kijkt, blijkt dat het typisch regionaal boerderij-type pas in de zestiende eeuw is ontstaan. De zelfstandigheid van het gebied in bestuurlijk opzicht in de late middeleeuwen was toen al afgeschaft met de komst van de Habsburgers terwijl tegelijkertijd in die tijd dus de typische boerderijvormen ontstonden.
Ook in geografische zin zijn er problemen. Wanneer men de verschillende kenmerken van het cultuurpatroon nagaat, zijn er verschillende grenzen vast te stellen. Bijvoorbeeld op het gebied van de taal, de verspreiding van boerderijvormen, de volksverhalen, de landbouwtechnieken, de patronen van het cultuurlandschap.

Het Neo-Malthusiaanse model

Het Neo-Malthusiaanse model

Dit model baseert zich op de theorien van de achttiende eeuwse filosoof Thomas Malthus en is in de jaren zestig en zeventig nader uitgewerkt door de Duitser Abel, de Engelasman Postan en de Fransman Le Roy Ladurie. [1] In Nederland is ook de meest recente Algemene Geschiedenis der Nederlanden in sterke mate op dit model geent. [2] Kern van het model is de bepalende rol die demografische processen hebben gespeeld bij de ontwikkeling van de economische conjunctuur en daarmee ook op de ontwikkeling van de landbouw in de desbetreffende landen en regio’s. Neomalthusiaanse theoretici gaan ervan uit dat in de pre-industriële periode een voortdurende cyclus van bevolkingsgroei en -krimp is opgetreden. Daarbij stuitte de bevolkingstoename steeds tegen een plafond waarvan de hoogte bepaald wordt door bodemgesteldheid, omvang van het cultuurareaal, landbouw-techniek en andere productiebepalende factoren. Steeds wanneer de bevolkingsomvang dit plafond bereikte, ontstond een crisis (epidemie, hongersnood, landver-lating, enzovoort) die de bevolking terugwierp op een nieuw, lager gelegen, evenwicht. Na herstel van de balans kon vervolgens een nieuwe groeifase beginnen, die door voortschrijdende techniek en dergelijke tot eefi hoger plafond kan reiken dan in de voorafgaande ronde. Volgens de theorie leidden veranderingen in de bevolkingsomvang tot sterke wijzigingen in de loon-en prijsontwikkeling en daarmee ook lot sterke wijzigingen van de economische conjunctuur. Bekende groeiperioden zijn in dit model de Volle Middeleeuwen (1050-1350) en de lange zestiende eeuw (1450-1650). De perioden 1350-1450 en 1650-1750 staan daarentegen als crisisperioden bekend.



[1] Abel 1967, Postan 1972, Le Roy Ladurie, 1966. Zie ook Grigg, 1980
[2] Blok et. Al. 1981

Het centrum-periferie model of commercialiserings-model

Wellicht het meest bekende model voor de economische ontwikkeling van aangrenzende regio’s is het centrum-periferie model van de Isolierte Staat van de Duitser Von Thünen, dat al in 1842 is ontwikkeld en nadien door economen verder is gespecificeerd en kwantitatief onderbouwd. Von Thunen 1842 [1]In dit model staat de economische invloed van opkomende en reeds gevestigde stedelijke markten centraal. De ontwikkeling van landbouw en landschap in een bepaalde regio zou volgens de aanhangers van dit model in sterke mate zijn bepaald door de plaats die de desbetreffende regio innam in het economische krachtenveld van de aanwezige stadskernen of sterk geürbaniseerde regio’s. Hoe dichter bij de stad, hoe intensiever de landbouw; hoe verder weg, hoe extensiever het grondgebruik. Zo ontstaat een centrum-periferie model dat in de meest theoretische vorm uit een reeks concentrische cirkels bestaat. De regionale bodemgesteldheid en de al dan niet aanwezige infrastructuur tussen regio en stad kunnen echter voor vervormingen van dit concentrische beeld zorgen. Betrekken we dit model op de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne transitie in onze streken, dan stellen de aanhangers van dit model dat regio’s die zich in de onmiddellijke nabijheid van de laatmiddeleeuwse Vlaamse steden bevonden, bijvoorbeeld het platteland van Vlaanderen zelf en dat van Brabant, zich in een veel vroeger stadium hebben getransformeerd in de richting van een commerciële landbouw dan gebieden die veel verder van deze centra aflagen, zoals bijvoorbeeld de Veluwe of Drenthe (periferie-gebieden). Toen in de zestiende eeuw het economische kerngebied van Vlaanderen naar Holland verschoof, met Amsterdam als belangrijkste kern, richtten de agrarische economieën van de diverse streken van Nederland zich elk op hun eigen wijze op de nieuw ontstane markten. Dichtbij de stedelijke kern (Holland) vond de meest intensieve landbouw plaats, in periferie gebieden als Drenthe was de landbouw veel extensiever. Het is vooral de Wageningse historicus Bieleman geweest die dit centrum-periferie model voor Nederland nader heeft uitgewerkt. Het vormt zelfs de rode draad in zijn Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500- 1950. [2](7)


[1] Von Thunen 1842
[2] Bieleman, 1992

De Brenner-these

Een belangrijke correctie op de twee bovengenoemde modellen werd in de jaren tachtig aangebracht door de Amerikaanse historicus Robert Brenner. [1] Als neo-marxist zag hij bij de laatmiddeleeuwse transitie een sleutelrol weggelegd voor de zogenaamde social property systems. Daaronder verstaat hij onder meer de wijze waarop het grondbezit in een bepaalde regio was verdeeld, de wijze waarop de grond in juridische zin werd geëxploiteerd en de manier waarop het in een regio aanwezige agrarische surplus werd verdeeld. De geheel verschillende wijze waarop vrije boeren, pachters, erfpachters dan wel grootgrondbezitters greep hadden op de belangrijkste productiefactor in hun tijd, te weten de grond, bepaalde volgens hem in hoge mate hun strategische keuzen. Uit vergelijkende studies van deze social property systems voor meerdere landen of regio’s blijkt volgens hem ondubbelzinnig de doorslaggevende rol die dergelijke systemen hebben gespeeld in de economische ontwikkeling van Europese landen en de zich daarin bevindende regio’s. Hoewel over deze Brenner-these een langdurig en heftig debat heeft gewoed, heeft Brenners benadering toch een belangrijk aspect toegevoegd aan de bovengenoemde neomalthusiaanse en centrum-periferie modellen.



[1]Brenner, 1982, 1986.

De ontwikkeling van het handelskapitalisme en de oligarchisering. De systeemtheorie van Wallerstein

Ik ga hier verder de ontwikkelingen naar voren brengen zoals die geanalyseerd worden door de systeemtheoretici als Wallerstein. In zijn model krijgen de vorming van de natiestaten na 1500 en de opkomst van het handelskapitalisme een prominente rol. Daarna zal ik de kritiek op dit model naar voren brengen en de methodische problemen die daarbij een rol spelen behandelen. 

Het grote verschil met de voorgaande fase van de peasant society is, dat zich in deze periode, gepaard gaande met vele oorlogen en periodieke instortingen, de staats-en natievorming voltrok waardoor in de loop van de 18eeeuw in Europa enkele sterke natiestaten naar voren kwamen zoals Engeland en Frankrijk die de dragers werden van de verdere verspreiding van wat men later de kapitalistische productie is gaan noemen.

Max Weber analyseerde het ontstaan van het kapitalisme in haar Europese vorm als het ontstaan van een productiesysteem dat een rationeel ‘Zweck-rational’ karakter droeg en dat zich onderscheidde van de stelsels die eerder bestonden en die gebaseerd waren op buit, ambtsmisbruik, woeker, speculatie of regelrechte onteigening, zoals in het Helleense statenstelsel het geval zou zijn geweest. In haar rationele doelgerichtheid onderscheidt het kapitalisme zich ook van de hiervoor genoemde fase, waarin de traditie een belangrijke rol speelt en waarin de doelrationaliteit weinig voorkomt.

Wat betreft de relatie tussen kapitalisme en staatsvorming kan worden gesteld, dat het ontstaan van de staten in de vijftiende eeuw het einde betekenden van de zelfstandige handelssteden zoals die in de peasant-samenlevingen bestonden. (Wel is in deze handelssteden het moderne kapitalisme tot ontwikkeling gekomen) .[1] Een tussenperiode is de Habsburgse monarchie in bestuurlijk opzicht geweest. De vorming en handhaving van staten was nauw verbonden met de ‘accumulatie’ van kapitaal. Vanaf het begin van de vorming van natie-staten werd de dictatoriale politieke macht gebruikt om de boeren te onteigenen en grote gebieden te ontvolken waardoor een landloos proletariaat ging ontstaan en waarbij in toenemende mate bijvoorbeeld in Engeland de landbouw op kapitalistische grondslag werd gewijzigd en een landloos proletariaat ontstond.Wallerstein legt in zijn boekjes uit hoe de verhouding tussen staat en kapitalisme verder in elkaar zit.
Vraagstukken daarbij zijn hoe die vorming van staten zich verhoudt tot de ontwikkeling van dit kapitalisme en of we in de Hollandse expansie in de 17eeeuw een nieuwe fase van sociale, culturele en economische ontwikkeling moeten zien die voorafgaat aan de industriele revolutie.  Er zijn ook discussies over de invloed van de productie van energie (veenafgravingen) of de handel naar verder verwijderde gebieden.

Hoe zit deze samenleving nu verder in elkaar?

De systeemtheoretici sluiten aan bij de analyses van Fernand Braudel.

Braudel verwerpt de gedachte dat kapitalisme en marktwerking op hetzelfde neerkomen. Voor hem is kapitalisme juist een systeem van de ‘contre-marche’, de anti-markt. In zijn visie bestaan er drie niveau’s van economische bedrijvigheid. Het laagste niveau is dat van de ‘vie materielle’, het omvat de meest elementaire vormen van economische activiteiten waarmee mensen in hun behoeften voorzien. Daarboven ligt de economie, het niveau van de markt, een wereld die voor de deelnemers min of meer transparant is en een dagelijkse realiteit is, een wereld waarin de winsten dientengevolge klein zijn. Pas daarboven, op het derde niveau, is sprake van kapitalisme, als de zone van economische concentratie, van excessieve winsten, als gevolg van een relatief sterke mate van monopolievorming die zelf weer de uitkomst is van enerzijds politieke machtsvorming anderzijds van het vermogen van de deelnemers aan dit spel om de schakels in het productieproces te beheersen en het spel ondoorgrondelijk te maken. (Een beetje een samenzweringstheorie dus)
Noemt Tromp verder op blz 31 de definitie van wereldsysteem en de afgrenzing ervan. Het wereldsysteem dat in de zestiende eeuw ontstaat wordt gekenmerkt door de dominantie van de kapitalistische productiewijze, als een productiewijze waarin het maken van winst, de eindeloze accumulatie van kapitaal, de centrale doelstelling is. De ontwikkeling van het kapitalisme kan onder andere beschreven worden in termen van de opmars in de afgelopen vijfhonderd jaar van de wereldeconomie ten koste van lokale economien. ‘Mondialisering ‘is dan een proces dat al eeuwen plaatsvindt. Dan noemt Tromp een voorbeeld: de productie van een fluitschip op een Amsterdamse werf in het begin van de 17e eeuw was niet minder gemondialiseerd dan die van een hedendaagse personal computer in s’Hertogenbosch. Hiermee kom je al op een kritiek punt op deze wereldsysteemanalyse, nl dat er in de wereld in feite drie economische blokken bestaan, waartussen vrij weinig onderlinge handel is. Hoe verhoudt dit zich dan tot de these, dat er van slechts een wereldsysteem sprake is?? De structuur van het wereldsysteem is zodanig dat steeds sprake is van drie lagen of categorien. Zowel waar het de sociale klassen betreft als waar het de geografische afbakening betreft. (Tromp blz 33) De zones van het wereldsysteem liggen niet vast maar verschuiven. Brenner 1977 zou kritiek hebben geleverd vanuit het marxisme op de definiering van Wallerstein van kapitalisme als productie voor de verkoop in een markt, waarbij het doel is een maximale winst te behalen.

(Tromp blz 34) (Zie R. brenner- The origins of capitalist development: a critique of neo-smithian marxism in New Left Review, 104, july-august 1977. Wallerstein zegt dat de eerste grote fase van expansie plaatsvond tussen 1450 en 1650, toen volgde een periode van stagnatie tussen 1650 en 1750 en daarna een tweede fase van expansie (Tromp blz 35)

methodische knelpunten

Kritiekpunt is, dat in bovenstaand model sterk de nadruk wordt gelegd op ontwikkelingen op het gebied van de handel en in de circulatiesfeer: buiten beschouwing blijven ingrijpende veranderingen in de organisatie van de productie en hun invloed op de economische ontwikkelingen. In de systeemtheorie is de toe-eigening van een maatschappelijk surplus door middel van de handel een zich in relatie tot de natie-staten zelfstandig verder ontwikkelende factor, waar alle andere ontwikkelingen als het ware van zijn afgeleid. (Technologische ontwikkelingen, de verdere verbreding en uitbreiding van markten, specialisatie en differentiatie, schaalvergroting in de productie, sociale structuren, etc).



[1] Zie ook Bart Tromp – Hedendaags kapitalisme. Wereldsysteemanalyse. Blz 28- 30. In: Hedendaags kapitalisme. Het twintigste jaarboek voor het democratisch socialisme onder red. van Frans Becker, Wim van Hennekeler en Bart Tromp. Uitgeverij Arbeiderspers, Amsterdam 1999

De transitie-theorie van Van Bavel

Recent heeft de Nederlandse mediëvist Van Bavel op vernuftige wijze de belangrijkste elementen van de drie bovengenoemde modellen samengevoegd om te komen tot een overkoepelend verklaringsmodel voor de laatmiddeleeuwse ontwikkeling van de diverse in Nederland aanwezige plattelands economieën.[1]  In zijn boek Transitie en continuïteit koos hij nadrukkelijk voor een comparatieve benadering, omdat alleen door onderlinge vergelijking van landschappelijke, politieke en/of economische regio’s een beter zicht ontstaat op de bepalende factoren van het transitie-proces. Net als Brenner hecht Van Bavel grote waarde aan de maatschappelijke structuren en grondbezitsverhoudingen in de desbetreffende streken. Interessant is dat hij deze niet als op zichzelf staande verschijnselen beschouwd, maar veel meer als een historisch gegroeid complex dat onder invloed van bodemgesteldheid en middeleeuwse occupatie regionaal geheel verschillend kan zijn uitgekristalliseerd. Gebieden die bijvoorbeeld al in de Karolingische Tijd waren bewoond staan in de latere Middeleeuwen vrijwel steeds onder sterke invloed van domaniaal grootgrondbezit, ook nadat het oude hofstelsel in de Late Middeleeuwen uiteen was gevallen. Het aantal vrije boeren bleef hier relatief beperkt. Daarentegen was de invloed van domaniaal grootgrondbezit in de regel veel minder groot in de gebieden die pas tijdens de grote ontginningsbeweging van de Volle Middeleeuwen zijn gekoloniseerd. Zo konden direct naast elkaar geheel verschillende regio’s ontstaan. En het was juist dit intrinsieke verschil dat volgens Van Bavel in sterke mate de reactie van de diverse regio’s op zich wijzigende demografische verhoudingen of de opkomst van stedelijke markten bepaalde. Het regionale kader van bezitsverhoudingen vormde als het ware een prisma waardoor het commercialiserings-proces in geheel verschillende richtingen kon afbuigen. Sommige regio’s richtten zich op de teelt van arbeids-en kapitaalintensieve gewassen, andere richtten zich veel meer op een arbeidsextensieve akkerbouw en veehouderij, waarbij bovendien een groot aantal varianten en overgangen kunnen bestaan. Volgens Van Bavel verklaart een dergelijk transitiemodel veel beter dan de bovengenoemde demografische of centrum-periferie modellen de regionale verscheidenheid van de Nederlandse landbouw in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne tijd. Wel spreekt hij de wens uit dat in de nabije toekomst meer regionale detail-studies zullen worden uitgevoerd die kunnen bijdragen aan de verdere validatie van het transitiemodel. Hoewel ik graag aan deze wens zou voldoen, zal uit het navolgende hoofdstuk blijken dat de Drentse bronnen te karig zijn om bovengenoemde processen op betrouwbare wijze te reconstrueren. Met name de verdeling van het grondbezit en de preciese rechten op de grond zijn voor laat-middeleeuws Drenthe slechts ten dele te reconstrueren. Mij past dus ene bescheiden opstelling in deze, hoewel ik hoop dat het goeddeels kwalitatieve materiaal toch een aantal aanknopingspunten oplevert voor de discussie over het transitieproces.



[1] Van Bavel, 1999

methodische knelpunten

Men kan de meer algemene vraag stellen wat de rol is van de mens als rationeel uit vrije wil handelend individu dat zich bewust is van zijn situatie. In hoeverre en op welke wijze worden mensen beinvloedt door de sociale, economische en culturele structuren om hen heen, handelen ze rationeel of juist niet, en in hoeverre oefenen groepen mensen invloed uit op de ontwikkeling van de samenleving? Deze discussie speelt tot op de dag van vandaag een rol, bijvoorbeeld in economische theorien, waarbij uitgegaan wordt van de mens als rationeel handelend wezen, die in alle situaties de keuze maakt die hem of haar het meeste voordeel oplevert. (De homo economicus) Maar het speelt ook een rol in de discussies over de relatie tussen het (groeps) bewustzijn van het individu en zijn of haar sociale of klasse-positie, die weer direct of indirect gerelateerd kan zijn aan de positie op de arbeidsmarkt of in de economische structuur. En het speelt een rol in het nationalisme debat. Een andere vraag, verbonden met de vorige heeft betrekking op de meer algemene vraag onder welke voorwaarden en wanneer mensen in opstand komen, welke ideologische ontwikkelingen daarbij een rol spelen en in hoeverre de opstanden in de loop van de tijd van karakter veranderen.

Weer een andere discussie is de opkomst van het kapitalisme en de verdere ontwikkeling daarvan. Moet je het begin situeren in de opkomst van de natiestaten zeg maar vanaf de zestiende eeuw, of is het begin de industriele revolutie in Engeland, in de tweede helft van de achttiende eeuw? Hoe moet je de wereldwijde expansie van de Republiek der zeven Verenigde Provincien in de zeventiende eeuw hierin plaatsen? 

In dit verband:

Leeservaringen met het boek Paul Offermans en Bernt Feis – ‘Geschiedenis van het gewone volk van Nederland’.
Bij de beschrijving van de overgang van de Romeinse overheersing naar de feodale maatschappij komen ze in moeilijkheden. Deze overgang was in feite een terugvalin economisch-technologisch opzicht.
En in hun inleiding stellen ze, dat er productiekrachten, productieverhoudingen (de onderbouw) en ideologie en wet en regelgeving van de staat is (de bovenbouw). Primair is de ontwikkeling van de productiekrachten, die ontwikkelen zich steeds verder. Sociale revoluties ontstaan, wanneer de productiekrachten niet meer in overeenstemming zijn met de productieverhoudingen. De revolutionaire klasse, die de productiekrachten verder wil ontwikkelen, verdrijft dan de oude klasse, die hoorde bij een andere stand van de productiekrachten. Dat is de klassenstrijd.
In geval van de ondergang van het Romeinse Rijk interpreteren ze het zo, dat in die slavenmaatschappij met de slaven die werkten op zeer grote boerderijen er bij de Romeinse burgers een minachting ontstond voor arbeid; daardoor konden de productiekrachten zich niet verder ontwikkelen en stortte het Rijk in. Nu zijn het plotseling de productieverhoudingen die de productiekrachten tegenhouden. De klasse, die dan aan het bewind komt, valt terug in een primitiever economisch technologisch stadium (verdwijnen geldeconomie en minder efficiente en effectieve productie). Als je de terugval tenminste aanneemt, anders klopt het wel. Conclusie:  is het model teveel alleen van toepassing op de industriele en burgerlijke revoluties van de 18een 19e eeuw?
Opvallend is trouwens, dat de achteruitgang of het gevaar daarvoor in de huidige tijd (economische groei, rijkdom, etc) wordt gezocht in dezelfde argumenten. Er zou – als je de mensen niet hard aanpakt – een onderklasse van mensen ontstaan, die minachting heeft voor arbeid en die lui is, en die de vooruitgang tegenhoudt.
Een tweede punt betreft de verhouding tussen marktdenken en uitbuiting. De schrijvers stellen, dat een ondernemer die een werknemer ontslaat, zoekt naar iets buiten hemzelf, (het marktmechanisme) om het ontslag te rechtvaardigen en dat hij (en de arbeider) daardoor een  vals bewustzijn heeft. Maar elders zijn marxisten van mening, dat juist via de markt- de concurrentie- de productiekrachten zich verder ontwikkelen en dat daardoor de een ondernemer meer winst maakt dan de ander (wie het meest geautomatiseerd is heeft voorprong, omdat hij onder de gemiddeld maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd zit). Dus dan bestaat het marktmechanisme welals reeel verdelingsmechanisme en bepaling van de uitbuitingsgraad. Dan is het plotseling een reeel verdelingsmechanisme. Misschien moet je het zo zeggen, dat wel het ongelijke bezit van productiemiddelen (en daarmee de macht om winst te maken) bij een elite berust en daarom aan het oog wordt onttrokken maar dat dit via de markt op het tweede niveau verloopt (systeem theorie)
Ook aan het lezen: Hans Knippenberg – de eenwording van Nederland.
Daarmee verbonden zijn de opmerkingen over de maatschappij tot Nut van het Algemeen, waarvan de archieven in het gemeentearchief van Amsterdam te vinden zijn, wat die voor activiteiten ontwikkelden tegen het regionalisme. (Elite, liberaal, van boeren, etc.)
Ik herrinner me, dat Middendorp ook over ’t Nut geschreven heeft.
Blz 11 Knippenberg: Deutsch geeft een interessante definitie van het ‘sociaal gemobiliseerde deel’ van de bevolking, dwz de groepen die zijn opgenomen in het moderniseringsproces. Je kunt daarmee de ‘dragers’ van het proces identificeren. Het is ook aanvechtbaar, want de lagere volksklassen zullen vlgs de Deutsch-indicatoren vaak horen tot het niet gemobiliseerde deel, omdat ze geen geld hadden om opgenomen te worden in de geneugden van de modernisering, terwijl ze als bijvoorbeeld migranten toch wel hiertoe gerekend moeten worden?. Dit wreekt zich als de aanhang van de Belgische opstand wordt geanalyseerd. Er zijn drie bepalende factoren: religie (katholiek of niet) stand (de lagere standen zijn regionalistisch) en woonplaats (stad- platteland en Holland vs overig Nederland) Mensen op het platteland zullen minder natiegevoelig zijn geweest. Dit is echter een elitaire benadering: de rijken zijn de dragers van de modernisering. (De protestantse rijken in de stad zijn de dragers van de modernisering) Of wordt bedoeld natievorming? Hieruit blijkt, dat je modernisering en ‘dragers van de modernisering’ niet perse kunt vereenzelvigen met natievorming. Met deze opvatting wb natievorming is overigens ook in strijd, dat de lagere bevolking altijd oranje gezind is geweest. Had deze gezindheid te maken met nationalistische gevoelens, cq natievorming?? Zie de andere opvattingen van Huizinga en consorten.
Toch kun je de indicatoren van Deutsch wel gebruiken als operationalisatie van het moderniseringsproces cq als mogelijkheid voor het samenstellen van middle range hyphothesen en theorien.
In dit verband is een indicator bijvoorbeeld de mate waarin mensen de krant lezen of andere media gebruiken. Maar je kunt vele vernieuwingsmomenten traceren en ook de opvattingen van tijdgenoten over of ze wel of niet open stonden voor modernisering.
In het boek van Z.W. Sneller- Bijdragen tot de economische geschiedenis wordt een mooie overgang beschreven van de jaarmarkten naar het systeem van de stapelmarkten. (blz 223)
Je kunt het verhaal over de Dekema, Cuijk en Fjoets Compagnie als de eerste NV ter wereld ook opnemen als een voorbeeld in het moderniseringsproces.