vv


Stakingen voor de opkomst van het socialisme

Reeds voor de opkomst van het socialisme werd er veel gestaakt. Niet alleen de veenarbeiders, ook de zogenaamde "polderjongens" die werkten aan wegen en dijken en het graven kanalen, voerden vaak aktie voor hogere lonen en betere arbeidsvoorwaarden. Al in juli 1825 zijn er bij De Lemmer ongeregeldheden van grondwerkers. De "polderjongens" leidden een ruig leven, met veel drank en vechtpartijen. Zo leverden in Oldemarkt in juni 1826 polderjongens uit Blesdijke een gevecht in een herberg, waarbij twee mensen, die op de vlucht waren geslagen, verdronken. In december 1827 waren er stakingen bij de grondwerkers die werkten aan de aarden baan van Meppel naar Steenwijk; het aanleggen van zo'n aarden baan was een voorbereiding voor de bestrating. Ook in april 1828 werd bij Schoterzijl gestaakt. Men werkte daar toen aan het Tjongerkanaal. (Zie: A Doedens (red.) Autoriteit en strijd - lijst van sociaal protest tot 1848)

In de avond van 10 juni 1830 werden de arbeiders onrustig die werkzaam waren aan een dijk in de grietenij Lemsterland. De korporaal Julien de Breusse van de afdeling kurassiers arresteerde twee "belhamels" en bracht ze naar De lemmer. Toen een van de arrestanten, Pieter Joseph Berten, probeerde te vluchten doodde de korporaal hem met een pistoolschot. Breusse beweerde, dat dit per ongeluk gebeurt zou zijn. In december 1830 werd Breusse voor de krijgsraad van Friesland vrijgesproken. Maar het Hoog Militair Gerechtshof oordeelde anders. Op 15 april 1831 werd Breusse uit de militaire dienst ontslagen en veroordeeld tot vijf jaar opsluiting in een rasp-tuchthuis of in een werkhuis. Volgens het militair gerechtshof had Breusse de grondwerker Berten, die op de grond lag, onnodig doodgeschoten. (Zie: J Mac Lean, arbeidsconflicten in de periode 1813-1872. Gegevens uit het kabinet des konings)

Ook de veenarbeiders in Lemsterland voerden in deze tijd akties. Eind april 1831 waren in Echten ongeveer duizend "vreemdelingen" aangekomen, om daar in het voorjaar in de veenderijen te werken en daarna bij de boeren het gras te maaien. Zij konden het echter met de veenbazen niet eens worden over het dagloon; de arbeiders begonnen te staken en liepen dagelijks in troepen van twee tot driehonderd man over het land. De ingezetenen van Lemsterland waren hier zeer ongerust over, terwijl de werkwilligen bedreigd werden. Ook zij werden gedwongen het werk te staken. De gouverneur van Friesland verzocht daarop om militaire hulp. Op 3 mei 1831 ging een detachement van drie officieren en 102 soldaten van de Friese mobiele schutterij naar De Lemmer. Verder marcheerden 25 kurassiers vanuit Arnhem naar De Lemmer. De commandant van de Friese schutters geeft opdracht, zes personen op te pakken. Hij deelt daarbij mee, dat vooral het "vreemde arbeidersvolk"' de veenarbeiders die van buiten Lemsterland kwamen, als de aanstichters van de ongeregeldheden moesten worden gezien, en wanneer de aanstichters niet snel verdwenen, zouden die ook gearresteerd worden. Daarop werden nog elf "rebelliemakers" gearresteerd. Daarna verlieten op order van de commandant van de Friese schutters alle arbeiders van buiten Friesland de streek en omstreeks 9 mei 1831 werd alles weer rustig. De veenbazen namen de werkwillige arbeiders aan voor een loon van 55 centen per roede.( J Mac Lean, arbeidsconflicten in de periode 1813-1872, A.E. Klijnsma, Lemsterlan.)

De historicus Kerst Huisman heeft een oproer onder veenarbeiders in Ter Idzard in 1845 nader onderzocht.(Kerst Huisman-welke dan gewoonlijk oproerlingen zijn, arbeidersverzet in de lage veenderijen in Friesland voor de eerste internationale en de reactie van de overheid daarop. Leeuwarden 1982.)

De arbeiders in Ter Idzart, die op 19 mei 1845 staakten, eisten ook hogere lonen. De staking werd uitgeroepen door bij de trekkerstenten stokken neer te zetten, met daaraan vlaggen en rode wollen dassen. Iedereen kon dan weten dat er gestaakt werd. Ook in de latere grote Veenpolder van Weststellingwerf zijn er in deze periode stakingen, oa in 1838, 1840 en 1868 en 1872. In de tachtiger en negentiger jaren van de negentiende eeuw werd in de Grote Veenpolder bijna ieder jaar wel gestaakt. (Johan Frieswijk, om een beter leven). In de eerste helft van de negentiende eeuw zijn er bovendien hongeroproeren en massale bedeltochten, meestal vanuit kleinere dorpen naar de grotere plaatsen, waar de bestuurscentra van gemeenten wearen gevestigd. Arbeiders uit Noordwolde trokken wel naar het gemeentehuis in Wolvega. De arbeiders leefden in deze tijd in zeer armoedige omstandigheden in plaggen hutten of in holen onder de grond. Vast werk hadden velen niet; zodat er met name in de winter langdurige perioden waren, dat ze geheel zonder inkomsten zaten. Men kon vaak alleen tijdelijk werk vinden in de veenderijen, door gras te maaien bij de boeren of door rietsnijden. Veenbazen maakten van deze situatie misbruik door de gedwongen winkelnering in te voeren; de arbeiders krgen hun loon gedeeltelijk in natura uitbetaald of ze kregen geld met het beding, dat ze hun produkten moesten kopen in de winkel van de veenbaas; bovendien verstrekten de veenbazen krediet aan arbeiders, die tijdelijk geen inkomsten hadden. Dit krediet werd dan het volgend voorjaar, wanneer de veenderij in volle gang was, verrekend met het loon. De prijzen van de produkten in de winkels van de veenbazen lagen dikwijls aanzienlijk hoger dan in andere winkels; maar de arbeiders waren door het krediet en de noodzaak in de veenderijen te werken met handen en voeten gebonden aan de veenbaas, die hen vaak uitbuitte.

 

 

samenstelling tekst en lay out pagina: Piet van der Lende