MeentheGemeenschappelijke, onverdeelde weilanden werden in de Stellingwerven vaak Meente genoemd. In Spanga bijvoorbeeld: 'hooylant, de Botter Maeten genaemt, geleegen in een Meente stuck int geheel, str. tegen Scherpenzeel'. De benaming meente is verwant aan het woord gemeenschappelijk, gemeente, gemene gronden. De meente kan dus wijzen op gemeenschappelijk bezit of gebruik, of op gebruik door de dorpsgemeenschap. De meente was in de Stellingwerven het hoger gelegen heideveld, en de meenschar of meenteweide het gemeenschappelijk gebruikte grasland dat erachter lag.[19] In sommige streken van ons land brengt men de meenten in verband met een marke-organisatie: alle boerenhoeven in een bepaalde buurtschap hebben een 'waardeel' in de gemeenschappelijke gronden. De boeren hebben het recht hun vee op de meente te weiden, of turf te steken en hout te halen. De meeste meentegronden in ons land zijn al in de late Middeleeuwen en kort daarna verdeeld. Dit lijkt ook met de meentegronden in de Westhoek van Weststellingwerf het geval te zijn. De benaming meente hoeft niet perse te verwijzen naar een markeorganisatie, of naar collectief bezit van de buurtgenoten in een marke, maar kan ook betrekking hebben op drassige wildernissen en andere woeste gronden die nog niet door particulieren of in opdracht van een landsheer ontgonnen waren en die verder ook niet werden gebruikt. Ook wel ontgonnen gronden die de eigenaar als grootgrondbezitter exploiteerde door inscharing van vee tegen betaling, werden soms meente genoemd. Vaak was de grootgrondbezitter een landsheer die de gronden beschouwde als prive-bezit of tot zijn domein behorende. De buren hadden in dat geval alleen een collectief gebruiksrecht op de meentegronden. Zij hadden de grond in gebruik tegen betaling van een tijns (een belasting) aan de grondheer.[20] Een aantal 14de-eeuwse conflicten tussen de Stellingwervers en de bewoners van IJsselham enerzijds en de bisschop van Utrecht anderzijds hebben hier betrekking op. De IJsselhammers beschouwden de gemeenschappelijke weidegronden aan de oevers van de Linde als hun collectief eigendom. Maar de bisschop van Utrecht meende dat deze gronden van hem waren, en dat de IJsselhammers slechts het gebruiksrecht hadden, zodat zij de gronden niet mochten verkopen. Ook de meentegronden in de Westhoek van Weststellingwerf kunnen toebehoord hebben aan een belangrijk persoon, bijvoorbeeld de Heren van Kuinre, die in dit gebied omvangrijke bezittingen hadden, of een andere grootgrondbezitter, zoals het klooster van het Convent van Schoten.
We vinden de benaming meente ook terug in de Rottige Meente. Dit is rietland onder Nijetrijne, dat nu eigendom is van Staatsbosbeheer. Onder Rottige Meente wordt in onze tijd een groot gebied van 800 hectare aan weerszijden van de Stuyvesantweg verstaan. Volgens Brouwer sloeg de naam oorspronkelijk op een veel kleiner gebied van 30 of 40 hectare, aan de zuidzijde van de Stuyvesantweg. Tot 1900 behoorde het aan een boerderij aan de Lindedijk. Het was blauwgras, dus zeer slecht land met weinig opbrengst. Het land kon slechts eenmaal per jaar gemaaid worden. Al zijn er in de stellingwerven geen bronnen die wijzen op zoiets als een markeorganisatie, er konden wel degelijk afspraken en regels zijn over het gebruik van meentegronden, het heideveld of de graslanden. [19]. Bloemhoff-de Bruijn 1988, blz 36 [20]. De Monte Verloren1972 blz. 65
|