Leeservaringen met Naomi Klein de Schockdoctrine

Naomi Klein heeft een vuistdik boek geschreven over de wereldgeschiedenis van de afgelopen 20 jaar. Want zo kun je het wel noemen in mijn ogen. De gang van zaken op het gebied van economie en politiek van een veelheid aan staten passeert de revue, van landen in Latijns Amerika tot Azie. Als je je zet aan zo’n ambitieus project, moet je een kapstok hebben, een centrale probleemstelling en een theoretische onderbouwing. Dat bepaalt de selectie van de feiten en gebeurtenissen en de interpretatie ervan. Nu wordt in het boek nergens een theorie expliciet gemaakt. Toch is die theoretische onderbouwing er wel degelijk, maar die komt alleen tot uiting in een voortdurende vermenging van de beschrijving van concrete historische gebeurtenissen en zij opmerkingen over theoretische begrippen.
Centrale probleemstelling
Uitgangspunt van het boek is de analyse van de shockdoctrine, die door fanatici van verschillende extreme politieke richtingen in de wereld is toegepast. Bij de shockdoctrine gaat men ervan uit, dat de volkeren in de wereld, of de bevolking van een bepaald land alleen bereid zijn drastische hervormingen van hun maatschappij te aanvaarden, wanneer er een soort crisis heerst, wanneer iedereen of althans een groot deel van de bevolking in paniek is en de economie op instorten staat. Dat is het moment waarop de aanhangers van die doctrine ingrijpen. Ze stellen wetten, parlementen, vakbonden, of andere maatschappelijke organisaties buiten werking, en ontwikkelen in korte tijd een blauwdruk van de toekomstige samenleving en voeren die rigoreus door, voordat de bevolking weer op adem begint te komen. Bestaande maatschappijstructuren (wet en regelgeving, concrete ondernemingen en andere organisaties) worden daarbij eerst vernietigd. Klein stelt, dat een dergelijke blauwdruk leidt tot verdere ontwrichting van de samenleving. Meestal wordt de democratie met parlement etc gewoon afgeschaft en een dictatuur van een minderheid ingevoerd, die de in armoede gestorte middenklasse en de hongerende onderklasse in toom houdt door bloedige repressie. Het boek is een beschrijving van de opkomst en ontwikkeling van de shockdoctrine in de afgelopen 20 jaar in de wereld. De fanatici van de shockdoctrine gaan uit van de schone lei theorie: vernietiging van maatschappelijke structuren leidt tot een schone lei, die volgeschreven kan worden met de blauwdruk van het mooie plan dat de fanatici hebben, en dan zal het eerst slecht gaan (de vernietiging) maar aangezien hun mooie theorie het beste, het mooiste en het waarste is, zal daarna een ideale samenleving vol rechtvaardigheid, welvaart en keuzevrijheid uit de as herrijzen. Klein toont aan, dat de economen en fanaten van de vrije markt economie van de Chicagoschool waaronder Milton Friedman, met behulp van de macht van de Verenigde Staten en internationale instellingen als het IMF en de Wereldbank de shockdoctrine hebben toegepast in vele landen en hoe de techniek steeds meer werd verfijnd.
Klein is zelf in feite een aanhanger is van een soort Derde Weg. En dat volgens haar de bevolking dat ook altijd is. Ze noemt Gorbatsjow, Walensa, Mandela, En de met hun werkende organisaties. De grote vijand voor de Chicagoschool is deze Derde Weg en de daarmee in strijd zijnde belangen van Amerika. (Dus Amerika gaat uit van behoud van haar internationale macht in de wereld, die ze niet wil delen). Overigens zeggen de aanhangers van de Chicagoschool dat ze technocraten zijn, dat ze technische adviezen geven, ‘objectief’analyserende economen zijn die zich baseren op de positivistische wetenschap die ‘objectieve ‘waarheden produceert.
Slecht of blind?
De manier van werken van de uitvoerders van de shockdoctrine roept de vraag op, of de mensen die de shockdoctrine uitvoeren bewust slechte mensen zijn of alleen maar verblind door hun eigen bedachte mooie theorie die kost wat kost moet worden ingevoerd tegen de wil van de meerderheid van de bevolking omdat de theorie goed is. 
Waarom werkte de theorie van de Chicago-school niet? Ze hadden toch een mooie theorie ontworpen, waarin vraag en aanbond op volmaakte wijze telkens weer met elkaar in evenwicht komen, op een markt van vele aanbieders? Waarom leidde de rigorueze doorvoering van de theorie middels de shockdoctrine en de schone lei niet tot een volmaakte toestand, waar de theoretici van de Chiocagoschool op hoopten? Voor het antwoord op die vraag gebruikt Klein een ander nieuw begrip, namelijk het nieuwe corporatisme. Ze beschrijft niet het oude corporatisme als tegenstelling ermee, maar corporatisme is altijd een vorm van samenwerking geweest tussen de elite van de staat, het bedrijfsleven en machtige (sociaal-democratische) vakbonden. Corporatisme betekent, dat functionarissen van de staat, politici, hoge ambtenaren, samenwerken met grote multinationals en andere bedrijven om gebruikmakend van de macht van de staat (bijvoorbeeld middels belasting heffing) opdrachten aan die bedrijven te geven in ruil voor een grote verrijking van die functionarissen. Klein toont middels historische beschrijvingen van de ontwikkelingen in vele landen aan, dat er soms zelfs geen onderscheid is tussen functionaris zijn van een overheid of in dienst zijn van een multinational. Sommige bestuurders stappen gemakkelijk over van de een naar de ander, of bewegen zich in een vaag schemergebeid van ‘adviseur’ waarin ze de belangen van grote bedrijven dienen. Omvangrijke lobby-apparaten moeten de belangen van de grote bedrijven ondersteunen. De meeste landen die werden gedwongen de shocktherapie van de Chicago-school te aanvaarden, voerden tot dat moment een soort ‘derde weg’, een politiek van prijsbeheersing, importheffingen, subsidies van voedselverstrekking en bescherming van voor een deel industrien in handen van de overheid om de welvaart te verdelen. 
Na de shocktherapie werden deze staatsbedrijven in de uitverkoop gedaan, en voor een appel en een ei verkocht aan buitenlandse multinationals, die vervolgens de macht in de economie overnamen, de rijkdom van het land plunderden, de winsten volledig naar het buitenland overhevelden en de bevolking in bittere armoede achterlieten. Klein toont aan, dat de theorie van de Chicago-school niet klopt, omdat zij niet strookt met de werkelijkheid van de menselijke praktijk, concreet historisch. De fanatici van de Chicago school zelf, en ook anderen, gebruikten of liever gezegd misbruikten de theorie om de rijkdommen van achtereenvolgende landen in de uitverkoop te doen aan vooral Amerikaanse multinationals en daar zelf ook flink beter van te worden. Klein toont aan dat uiteindelijk de Amerikaanse politiek van George Bush en haar functionarissen geen onderscheid maakt tussen de belangen van de Amerikaanse staat en haar buitenlandse politiek en de belangen van de multinationals. 
Wat Klein ook probeert aan te tonen is dat de shockdoctrine, de schone lei teorie en de daaruit voortvloeiende corporatistische staat onverenigbaar zijn met democratie. Hoewel de Chicago boys zeggen de vrijheid over de wereld te willen verspreiden, doen ze dat niet. Het volk of delen ervan komt na aanvankelijke desorientatie altijd in verzet tegen de rigoreuze maatregelen die de rijkdom toedeelt aan een elite. De schone lei teorie veroorzaakt een ontwrichting van de samenleving die de mensen in verzet doet komen. Daarom staan aanhangers van die theorie altijd voor de keus: toegeven aan het verzet, en een soort ‘derde weg’opgaan, of de bevolking bloedig onderdrukken.

Recensie van het boek ‘straf de armen’

De liberale strafstaat

zondag, 07 oktober 2007 13:13

De bijstand en het gevangenissysteem zijn twee communicerende vaten

Lezing van het boek ‘straf de armen’ van de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant en van enkele publicaties van Nederlandse criminologen leidde tot onderstaand discussiestukje.

In de afgelopen decennia is geleidelijk aan de liberale strafstaat ingevoerd. Wat is de liberale strafstaat? Dit is een overheidsbeleid, waarbij sterk wordt bezuinigd op de sociale voorzieningen en strafmaatregelen worden ingevoerd om de onderste lagen van de maatschappij te disciplineren en op hun plaats te houden. Zij moeten de in toenemende mate gedesocialiseerde loonarbeid verrichten die als gevolg van de flexibilisering van de arbeid ontstaat. (Het begrip gedesocialiseerde loonarbeid wordt onderaan uitgelegd) Aan deze arbeid kun je in toenemende mate geen materiele en immateriele bestaanszekerheid ontlenen. Wie rebelleert tegen deze situatie of ontsnappingsroutes zoekt wordt opgesloten en uitgesloten. In Nederland en Amerika is er een explosie van het aantal gedetineerden.
Het Work First principe is komen overwaaien uit Amerika, waar het als straf en disciplineringsmaatregel is ingevoerd na de afschaffing van de bijstand onder president Clinton. Werklozen die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien worden in ruil voor voedselbonnen gedwongen arbeid te verrichten. Mensen die rebelleren tegen het systeem, of om andere redenen uit de boot vallen, zijn aangewezen op de informele sector en de illegale straathandel om in hun levensonderhoud te voorzien. En daarvoor worden ze ook weer gestraft. Er is een explosie van het gevangenissysteem in de Verenigde Staten qua aantallen gevangenen, vooral uit de getto’s. De situatie in Amerika is geanalyseerd door de Frans/Amerikaanse socioloog Loic Wacquant, die een ook in het Nederlands vertaald boek heeft geschreven getiteld ‘straf de armen’, waarin hij aantoont dat de bijstand en het gevangenissysteem twee communicerende vaten zijn: wanneer de bijstand wordt afgeknepen, gaan mensen naar de informele sector om in levensonderhoud te voorzien, als ze geen andere mogelijkheden zien, en daarvoor worden ze gestraft met opsluiting. Nederland is wat dit betreft het enige Europese land dat met de VS kan worden vergeleken. In ons land is het aantal civielrechtelijke detenties tussen 1985 en 2005 verviervoudigd. Dit zijn detenties dus van mensen die geen criminelen zijn zoals uit huis plaatsingen, jeugdinrichtingen, ter onderscheiding van strafrechtelijke detenties. Criminologen beargumenteren, dat dit een rechtstreeks gevolg is van bezuinigingen op de jeugdzorg en de opvang van psychiatrische patienten. Bovenstaande gegevens haal ik uit een artikel van de criminologen M. Boone en M. Moerings, de cellenexplosie; voorlopig gehechten, veroordeelden, vreemdelingen, jeugdigen en tbs in Justitiele verkenningen van het WODC hier te downloaden.
De Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling heeft onlangs de redenen onderzocht voor het toenemend aantal psychiatrische patienten in de strafrechtsector (Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling: straf en zorg, een paar apart; passende interventies bij delictplegers met psychische en psychiatrische problemen. Amsterdam, SWP 2007) Zij komen tot dezelfde conclusies als Boone en Moerman.
Waarom wordt de neo-liberale strafstaat ingevoerd?
Een belangrijke vraag voor iedere samenleving is hoe de samenleving bij elkaar wordt gehouden, hoe een situatie kan ontstaan dat groepen en individuen vreedzaam naast elkaar leven. Het liberalisme bevordert de concurrentie van allen tegen allen en de overheid bezuinigt sterk op de sociale voorzieningen, dus de bestaansbasis van de mensen die niet door middel van reguliere betaalde arbeid in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De concurrentie tussen mensen wordt dus scherper. Tegelijkertijd leidt migratie tot een veelheid aan verschillende groepen met een cultureel verschillende achtergrond. Wie om wat voor reden dan ook niet meekan in de concurrentie race komt langdurig aan de kant te staan. Tegelijkertijd zijn steeds weer nieuwe mensen nodig met kant en klare nieuwe kennis en vaardigheden. Naast structurele werkloosheid ontstaan grote tekorten op de arbeidsmarkt. Dit bevordert weer de migratie. Kant en klare arbeidskrachten worden uit het buitenland gehaald. Werkgevers willen niet voor de opleiding van nieuwe arbeidskrachten betalen, tenzij de overheid hen subsidie geeft.
Er is een veralgemeende en geestelijke onzekerheid, die door het liberalisme wordt opgeroepen en die nog versterkt wordt door de verspreiding van de gedesocialiseerde loonarbeid.
Om de mensen onder deze omstandigheden bij elkaar te houden en de mensen te dwingen ondanks de desocialisatie van de arbeid mee te blijven draaien in de caroussel van de flexibele arbeid is de neo-liberale strafstaat ontwikkeld. Dit is in feite een politiek van uitsluiting, waarbij de economisch overbodigen uitgesloten worden van de maatschappij en ‘onschadelijk’gemaakt. Het strafsysteem heeft een drieledige functie:
Ten eerste dienst onderaan de sociale ladder dient straf om de overtollige delen van de bevolking op te slaan en fysiek te neutraliseren, met name leden van gestigmatiseerde groepen die in de armoede zijn beland en volharden in de sociale rebellie tegen hun sociale omgeving.
Een sport hoger op de maatschappelijke ladder vervult het netwerk van sociale diensten, politie, inburgeringsorganisaties en het gevangenissysteem een functie dat ze de discipline oplegt aan de betere lagen van de bevolking en die delen van de middenklasse, die het moeilijk hebben en in bestaansonzekerheid leven. De prijs die ze betalen voor een ontsnappings en verzetsstrategie wordt alsmaar hoger.
Op een derde meer symbolisch niveau vervult het strafinstituut de functie van een hernieuwde bevestiging van het gezag van de staat en de hervonden wil van de politieke elite om duidelijke grenzen af te bakenen en er respect voor af te dwingen door in haar uitsluitingspolitiek een onderscheid te maken tussen verdienstelijke burgers en groepen met afwijkend gedrag, tussen ‘goede’en ‘slechte’armen, tussen hen die het verdienen ‘geintegreerd’ te worden in het circuit van de precaire loonarbeid en degenen die op een index terechtkomen en worden uitgesloten of opgesloten. De conclusie van Boone en Moerman is duidelijk:
‘Nederland is van een land dat bekend stond om zijn tolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag, verworden tot een land dat zijn problemen met minderheidsgroepen en probleemgroepen oplost door hen op te sluiten’
Wat is de desocialisatie van de loonarbeid?
Afname van zeggenschap in je werk. Door de groei van de communicatie-technologie kunnen opdrachten en andere informatie op een veel directere en nauwkeuriger manier worden doorgegeven van de top naar de basis van de bureaucratische hierarchien, de administratieve of productieorganisatie van grote bedrijven. Prestaties van het personeel kunnen daarbij op een veel directere manier worden gecontroleerd. Er is dus een nieuw soort centralisatie van de macht in handen van weinigen. Personeel krijgt steeds minder speelruimte om een eigen invulling te geven aan het werk dat ze doen.
Structurele werkloosheid naast tekorten op de arbeidsmarkt. Automatisering leidde ertoe, dat de bureacratische pyramides in organisaties ingrijpend veranderden. De basis van de pyramide hoeft niet meer groot te zijn. Zowel bij hand arbeid als op kantoor kon routinewerk worden opgeheven door innovaties als barcodelezers, stemherkenningstechnologie, en micromachines die het werk van de vingers overnemen. De omvang van het personeel kon worden beperkt door de onderste functielagen op te heffen. Dit heeft tot gevolg, dat veel personeelsleden overbodig werden en er in de westerse landen een permanente, structurele werkloosheid heerst.
Toename flexibele arbeid.
De overheid bevordert flexibele arbeid door afschaffing van rechtsbescherming voor werkenden, het mogelijk maken van tijdelijke contracten en het bevorderen van uitzendwerk door de oprichting van uitzendbureau’s.
Geen mogelijkheden meer een netwerk van sociale relaties op te bouwen. In de bureaucratische productiestructuren van vroeger hadden mensen voor langere tijd een vaste functie, waarbij ze de tijd kregen sociale relaties op hun werk op te bouwen en een sociaal netwerk te ontwikkelen. Daarbij ontwikkelden ze een bepaalde binding aan het bedrijf en hadden ze een zij het vaak beperkte zeggenschap over de inrichting van hun werk wanneer ze tenminste niet aan de lopende band stonden. Ze waren trots op de organisatie waar ze werkten en het werk dat ze deden. Bij de flexibele arbeid is deze binding en deze trots geheel verdwenen terwijl het veel moeilijker is geworden via je werk een netwerk van sociale relaties op te bouwen.
Het ‘sociaal kapitaal’ verdwijnt uit de productie-organisaties. De voortdurende organisatorische veranderingen, waarbij hele afdelingen gesloten kunnen worden en niemand zeker is van zijn werk, de flexibele arbeid waarbij mensen ergens niet lang werken leiden tot een groot verloop onder het personeel, geringe institutionele loyaliteit, afname van het informele vertrouwen onder werknemers en verzwakking van de institutionele kennis.
————————
Straf de Armen, Het Nieuwe Beleid van de Sociale Onzekerheid: isbn: 9789064454028 · 2006 · paperback (15 x 22,5 cm) â 360 p. Oorspr.titel: Punir les pauvres. Le nouveau gouvernement de l’insecurite sociale – uit het Frans vertaald door Wim de Neuter
Dit bericht is geplaatst in controlestaat. Bookmark de permalink

Centraal Planbureau onder vuur

Wouter Bos levert in de Volkskrant van 2 oktober 2007 kritiek op de modellen van het Centraal Plan Bureau. (CPB). Kort gezegd komt het erop neer, dat het CPB een ‘ smal’ welvaartsbegrip hanteert, waarin allerlei kwalitatieve aspecten van het leven die moeilijk te kwantificeren zijn niet tot uiting komen. Bos pleit voor een breed welvaartsbegrip. Om zijn beleid als minister van Financien te verdedigen hanteert hij de redenering, dat volgens de modellen van het CPB verhoging van de koopkracht voor de burgers meer materiele welvaart oplevert dan investeringen in de economie via de belastingen (dus in publieke voorzieningen) Daarmee blijven immateriele aspecten, zoals toegankelijk onderwijs en een goed functionerende zortgsector echter buiten beschouwing. Het kabinet Balkenende IV zou voor het laatste kiezen. Hoewel Bos met zijn kritiek op het CPB een punt heeft, blijven in zijn artikel verschillende aspecten buiten beschouwing. Met name de ver doorgevoerde marktwerking en privatisering in verschillende sectoren, die volgens de modellen van het CPB voordelig zijn vanwege verslechteren van de kwalitatieve dienstverlening in de zorg en in onderwijsnen die niet door dit kabinet worden teruggedraaid. Ook baseert dezelfde Bos zich bij koopkrachtberekeningen (velen gaan er volgend jaar een klein beetje op achteruit) juist op de modellen van het CPB. Die achteruitgang voor de burgers- in kwalitatief en kwantitatief opzicht- zou wel eens groter kunnen zijn dan de modellen suggereren. Hieronder een overzicht van recente kritiek in dit en andere opzichten

Het CPB heeft een grote invloed op de economische besluitvorming van de Nederlandse regering en het parlement. De Macro Economische Verkenningen – MEV spelen een belangrijke rol bij het opstellen van de jaarlijkse nationale begroting. Het biedt een bepalend kader voor de begroting als totaal, bijvoorbeeld de verwachte opbrengsten van belastingen, en voor allerlei beleidsonderdelen zoals het beleid over lonen en uitkeringen. (koopkrachtberekeningen) Daarnaast berekent het CPB op grond van dezelfde gegevens de effecten van de tegenbegrotingen van oppositiepartijen. Enige tijd geleden werd bekend dat het Centraal Plan Bureau op initiatief van verschillende economen onder vuur ligt bij de modellen die zij gebruikt om alternatieven voor en de gevolgen van het huidige regeringsbeleid door te rekenen. Men stuurde daartoe een petitie naar het parlement. Het blijkt, dat er meer wetenschappers zijn die het CPB onder druk proberen te zetten.
In december 2005 leverde oud-staatssecretaris Van Eijck kritiek op de berekening van de koopkracht door het CPB. Zijn kritiek is onder meer dat de koopkrachtcijfers geen rekening houden met huishoudkenmerken en inkomensbron en dat huishoudens dubbel meetellen in de presentatie. Het CPB ontkende de aantijgingen. Maar, zegt het CPB: ‘natuurlijk hebben de koopkrachtcijfers beperkingen. Het CPB benadrukt dat zelf herhaaldelijk in publicaties’. Volgens het CPB is het nodig om meer dan zeven groepen huishoudens te onderscheiden bij de berekening van de koopkrachtontwikkeling en de groepsindeling aan te passen aan de aard van de maatregelen die relevant zijn voor de koopkracht. Voor wie het nader wil bestuderen zie de reactie van het CPB, waarin ze ook uitleggen wat er aan hun berekeningen niet klopt. http://www.cpb.nl/nl/pub/cpbreeksen/memorandum/132/
Basisinkomen of niet?
In maart 2006 publiceerde het Plan Bureau een studie getiteld ‘Reinventing the Welfare State’. De studie is in het engels, dus niet voor iedereen toegankelijk. Een voorstudie in het Nederlands is te vinden op http://people.few.eur.nl/demooij/artikel%20tpe.pdf (Dat is een pdf bestand!) Voor wie het rapport wil lezen het is te vinden op de website van het CPB.
Wat betreft de alternatieven wordt in sectie 3.3. ‘Efficiente administratie/bestuur’ het effect van een basisinkomen berekend. Hoe je verder ook over een basisinkomen denkt, het blijkt dat een geindividualiseerd basisinkomen van 550 euro per maand zijnde 50% van het netto-minimumloon gefinancierd kan worden met een vlaktax (een overall tarief in de inkomstenbelasting) van 50%. Daarbij teken ik wel aan dat in feite natuurlijk het sociale minimum geen 50% van het minimumloon is, maar met toeslagen in bv de bijstand 70%. Maar je kunt in plaats van een vlaktax ook een progressief belastingsysteem invoeren lijkt mij. Kortom, financieel alleszins haalbaar. En dit alles nog wel binnen het kapitalistische marktdenken en de modellen van het CPB. De resultaten van het CPB onderzoek zijn gebaseerd op het evenwichtsmodel geheten MIMIC, waarbij rekening wordt gehouden met institutionele ontwikkelingen zoals onderhandelingen en akkoorden over lonen, het Nederlandse belasting en sociale zekerheidsstelsel, etc.
Afwijzing basisinkomen en kritiek daarop
Maar in de CPB studie wordt dit alternatief toch afgewezen. Het is volgens de studie geen doelmatige vorm van herverdeling. Om het te kunnen financieren moet de overheid namelijk de belastingdruk opschroeven. Dit betekent dat iedere extra verdiende euro netto minder inkomen oplevert. De prikkel om te werken of te scholen wordt daardoor aangetast. Dit geldt vooral voor vrouwen.Volgens de berekeningen zou de participatiegraad van vrouwen met 10% teruglopen. Voor mannen zijn de verstoringen kleiner, maar ook zij worden door hogere tarieven aangemoedigd minder uren te werken en te scholen of hun heil te zoeken in het informele circuit. De participatiegraad van hoger opgeleiden zou teruglopen met 5%. Voor mensen met midden- en hoge inkomens vormt het basisinkomen in samenhang met een hoge belastingdruk een sigaar uit eigen doos die slechts tot gevolg heeft dat de prikkels voor arbeidsdeelname worden beperkt.
Wetenschappers die een of andere vorm van basisinkomen propageren trokken op vrijdag 19 mei 2006 boos naar het CPB om de officials aldaar hun kritiek voor te leggen. Onder hen waren spraakmakende wetenschappers als Paul de Beer en Robert van der Veen. Kern van hun kritiek: Veel factoren zijn in de modellen niet opgenomen, zoals de mate van bescherming van de privacy in verschillende uitkeringsstelsels en de ziekmakende aspecten van strenge controles, huisbezoeken, ondoorzichtige bureaucratie en zeer uitgebreide formulieren. Ook leidt een basisinkomen tot minder grote inkomensverschillen dan in andere stelsels.
Kritiek al eerder
Ook als je geen voorstander bent van een basisinkomen, kun je de kritiek van bovengenoemde wetenschappers toch steekhoudend vinden. Belangrijke moeilijk te kwantificeren factoren en hun invloed op de ekonomie zijn niet in aanmerking genomen. Dit was ook al de kern van de kritiek van een team van wetenschappers die in 2001 een rapport maakten met de titel ‘Met beleid te werk – Rapportage van de Commissie Beleidsgeoriënteerde Toetsing van het Centraal Planbureau’. Uit een persbericht van het CPB zelf: ‘belangrijke inhoudelijke aanbevelingen betreffen de gewenste verschuiving in het werkprogramma naar meer micro-economische thema’s en institutionele vraagstukken. (In feite in bedekte termen dezelfde kritiek als van Van Eijck, die zei dat de berekeningen van de koopkracht niet fijnmazig genoeg waren, pvdl) In het bijzonder vraagt de commissie het CPB om meer aandacht te schenken aan de invloed van Europa op de Nederlandse economie. Met betrekking tot de analyse van verkiezingsprogramma’s beveelt de commissie aan om meer aandacht te besteden aan niet te kwantificeren elementen en aan de onzekerheden rond de gekwantificeerde resultaten’. Einde citaat.
Op Prinsjesdag gaat iedereen uit van de cijfers van het CPB als de absolute waarheid. Gezien de kritiek die er op het Planbureau is, nu weer van Wouter Bos, moeten we die berekeningen, modellen en cijfers van het Planbureau echter met een flinke korrel zout nemen. Maar ook de redeneringen van Wouter Bos om de terechte kritiek op de modellen van het Planbureau op een handige manier naar zich toe te trekken bij de verdediging van het kabinetsbeleid.