De economische achtergronden van het neoliberalisme. Een traditionele verklaring.

Om de oorzaken te achterhalen van de ‘neoliberale revolutie’ kunnen we terecht bij een verklaring van de economische crises. In absolute cijfers zijn de winsten van grote bedrijven enorm, maar als percentage van het geïnvesteerde kapitaal vertonen ook zij een neiging om gestaag te dalen. Door de onderlinge concurrentie worden bedrijven gedwongen steeds te investeren in nieuwe machines en productiemethoden. Er is steeds meer kapitaal nodig. Aangezien het in het kapitalisme draait om de winst die er met de investering van een bepaalde som kapitaal kan worden geboekt, leidt de gestage daling van de winstvoet tot stagnatie en crisis. Mensen gaan hun kapitaal bij een lage winstvoet steeds minder beleggen in productieve ondernemingen en veel meer in speculatie, in vaste waarden of men zet het vast op de bank.
Sinds ongeveer midden jaren zeventig van de vorige eeuw is er voor het kapitaal in het Westen bijna geen mogelijkheid meer, dagelijks opnieuw te investeren in verdere ontwikkeling, dus verbetering en uitbreiding van de bestaande kapitaalgoederen voorraad. Er zijn sinds die tijd verminderde mogelijkheden om tot de uitbreiding van de winstgevende investeringen te komen. Dit had tot gevolg, dat het kapitaal uitwegen zocht om nog wel winstgevende investeringen te kunnen doen. De jaren ’70 en ’80 zien we een verplaatsing van productie naar lage lonen landen en als gevolg daarvan hogere winsten. De cijfers van de kapitaalexport geven dat aan. Er is een explosie in buitenlandse investeringen in een periode waarin in West-Europa de groeivoet lager was dan daarvoor. In de jaren van ’45 tot ’75 was de groei 5% per jaar, daarna was hij minder dan 3%, terwijl China een groei kende van 10%. Ook de groei van de arbeidsproductiviteit is veel lager na ’75. Dit zijn empirische bewijzen voor de stelling dat we in een fase van relatieve overaccumulatie zitten, hetgeen betekent: grote hoeveelheden kapitaal die in het Westen niet winstgevend kunnen worden geïnvesteerd in uitbreiding van de productieve investeringen. [1].
Hiervoor werd gezegd dat delen van de productie werden verplaatst naar lage lonen landen. Een tweede mogelijkheid voor het kapitaal om een vluchtweg te zoeken is investeringen doen buiten de productiesector, dus speculatieve mogelijkheden om winst te maken.
Men hangt aan deze ontwikkelingen wel het label van de ‘financialisation’ wat een patroon is in de ontwikkeling van de kapitaalaccumulatie waarbij winsten gemaakt worden in de financiële sector en niet in de concrete goederenproductie. Zo zie je in de loop van de tijd een ontwikkeling, dat financiële ondernemingen zich een groter deel van de winstmarges toe-eigenen ten koste van de industrie.
In 1960 werd in Amerika 16% van de winsten behaald in de financiële sector, nu is dat 30%. In 1960 werd 46% van de winsten behaald in de industrie, nu is dat 17%. Het gaat daarbij om Amerikaanse bedrijven in Amerika. Er zijn dus grote verschuivingen opgetreden. De cijfers zijn ook wel voor Europese landen terug te vinden, maar berekeningen daar zijn moeilijker vanwege de vele landen die allemaal hun eigen gegevens hebben.
Verder is het zo, dat ook binnen het industriële kapitaal een steeds groter deel van de winst gemaakt wordt door financiële transacties, wat dan niet hun core -businness is. Bijvoorbeeld door met valuta te speculeren of het kredietsysteem van de autofabrikanten en verkopers. Dit betekent overigens ook, dat dit belangrijke criteria zijn geworden in de strategische besluitvorming van die ondernemingen. De doelstellingen en het strategisch beleid worden steeds meer afgestemd op de mogelijkheden om met speculatieve transacties geld te verdienen.
In de Verenigde Staten is de verhouding tussen financiële transacties en niet-financiële transacties toegenomen van 10% vs 90% begin jaren ’50 tot begin 2000 50% vs 50%. Resultaat is dat een vorm van kapitalisme is ontstaan van het piramidespel, vooral als je ook kijkt naar de positie van een land als Amerika in de wereld. Dit land maakt steeds meer schulden om het systeem in gang te houden. De twee bovengenoemde punten- vlucht van kapitaal naar goedkope lonen landen en financialisation- betekenen een mogelijkheid om de voorwaarden voor verdere accumulatie van kapitaal te herstellen en tegelijkertijd de mogelijkheid deels het dilemma op te lossen dat de arbeidskosten in de westerse landen moesten worden verlaagd terwijl tegelijkertijd de voorwaarden voor reproductie van de arbeidskracht, dus hogere lonen, in de westerse landen in stand moesten blijven. (Alleen al vanwege het eventuele verzet dat bij rechtstreekse verlagingen van de lonen in die landen te verwachten was) Het betekende een nieuwe verdeling van de arbeiders langs internationale scheidslijnen en een tijdelijke oplossing van de overaccumulatie, die met de kredietcrisis aan een einde lijkt te zijn gekomen.
We bevinden ons thans aan het einde van een lange golfbeweging. Je zou kunnen zeggen dat het industrieel-technische complex dat zich vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw in West-Europa, Japan en de Verenigde Staten heeft ontwikkeld en dat gebaseerd was op de automobielindustrie, de petrochemische industrie en de vliegtuigbouw in een crisis verkeert en ophoudt de drager te zijn van andere sectoren. Dit betekent dat zij niet de drager kunnen zijn van een nieuwe fase in de kapitalistische expansie maar dat eerder andere sectoren naar voren zullen komen, die zoeken naar een kapitalistisch antwoord op de klimaatcrisis. In dit verband zijn de discussies over de mogelijkheden van groen kapitalisme belangrijk.
Zoals gezegd bevinden we ons aan het einde van een lange golfbeweging. Er vallen in de economische ontwikkeling opgaande en neergaande golven te onderscheiden die zich over een langere periode uitstrekken. Die markeren als het ware verschillende historische perioden in het de geschiedenis van het kapitalisme. De Rus Kondratieff deed in de jaren twintig van de twintigste eeuw onderzoek naar de lange golven in de economie, waarbij hij onder andere de goederenprijzen en het investeringsgedrag van ondernemers onderzocht. Hij kwam tot het inzicht dat zich vanaf ongeveer 1780 constant golfbewegingen voordeden, met een volledige cyclus van ongeveer 50 tot 60 jaar. Men spreekt bij deze golfbewegingen ook wel van de Kondratieff-cyclus. Een golf verdeelde Kondratieff in vier perioden, die hij aanduidde met seizoensnamen. De lente is de opbouwfase, de zomer de consolidatiefase, de herfst is de plateau of stabilisatiefase en de winter is de liquidatie of afbraakfase. Wat de prijsontwikkeling betreft zien we achtereenvolgens inflatie in de lente, stagflatie in de zomer, desinflatie in de herfst en deflatie in de winter.  
Belangrijke winterperiodes waren de Grote Depressie vanaf ongeveer 1870 en de crisis van de dertiger jaren van de twintigste eeuw. Na 1945 waren het de drastisch veranderde krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal, als gevolg van fascisme en wereldoorlog, alsmede de toepassing van nieuwe in de oorlogsindustrie ontwikkelde technieken die leidde tot een dusdanig herstel van de winstvoet dat er een nieuwe periode van opgang mogelijk was. Deze opgaande periode eindigde ongeveer halverwege de zeventiger jaren van de twintigste eeuw. We lijken thans in een nieuwe ‘winterperiode’ te zijn aangekomen.
De vraag is, of  een ‘winterperiode’ in de lange golfbeweging, waarin we nu lijken te zitten, vanzelf weer leidt tot een nieuwe opgaande fase. Uit studies van de lange golfbeweging blijkt dat een lange periode van opgang op den duur als het ware vanzelf leidt tot een periode van stagnatie, maar dat het omgekeerde niet het geval is. Het lijkt erop, dat in tegenstelling tot de korte conjuncturele golf een lange golf in zijn neergaande fase niet vanzelf de voorwaarden creeert voor een nieuwe periode van opgang. Enige tijd werd gedacht, en gehoopt, dat de internet economie gecombineerd met de nieuwe markten van de landen van het voormalige Oostblok zouden leiden tot een nieuwe opgaande lange golf. Inmiddels is het duidelijk dat dat niet het geval is. De economische crisis van dit moment toont aan, dat we nog steeds ‘naar beneden’ gaan. De gemiddelde winstvoet staat sterk onder druk en er wordt koortsachtig gezocht naar mogelijkheden om die ontwikkeling tegen te gaan.



[1] De bovenstaande gegevens zijn ontleend aan een toespraak van Henk Overbeek op een conferentie ‘voor de verandering’.

Het neoliberalisme als politiek project

We kunnen vanaf ongeveer 1975 de ontwikkeling van het neoliberale beleid zien als een algemeen kader om een politiek antwoord te formuleren op de neergaande fase in de lange golf. (Zie hier voor de uitleg daarvan) Men probeert de ontwikkelingen tegen te gaan door een winstverhoging na te streven op basis van het terugdringen van de variabele kosten van ondernemingen. En dat zijn met name de kosten van de factor arbeid. Lonen, kosten voor arbeidsvoorwaarden van de eigen werknemers, maar ook kosten die de ondernemer indirect betaalt aan uitkeringen en belastingen die besteed worden aan algemene voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg, pensioenen en dergelijke. Zoveel mogelijk naar de winsten en zo min mogelijk naar de collectieve voorzieningen, dat is het streven. [1] Deze ontwikkeling heeft de afgelopen decennia in verschillende landen geleid tot pogingen, te bezuinigen op de collectieve voorzieningen en de sociale zekerheid. De arrangementen van de welvaartsstaat, die in de vijftiger jaren en zestiger jaren werd opgebouwd, werden weer afgebroken. 

Een ander kenmerk van de huidige ontwikkelingen is wat men wel ‘globalisering’ noemt: het is een soort verzamelbegrip waarin verschillende ontwikkelingen bij elkaar worden genomen. Men gebruikt de term wel om aan te geven dat de massamedia, luchtvaart en de ICT en het internet de wereld in vele opzichten kleiner hebben gemaakt. Je kunt nu heel goedkoop op verschillende manieren communiceren met andere mensen waar ook ter wereld. De massamedia maken het mogelijk, dat je kennis neemt van gebeurtenissen die zich vandaag hebben afgespeeld in een heel ander deel van de wereld. Reizen wordt goedkoper en hoge snelheidstreinen of vliegtuigen maken het mogelijk dat je je in korte tijd over grote afstanden verplaatst.

 Maar de term ‘globalisering’ wordt ook wel gebruikt om economische veranderingen aan te duiden. Mede door technologische ontwikkelingen zijn allerlei veranderingen in de productie van goederen en diensten mogelijk geworden. Productieprocessen zijn steeds meer internationaal georganiseerd. Onderdelen van een auto, televisie of computer worden in verschillende continenten geproduceerd en ergens anders weer in elkaar gezet. Er is sprake van de ontwikkeling van wereldwijd georganiseerde productieketens, van grondstof tot eindproduct, waarbij de productie in verschillende fasen van het proces in vele verschillende landen kunnen plaatsvinden. Of deze ontwikkeling werkelijk mondiaal is over de hele linie of dat er sprake is van een schaalvergroting en een internationalisering waarbij de wereld meer verdeeld is in enkele grote economische en politieke machtsblokken, staat ter discussie. De in- en uitvoer van de EU bijvoorbeeld naar de rest van de wereld bedraagt ongeveer 10% van het BNP in dat gebied. Duidelijk is echter wel, dat er voor steeds meer producten sprake is van een wereldmarkt.
De rol van de grote multinationale ondernemingen is enorm toegenomen. Zij beheersen een steeds groter deel van de wereldproductie en wereldhandel. Kapitaal stroomt steeds makkelijker en in steeds groter hoeveelheden van het ene deel van de aardbol naar het andere. Regels en beperkingen op de in en uitvoer, die in vele landen in de zeventiger jaren nog bestonden, zijn uit de weg geruimd. Dit heeft het vrije verkeer van kapitaal en goederen mogelijk gemaakt. We kunnen echter stellen, dat het bij deze economische veranderingen niet gaat om onontkoombare gevolgen van een soort immanente ontwikkeling, waarop we geen invloed hebben zoals de technologische ontwikkelingen. Het is een gevolg van politieke keuzes. Het feit dat het technisch mogelijk is om in een supermarkt dagelijks groente, fruit en snijbloemen van de andere kant van de wereld aan te bieden betekent nog niet dat dit ook hoeft te gebeuren.
De theorie van de vrije concurrentie
Het neoliberalisme is ook een opvatting over hoe meer marktwerking kan en moet worden ingevoerd. Deze opvatting houdt in essentie het volgende in. Door concurrentie tussen ondernemingen op een vrije markt, dus zonder tolmuren en andere beperkingen, leidt het spel van vraag en aanbod tot een prijs van goederen en diensten die voor evenwicht tussen die twee zorgt en op die wijze wordt via een zelfregulerend prijsmechanisme, als het waren buiten de wil van individuele aanbieders en vragers om, alles waar ook ter wereld geproduceerd op de meest efficiente en effectieve manier. Dit leidt tot de stijging van welvaart, welzijn en rijkdom voor iedereen, althans op die manier worden de voorwaarden daartoe geschapen.
We hebben hiervoor gezien, dat het terugdringen van de loonkosten voor de ondernemers en bezuinigingen op de collectieve uitgaven van de staat naast het bevorderen van globalisering belangrijke maatregelen zijn die onderdeel uitmaken van het neoliberalisme als politiek project. De zich wijzigende rol van de staat ten opzichten van de economie op basis van de neoliberale doctrine leidt ook tot pogingen meer marktwerking in te voeren op terreinen, die voordien het exclusief terrein van de staat waren. Dus privatisering van overheidsdiensten en ook weer afbouw van de collectieve sector. De afbouw van de collectieve sector  betekent overigens niet altijd, dat in de verschillende landen de uitgaven van de staat als percentage van het BNP afnemen. Er vindt eerder een verschuiving plaats van collectieve arrangementen die het leven en de bestaanszekerheid van de burgers moeten beschermen naar uitgaven die –ten behoeve van grote ondernemingen- noodzakelijk zijn om de productie van die ondernemingen soepel te laten verlopen, met name investeringen in de infra-structuur.
Een ander aspect van de zich wijzigende rol van de staat in het neoliberalisme is de wijze, waarop omgegaan wordt met mensen die in de ratrace van de economie niet mee kunnen komen. Het nastreven van het ideaal van de vrije markt blijkt namelijk allerminst te leiden tot meer welvaart en welzijn voor iedereen. Er is in de voormalige welvaartsstaten van het westen sprake van een chronische massawerkloosheid, waarbij door de afbouw van de collectieve arrangementen in de sociale zekerheid miljoenen geen baan hebben en ook geen uitkering, waardoor ze een beroep moeten doen op de charitas, familieleden, partners of het informele circuit’, criminaliteit inbegrepen. De negatieve ontwikkelingen leidden vooralsnog niet tot een fundamentele herziening van de neoliberale doctrine en van het vrije marktdenken, integendeel, men ging ervan uit dat de ‘vrije marktwerking nog niet rigoreus genoeg was doorgevoerd, en dat het feit, dat velen niet meekunnen in de concurrentiestrijd van allen tegen allen die tot meer welvaart leidt, aan henzelf te wijten is. Van deze mensen moet dus het gedrag worden gewijzigd, door hen onder druk te zetten en te dwingen de flexibele arbeid in de nieuwe economie te vervullen. Dit leidt tot de gigantische uitbreiding van het gevangenissysteem en andere disciplinaire maatregelen, zoals in Europa aan het begin van de negentiger jaren het principe van het sociale panopticum. Elders ga ik aan de hand van een boek van Kurt Wyss nader in op de achtergronden van deze ontwikkeling. Waarom gaan de bestuurders door met het beleid, terwijl de doelstellingen die ze zeggen na te streven niet worden gehaald?
Zo zien we dat het neoliberalisme een combinatie is van invoering van nieuwe technologien, terugdringen kosten factor arbeid, globalisering, een herdefiniering van de rol van de staat, opvoering van concurrentie tussen mensen, ondernemingen en andere organisaties, verdedigd op basis van een bepaalde doctrine, nl die van de vrije marktwerking, die men overal wil invoeren. Doel van dit beleid is het verhogen van de winstvoet in een neergaande periode van de lange golf in de economie. We hebben hiervoor gesteld, dat het kapitaal een vluchtweg zocht in investeringen buiten de productiesector, dus speculatieve mogelijkheden om winst te maken. Hierbij zie je, dat het politieke project van het neoliberalisme en de economische ontwikkelingen in elkaar grijpen. Het neoliberalisme zorgde voor deregulering van de kapitaalmarkten, die het kapitaal een vluchtweg bood.



[1] Zie voor een korte beschrijving van het neoliberalisme en de rol van Europa daarin ook ‘ Hun Europa en het onze’ blz 16/17

Het begin van de neoliberale revolutie

Waar ligt het begin van de neoliberale revolutie?. Net als veel andere schrijvers positioneert Richard Sennett het begin van de neoliberale revolutie in de zeventiger jaren van de twintigste eeuw, toen er een einde kwam aan het zogenaamde Bretton-Woods systeem.[1] De Overeenkomst van Bretton Woods was een akkoord in 1944 gesloten tussen 44 landen dat getekend werd in het dorp Bretton Woods in de Verenigde Staten. Dit leidde tot de oprichting van het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank en het opnieuw invoeren van de goudstandaard. Het Bretton-Woodssysteem bestond er onder andere uit dat de waarde van alle nationale valuta gekoppeld werd aan die van de dollar en de dollar op zijn beurt gekoppeld werd aan het goud tegen een vaste pariteit (35 dollar per ounce). Hiermee werd de dollar dan nu ook officieel de belangrijkste munt ter wereld. Tijdens de Vietnam oorlog verloren veel landen echter het vertrouwen in de Amerikaanse economie; zij gingen hun munteenheden weer koppelen aan het goud, door goud op te kopen. Daarbij maakten ze de vaste koers van hun valuta ten opzichte van de dollar ongedaan. In maart 1973 zagen de Amerikanen zich genoodzaakt de goudstandaard los te laten, waarmee een einde kwam aan het systeem van Bretton-Woods, en landen gingen over op koersen de los van elkaar konden fluctueren. Gigantische speculaties met valuta werden mogelijk. Verder werden allerlei barrières voor de investering van nationaal kapitaal over de grenzen opgeruimd.
            Er kwam daardoor een enorm surplus aan investeringskapitaal vrij. Kapitaal dat in lokale of nationale ondernemingen en banken had vastgezeten kon veel gemakkelijker over de wereld worden verplaatst. In de olierijke landen in het Midden Oosten, bij banken, en bij de nieuw opkomende economiën in Zuid-Oost Azie popelde men om te investeren in nieuwe winstgevende activiteiten. In de jaren tachtig en negentig werd dit gevolgd door de activiteiten van grote pensioenfondsen en kleine investeerders, die eveneens op zoek waren naar nieuwe investeringsmogelijkheden.  
      

Andere signaleringen van het begin

Dat de oorsprong van de hier genoemde ontwikkelingen in de zeventiger jaren ligt blijkt ook uit andere gegevens. In 1977 verscheen in Nederland een boek naar aanleiding van de bedrijfssociologische studiedagen in dat jaar. [2]In dit boek wordt geconstateerd, dat er toen al een toenemende tendens was van industriële ondernemingen flexibele productieketens op te zetten, dus producten niet meer zelf te produceren maar onderdelen in te kopen, fabrieken en machines niet te kopen maar te huren, externe planningsbureau’s in te schakelen, arbeidskrachten te leasen middels onderaannemers, uitzendbureau’s, contract arbeid e.d. Deze ontwikkelingen deden zich het eerst voor in bedrijfstakken, die in  Nederland inmiddels zijn afgebouwd, zoals de textielindustrie, de schoenindustrie en de scheepsbouw. In deze bedrijfstakken volgde op deze flexibilisering uiteindelijk het verdwijnen ervan uit Nederland. Door de genoemde organisatorische wijzigingen in de productie waarbij men taken en functies liet uitvoeren door externe ondernemingen kon men bezuinigen op de loonkosten omdat de toeleverende bedrijven in een moordende concurrentie waren verwikkeld die ze afwentelden op slecht georganiseerde werknemers door hen lagere lonen uit te betalen en was het makkelijker, het bedrijf te sluiten. Men hoefde dan in feite alleen een sociaal plan met de vakbonden af te spreken voor de kernwerknemers, terwijl de contracten met externe partners eenvoudigweg werden opgezegd. De ontwikkelingen zouden wat dit betreft zelfs al zijn begonnen in de zestiger jaren, tijdens de periode van hoogconjunctuur toen de ‘herstructurering’ van die oude industrietakken op gang kwam. In het boek gaat men er nog van uit, dat de overheid door een geplande ‘sector-structuur politiek’  de ontwikkelingen in het bedrijfsleven direct kan beinvloeden. Dit hield in, dat de overheid een beleid voerde, waarbij verliesgevende ondernemingen werden gesteund wanneer men dat van belang achtte voor een samenhangende industriële structuur.

             Ook Lois Wacquant situeert het begin van de neoliberale revolutie, of eigenlijk wat hij noemt de ‘neoliberale strafstaat’ aan het einde van de zestiger jaren, begin van de zeventiger jaren. Hij noemt daarbij weer een ander aspect. Wacquant zegt dat de neoliberale strafstaat een reactie was op de burger-rechten beweging van Martin Luher King die in de zomer van 1966 begon in Chicago. Bij deze campagne werd ernaar gestreefd, de zwarten in de getto’s meer rechten te geven en van Chicago een ‘open’ stad te maken zonder getto’s. Deze pogingen om van Chicago een stad te maken zonder segregatie werd in de kiem gesmoord door repressie van de kant van de staat door de inzet van 4000 man ‘National Guards’ en woede uitbarstingen van een blanke menigte, en door aanvallen en aanklachten in de gevestigde media zoals de Chicago Tribune. Maar er was ook verbeten verzet van het gemeentebestuur, het gerechtelijk apparaat en de vastgoedsector. [3]De liberale blanken die King hadden gesteund bij zijn verzet tegen de segregatie in het zuiden keerden zich nu tegen hem. Zij verweten hem dat hij in de getto’s onverantwoord en provocerend te werk ging. Dit alles veroorzaakte een heftige tegenreactie, die de daaropvolgende twee decennia steeds sterker zou worden en die uiteindelijk de brandstof zou opleveren om het welfare-systeem in de Verenigde Staten af te bouwen (met name veel afro-amerikanen in de getto’s waren noodgedwongen op dit systeem aangewezen), de steden aan hun lot over te laten en het lokale en federale strafapparaat sterk uit te breiden. Het effect van deze ontwikkelingen was, dat de bevoorrechte positie van de blanken in de steden werd gehandhaafd en de getto’s de functie bleven behouden van leverancier van goedkope ongeschoolde arbeidskrachten in de zich flexibiliserende economie, op basis van maatschappelijke discriminatie van een groep paria’s. 
Dit zou de basis zijn van de neo-conservatieve revolutie, die eerst Nixon en later Reagan aan de macht bracht.
            Aan het begin van de zeventiger jaren van de twintigste eeuw kunnen verschillende historische feiten worden genoemd die het begin van de neoliberale ontwikkelingen lijken te markeren. Het eerste praktijkexperiment met de neoliberale politiek vond plaats in Chili, na de bloedige staatsgreep van 11 september 1973. Het nieuwe regime onder leiding van generaal Pinochet voerde een heftige repressie tegen politiek links en de arbeidersbeweging. Politieke partijen en vakbonden werden verboden en duizenden activisten werden gevangen genomen vermoord of verdwenen. Een groep Amerikaanse economen onder leiding van Milton Friedman werden door Pinochet als adviseurs aangenomen en kregen de kans om hun neoliberale opvattingen in praktijk te brengen. De politieke en sociale omstandigheden waren natuurlijk ideaal om de winsten te verhogen en de internationale concurrentiepositie van de Chileense bedrijven (en de daar gevestigde multinationale ondernemingen) te verbeteren. Effectief verzet ertegen was onmogelijk. Zie Naomi Klein, de shockdoctrine.
Uit het bovenstaande blijkt, dat zich tal van politieke en economische ontwikkelingen hebben voorgedaan die het begin van de opkomst van het neoliberalisme lijken te markeren.



[1] Zie voor de relativerende opmerkingen over het beginpunt van de ontwikkelingen voetnoot 3. 
[2] A.W.M. Teulings (red) Herstructurering van de industrie. Praktijk, beleid en perspectief. Samson reeks arbeidsverhoudingen.
[3] Lois Wacquant – Straf de armen. Het nieuwe beleid van de sociale onzekerheid. blz 232 e.v.

De doorbraak van de neoliberale revolutie en de eerste ontwikkelingen daarna naar de neoliberale strafstaat.

Begin jaren tachtig
Aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw kwam een ware doorbraak in de doorvoering van de neoliberale politiek op gang, toen in Amerika Ronald Reagan en in Engeland Margret Thatcher aan de macht kwamen. In Nederland wordt dit gemarkeerd door de parlementaire enquete over de scheepsbouw, die leidde tot een fundamenteel andere industriepolitiek. Actief overheidsingrijpen in de economie werd een taboe, de staatssteun aan bedrijven die in een periode van laagconjunctuur de concurrentie met bedrijven uit het buitenland niet konden volhouden werd volledig afgebouwd. De ‘markt’ moest bepalen wat waar en wanneer werd geproduceerd.  Men kan verder denken aan  het historisch ‘akkoord van Wassenaar’ over de flexibilisering van de economie tussen vakbondsleider Kok en werkgeversvoorzitter Van Veen. In deze tijd waren er ook de ‘commissies Wagner’. De heer Wagner was topman van de Shell en de commissie die naar hem genoemd is heeft een reeks rapporten uitgebracht over de hervorming van de economie.
De voorstellen van de commissie Wagner II waren goed getimed. In juni 1982 kwam een tussenrapport in de publiciteit nadat het kabinet PvdA, D’66 en CDA was gevallen. In september 1982 zouden er weer verkiezingen zijn. Van Agt en Lubbers verklaarden de conclusies van het rapport te onderschrijven. Zij stelden meteen maar, dat de uitgangspunten van de commissie Wagner de basis moesten vormen voor een regeerakkoord na de verkiezingen. En dat is gebeurd. In 1982 trad het kabinet Lubbers I aan. In november van dat jaar presenteerde Lubbers zijn eerste voorstellen. Het kabinet Lubbers stelde bezuinigingen op de overheidsuitgaven centraal in het te voeren beleid. Daarnaast streefde men naar lastenverlichting voor de bedrijven, een beperking van de arbeidskosten door loonmatiging en een vermindering van de bureaucratie. Men zegde ook te streven naar de spreiding van het werk over meer mensen, zonder dat dit echter mocht leiden tot kostenverhoging voor de bedrijven. In het regeerakkoord werd afgesproken jaarlijks zeven miljard gulden ter grootte van twee procent van het nationaal inkomen te bezuinigen bij een veronderstelde loonmatiging van twee procent per jaar. Tot 1986 moest de lastendruk worden gestabiliseerd en het financieringstekort worden teruggebracht met 1% van het nationale inkomen per jaar. Loonmatiging in het bedrijfsleven speelde een belangrijke rol. Toen in de loop van de rit tegenvallers bij de uitgaven optraden, kwamen er meer bezuinigingen. Het neoliberale beleid werd in de steigers gezet.
          In Nederland was er in de eerste fasen van de invoering van de neoliberale politiek  verzet tegen de sluiting van fabrieken en een strijd voor behoud van de Keynesiaanse welvaartsstaat: Dat is de periode tot ongeveer 1983. Inde oude industrietakken die werden afgebouwd, zoals in de scheepsbouw, waren de arbeiders erg goed georganiseerd. De organisatiegraad van de vakbonden onder deze arbeiders was zeer groot. Om de protesten te kanaliseren werd de Wettelijke Arbeids Ongeschiktheids verzekering (WAO) gebruikt als afvoerputje, vakbonden en werkgevers kwamen sociale plannen overeen, waarbij vele oud-vakarbeiders in de WAO terechtkwamen. De afbouw van deze en andere regelingen zou pas later beginnen. Hun posities op de arbeidsmarkt werden ingenomen door jongeren en vrouwen, die de minder betaalde flexibele deeltijdbanen gingen vervullen in de opkomende diensteneconomie.  Zij hebben zich slechts in beperkte mate in vakbonden georganiseerd. Omstreeks 1980 werden de werkloos of arbeidsongeschikt geworden arbeiders en bijstandsvrouwen verdeeld over verschillende sociale verzekeringen, voorzieningen en uitkeringen. Door het verschil tussen die regelingen gingen mensen die een beroep deden op een bepaalde regeling zich in organisaties verenigen, die vooral opkwamen voor mensen in een specifieke regeling. Zo zien we werklozen komitees, komitees vrouwen en de bijstand, wao-komitees en samenwerkingsverbanden van de projecten van mensen zonder werk ontstaan.  Zij herkenden zich niet meer in de algemene vakbonden en politieke partijen, die een groot aantal verschillende groepen en hun belangen in zich verenigden. In deze tijd zien we ook de opkomst van de eerste migrantenorganisaties, die in deze jaren veel van zich deden spreken en voor wie ook gold, dat meer algemene Nederlandse organisaties naar hun mening te weinig opkwamen voor hun specifieke belangen.
Een nieuwe verscherping van het beleid
In Nederland zien we gedurende de jaren tachtig belangrijke stelselwijzigingen in de sociale zekerheid. Verschillende sociale zekerheidswetten, zoals de Algemene Arbeidsongeschiktheids Wet (AAW) werden afgeschaft. Begin jaren negentig lijkt er een nieuwe verscherping in het beleid op te treden.
Wacquant onderscheidt na 1990 bij de verbreiding van een nieuwe recht en orde ideologie vanuit de Verenigde Staten over de rest van de wereld drie fasen. In de eerste fase was er de planning, ombouw van het beleid en het zichtbaar maken ervan in verschillende steden van de Verenigde staten, bijvoorbeeld in New York  waar men begon met het ‘zero tolerance’ beleid omstreeks 1994, toen de republikein Roberto Guiliani burgemeester werd. In de verbreiding van de nieuwe ideologie speelden conservatieve denktanks als het Manhattan Institute, de Heritage Foundation en The American Enterprise Institute een beslissende rol. De instellingen begonnen met het opstellen van het begrippenapparaat, dat later door bestuurders, uitvoerders en wetenschappers in vele landen overgenomen zou worden, zoals het principe van ‘Work First’ bij de benadering van werklozen.
In een tweede fase werden de denkbeelden en het nieuwe begrippenapparaat van de Amerikaanse denktanks overgenomen door verwante instellingen in andere landen, die op hun beurt een propagandatocht voor de nieuwe denkbeelden begonnen. In Nederland kunnen we hierbij denken aan het particuliere onderzoeksinstituut Nijfer onder leiding van Eduard Bomhoff, die eind jaren negentig (ongeveer in 1997) met zijn propagandatocht begon en die later nog kortstondig minister van economische Zaken zou worden voor de Lijst Pim Fortuin in een van de kabinetten Balkenende. Maar de ideologische grondslagen voor de neoliberale strafstaat werden in Nederland al gelegd begin jaren negentig vlak voor en tijdens het kabinet Lubbers-Kok. Het begrippenapparaat van de ‘recht en orde’ theorie dat door Amerikaanse onderzoeksinstituten werd ontwikkeld viel hier in goede aarde.
Neoliberale strafstaat
Er werd een controle en beheersingsprogramma opgetuigd, met politieagenten en andere controleurs permanent aanwezig in ‘arme buurten’, en de uitbouw van een gevangenissysteem en in plaats van opbouwwerkers, sociale hulpverleners of hulpverleners in de gezondheidszorg de uitbreiding van een strafrechtsysteem met rechters voor ‘gevaarlijke’ jeugdigen.
Wacquant stelt voor verschillende Europese landen de volgende tendenzen vast. Er is de uitbreiding van het aantal preventieve hechtenissen, die volgen op arrestaties op de plaats van het misdrijf. Men gaat harder om met veelplegers die uit het hulpverleningscircuit zijn gevallen of daar geen toegang toe hebben middels opvangmogelijkheden en men gebruikt tegenover buitenlanders zonder verblijfsvergunning bij controles en bestraffing van afwijkend gedrag de methode van het opsluiten op basis van het feit dat ze geen papieren hebben waarbij het in feite gaat om het omzeilen van de normale rechtsgang in het strafrecht.
Arbeidsbureau’s, in Nederland Centra voor Werk en Inkomen genoemd, en uitkeringsinstanties kregen een actieve rol in de disciplinering en het uitdelen van straffen aan de armen, want zij beschikten over de informatie en het personeel voor een fijnmazige bewaking van ‘problematische bevolkingsgroepen’. Wacquant noemt dit sociaal panoptisme. 

Nederland lijkt tezamen met Engeland een belangrijk land te zijn geweest voor de verbreiding van de denkbeelden over de opzet van de neoliberale strafstaat. Wacquant noemt dat in Engeland achtereenvolgens door verschillende instituten  de kortingen op de bijstand, bijstand alleen in ruil voor een tegenprestatie in de vorm van arbeid (workfare) en nul-tolerantie werden verdedigd en overgenomen. Wacquant spreekt in dit verband van ‘acclematiseringszones’ voor de verbreiding van het nieuwe begrippenapparaat. In Nederland lijken oa Amsterdam en Rotterdam als ‘acclematiseringszone’ gefunctioneerd te hebben. Dit idee van ‘acclematiseringszones’ en de verbreiding van de nieuwe denkbeelden middels de opzet van wat kleinschaliger projecten waarin volgens de nieuwe methoden werd gewerkt is een bewuste politiek geweest. De propagandisten van  ‘work first’ methoden en de ombouw van het bijstandssysteem benadrukten, dat je niet met een reeks van maatregelen of voorstellen daartoe naar de (centrale) regering moest gaan om te stellen dat die moesten worden doorgevoerd. Dat zou veel publiciteit, misschien een grote maatschappelijke discussie en blokkades van oa de vakbonden oproepen. Je moest kleine projecten voorstellen, die dan vervolgens zo succesvol zouden zijn dat ze daarna door steeds meer mensen zouden worden overgenomen. Het ging er dan om, dat van deze projecten uiterst succesvolle uitstroomcijfers werden gepubliceerd, waarbij middels tevredenheidsonderzoeken onder de uitkeringsgerechtigden ook daar  het succes werd vastgesteld.

Met behulp van deze methoden hebben Bomhoff met zijn instituut Nijfer en een harde lobbyist als Dick Vink een veelheid aan begrippen en ideologische uitgangspunten in navolging van Amerikaanse denktanks in Nederland ingevoerd. Wacquant onderscheidt bij de doorvoering van de nieuwe werkmethoden, ideologie en begrippenapparaat nog een derde fase, waarbij de academische wereld een veeg uit de pan krijgt. Onderzoekers uit universitaire kringen overgoten de reactionaire Amerikaanse ‘Law en Order’ ideologie met een wetenschappelijk sausje, waarmee ze ‘ spontaan’ het estaffettestokje van de oorspronkelijke propagandisten overnamen. Wacquant zegt de de truc overal heeft gewerkt: ‘de conservatieve kat werd in een criminologische zak verkocht’ . In een later stadium zijn al deze voorstellen in de vorm van wetgeving en andere maatregelen werkelijkheid geworden. In de eerste plaats pleitte het instituut Nijfer van Bomhoff voor het ‘loodsmodel’ in de uitvoering van de bijstand. De gemeenten zouden er budgettair belang bij moeten hebben om zoveel mogelijk mensen uit de bijstand te krijgen. In de tweede plaats de invoering van workfare en work first, en in de derde plaats nieuwe samenwerkingsvormen tussen arbeidsmarkt-toeleidingsorganisaties en uitkeringsinstanties, in de vierde plaats privatisering van de arbeidsbemiddeling, in de vijfde plaats begeleiding van uitkeringsgerechtigden door een klantmanager die alle ins en outs van de uitkeringsgerechtigde kent en een centrale machtspositie inneemt. Al deze voorstellen zijn werkelijkheid geworden in de nieuwe Wet Werk en Bijstand, die in 2004 werd ingevoerd.
Uit het bovenstaande moet men echter niet afleiden, dat  de politionele en strafrechterlijke maatregelen ter vervanging van de bijstand naar Amerikaans voorbeeld in Europa zonder meer overgenomen of geïmiteerd werden. Men wilde dus niet slaafs een systeem kopieren, dat uitging van een brutale vervanging van het systeem van armoede bestrijding middels een welvaartsstaat door een strafrechterlijk systeem van wegsluiten. In de Europese landen met hun traditioneel sterke, katholieke, christen-democratische of sociaal-democratische tradities en de daarbij horende opvattingen over de taken van de staat wilde men een minder scherpe overgang naar de strafstaat, meer als een aanvulling om de armoede op een nieuwe manier te bestrijden. Men zocht, met gebruikmaking van inzichten, organisatiemethoden en sociale technieken uit Amerika en de daarbij behorende begripsvorming naar een eigen ‘Europese weg’ naar de neoliberale strafstaat, die aangepast zou zijn aan de verschillende politieke en culturele tradities van Europa. Enerzijds werden in verschillende landen maatregelen genomen op het gebied van gesubsidieerde arbeid, reintegratie van werklozen gepaard gaande met verscherping van de sollicitatieplicht en in sommige landen zoals Frankrijk zelfs een beperkte uitbreiding van het bijstandssysteem; Verder was er de handhaving van collectieve stelsels voor de ziektekostenverzekering, al werden die vaak wel hervormd. Naast de invoering van de strafstaat handhaafde men dus gedeeltelijk de welvaartsstaat van de jaren zeventig.

De controlemaatschappij en de neologistieke orde in relatie tot het waardensysteem van het kapitalisme

De oorspronkelijke kapitalistische waarden van omheining, afbakening en toe-eigening (Zie voor uitleg van de begrippen hier) worden uitgewerkt in controlesystemen, standarisering van procedures, rationalisering  en bureacratisering . De ondernemer die bij de processen van toe-eigening op basis van rationalisering en automatisering een concurrentievoordeel ontwikkelt, wordt machtiger en groter en krijgt meer invloed. Dat bedrijf verovert een groter marktaandeel. Alles moet verder meetbaar, kwantificeerbaar zijn. Omdat op die wijze een gemeenschappelijk kenmerk van kwalitatief verschillende goederen en diensten kan worden vastgesteld en ze in geld kunnen worden uitgedrukt. En op die wijze kunnen kwalitatief verschillende goederen worden geruild omdat ze allen in geld worden uitgedrukt. Een van de kenmerken van de ontwikkeling is verder, dat bedrijven onder concurrentieverhoudingen veel investeren in nieuwe technologien en nieuwe manieren van produceren, om zo te proberen te besparen op de factor arbeid. In dit artikel gaan we die organisatorische veranderingen en in samenhang daarmee de technologische veranderingen in de afgelopen jaren behandelen. Joep Schrijvers is andragoloog (veranderdeskundige), en auteur van verschillende boeken. In zijn boek ‘Het wilde vlees. De tomtomisering van de passionele mens’ beschrijft hij hoe onze samenleving een groot logistiek imperium is geworden en de gevolgen daarvan voor het privéleven van mensen.
Hij laat helder zien, hoe de toenemende controle in  de maatschappij op het doen en laten van individuen een proces van  ‘monitoring’ is  dat noodzakelijkerwijs in een productiesysteem hoort, dat zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid wordt toegepast,  en dat kan worden omschreven als een  cyber-regiem van een logistiek imperium, de neo-logistieke orde. Alles wordt opgedeeld in een voorstuwingsproces van productieketens,  en dat proces mag nooit tot stilstand komen.  Ook moeten deze processen voortdurend worden ‘gemonitord’  dwz gecontroleerd en bijgestuurd. Van bewakingscamara’s tot het onderscheppen van email verkeer. Wat betreft het ‘monitoren’ van de mensen op de onderste treden van de sociale ladder wordt een zeer specifieke vorm van monitoren  ingevoerd door de staat, de techniek van het sociale panopticum. Processen van afbakening en toe-eigening en omheining vergen ene voortdurende controle op: dit is van mij, dit is van jouw, hier mag jij komen hier niet, want dat is van een ander.
Dankzij de ontwikkelingen in de moderne technologie, met haar computersystemen, nieuwe vormen van automatisering, de opkomst van internet en de mogelijkheden op afstand productieprocessen te sturen en via de moderne communicatie op elkaar af te stemmen kunnen onderdelen van het productieproces op verschillende plaatsen worden uitgevoerd en toch aan elkaar worden gekoppeld waarbij het totaalproces en haar onderdelen voortdurend wordt gecontroleerd.
Monitoren en gegevensuitwisseling
Met behulp van de moderne technologie kunnen alle bewegingen van mensen in de toekomst worden gevolgd middels een chip in je paspoort, dat iedereen verplicht altijd bij zich moet hebben. Globalisering leidt tot grenzeloze gegevensuitwisseling. Wereldwijd komt alles met elkaar in verband te staan. Het moderne productieproces wordt opgesplitst in deelprocessen die zich over de gehele wereld afspelen. Om dat proces vlot te laten verlopen, moet elk stukje dus gemonitord worden. Alles moet worden gezien, gemeten, geregistreerd en wordt vervolgens aan elkaar gekoppeld. Daarbij staat alles in het kader van veiligheid en efficiency.  Al die controlemomenten en momenten van monitoring zijn ook weer middelen om geld te verdienen. Overal in de productieketens worden tolpoortjes, toegangspoortjes en drempels geplaatst: die maken een onderscheid tussen wie er wel door mag en wie niet. En wie erdoor wil, moet vaak betalen of moet aan bepaalde voorwaarden en/of kenmerken voldoen. Dit proces speelt zich af zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid.
Tomtomisering van de consumenten
Op zijn website zegt Schrijvers: ‘de samenleving is een groot logistiek imperium geworden, dat zelfs haar invloed uitoefent op het privéleven, de dromen en vooral de hartstochten van mensen. Iedereen is gestoord bezig met het rondpompen van geld, goederen, informatie en sperma. Vele passiestrategieën zijn werkzaam om de emoties van mensen op te poken, te dempen of te kanaliseren. Iedereen staat onder controle en toezicht. De ‘tomtomisering’ is definitief doorgedrongen. Mensen moeten nuttig en doelgericht blijven’.   Schrijvers zegt dat in het bedrijfsleven de ‘emonorm’ is ontwikkeld, waarbij er via reclame, manipulatie van informatie, controle en het toedienen van prikkels en straffen naar wordt gestreefd dat bij de consumenten een zodanige onderlinge verhouding tussen de basis-emoties ontstaat dat deze het meest efficient en effectief is voor het productie-systeem. De zes basisemoties zijn angst, walging (afschuw, afkeer), woede (boosheid, agressiviteit), blijdschap (vreugde), verbazing (verrassing) en verdriet (droefheid). Groepen mensen worden vervolgens ingedeeld in ‘consumentenprofielen’ waarop verschillende manipulatietechnieken losgelaten kunnen worden.
monitoringsprocessen
Wat voor gevolgen heeft de neo-logistieke orde voor de burgers? Vele burgers worden soms tot wanhoop gedreven door de vele wachtwoorden, nummers, toegangscodes, pasjes, die ze moeten managen. Monitoringsprocessen vinden niet alleen plaats door middel van nieuwe technieken maar ook door allerlei andere vormen van informatieverzameling volgens traditionele methoden. (Consumenten thuis opbellen) Marketingdeskundigen willen zoveel mogelijk van de consumenten weten. Wat willen ze, hoe zijn ze beinvloedbaar? Reageren ze op bepaalde reclamecampagnes? Waarom wel of waarom niet? Hebben ze klachten over de voortgang van de productie in een van de vele op elkaar afgestemde productieketens? Etc. Daarom worden vele consumenten bijna platgebeld, vooral onder etenstijd, zodat men er zeker van is dat de mensen in het gezin allemaal thuis zijn. De callcenters doen dit in de eerste plaats om wat te verkopen maar het kunnen ook telefoontjes zijn van enquetebureau’s die de mening willen weten. Zo maken deze belsessies deel uit van de monitoringprocessen. Dat mensen daarop geprikkeld of geirriteerd reageren is vaak niet van belang. Het gaat om informatie verzamelen. Het wordt zelfs zo erg, dat de overheid van plan is een wet te maken waarmee dit opbellen van consumenten kan worden ingeperkt.
Uit de dromen van Hoofdcommissaris Welten blijkt echter wel, dat de bestuurders vaak meer willen en dromen van nog uitgebreidere controles, meer dan volgens de actuele stand van de technologie mogelijk is. Men streeft naar een zo totaal mogelijke controle en naar perfectionering van de neo-logistieke orde die Schrijvers beschreven heeft.
Gebrekkig geprivatiseerd controlesysteem
Maar er zijn ook andere gevolgen van de neo-logistieke orde. Schrijvers benadrukt enigszins eenzijdig de nagestreefde perfectie van dit systeem. Ontsnappen is nauwelijks mogelijk. Maar dit logistieke systeem werkt echter allerminst perfect. Zodra in een van de ketens van een productiecyclus een stagnatie optreedt, kan dit grote gevolgen hebben voor grote delen van de samenleving. Die stagnaties treden op door ongelukken, of uitvallen van automatiseringssystemen, menselijke fouten, maar ook moedwillige onverschilligheid of sabotage. Treinen die in een groot gebied niet meer rijden als ergens een spoor tijdelijk geblokkeerd raakt, lange wachttijden bij allerlei instellingen bij stagnatie in een van de ketens, etc. Menselijk gedrag is toch altijd weer onvoorspelbaar en vaak irrationeel.
Maar er is meer. Je zou kunnen zeggen, dat de hierboven beschreven neo-logistieke orde tegenstrijdig is. Aan de ene kant gaat het om nieuwe vormen van samenwerking, taakverdeling en gecontroleerde organisatie van productieketens op basis van de nieuwste technologien. Aan de andere kant gebeurt dit echter in het kader van het kapitalisme. En dat betekent organisatie van de maatschappij op basis van het concurrentieprincipe en de toe-eigening van organisaties en bedrijven op basis van het particulier winstbejag. Mensen moeten met elkaar concurreren om een deel van de koek. Dit betekent dat veel van de hierboven genoemde controlerende instanties zijn geprivatiseerd. Er vormt zich als het ware een uitgebreid netwerk van virtuele private wachttorens die onderling relaties onderhouden, om het voortdurende proces van de productie goederen, diensten en informatie in de productieketens te managen, maar tegelijkertijd zijn die wachttorens ook elkaars concurrenten. Instanties werken elkaar vaak tegen. Tegelijkertijd is het hele controlesysteem een middel om op de markt geld te verdienen. Overal zijn controlepoortjes, fysiek en virtueel, en worden voorwaarden opgesteld, wanneer je bepaalde (virtuele) poorten mag passeren en wanneer niet. Daarbij kan de voorwaarde zijn dat je eerst moet betalen om te kunnen passeren. De onderlinge relaties tussen al die geprivatiseerde instellingen worden steeds ingewikkelder, waarbij allerlei coordinatieproblemen ontstaan, die de toegang tot voorzieningen frustreren.
Allerlei diensten werden in het kader van de neoliberale politiek verzelfstandigd, zoals de spoorwegen, de telecomsector, vervoersbedrijven, in de gezondheidszorg. Privatisering betekent echter niet altijd, dat bedrijven bij de verzelfstandiging volledig privebezit worden en onderworpen zijn aan de wetten van de concurrentie-economie. Om toch nog greep te houden op het doen en laten van dergelijke bedrijven worden op basis van compromispolitiek diensten wel verzelfstandigd, maar blijven ze een monopoliepositie houden, of behoudt de staat de meerderheid in de aandelen. Privatisering betekent ook de oprichting van zelfstandige bestuursinstellingen ‘op afstand’ die niet meer onder de directe controle vallen van de gekozen bestuurders en die middels budgetteringstechnieken alleen verantwoording hoeven af te leggen over de financiële aspecten van hun werkzaamheden, niet over hoe zij de dienst die zij verrichten organiseren. Vaak krijgen deze bestuursinstellingen ‘op afstand’ de bevoegdheid mee, heffingen op te leggen aan de burgers, meer in zijn algemeenheid is er in de Europese staten een verschuiving van directe belastingen naar indirecte belastingen. Er zijn in zijn algemeenheid steeds verder vervagende grenzen tussen publiek en privaat. Aansluitend op wat gezegd werd over de bestuursinstellingen op afstand zijn de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en werkwijze tussen markt en privebezit enerzijds en staat anderzijds in de praktijk nauwelijks meer te ontdekken of nauw met elkaar vervlochten.
Twintig jaar geleden al werd een rapport door de Algemene Rekenkamer gepubliceerd, waarin getracht werd deze vervlochtenheid in kaart te brengen.  Ten aanzien van vele beleidsterreinen is het onderscheid nauwelijks meer te maken en uit het rapport van de Rekenkamer bleek, dat dergelijke instellingen nauwelijks verantwoording hoeven af te leggen aan de gekozen bestuurders. Zo is een particuliere garage, die auto’s verkoopt en repareert en daarop winst maakt als particuliere onderneming, tevens uitvoerder van APK keuringen, door de staat ingesteld om te voorkomen dat er gevaarlijk slechte auto’s op de weg rijden. Voorzover die garages zich met APK keuringen bezig houden is de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing, de wet die ingesteld is om het voor de gewone burger mogelijk te maken bij de rechter te protesteren tegen besluiten van de overheid.
Sindsdien is de vervlechting van markt en staat alleen maar toegenomen. De vervlechting betekent, dat er juist steeds ingewikkelder regels komen om de verhoudingen te regelen, maar ook dat  er steeds meer juridische conflicten voorkomen bij de onoverzichtelijke situaties die ontstaan. Het wordt ook door de desocialisatie van de arbeid steeds moeilijker  als consument of als klant eventuele meningsverschillen met een instantie te regelen, omdat het sociaal kapitaal uit organisaties verdwijnt. Er zijn te weinig ervaren medewerkers over waarmee je bij knelpunten in contact kunt treden.  Deze twee oorzaken- de steeds ingewikkelder verhouding tussen instanties en het verdwijnen van sociaal kapitaal in die organisaties leidt ertoe, dat alleen de formele juridische weg- bezwaarschrift en beroepsprocedures kan worden bewandeld. Het aantal advocaten in Amsterdam is het drievoudige van tien jaar geleden.

Er ontstaan duizenden instellingen en organisaties, die deels privaat zijn en deels een publieke taak uitvoeren. Het kapitalisme heeft sowieso als kenmerk, dat een minderheid besluit over de aanwending van de productiemiddelen. Deze vervlechting van markt en staat en de onderwerping aan de wetten van de markt betekent, dat deze omstandigheid wordt uitgebreid en dat de weg voor de burger invloed uit te oefenen wordt verminderd. De oprichting van zogenoemde zelfstandige bestuursinstellingen leidt tot een afbrokkeling van de democratie. Deze instellingen vallen niet meer onder de directe controle van de gekozen organen. Ze hoeven alleen verantwoording af te leggen over de financiële aspecten van hun werkzaamheden, niet over hoe zij de dienst die zij verrichten organiseren. Vaak krijgen deze bestuursinstellingen ‘op afstand’ vergaande bevoegdheden en kunnen ze bijvoord heffingen of andere sancties opleggen aan burgers. Zo vervagen de grenzen tussen het publieke en private terrein. Zo ontstaan er duizenden instellingen en organisaties, die deels privaat zijn en deels een publieke taak uitvoeren. Deze vervlechting maakt dat er steeds meer en ingewikkelder regels komen om de verhoudingen en bevoegdheden te regelen. Belangentegenstellingen worden steeds meer juridische conflicten. Sociale tegenstellingen worden steeds minder in de politieke of maatschappelijke arena uitgevochten en steeds meer in de rechtzaal. De weg voor groepen burgers om op basis van zelforganisatie en sociale strijd voor hun belangen op te komen wordt steeds moeilijker.

De techniek van het sociaal panopticum

Let op! Bij de analyse van de toepassing van het sociaal panopticum op bijstandsgerechtigden in Amsterdam wordt wat betreft de maatregelen uitgegaan van de situatie in 2010. Regelingen wijzigen zich voortdurend.
Sociologen gebruiken voor de beschrijving van de ontwikkelingen in de moderne controlemaatschappij wel de metafoor van het sociale panopticum. Dit is een voortdurende controle op het doen en laten van specifieke groepen in de maatschappij middels moderne technieken (bewakingscamera’s, koppeling van databanken, registratie van individuele kenmerken middels vingerafdrukken, etc) maar ook door controle van organisaties met een stoet van bewakers in dienst, zoals conducteurs, stadswachten, buurtvaders, etc. De mensen  moeten daarbij het gevoel krijgen, dat ze voortdurend worden waargenomen en dat door de autoriteiten als afwijkend gedefinieerd gedrag zal worden bestraft. Dit wordt gecombineerd met een ideologisch offensief dat de ontwikkeling en invoering van het panopticum moet rechtvaardigen en dat leidt tot illegalisering en criminalisering van gedrag dat de bedoeling heeft aan het panopticum te ontsnappen of om vorm te geven aan het samenleven van mensen buiten de principes van de kapitalistische markteconomie om. Dit geillegaliseerde en gecriminaliseerde gedrag wordt vervolgens streng bestraft.
Soms worden in dit verband bizarre voorstellen gedaan. Zo stelde de hoofdcommissaris van politie van het corps Amsterdam-Amstelland, de heer Welten het volgende voor. Hij droomt van een systeem van virtuele stadsmuren rond Amsterdam naar analogie van de muren rond een middeleeuwse stad. Zo’n middeleeuwse stad bepaalde via de bewaking bij haar toegangspoorten wie wel naar binnen mocht en wie niet. Iedereen werd gecontroleerd. Alleen de burgers, de poorters van de stad hadden volledige burgerrechten. Anderen- inwoners van de stad die geen burgerrechten hadden gekocht en mensen van buiten de stad- hadden minder rechten. Zij mochten de stad of niet betreden of moesten zich aan bepaalde voorschriften houden die niet voor anderen golden. Hoofdcommissaris Welten wil nu weer zo’ n systeem invoeren. De virtuele stadsmuur rond Amsterdam. Iedereen die via een van de toegangswegen de stad binnen wil, wordt via electronische controlepoorten gescand middels de chip in je paspoort of andere middelen, zoals de controle van auto’s. Wie in een databank geregistreerd staat als ongewenst, omdat hij/zij geen verblijfsvergunning heeft, geregistreerd staat als crimineel of andere redenen, komt de stad niet binnen. Dit opent ongekende mogelijkheden. Je kunt dan bijvoorbeeld ook mensen de stad uitwijzen en controleren of ze toch niet weer binnen proberen te komen.
De techniek van het sociale panopticum werd voor het eerst aan het einde van de 18e eeuw door Jeremy Bentham geintroduceerd.
Bentham ontwierp een systeem van inspectiehuizen die voor bewakingsdoeleinden (surveillance) doelen gebruikt kunnen worden in publieke instituties als gevangenissen, asylcentra, werkhuizen, etc. Het panopticum was een circkelvormig geheel van open cellen, gebouwd rond een centraal in het midden van de cirkel staande inspectie toren, als gevolg waarvan zowel de bewaker of inspecteur en de ‘klanten’ of de werklui of gevangenen op basis van surveillance van de bewakers constant onder toezicht stonden en waargenomen konden worden. Michel Foucault heeft de toepassing van deze principes als sociale techniek behandeld in zijn boek ‘misdaad en straf’. Hij beschrijft het panopticum als een hulpmiddel van de macht door de constante zichtbaarheid van de bewaakten. Omdat in het systeem de bewoners, gevangenen of werklui zich er altijd van bewust zijn dat ze zichtbaar zijn, bracht Foucoult naar voren, dat een automatisch functioneren van de macht was verzekerd. Als gevolg van constante bewaking en de surveillance van de bewakers  raken individuen verstrikt in een onpersoonlijke machtsrelatie (met de abstracte institutie) die tegelijkertijd de machtsrelatie zelf niet-individueel maakt en die tegelijkertijd degenen, die aan het sociale panopticum zijn onderworpen individualiseert en losmaakt van collectieve verbanden.  Foucault zag deze techniek als een essentiele ontwikkeling bij de toenemende controle, hierarchisering, disciplinering en classificatie van mensen in de moderne maatschappij, door middel waarvan het gedrag van individuen voortdurend gereguleerd en gecontroleerd wordt door onpersoonlijke instituties.
Belangrijk bij het functioneren van het sociale panopticum is, dat de mensen die bewaakt worden niet voortdurend in de gaten hoeven te worden gehouden. Zij hoeven alleen maar het gevoel te hebben, dat dit wel zo is, dat ze op ieder moment ineens kunnen worden waargenomen.
Praktijkervaringen met de toepassing van de sociale techniek van het panopticum
De Bijstandsbond is een organisatie van uitkeringsgerechtigden en andere mensen met een minimuminkomen in Amsterdam. De organisatie houdt een spreekuur in samenwerking met een advocatenkantoor. Op het spreekuur komen voornamelijk bijstandsgerechtigden, mensen die vaak in armoede leven, en op wie de sociale techniek van het panopticum vanuit voornamelijk de Dienst Werk en Inkomen (voorheen de sociale dienst) wordt toegepast. Zo zou je althans in mijn ogen het stelsel van maatregelen, dat op de bijstandsgerechtigden in Amsterdam van toepassing is kunnen noemen.
Wie een uitkering aanvraagt, krijgt een huisbezoek. Daarbij moet zowel vrijwel de gehele administratie als de leefomstandigheden zichtbaar gemaakt worden. Ook mensen die al een uitkering hebben kunnen eventueel een huisbezoek verwachten. Daarnaast moet maandelijks een werkbriefje ingevuld worden, waarmee wijzigingen in de leefomstandigheden moeten worden aangegeven, je moet zo’n briefje ook invullen als er niets gewijzigd is. Verder zijn er routinematig de periodieke heronderzoeken, waarbij alle prive-gegevens over leefomstandigheden, bankrekeningen, uitgavenpatroon, sociale relaties, eventueel vrijwilligerswerk, etc, steeds opnieuw op tafel gelegd ‘zichtbaar’gemaakt moeten worden. Verder wordt iedereen die zegt niet te kunnen werken wegens arbeidsongeschiktheid onderworpen aan een keuring. Daarnaast worden mensen, die nu niet geschikt zijn voor de arbeidsmarkt maar dat in de toekomst wel zouden kunnen zijn, onderworpen aan allerlei vormen van trajectbegeleiding middels vaak particuliere reintegratieinstituten. De controle van bijstandsgerechtigden wordt verder uitgebreid met registraties in en koppeling van gigantische databestanden.
Mensen zijn zich er over het algemeen zeer van bewust dat ze voortdurend worden waargenomen, dat ze voortdurend ‘zichtbaar’zijn. Wat dit betreft klopt de waarneming van Foucoult, dat zij het symbool van de anonieme macht, de sociale dienst, in Amsterdam de DWI altijd in hun gedachten hebben, dat zij vanuit zichzelf vanwege die constante zichtbaarheid, of beter gezegd je kunt ieder ogenblik volledig zichtbaar gemaakt worden met je priveleven, iedere dag wel aan de sociale dienst denken. Dat men in werkelijkheid weinig werkelijk contact heeft met die dienst is daarbij niet van belang. Ook veel uitkeringsgerechtigden die maar eens in het half jaar een her controle hebben en voor de rest met rust worden gelaten, denken vaak iedere dag aan de sociale dienst. Men ‘verinnerlijkt’ de anonieme macht van de sociale dienst. Bij de gedachtengangen die uitkeringsgerechtigden dan hebben gaat het dan voortdurend over de grenzen van de sociale techniek van het panopticum die op hen wordt toegepast. Mag je een huisbezoek weigeren? Moet ik echt alle giroafschriften van de laatste drie maanden laten zien, moet ik de originelen laten zien, mag ik uitgaven voor de boodschappen en zo ook afplakken en dan een kopie maken, want met mijn dagelijks leven hebben ze niets te maken? Is een medische keuring verplicht? De arbeidsbemiddelaar heeft mij een aanbod gedaan voor bemiddeling. Mag ik dan weigeren? Wat kan ik verwachten als ik op gesprek ga bij de Dienst Werk en Inkomen en wat niet? Etc.
Angst voor de anonieme macht van de sociale dienst speelt een belangrijke rol. Klanten malen door  hierover en vermengen dit met fantasien over hoe aan het sociale panopticum te ontsnappen. De mensen definieren hun situatie in dit verband, en schatten wat dit betreft hun eigen mogelijkheden en onmogelijkheden in. Sommige mensen definieren zich als ziek  Ik kan er niet meer tegen, ik kan die druk niet hebben ik denk er voortdurend aan, wat kan ik doen om met rust gelaten te worden? Weer anderen willen dit helemaal juist niet. Zij denken aan andere ontsnappingsmogelijkheden zoals illegale activiteiten. Of betaald werk zoeken als dat mogelijk is. Wat ook benadrukt wordt in de gesprekken met mensen op de Bijstandsbond is de absurditeit van de techniek van het sociale panopticum. Mensen zijn zich op het uitvoeringsniveau vaak scherp bewust van de tegenstrijdigheden in het systeem. Dit is verbonden met een maatschappijkritiek waarbij voortdurend onder elkaar op berichten in de pers van uitspraken van politici wordt gereageerd, zonder dat het van daaruit tot een politiek handelen komt.
Deze mensen komen op het spreekuur van de Bijstandsbond, waar de vrijwilligers en de advocaat zich namens de individuele spreekuurbezoekers bezighouden met onderhandelingen met de bewakers die de techniek van het sociale panopticum toepassen over de grenzen ervan in individuele situaties. En soms, wanneer vanuit ‘humane’ overwegingen de toepassing van de techniek echt absurd is, wordt een bepaalde regeling in de publiciteit gebracht of wordt op een hoger niveau met bewakers onderhandeld over wijziging van een regeling. Wij geven een signaal af: jullie gaan te ver, de regeling wordt dan teruggedraaid of versoepeld. Dit doet echter niets af aan het feit, dat de techniek van het sociale panopticum steeds verder wordt uitgebreid en op steeds meer levensterreinen betrekking heeft. 
Bij de onderhandelingen over de grenzen van het sociale panopticum (hoe totaal mag de techniek worden toegepast?) gaat het enerzijds om een juridisering en anderzijds om een medicalisering van de onderhandelingen. De ontsnappingsroute van de medicalisering. Mensen doen steeds meer een beroep op ‘ziektewinst’ waarbij de maatschappelijke autoriteit van medici gebruikt wordt om aan het sociale panopticum te ontsnappen.
Er mogen dan voordturend onderhandelingen zijn over de grenzen van het panopticum, hoe uitgebreid en totaal het mag zijn en op wie het van toepassing is, feit is dat de bewakers erop uit zijn de techniek steeds verder te vervolmaken en uit te breiden. De zichtbaarheid van zowel bewakers als degenen die bewaakt worden moet worden vervolmaakt. Daarom worden ook steeds meer instanties bij de toepassing van de techniek van het sociale panopticum betrokken.
De toonkamer
De meest recente ontwikkelingen in Amsterdam: werklozen in het stadsdeel Zuidoost kunnen voor het zoeken naar banen en het aanvragen van een uitkering bij één ambtenaar terecht. Daar kunnen voortaan alle klanten van CWI (het voormalige arbeidsbureau), DWI (de vroegere sociale dienst) en het UWV (voor bijzondere uitkeringen) terecht. Ook voor cursussen, voor psychische en medische hulp en dergelijke kunnen klanten zich hier melden
Ze komen terecht bij hun eigen klantenregisseur, één ambtenaar die optreedt namens al deze sociale instellingen. Bij het loket kan de klantenregisseur de werklozen veel sneller dan voorheen door de ambtelijke molen halen. Een kennismakingsgesprek met een klant leidt tot een dossier in de computer, waar de ambtenaren van CWI, DWI en UWV tegelijkertijd toegang toe hebben. We hebben hiervoor al opgemerkt, dat essentieel voor de toepassing van de sociale techniek van het panopticum de zichtbaarheid van zowel de bewakers als degenen die worden bewaakt is. Dit nieuwe loket wordt dan ook heel toepasselijk  ‘de toonkamer’genoemd. Hier leiden tevredenheidsonderzoeken tot de conclusie, dat iedereen tevreden is. De eerste indruk is dat de klanten erg blij zijn met de nieuwe manier waarop ze worden begeleid. Negentig procent van hen zegt tevreden te zijn, aldus de toonkamer na een eigen onderzoek. Omdat de uitkomst positief is, kan de toonkamer nu in de rest van de stad worden ingevoerd.
Via het in de computer bijgehouden ‘klantvolgsysteem’  kan met een druk op de knop de stand van zaken worden bekeken. Een van de bewakers van de toonkamer zegt: ”Dan ziet de ambtenaar bijvoorbeeld dat een klant aan het solliciteren is. Een sms-je met de tekst ‘Zet hem op, je kunt het best’  kan hij met de computer versturen. Dat sms-je blijft in de computer geregistreerd staan, zodat we later kunnen zien of we de klanten wel genoeg geholpen en gestimuleerd hebben.’ Tenslotte, zo voeg ik eraan toe, is bij de techniek van het sociale panopticum ook de zichtbaarheid van de bewakers, of het gevoel ieder ogenblik zichtbaar gemaakt te kunnen worden, belangrijk
De toepassing van de techniek van het sociale panopticum als totale controle van het doen en laten van bijstandsgerechtigden is slechts een van de voorbeelden. We zien in de maaatschappij steeds meer vormen van deze controle, van de constante zichtbaarheid van de burgers, verschijnen. Bewakingscamera’s op straat, identificatieplicht, etc. Maar ook particuliere systemen als air-miles, etc. Nieuwste mogelijkheid zijn de technieken die toegepast gaan worden bij het rekeningrijden. Daarbij wordt geregistreerd hoe vaak je in je auto rijdt, waar de auto zich bevindt, hoelang ermee gereden is en welke routes zijn afgelegd. Dit is bedoeld om te bepalen hoeveel voor het rekeningrijden betaald moet worden, maar het CDA wil dat deze gegevens ook voor derden beschikbaar komen. Winkels, die registreren hoe vaak je in je auto langs de winkel rijdt, etc. Wat dit betreft sluit het mooi aan op de analyse van Schrijvers over de neo-logistieke orde. Alles moet voortdurend worden gemonitord, gecontroleerd en consumenten moeten voortdurend worden bevraagd over hun koopgedrag en hun voorkeuren, terwijl allerlei registratiesytemen het gedrag van de consument nauwkeurig meten.




Het gevangenis systeem

De mensen worden in het gareel gehouden door een reeks van disciplinaire en strafmaatregelen, zoals een zich snel uitdijend gevangenissysteem, een zich uitbreidend systeem van taakstraffen, werkverschaffing voor werklozen in een soort strafsysteem dat work first wordt genoemd en de ontwikkeling van een controlemaatschappij met een zich uitbreidend arsenaal aan politieagenten en particuliere bewakers.
Er is de laatste decennia sprake van een ontwikkeling waarbij de gevangenis- dus opsluiting van burgers- weer een prominente plaats krijgt in het overheidsbeleid. Dit is het geval in de hoog ontwikkelde industriestaten van het westen, maar ook in Zuid-Amerikaanse staten als Argentinie en Brazilie. Wacquant heeft in zijn boek ‘straf de armen’ het gevangenissysteem in de Verenigde Staten geanalyseerd, waarbij tijdens de regering van Bill Clinton dit systeem met een explosie van het aantal opgesloten gevangenen in de plaats kwam van een soort welvaartsstaat met een bijstandssysteem. Nederland is wat betreft de toename van het aantal opsluitingen het enige West-Europese land dat qua toename van het aantal gevangenen vergeleken kan worden met de Verenigde Staten. In Nederland is het aantal gevangenen per 100.000 inwoners sinds 1985 verviervoudigd. [1]
Wacquant stelt dat in de ontwikkeling van de neoliberale strafstaten vooral de opsluiting met het doel uitsluiting van de samenleving in toenemende mate wordt toegepast, waarbij andere vormen van opsluiting relatief minder belangrijker worden. [2] De nieuwe vormen van opsluiting worden vooral toegepast op niet-Europese migranten, bijvoorbeeld migranten uit de voormalige Europese kolonien die op die wijze van deelname aan de nieuwe Europese maatschappij uitgesloten kunnen worden.
Deze kenmerken van de opsluitingsregiemes in de hoogontwikkelde industriele staten van het westen en bij de ontwikkeling van de neoliberale strafstaat kunnen worden geillustreerd aan de hand van de ontwikkelingen in Nederland gedurende de laatste twee decennia. [3]

In deze periode vallen twee fasen te onderscheiden. Tussen 1990 en 1996 neemt het aantal veroordeelden voor criminele delicten (mensen dus die na een proces een gevangenisstraf krijgen opgelegd) toe met 80%, na die tijd nog maar met 20%. De toename van het aantal jeugdigen, vooral allochtonen, en vreemdelingen, vooral mensen zonder verblijfsvergunning verdubbelt echter sinds 1996, terwijl de toename van het aantal voorlopig in hechtenis genomen mensen (preventief gehechten) en tbs’ers onveranderd hoog blijft.
Preventief gehechten zijn verdachten, die in afwachting van de behandeling van een strafzaak opgesloten worden. Bij de vreemdelingen gaat het vooral om mensen zonder verblijfsvergunning. Verder valt op dat het aantal gedetineerden in Huizen van Bewaring zonder vaste woon- of verblijfplaats (dus daklozen) toeneemt. Er zijn met name twee groepen die voor een sterke toename van het aantal preventief gehechten hebben gezorgd: de bolletjesslikkers op Schiphol, die vaak door wanhoop gedreven hun leven in de waagschaal stellen voor enkele duizenden euro’s  en de veelplegers. Dit is een groep in Nederland die uit ongeveer 6000 personen zou bestaan, vaak drugsverslaafdin in combinatie met een psychische problematiek die zich voortdurend bezig houdt met kleine criminaliteit om aan inkomsten te komen en die voor veel maatschappelijke overlast zorgt.
Wat betreft de vreemdelingenbewaring constateren Boone en Moerings, dat de grootste stijging van het aantal opsluitingen plaats vindt ruim na het hoogtepunt van het aantal personen dat asyl aanvraagt in Nederland. (Dit aantal is de laatste jaren sterk gedaald) Boone en Moerings betwijfelen of de toename van het aantal gedetineerde vreemdelingen kan worden verklaard uit de toename van het aantal illegalen. Dit aantal zou sinds de jaren negentig rond de 80.000 schommelen. De schrijvers van het artikel veronderstellen, dat de toename valt te verklaren omdat de in detentie stelling van mensen zonder verblijfsvergunning in toenemende mate wordt gebruikt om mensen die van iets anders worden verdacht op te sluiten of om in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar criminele activiteiten hele groepen te arresteren die er niets mee te maken hebben, maar die mogelijkerwijs tot een criminele groep zouden kunnen behoren of daar contact mee hebben. Als voorbeeld noem ik hier de discussie die in Amsterdam op gang kwam toen de politie een inval deed in Zuid-Oost in een cafe dat vaak zou worden bezocht door Afrikanen die zich met e-mail fraude zouden bezighouden. Iedereen zonder verblijfsvergunning werd daarbij gearresteerd en gedeeltelijk uitgezet, zonder dat er een rechter aan te pas kwam.
            De overheid verdedigt de toename van de gevangeniscapaciteit en de explosie in het aantal gedetineerden met een beroep op de sterk in omvang gestegen criminaliteit, met name ook van allochtone jeugdigen. Boone en Moering onderzoeken of dit inderdaad het geval is. Daarvoor kunnen twee vormen van statistiek geraadpleegd worden: de politiestatistieken en de uitkomsten van de slachtoffer-enquetes. In de politiestatistieken is er inderdaad sprake van een dramatische toename van de geregistreerde criminaliteit. De omvang is de laatste 25 jaar bijna verdubbeld, van 700.000 geregistreerde gevallen bij de politie in 1980 tot 1.324.000 registraties in 2004. Geweldscriminaliteit en vandalisme zijn zelfs vervijfvoudigd. Deze toenames blijken niet uit de slachtoffer-enquetes. Zo werden in 1996 zes op de 100 inwoners slachtoffer van geweldscriminaliteit, dit steeg daarna tot 8 op honderd maar daarna volgde weer een daling.
Waaruit vallen de verschillen in de statistieken te verklaren? Verschillende criminologen stellen,. Dat er geen sprake is van een daadwerkelijke stijging van de criminaliteit, zelfs niet van geweldscriminaliteit, zoals dat uit de politiestatistieken zou blijken. De uiteenlopende ontwikkelingen in de statistieken kunnen worden verklaard uit het gegeven, dat er veranderingen zijn opgetreden in de opsporings- en onderzoeksprioriteiten bij de politie. Oftewel voeg ik eraan toe meer aandacht voor de kleine straatcriminaliteit en minder voor de zware criminaliteit, als onderdeel van een nieuwe Law en Order politiek van zero-tolerance zoals Wacquant die voor alle Westerse landen beschrijft en die tot doel heeft de negatieve gevolgen van de neoliberale revolutie en de daarmee gepaard gaande bestaansonzekerheid te blijven beheersen. Daarnaast heeft het te maken met de toegenomen aandacht bij de politie om criminaliteit te registreren en de toegenomen bereidheid bij het publiek om criminaliteit te melden. Boone en Moering constateren, dat in de beleidsnota’s over veiligheid en overlast oa in de openbare ruimte die de overheid sinds 1993 geproduceerd heeft in feite steeds meer veiligheid synoniem is met criminaliteit.
De verruiming van de begrippen veiligheid en criminaliteit leiden ertoe, dat strafrechtelijke middelen in een steeds eerder stadium worden ingezet, zelfs buiten de grenzen van het strafrecht om.[4] De verruiming van het begrip criminaliteit komt tot uiting in de ‘broken window’ teorie, die in New York opgeld deed bij het strengere optreden van de politie. De theorie houdt in, dat als je kleine vergrijpen, zoals een raam ingooien of andere kleine baldadigheden van de jeugd niet direct streng bestraft, de jeugdigen vaak een criminele carriere zullen gaan doormaken. Je moet het vanaf het begin de kop indrukken. Criminologen hebben de vloer aangeveegd met deze theorie. Uit empirisch onderzoek blijkt, dat deze aanpak geen enkele invloed heeft op de vraag, of jeugdigen wel of niet het criminele pad opgaan.
De toegenomen aandacht van de politie om criminaliteit te registreren en de daaraan gerelateerde activiteiten van de politie zijn echter nauwelijks gerelateerd aan de explosieve stijging van het aantal gevangenen. Toen bijvoorbeeld in 1985 de groei van de criminaliteit afnam, was er de eerste explosieve ontwikkeling in de gevangenisbevolking.
De overheid wordt niet moe de sterke toename van de jeugd) criminaliteit te benadrukken en de daarmee gepaard gaande toename van het aantal detenties. Vanaf halverwege de jaren negentig neemt de detentie van jeugdigen een hoge vlucht. Hun aantal is met 100% toegenomen. Naast het argument van de toegenomen jeugdcriminaliteit voert de overheid als argumenten aan, dat er sinds 1995 mogelijkheden bestaan om zwaardere straffen aan jeugdigen op te leggen en dat die zwaardere straffen ook daadwerkelijk steeds meer worden opgelegd. Geen van deze argumenten kloppen. Het aantal strafrechtelijke detentieplaatsen voor jeugdigen tussen 2001 en 2004 is afgenomen.
Daartegenover stond een explosieve groei van het aantal detentieplaatsen dat betrekking had op een toename van het aantal civielrechtelijke plaatsen. Bij civielrechtelijke detentieplaatsen gaat het bijvoorbeeld om uit huis plaatsen van kinderen in een inrichting omdat de ouders niet meer voor de opvoeding zouden kunnen zorgen. Daarnaast is er nog de bestuursrechtelijke in detentie plaatsing die de schrijvers niet behandelen. Het gaat dan om gedwongen opnames van psychiatrische patienten op last van de burgemeester omdat zij een gevaar vormen voor zichzelf en/of hun omgeving.  Voor de toename van het aantal civielrechtelijke plaatsen zijn twee oorzaken aan te wijzen. Ten eerste het crisisconvenant dat in 2001 is gesloten tussen de regering en de jeugdhulpverlening om kinderen die daarvoor in aanmerking kwamen binnen een week in een inrichting te plaatsen en in de tweede plaats was er een gebrek aan alternatieve opvang vanwege grote bezuinigingen die werden doorgevoerd op de jeugdhulpverlening in de jaren tachtig en negentig. Boone en Moering concluderen, dat de groei van de jeugddetentie voor een groot deel moet worden toegeschreven aan jongeren die geen strafbaar feit pleegden, maar die ‘op de een of andere manier niet konden worden behandeld in een extramurale setting’.
Dezelfde ontwikkeling, waarbij er een relatie bestaat tussen het gebrek aan opvang als gevolg van bezuinigingen en de toename van het aantal gedetineerden bestaat bij psychiatrische patienten. De Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling heeft ‘onlangs’ de redenen onderzocht voor het toenemend aantal psychiatrische patienten in de strafrechtsector.[5]
De toename van het aantal psychiatrische patienten kent verschillende oorzaken aldus het RMO rapport. Ten eerste is er de vermaatschappelijking van de reguliere zorg voor psychiatrische patienten. Daarmee wordt bedoeld dat patienten primair verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven, gedwongen behandeling is alleen mogelijk als zij een gevaar vormen voor zichzelf of voor hun omgeving. Dit heeft ertoe geleid dat patienten steeds vaker behandeld worden in een ambulante setting. Voor een bepaalde categorie van patienten werkt deze behandeling minder goed, met als resultaat dat zij uit het zicht van de GGZ raken. Dakloosheid en criminaliteit zijn vaak het gevolg. Onderzoek laat zien dat veel patienten al contact met de GGZ hadden voordat ze ook met justitie in aanraking kwamen. Panhuis stelt dat de GGZ zijn asylfunctie verloor als gevolg van bezuinigingen en teveel nadruk op de rechtspositie van de client. Van Vliet trekt daaruit de conclusie dat de toename van het aantal tbs-patienten mede het gevolg is van het falen van de reguliere voorzieningen voor mentaal zieke mensen.

De verminderde tolerantie voor mensen die ‘anders’ zijn komt ook tot uiting in de sterke toename van het aantal gedwongen opnames van psychiatrische patienten. Meer mensen dan ooit tevoren zijn vorig jaar gedwongen opgenomen in psychiatrische instellingen. In 2000 werden ongeveer 11.500 mensen tegen hun wil opgenomen, in 2006 waren het er 17.000. Dit concludeert psychiater en hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Niels Mulder in zijn oratie ‘Psychiatrie voor mensen die er niet om vragen’. De ‘epidemie van dwangopnamen’ is volgens hem het gevolg van een verminderde tolerantie voor verloedering, overlast en psychiatrische patiënten met wie het slecht gaat.[6]

Conclusie kan zijn dat de bovenstaande analyse van de ontwikkeling in het Nederlandse systeem van opsluiting de bevindingen van Wacquant bevestigt. Moerman en Boone en andere deskundigen leggen een duidelijke relatie tussen de afbouw van de verzorgingsstaat (bezuinigingen in de gezondheidszorg, hulpverleningsinstellingen en jeugdhulpverlening) en de toename van het aantal civielrechtelijke gedetineerden en de functie van de opsluiting als beheersmechanisme voor niet-criminelen in plaats van de verzorgingsstaat.
Opgemerkt moet daarbij worden, dat het nieuwe detentiesysteem en het optreden van de politie zich vooral richten op jeugdigen van voornamelijk allochtone afkomst en op psychiatrische patienten of mensen met psychische problemen. Zoals we echter in het begin opgemerkt hebben, kan de nieuwe neoliberale strafstaat zich bij het politieoptreden en de uitwerking van het detentiesysteem zich ook op andere groepen gaan richten, waarbij de prioriteiten verschuiven naar andere groepen, die gedisciplineerd moeten worden.
Moerman en Boone concluderen in hun artikel, dat ‘Nederland’ intoleranter en onverschilliger is komen te staan ten opzichte van minderheden en bevolkingsgroepen met een afwijkend gedrag. Hetzelfde beeld komt naar voren uit de groei van het aantal tbs gestelden en jeugdigen die op civielrechtelijke basis worden gedetineerd. De toename van deze categorien gedetineerden kan tenminste deels worden verklaard door het tekortschieten van hulpverlening in een eerder stadium van de problematiek. ‘Nederland is van een land dat bekend stond om zijn tolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag, verworden tot een land dat zijn problemen met minderheidsgroepen en probleemgroepen oplost door hen op te sluiten’
De bovenstaande ontwikkelingen leiden ertoe, dat er een toenemend aantal boeken verschijnt waarin dit aan de kaak wordt gesteld. Kritische wetenschappers trekken de effectiviteit van het gevoerde beleid in twijfel. De mensen die in het zich uitdijende gevangenissysteem terechtkomen worden vaak aan hun lot overgelaten en komen soms gebroken weer uit de situatie van opsluiting en vervallen in oude gewoonten. De toestanden in Nederlandse gevangenissen en jeugdinrichtingen beginnen onacceptabele trekken te vertonen.Verschillende recente rapporten tonen dit aan. Bijvoorbeeld het onderzoek van de Inspectie Jeugdzorg en andere Inspecties naar de veiligheid binnen de veertien justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s) in Nederland.[7]

De neoliberale strafstaat is dan ook een politiek, die zichzelf versterkt. Steeds meer mensen begaan overtredingen of strafbare feiten en worden weer opgesloten zonder begeleiding. Het is een soort spiraal naar beneden van actie en reactie.
Een van de wetenschappers die haar stem verheft is de nieuwe professor in de forensische psychologie Corine de Ruiter, die in interviews en publicaties de vloer aanveegt met de gedachte, dat steeds strenger straffen in plaats van begeleiding en/of therapeutische behandeling helpt. In interviews stelde ze dat ze zich verzet tegen de stoere taal van Wilders en consorten. ‘Er is geen enkel wetenschappelijk bewijs dat de maatschappij veiliger wordt door harder te straffen’.[8]




[1] De cellenexplosie. Voorlopige hechtenis, etc. M. Boone en M. Moering.
[2] Die bestrafung der Armut und der Aufstieg den neo-liberalismus. In: Loic Wacquant, Das Janusgesicht des Ghetto’ s und andere Essays blz 144-156. Gutersloh berlijn.
[3] Boone en Moering
[4] (Van den Bunt, 2003, Moerings 2003).
[5]  Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling: straf en zorg, een paar apart; passende interventies bij delictplegers met psychische en psychiatrische problemen. Amsterdam, SWP 2007.
[6] Prof.dr. Niels Mulder pleit voor meer onderzoek in zijn oratie ‘Psychiatrie voor mensen die er niet om vragen’, waarmee hij op vrijdag 14 september 2007 de leerstoel Openbare Geestelijke Gezondheidszorg aan de  Erasmus Universiteit aanvaardde.
[7] Veiligheid in justitiële jeugdinrichtingen: opdracht met risico’s. Inspectie jeugdzorg, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie voor de Gezondheidszorg, Inspectie voor de Sanctietoepassing
Utrecht, september 2007. Te downloaden op http://www.justitie.nl/actueel/persberichten/archief-2007/70910extra-maatregelen-voor-justitiele-jeugdinrichtingen.aspx?cp=34&cs=579
Zie ook het recente rapport ‘Detentie, behandeling en nazorg criminele jeugdigen’. Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 2007-2008, nr 31215. Te downloaden op http://www.rekenkamer.nl
Beide rapporten wijzen er vooral op, dat de uitvoering van de begeleiding anders is dan de theorie. Begeleiding en therapie vinden nauwelijks plaats.
[8] Prof. Dr. Corine de Ruiter. ‘Ik heb niets beters te doen’. Rede In vrije vorm uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Forensische Psychologie aan de Faculteit der Psychologie van de Universiteit Maastricht op vrijdag 28 september 2007. Te downloaden op http://www.unimaas.nl/default.asp?template=werkveld.htm&id=423TRRI15LK7HAH20H4C&taal=nl
Zie voor een van de talloze interviews Tijdschrift Observant 5, 27 september 2007. Tekst: Riki Jansen. Oratie hoogleraar forensische psychologie Corine de Ruiter. ‘Ik zeg tegen alle Wilders-stemmers: laat je voor een week opsluiten, dan weet je hoe het voelt’. http://www.trimbos.nl/Downloads/Programmaas/NMG/Observant_26-09-2007_14-53-19.pdf

Getto’s in Europa?

Vooral bepaalde etnische groepen worden door de structurele massawerkloosheid getroffen. Zij behoren vaak tot de stroom van migranten die ondanks de structurele werkloosheid als arbeidskracht tijdelijk in de economie nodig zijn waarbij zij zich met hun lage inkomen vestigden in wijken met goedkope huurwoningen. Loononveiligheid, bestaansonzekerheid en sociale onzekerheid als gevolg van de afbouw van het bijstandssysteem komt in de grote steden voor op bepaalde sterk geconcentreerde plaatsen en treft met name bepaalde bevolkingsgroepen, die verdeeld zijn langs etnische scheidslijnen. Bij de structurele, chronische werkloosheid is in deze wijken de bevolking meer dan gemiddeld werkloos en aangewezen op contracten voor werk van een bepaalde korte duur en concentreert het leven op of onder het bestaansminimum zich in deze wijken. Tijdelijke en flexibele aanstelling in een functie wordt de norm voor de arbeidsmarkt in deze wijken. 
Overigens ontkent een onderzoeker als Wacquant dat er in de Europese steden sprake zou zijn van gettovorming in de klassieke sociologische zin van het woord. Getto’s zijn territoriaal scherp van de rest van de samenleving afgebakende gebieden, waar een bepaalde etnisch homogene bevolkingsgroep woont, met een gemeenschappelijke taal en cultuur, die instituties ontwikkelt parallel aan de instituties van de omringende maatschappij. Communicatie tussen dit scherp afgebakende territorium en de omgeving vindt nauwelijks plaats. De omgeving ontwikkelt daarbij allerlei vooroordelen over het leven in het getto. Dergelijke getto’s kwamen voor in de zestiger jaren in de Amerikaanse steden. Wacquant wijst erop, dat het zwarte getto in de Verenigde Staten tegelijkertijd een instrument ter controle en van afweer was van de rest van de maatschappij, dus tegenover een kaste, die als minderwaardig ten opzichte van andere groepen mensen werd beschouwd.
In de grote Europese steden is de ontwikkeling anders. De stadswijken waar de armoede zich thans concentreert kennen een bevolking van een etnisch gezien zeer heterogene samenstelling. De mensen hebben geen gemeenschappelijke, van de omgeving afwijkende taal en etniciteit of cultuur. Er worden geen parallelle instituties ontwikkeld op basis van een gemeenschappelijke solidariteit, die het hele territorium van de gehele wijk bestrijken, zoals in getto’s vaak wel gebeurde. Er is meer sprake van diffuse klassenstructuren.
In Amerika heeft het gevangenissysteem de functies van controle en afweer van ongewenste groepen overgenomen. Of dat in Europa in toenemende mate ook het geval zal zijn is de vraag. Ook ontkent Wacquant dat termen als ‘de derde wereld in de Europese steden’ een adequate formulering zou zijn voor de situatie in die grote steden. De redenering is dan dat migranten uit andere, vaak meer achterlijke of pre-industriele culturen naar het Westen komen en dat deze achterlijke cultuur de problemen waarmee deze wijken kampen veroorzaakt. Een argument dat wel met het bovenstaande wordt verbonden is dat er sprake zou zijn van een terugval (regressie) naar premoderne vormen van samenleven en conflicten, die uitdrukking zouden zijn van eeuwig geldende en steeds weer terugkerende menselijke eigenschappen.
Het historisch specifieke karakter van de huidige ontwikkelingen wordt met deze argumenten ontkend. De arme wijken met hun specifieke problematiek, en de sociale ongelijkheid in de Europese steden zijn typische producten van het neoliberale beleid en komen daarom voort uit moderne ontwikkelingen. De problemen in deze wijken zijn veeleer het resultaat van de ontwikkeling naar sociale ongelijkheid in de meest ontwikkelde landen van de kapitalistische economien, waarbij er sprake is van desintegrerende tendensen. De aanwezigheid van ‘achterstandswijken’ zal dan ook niet spoedig verdwijnen. Juist de moderne samenleving produceert sociale ongelijkheid , achterstelling en stigmatisering en bestuurt die.
Slordige toepassing van termen als ‘gettovorming’ en ‘de derde wereld in Europa’ en daarmee verbonden redeneringen over het handhaven van veiligheid, openbare orde, en noodzaak tot integratie verhullen dat het er in feite om gaat dat juist in de arme wijken de gevolgen van de toenemende sociale en bestaansonzekerheid als gevolg van de flexibilisering van de arbeidsmarkt zichtbaar worden. Je ontkent daarmee ook de gerechtvaardigde eisen van de daar wonende bevolking op bepaalde rechten. 
De gedepriveerden worden verbannen naar mindere buurten waar publieke en private bronnen verdwijnen als gevolg van bezuinigingen op de collectieve voorzieningen terwijl tegelijkertijd de sociale degradatie van huishoudens uit de arbeidersklasse en de nieuwe migranten die zich juist in deze buurten vestigen de competitie voor toegang tot de zeldzame publieke goederen verscherpt.
In het verlengde van het bovenstaande is er een stigmatisering van deze buurten als bron van problemen. Waarbij in de analyse van deze problemen niet alleen een verband wordt gelegd met etniciteit maar ook met het feit, dat men in een ‘gedegradeerde’ buurt woont.
De leefomstandigheden in deze buurten leiden in het kader van permanente uitsluiting van de arbeidsmarkt tot een overlevingsstrategie, die wordt gekenmerkt door een mix van incidenteel betaald werk verrichten, een beroep doen op bijstand en deelnemen aan de informele sector in de economie. Dit leidt in de grote steden van Europa tot wat Wacquant in navolging van andere schrijvers een ‘overbodig arbeidsreserveleger’ noemt, voor wie de toenemende economische voortgang in de maatschappij zich vertaald in een regressie van de materiele bestaansvoorwaarden en een verminderen van kansen. Deze mensen zijn overbodig voor de reguliere economie. Veel van deze mensen zitten gevangen in een soort derde segment van de economie, buiten de reguliere, waar de beter gesitueerde proletariers werken en zeker buiten de kerneconomie.

De goeroes van de neoliberale revolutie beweren, dat door internet en andere  technologische vernieuwingen en het open gooien van markten de welvaart voor iedereen toeneemt. In onze open samenleving zou iedereen de kans hebben hogerop te komen. Er is een tendens tot welvaart voor iedereen. Het tegendeel is het geval. De neoliberale samenleving produceert steeds meer bestaansonzekerheid en sociale ongelijkheid. Deze ongelijkheden en onzekerheden worden niet bestreden maar ingepast in de neo-logistieke orde, ze worden in die orde met haar technologisch hoog ontwikkelde monitoringsysteem, toegangspoorten en controlepoorten bevestigd en gecontroleerd. De staat heeft in dit opzicht een belangrijke functie in de neoliberale orde. 

Het beleid werkt niet. Waarom toch gehandhaafd?

Hoe effectief is de invoering van de neoliberale strafstaat en de techniek van het sociale panopticum als onderdeel van de machtsstrategie? Boone c.s. zetten vraagtekens bij de gevolgde strategie. Alleen opsluiten heeft geen zin en leidt tot zeer veel recidive. Er zou een preventief beleid moeten komen. Dat werkt effectiever. En daarna is zorg het meest effectief. Maar Boone c.s. schetsen niet hoe dit preventieve beleid verder moet worden uitgewerkt. De combinatie beperkte sociale zekerheid, uitbreiding van het civiel rechtelijk gevangenis-systeem en de techniek van het sociale panopticum laten onverlet, dat we leven in een neo-logistieke orde, die sociale ongelijkheden produceert en deze inpast in de orde. Zoals we reeds hebben opgemerkt worden door de politiek van uitsluiting in de neoliberale strafstaat en het ontbreken van reeele alternatieven velen in de arme wijken gedwongen te leven in een situatie waarbij er een combinatie is van bijstand, informele economie en flexibele, tijdelijke, witte of zwarte baantjes.  De weg naar de bijstand in combinatie met inkomen uit de informele sector wordt door de neoliberale strafstaat afgesloten. Mensen die in de drugscene of anderszins in hun levensonderhoud voorzien, worden steeds strenger gestraft en daarnaast worden mensen die niets hebben gedaan in civielrechtelijke detentie cq opvoedingsinrichtingen opgesloten. Dit betekent echter niet, dat deze informele sector verdwijnt. Zij verschuift alleen maar naar terreinen, waar het toezicht van de staat nog ontbreekt. Opgemerkt moet daarbij worden, dat de techniek van het sociale panopticum ook in de Verenigde Staten wel wordt toegepast- en dat principes daarvan ook door Europese landen zijn overgenomen, oa in de noodzakelijke samenwerking met maatschappelijke particuliere organisaties. Wacquant noemt dit ook in zijn boek straf de armen. De bijstand en een collectief stelsel van sociale zekerheid is echter rigoreuzer afgebroken. Bovendien lijkt wat de organisatie van het sociale panopticum betreft de invloed van de staat in Europa ook groter te zijn.
Bestuurders blijven vasthouden aan hun uitgangspunten. Bij politici van verschillende huize leeft de illusie, dat in het licht van de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt, de flexibilisering ervan en de steeds veranderende eisen die aan arbeidskrachten gesteld worden het mogelijk moet zijn het aanpassingsvermogen van deze arbeidskrachten middels de sociale techniek van het sociale panopticum zo op te voeren, dat bijna iedereen blijft meedraaien in de carrousel van de neo-logistieke orde en dat ook kan. Zodat sociale uitsluiting en uitvallen  weinig optreedt. Men voert een overheidsbeleid om dat te bevorderen.
Uit de explosie van het aantal gedetineerden in Nederland voornamelijk de civielrechtelijke detentie, laat echter zien dat ook hier het gebrek aan het daadwerkelijk verbeteren van de levenskansen en arbeidsmogelijkheden van grote groepen uitloopt op een steeds directer repressief beleid.
Als je de bestuurders van gemeenten moet geloven werkt de techniek van het sociale panopticum wel. Het aantal bijstandsgerechtigden daalt in Nederland, ondanks de nog steeds bestaande massa-werkloosheid. Gemeenten publiceren juichend persberichten over de effectiviteit van het beleid. Weer zoveel bijstandstrekkers minder! Is dit een goed criterium om de effectiviteit van het beleid te meten? Het is immers van belang voor een evaluatie daarvan vast te stellen waar die bijstandsgerechtigden naartoe zijn gegaan, waar ze zijn gebleven. Het kan immers zijn, dat heel andere oorzaken aan de vermindering ten grondslag liggen. Bijvoorbeeld dat veel mensen in de bijstand tot groepen ouderen behoorden, die de AOW-gerechtigde leeftijd bereikten. Of die overgingen op een andere uitkering. Of die dakloos zijn geworden, of een beroep doen op alternatieve bronnen van inkomsten, of gaan verhuizen naar een andere gemeente. Wanneer je daarnaar vraagt, blijken de meeste gemeenten geen idee te hebben. Men weet niet waar die bijstandsgerechtigden zijn gebleven. En men doet er geen onderzoek naar. Er is een ziekelijke tendens in de maatschappij alles te willen weten en te willen meten, maar hier houdt het plotseling op.
Men blijkt niet over de managementinformatie te beschikken om de effectiviteit van het beleid werkelijk vast te stellen. Van waar die onwil? Blijkbaar kan het de politieke niet werkelijk iets schelen? Het blijkt, dat bij de uitvoering van de bijstand de client-volg systemen, en andere computersystemen toch niet zo volmaakt zijn als men wel graag zou willen. Er blijven vele witte vlekken op de kaart, mensen kunnen zomaar ‘uit beeld’ verdwijnen. Bij de Dienst werk en inkomen in Amsterdam heeft men jaren geleden geprobeerd een volmaakt computer volgsysteem in te voeren, het NUS-systeem. Het werd een fiasco. Dit geval staat niet op zichzelf. Van duizenden jongeren heeft men geen idee wat ze doen. Ze zitten niet op school, werken niet, hebben geen uitkering, maar staan wel ingeschreven in het bevolkingsregister, dus ze bestaan. In Amsterdam heeft men besloten geheel in de trend van het sociale panopticum, dan maar een huisbezoek bij deze jongeren af te leggen om te weten te komen wat ze doen. Dit kost echter veel geld en menskracht, en het kan lang duren voor men alle jongeren voortdurend in beeld heeft.
Waarom geen onderzoek naar de effecten?
De Zwitserse socioloog Kurt Wyss stelt de vraag hoe het kan dat er geen onderzoek wordt gedaan naar de effecten van de beleidsverandering als het gaat om de vraag wat er gebeurt met de mensen die uit het systeem vallen en zonder uitkering zitten als gevolg van de strenge maatregelen in het Workfare-systeem. En hij stelt de vraag waarom toch met het beleid doorgegaan wordt terwijl in alle landen keihard is aangetoond dat het beleid niet werkt en de uitstroom naar betaalde arbeid gering is. De beleidsmakers en een deel van de wetenschappers die –in dienst van de beleidsmakers- qua empirische basis aanvechtbaar onderzoek doen naar de effecten van workfare lijken doof te zijn voor alle argumenten en onderzoeken die de inefficientie en ineffectiviteit van het workfare concept aantonen. Men gaat stap voor stap gestaag door op de ingeslagen weg, waarbij de bestuurders steeds meer repressieve instrumenten ontwikkelen.
theorie
Wyss heeft daar een theorie over. De retoriek die de invoering van workfare moet rechtvaardigen is dat er een onderklasse dreigt te ontstaan en dat daarom de mensen die daarnaar dreigen af te zakken moeten worden geintegreerd in de maatschappij. Dat moet met enige dwang gebeuren op straffe van korting of zelfs stopzetting van de uitkering. Je moet de mensen echt helpen (de retoriek van de sociaal-democraten zoals Tony Blair) want mensen moeten zich middels betaalde arbeid kunnen ontplooien en zelfstandig worden. Maar hierboven werd aangegeven, dat het effect van workfare wat deze doelstellingen betreft gering is. Waarom gaat men ondanks alle kritieke stug door? Omdat het workfare systeem wel werkt, bedoeld of onbedoeld, maar op een andere manier. In plaats van integratie heeft de overgang naar een workfare-systeem  in werkelijkheid de bedoeling te komen tot de creatie, handhaving, stigmatisering en isolering van een afhankelijk gehouden minderheid, een onderklasse, die streng wordt behandeld. Door workfare stromen de leden van die groep niet uit, ze worden juist afhankelijk gehouden en er juist in vastgehouden en heen en weer geslingerd tussen het ene traject en het andere, tussen de ene hulpverlener en de andere, ze komen tot wat men noemt ‘recidive’, waarmee zij weer kunnen worden gestigmatiseerd. Legio zijn de voorbeelden van werklozen die een carriere van soms tien jaar achter de rug hebben waarbij ze zonder resultaat van het ene traject in de reintegratie-industrie in het andere terecht gekomen zijn.
Met de creatie van een onderklasse dient men twee doelen. Ten eerste leidt het tot disciplinering van de rest van de bevolking. Mensen die een conflict hebben met hun baas, of het hoge werktempo maar nauwelijks kunnen volhouden zullen zich wel drie keer bedenken voor ze ontslag nemen. Het workfare-systeem, met zijn mensonterende arbeid in de work first projecten staat de mensen als een schrikbeeld voor ogen. De tweede functie is, dat het afzonderen, zichtbaar maken en streng behandelen van een minderheid in een zogenaamde onderklasse de mogelijkheid biedt van projectie: de mondialisering, de flexibilisering van de arbeidsmarkt en de verhevigde concurrentie tussen arbeidskrachten, ook met arbeidskrachten uit andere (EU) landen leidt bij veel mensen tot een gevoel van bestaansonzekerheid waaruit onbestemde onlustgevoelens uit voortkomen. Een permanente onderklasse biedt de mogelijkheid van projectie: onlustgevoelens voortkomende uit de onzekerheid over het eigen bestaan, worden niet omgezet in kritiek op het maatschappijsysteem, het kapitalisme, dat tot de onzekerheid leidt, maar kunnen worden geprojecteerd en afgereageerd op de onderklasse, die voor een groot deel uit migranten bestaat. Op die manier blijven de werkelijke oorzaken van de onlustgevoelens buiten beeld. Zo probeert men ‘de boel bij elkaar te houden’ op een specifieke manier, waarbij een minderheid wordt geslachtofferd.
Hoewel het boek met vele historische sleutelteksten komt, ontbreken vooralsnog de historische documenten die zijn theorie kunnen staven. Het blijft onduidelijk of er sprake is van een bewust beleid, of dat bestuurders onbewust deze doelstellingen nastreven. Hij verwijt verschillende wetenschappelijke onderzoekers naar de effectiviteit van het workfare beleid wel, dat de empirische basis van hun onderzoeken zwak is, maar dat geldt althans in dit boek ook voor de empirische basis van zijn eigen theorien. Het wachten is op de klokkenluiders die de ware bedoelingen van de beleidsmakers en hogere uitvoerders onthullen.
Andere doelen
De creatie en handhaving van een onderklasse zou bedoeld of onbedoeld nog meer doelen kunnen dienen, die overigens slechts kort door Wyss worden behandeld.  Het is een middel om geld te verdienen. In de eerste plaats de omvangrijke reintegratie-industrie, met haar vele bemiddelings en adviesbureau’ s en organisaties. Maar ook in andere bedrijfstakken (schrijvers en journalisten, uitgevers van boeken, media zoals televisie) is het actuele thema van de integratie van de onderklasse en hoe die te realiseren een goed verkoopbaar product. Nog een andere functie: De beleidsmakers (politieke bestuurders en ambtenaren of sociale partners uit de hogere regionen) proberen middels de inzet van vele miljarden niet alleen de reintegratie-industrie te financieren, maar ook middels het mogelijk maken van subsidies voor werkgevers en werken met behoud van uitkering in diverse vormen de gecreeerde onderklasse weer direct een loondrukkende functie te geven. Mensen die op deze gesubsidieerde arbeid worden ingezet doen vaak regulier werk, waarbij mensen die dit werk eerst deden worden weggeconcurreerd, omdat de gesubsidieerd werkenden gratis of zeer goedkoop zijn. De vakbeweging verzet zich met name tegen deze laatste ontwikkeling, de verdringing van bestaande betaalde arbeid, omdat daarmee rechtstreeks de arbeidsvoorwaarden en omstandigheden in verschillende sectoren onder druk komen te staan en de positie van werknemers verzwakt bij CAO-onderhandelingen. De vakbonden verzetten zich minder tegen de andere bedoelde of onbedoelde gevolgen van workfare: het projectiemechanisme en het disciplineringsmechanisme. De reden daarvan is dat om daar kritiek op te leveren je een meer maatschappijkritisch standpunt moet innemen en een offensiever beleid moet voeren ten aanzien van de inrichting van de maatschappij waarbij je de maatschappelijke oorzaken van de toenemende bestaansonzekerheid naar voren haalt. Dit zet echter de positie van de erkende vakbonden als institutionele partner in de overlegmaatschappij van werkgevers, werknemersorganisaties en overheid onder druk. Binnen de bestaande kapitalistische verhoudingen hebben ook de vakbondsleiders en minstens een deel van hun achterban belang bij een niet al te omvangrijke onderklasse, die vervolgens onder controle wordt gehouden.
Schuld en boete
Een bepalend kenmerk van Workfare is, dat als het om de vraag van integratie en aansluiting bij de maatschappij van allerlei mensen gaat, het alleen maar van de goede wil van de desbetreffende persoon, zijn of haar optimisme, vermogen om zich te presenteren, geestelijke stabiliteit, etc. afhangt of dat gelukt. Het gaat er dus bij workfare en alle daarmee samenhangende cursussen op het gebied van scholing, empowerment-trainingen en andere cursussen om de wil van de betrokkenen in een bepaalde richting te dwingen. De mogelijkheden van integratie van individuen in de maatschappij hangt echter in sterke mate samen met de verdelingsmechanismen in het kapitalistisch systeem en is niet alleen afhankelijk van de wil van de betrokkenen. De meeste bedrijven zijn in een kapitalistische maatschappij onder concurrentieverhoudingen totaal niet geinteresseerd in langdurig werklozen. Zij hebben de keus uit arbeidskrachten die ‘beter’ zijn. Juist die andere oorzaken worden in het workfare systeem echter buiten beschouwing gelaten. Dit leidt ertoe, wat door empirische onderzoeken wordt bevestigd- dat de workfare-methoden falen om een werkelijke integratie te bewerkstelligen. Dit falen van het workfare systeem wordt echter uitgelegd als de schuld van degenen die ondanks de genereuze financiele middelen en inspanningen van de reintegratieconsulenten en andere hulpverleners niet toegeleid kunnen worden naar de betaalde arbeid. Zij verschijnen dan in de beeldvorming als de door eigen schuld in de bijstand of andere minimale regelingen verblijvende onaangepasten die weigeren hun kansen te grijpen.
Hierop reageren de beleidsmakers en hulpverleners met nog sterkere nadruk op de noodzaak van aanpassing van het individu aan wat de ‘normale’ norm in de maatschappij is, waaraan veel mensen weer niet kunnen voldoen, wat het schuldig zijn van het onaangepaste individu versterkt. Pogingen tot integratie van mensen die in armoede leven of gehandicapt zijn op wat voor manier dan ook zijn erop gericht mensen aan te passen aan de ‘normaal’ functionerende, mannelijke, blanke, gezonde arbeider, die weinig ziek is en geen gebreken kent. Daarbij blijven de bijzondere behoeften van menselijke individuen buiten beeld. Juist onder de vlag van gelijkheid- de betrokkenen moeten net zo ‘normaal’ worden als de meeste anderen- wordt ongelijke behandeling gepraktiseert.
Kritici die streven naar een integratie van gehandicapten in de maatschappij brengen vaak naar voren, dat men niet moet beginnen met de individuele aanpak, maar dat men moet kijken naar de verschillende sociale ruimten waar mensen functioneren zoals de prive sfeer, openbare ruimten, arbeidsplaatsen etc. om die zo in te richten, dat mensen zoals ze zijn dwz zonder ze te ‘normaliseren’ daarin kunnen meedoen. Daarvoor is een breed spectrum van aanpassingen op infra-structureel, arbeidsorganisatorisch en sociaal terrein noodzakelijk.
Het normaliseringsstreven van de workfare aanpak heeft echter tot doel, zoveel mogelijk mensen tijdelijk geschikt te maken als gestandariseerde, ‘normale’  kant en klare arbeidskracht voor de kapitalistische productie tegen een zo laag mogelijke prijs. Wie niet aan die norm kan voldoen of er niet in slaagt die norm te bereiken is schuldig.
Drietraps raket
Het door Wyss uitgebreid geanalyseerde brandmerken van de bijstandsgerechtigden en in zijn algemeenheid leden van een onderklasse wordt georganiseerd in ‘begeleiding’, onder controle houden en pogingen tot ‘normalisering’ op basis van een beleid met verschillende stadia van ontwikkeling. Het is een soort trap met verschillende hierarchisch ingedeelde treden, waarbij de bedoeling is dat de betrokkenen promoveren naar een steeds hogere trede. Op iedere trede worden andere beheersinstrumenten ingezet. In Amsterdam kent deze trap maar liefst vijf treden, waarbij de bovenste, zevende trede het betaalde werk is.
Wyss onderscheidt drie hoofdstadia. Op de onderste trede van de workfare-programma’s gaat het erom, de afwezige bereidheid tot werken en het onvermogen tot werken van de werkloze bijstandsgerechtigden te demonstreren en ten toon te spreiden. Daarvoor worden door de uitvoeringsinstanties bij de betrokkenen bepaalde beperkingen betreffende de bereidheid tot werken in een diagnose vastgesteld terwijl er tegelijkertijd bijzondere maatregelen worden genomen, waarmee die beperkingen overwonnen kunnen worden. In speciale scholings en arbeidsinzet programma’ s worden arbeidskrachten deugden als punctualiteit, op tijd komen, hoffelijkheid tegenover meerderen, bereidheid ingezet te worden etc. bijgebracht. Ook kan tot de eerste trap behoren dat men bepaalde therapien moet volgen om allerlei persoonlijke ‘zwakheden’ of gebrek aan motivatie te bestrijden. De kern van deze programma’s bestaat er dus uit de werklozen de schuld voor hun werkloosheid in de schoenen te schuiven. Natuurlijk ontdekken de betrokkenen zelf ook dat dit gebeurt. Daarom kent de benadering van de betrokkenen door de klantmanager een bepaald patroon. Zodra iemand niet van zijn of haar schuld overtuigd is, kritische opmerkingen maakt, aangeeft dat de voorgestelde maatregelen geen oplossing zijn, dan reageert de klantmanager keihard en scherp. En wanneer iemand dan akkoord gaat met de voorgestelde maatregel en zo te zeggen ingestemd heeft met het schuldig zijn aan het niet ‘normaal’ functioneren, wordt de klantmanager plotseling uiterst voorkomend en welwillend.
Op de volgende, tweede trede worden de betrokkenen gedwongen te gaan ‘werken’, in gesubsidieerde banen of met behoud van uitkering. In de verschillende landen worden daarvoor van elkaar afwijkende systemen ontwikkeld. 1 euro jobs, participatiebanen, etc. Feitelijk gaat het er ook in dit stadium om, te demonstreren dat de betrokkenen niet ‘normaal’ kunnen werken, cq als ‘onzelfstandige’ persoonlijkheden naar voren te brengen. Het gaat hier om arbeid die van betekenis ontdaan is omdat het ‘additioneel’, aanvullend moet zijn, en waarvoor geen overheidsbudgetten beschikbaar zijn en om arbeid die niet commercieel geexploiteerd kan worden. Het gaat om diverse werkzaamheden, zoals het schoonmaken van parken, graffiti verwijderen, recycling van afval. In Zwitserland noemt Wyss het voorbeeld van het timmeren van goedkope doodskisten voor mensen die niets hebben nagelaten en hun eigen begrafenis niet kunnen betalen. Kort door de bocht gezegd stelt Wyss, dat de als afval gestigmatiseerde mensen het afval van de maatschappij zo goedkoop mogelijk moeten opruimen.
In de derde fase- die moet leiden tot een ‘normaal’ gedrag in een ‘normale’ baan worden de bijstandsgerechtigden in het bedrijfsleven tewerk gesteld, waar ze echter ook niet als de andere werknemers worden behandeld, maar als een soort arbeider die tijdelijk ‘ingeleend’ wordt of tijdelijk tewerk gesteld met een fikse loonkostensubsidie. In de Verenigde Staten ontstaan hele overkoepelende netwerken van grote ondernemingen die op deze manier duizenden arbeidskrachten tijdelijk- voor een half jaar of een jaar- in dienst nemen, om dan weer over te schakelen op andere.
In de verschillende fasen worden in verschillende landen uiteenlopende regelingen getroffen, maar die zijn alle gebaseerd op dezelfde hierboven genoemde principes.
Tot slot
Wyss analyseert in het boek uitgebreid de ideologische achtergrond van de workfare ideologie. Beter is het niet te spreken van een bepaalde ideologie. Want het vervelende met de workfare maatregelen is, dat vanuit verschillende levensbeschouwelijke overtuigingen iets voor deze maatregelen te zeggen valt. Neo-conservatieven, neoliberalen en sociaal-democraten hebben uiteenlopende visies op workfare en bediscussieren die in de politieke arena, maar op de achtergrond werken ze nauw samen in de uitwerking omdat ze er allemaal belang bij hebben. Wyss analyseert uitgebreid de verschillen en overeenkomsten tussen die verschillende politieke stromingen.
Hiervoor heb ik al aangegeven, dat een hele onderzoeks en media industrie qua inhoud van hun media leeft van de discussie over ‘integratie’. Deze discussie komt gezien het bovenstaande in een bepaald daglicht te staan. Pleitbezorgers van de ‘Nederlandse identiteit’ en wat dat dan moet inhouden en analytici van ‘de noodzaak van integratie’ pleiten in feite voor een normaliseringsconcept, waarbij een aanpassing van de arbeidskrachten aan de vereisten van ondernemingen in de steeds meer in de mondiale economie opgenomen samenlevingen tot stand komt. Daarvoor is tegelijkertijd juist de creatie en in standhouding van een onderklasse noodzakelijk. Maar die moet echter ook weer niet te groot en dus onbeheersbaar worden.
Dus gaan de discussies over twee grenzen.Ten eerste de grens tussen deze onderklasse en de rest van de samenleving. Deze discussie wordt vooral gevoerd onder beleidsmakers, onderzoekers en in de media. Zie de recente discussies over de prachtwijken van Ellen Vogelaar, waar men wijst op het waterbed-effect: naast wijken die worden opgeknapt ontstaan andere wijken die verloederen.
Ten tweede de discussie over de grenzen van het sociale panopticum, het controle systeem waarmee de onderklasse in toom gehouden, zichtbaar gemaakt en gecontroleerd wordt. Deze discussie wordt vooral geinitieerd door mensen die eraan onderworpen zijn en kritische wetenschappers en journalisten


Nieuwe proefballonnen. Over een denktank en een snoepreisje naar Amerika

Op 11 november 2009 werd een Manifest geschreven door leden van De Baliegroep, een onafhankelijke denktank van personen uit de wereld van werkgevers en werknemers en de publieke sector. Het Manifest werd gepubliceerd in de Volkskrant. [1] Leo Hartveld van de FNV reageerde furieus. ‘Balie-voorstel haalt solidariteit uit de samenleving’ zei hij. Hij constateerde het volgende over de inhoud van het Balierapport. De arbeidsmarkt van nu, met zijn uitzendkrachten, deeltijdwerknemers en zzp’ers, vraagt om nieuwe arbeidsverhoudingen. Werkenden moeten zelf verantwoordelijk worden voor hun sociale zekerheid. De FNV vakcentrale ziet er echter niets in.
“Het enige dat je volgens dit voorstel overhoudt is een ministelsel sociale zekerheid. Alles dat boven dat minimum zit wordt losgelaten. Het is een ultra-individualistisch verhaal, dat haaks staat op de oplossing, namelijk collectiviteit en solidariteit. Aan zo’n ‘sociaal contract’ wil ik niet deelnemen”, zegt  Leo Hartveld.
“Wij komen niet tot de conclusie dat we dan maar alles individueel moeten regelen. Sparen kun je doen voor dingen waar je individueel voor kunt kiezen, zoals een sabbatical. Maar ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid heb je niet in de hand. Mensen die daardoor getroffen worden, zijn zo door hun individuele spaarpot heen. Zij vallen dan terug op dat ministelsel, een soort bijstandsuitkering. Je moet die risico’s dus verplicht collectief regelen.
“Ook de problemen van zelfstandigen en flexwerkers moet je oplossen in de collectiviteit en solidariteit. Dit Balie-verhaal leidt tot een ultra-liberaal individualisme, waarbij de sterken beter af zijn, maar degenen die met de risico’s worden geconfronteerd de sigaar zijn. Daar komt nog bij dat de sociale redzaamheid in veel risicogroepen klein is’.

Amerika

Eind november 2009/begin december bezoekt een Nederlandse delegatie de Verenigde Staten om zich te laten bijpraten over het Amerikaanse sociale stelsel. [2] De deelnemers, waaronder staatssecretaris Jetta Klijnsma (PvdA), zien aanknopingspunten voor Nederlands beleid. Veertien ‘politieke en bestuurlijke kopstukken uit de wereld van uitkeringen en werk, met een hoog PvdA-gehalte’, lieten zich informeren. René Paas, voorzitter van de belangenvereniging van sociale diensten: “Het zou wel eens kunnen dat hier de basis is gelegd voor de herziening van het sociale stelsel in de komende drie jaar.” In het Amerikaanse systeem hebben alleen kostwinnaars recht op bijstand, mits ze kinderen hebben. In de praktijk zijn dat met name alleenstaande vrouwen. Wie geen kind heeft, kan voor zo’n 200 dollar per maand voedselbonnen krijgen. Dat is de ‘bijstand’ waar zij van moeten rondkomen. Dit zijn meestal alleenstaande jonge mannen zonder werk, die vervolgens vaak in de criminaliteit belanden, schrijft Trouw.
Deze beperking is volgens Klijnsma en haar delegatiegenoten niet direct toepasbaar op de Nederlandse situatie, maar de tijdelijkheid van de bijstand (uitkeringen worden in de VS hooguit vijf jaar verstrekt) stuit wel op enthousiasme. Zo zegt Eric ten Hulsen, directeur van de Amsterdamse Dienst Werk en Inkomen, in Trouw: “Je gaat dan met een heel andere focus met die mensen aan de slag. Het idee is veel meer om mensen in hun eigen kracht te houden.” Bewindsvrouw Klijnsma, die zelf met de sociale hervormingen in Nederland aan de slag moest, vult aan op Van Hulsen: “Die tijdelijkheid houdt wel de druk erop.” Dat mensen in Amerikaanse projecten nog een tijdje worden begeleiden na het vinden van werk, spreekt haar ook erg aan:  “Uiteindelijk moeten mensen zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun leven. Maar de begeleiding bij ons kan vaak echt een onsje enthousiaster. Als je ’s nachts ineens in een dikke depressie zit, moet je iemand kunnen bellen.”


[1] Ondertekenaars oa Leni Beukema (De Onderlinge), Jeroen de Glas (voorzitter FNV-Jong), Hans Kamps (voorzitter ABU), Kick van der Pol (voorzitter Boaborea), Alexander Rinnooy-Kan (voorzitter SER), Doekle Terpstra (voorzitter HBO-raad), Tof Thissen (fractievoorzitter GroenLinks Eerste Kamer/oud voorzitter Divosa).
[2] Reportage in Trouw 03-12-2009.  Karin Zandbergen. ‘Warm worden van de Amerikaanse aanpak’.