vv


Baarlo

De buurtschap Baarlo is gelegen tussen Vollenhove en Blankenham. Het ligt niet ver van het stadje Blokzijl vandaan, nabij de provinciale weg N333 tussen Marknesse en Steenwijk. In oude documenten spreekt men van 'Baerle' of 'Bairle'. De naam zou kunnen betekenen: ‘woest bos’ (Baar=bar en Lo(o)=bos). De kerk van Baarlo werd afgebroken, maar de begraafplaats bestaat nog steeds.
In Baarlo heeft in de middeleeuwen een kapel gestaan, die gebouwd was met medewerking van de St Nicolaas of Bovenkerk te Kampen. Er zijn verschillende documenten waaruit blijkt dat de St Nicolaaskerk geld belegde om uit de renten de bouw van de kapel te financieren. Op 2 december 1476 (er staat vermeld: des manendages nae sante Andriesdage des heiligen apostels) oorkondt Johan Beerntsen, onderschulte te Vollenhoe, dat Liefken ter Kynderhuys, met Wicher Schaep haar momber, verkocht heeft tot de timmering van de kapel te Baerle aan de Cuynderdyck, 12 goudgulden overlandse rijnsgulden uit een erve c.a. Van Claes Meusz., gelegen bij de dijk, tussen Claes Meusz. en het klooster te Bronepe, strekkende van Henrick Koepsoen tot aan Jacob Tymansz. Gerichtsluden bij het opstellen van deze oorkonde zijn Henrick Lyquynsz. en Beernt Borchhout. (1)
Er is ook een document in het archief van deze kerk, waaruit blijkt dat deze 12 goudguldens betaald werden. Reeds op 2 december 1476 was geld voor de bouw van de kapel uit het bovengenoemde erve te Vollenhove binnengekomen, waarschijnlijk tegelijk met het opstellen van de akte. (2)
De bovengenoemde Liefken ter Kinderhuis, schijnt voor 8 mei 1484 te zijn overleden, want op die datum is er een oorkonde, waarin de verkoop van de 12 goudgulden rente lijkt te worden bevestigd bij het overlijden van Liefken ter Kinderhuis. Henrick Ryquynss, die bij de vorige akte nog tot de gerichtsluden behoorde maar nu gepromoveerd is tot onderschulte, oorkondt op 8 mei 1484, dat Tydeman ten Busch, Jonge Jacob Wycherss en Claes Jacobss,, testamentoren van Liefken ter Kinderhuis, alsmede haar momber Wicher Schaep, verkocht hebben aan Herman Kruse en Henric van den Vene, kerkmeesters van de St Nicolaaskerk, tot timmering van de kapel te Bairle, 12 gouden rijnsgulden per jaar uit het erve van Claes Meuss, gelegen in het kerspel van Vollenhoe bij de dijk. (3)
Op 8 mei 1484 wordt in het archief tevens vermeld dat er een rente van 12 goudgulden was binnengekomen uit bovengenoemd erve te Vollenhove bestemd voor de timmering van de kapel te Baerle.
De St Nicolaaskerk had nog meer inkomsten uit erven te Baarlo, want in het archief vinden we een aankomsttitel van een rente van 5 herenpond uit een erve te Baarlo op 14 augustus 1505. (4)

8 mei 1529 is er de institutie van Mr. Tymannus Muhstre tot de kapel te Barle bij den Cunerdyck en binnen de parochie Vollenhoe, gesticht ter eere van God, de Maagd Maria en St. Andreas, vacant door dood of resignatie van wijlen Seyno Gerardi ther Kuelem, krachtens presentatie van Johannes then Bosch, burger van Zwolle, desnoods na indaging voor Mr. Baldewinus Houdensteyn, vice-cureit der parochiekerk te Vollenhoe. (5)

Voetnoten

(1)   Zie J. Don, deel 2. Gedeponeerde archieven. Blz 291. R 538
            In de middeleeuwen gold het kerkelijke renteverbod. Daarom leende men geen geld, maar kocht men een rente. Waarom deed men het als het ware omgekeerd, dus een 'rente kopen' in plaats van geld uitlenen, terwijl dat toch hetzelfde was? Dit had dus godsdienstige redenen. De kerk had heel veel bezwaren tegen geld uitlenen voor rente. In de bijbel hebben geldschieters een slechte naam. Men vond het onjuist, dat rijken rente kregen voor hun geld zonder er iets voor te moeten doen. Idealiter zouden rijken dus zonder rente moeten uitlenen, of zelfs allemaal weggeven. Hoe lost men dat op? Een geldschieter 'kocht' een rente door een vast bedrag op tafel te leggen (uit te lenen zouden wij zeggen). Dat bedrag werd in de rentebrieven pas helemaal aan het eind genoemd, zoiets als: 'deze jaarlijkse rente kan elk jaar op (datum) worden afgekocht voor een bedrag van...' Dat bedrag was dan het uitgeleende geld, maar men paste wel op, dat zo te noemen. Vaak werd ook gesteld: de rente gaat uit een genoemd huis (of ander goed van waarde, zoals een weiland of een akker). Dit huis of akker was dan het onderpand, maar dat werd nooit vermeld, want dan leek het weer op een geldlening. In deze akte lijkt het erve te Baarlo van Claes Meusz het onderpand te zijn. (2)   Zie J. Don deel 2. Gedeponeerde archieven. Blz 2. K 9


(3)   Zie J. Don deel 2. Gedeponeerde archieven. Blz 314. R 644
(4) Zie J. Don deel 2. Gedeoneerde  archieven. Blz 10. K 71
(5) B.M. de Jonge van Ellemeet. Institutien, Proclamatiën en Collatiën van den Aartsdiaken van St. Marie in het Decanaat Drente. In: Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht. Twee en veertigste deel. Utrecht. Wed. J.R. van Rossum, 1916 blz 342

 

samenstelling tekst en lay out pagina: Piet van der Lende