vv


Overstromingsrampen

vvHoogwaterkanon

In 1776 en 1825 vonden twee grote overstromingen plaats. De overstromingen veroorzaakten grote vernielingen langs de kust van Overijssel en Friesland. Om voor toekomstige rampen gewaarschuwd te zijn, plaatste men tussen Vollenhove en Kuinre een aantal kanonnen. In Blankenham werden er twee geplaatst. Hiernaast ziet u een van die twee kanonnen. De kanonniers dienden bij dreigend hoogwater de bevolking te waarschuwen, door eenmaal een schot af te vuren. Tweemaal betekende een dreigende dijkdoorbraak en driemaal betekende ' wegwezen'. In 1928 schoot de kanonnier van der Linde voor het laatst met dit kanon. Op de achtergrond ziet u een van de vele kolken in Blankenham, die door dijkdoorbraken zijn ontstaan. Het tweede kanon van Blankenham is nu te vinden op het voormalige eiland Schokland bij het museum aldaar. Bij het kanon staat ook een gereconstrueerd kruithuisje.

De ramp van 1825

In de winter van 1825 was er een combinatie van een noord-wester orkaan, springtij en een hoge waterstand van rivieren en zuiderzee. het water werd met enorm geweld in de inham tussen de Lemmer en Kuinre opgezweept.

In de nacht van drie op vier februari kwam het zeewater zo opzetten, dat het in De Lemmer door verscheidene straten en stegen spoelde. S' avonds om zes uur waren Echten en Oosterzee door het water helemaal van de buitenwereld afgesloten. Tussen De Lemmer en Schoterzijl waren verscheidene doorbraken, waarvan men een gedeelte nu nog in het landschap kan terugvinden. De zeedijk bij Blankenham bezweek op zes plaatsen, zodat het veen- em moerasland bij Giethoorn en de weerribben geheel blank kwam te staan. Boerderijen en huizen werden ondermijnd of stortten in, en bruggen en dammen spoelden weg. (1) Ook de dijk bij Blankenham bezweek in deze rampzalige nacht. Het bezwijken van de dijk bij Blankenham had oa tot gevolg, dat het dorp Slijkenburg geheel werd overstroomd. De Lindedijk bezweek en kreeg een doorbraak van 20 ellen. (Een el had in vroeger tijden de gemiddelde lengte van een menselijke onderarm en wordt tegenwoordig gesteld op 69 centimeter.) Ten gevolge hiervan zwol de rivier de linde zodanig, dat de golven langs haar gehele lengte ter hoogte van een halve el over de noordelijke dijk in de gemeente Weststellingwerf vielen.

Ondertussen werd door de hiervoor genoemde doorbraken in Lemsterland het water van die kant ook voortgestuwd en de vloeden konden zich zo met elkaar verenigen, zodat het water een zodanige hoogte bereikte, dat voor de avond van 4 februari bijna twee derde van de gemeente Weststellingwerf tot een hoogte van twee el onder het zeewater was bedolven, terwijl mensen, veel, huizen, dijken en dammen in de stroom werden meegesleurd.

Alle huizen in Slijkenburg werden zwaar beschadigd, en twee spoelden geheel weg, waaronder de woning van J.T. Dragt, uit wiens gezin drie personen in de golven verdwenen zijn. J.T. Dragt was tapper en koopman te Slijkenburg en gehuwd met Roelofje Alberts, in 1799, een weduwe, wier dochter Jantje Beeckhaus in 1817 was gehuwd met Egbert Koenderts Dijkstra, die met zijn schoonvader Dragt handel dreef voor gemeenschappelijke rekening.

Er bestaat het volgende verhaal in mijn familie, dat is overgeleverd van de generatie van mijn grootouders. De beweringen zijn als volgt. Vrijwel het gehele gezin van Kornelis Pieters de Boer en Klaasje Jacobs Landman zou in de golven zijn omgekomen. Hun kleine zoon Wubbe, in 1822 geboren, dreef enkele dagen na de storm in zijn wieg op het water. De lijken werden verzameld in de schuur van de boerderij aan de Lindedijk. Dwz op de voormalige boerderij van R.R. de Boer. Later werden de lijken weer beroofd. Dit is geen wonder, wanneer men bedenkt, dat door de stormvloed hele families tot de bedelstaf werden gebracht.Verschillende bezoekers van de website hebben mij erop gewezen, dat dit verhaal niet kan kloppen omdat de kinderen van Kornelis Pieters en Klaasje Jacobs na 1825 nog geruime tijd in de burgerlijke stand voorkomen en sterftedata hebben ver na 1825. Familieverhalen bevatten vaak een kern van waarheid, maar zijn vaak ook niet exact in de vermelding van de feiten. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen hoe het zit.

Op 8 februari 1825 werden, na door de overstroming gevlucht te zijn in het grietenijhuis van Lemsterland geboren: Auke en Anne, jongens van Harke Martens Koopmans en Ynskje Aukes Bakker, die in Echten woonden. Van de tweeling is Anne op 1 maart gestorven. (2)

De stormvloed heeft een diepe indruk gemaakt op de bevolking. nog generaties lang werd in de familie verhalen verteld over wat verschillende mensen tijdens de overstroming overkomen was. Deze verhalen werden in de eerste helft van de 20e eeuw nog wel verteld, overgeleverd van ouders op hun kinderen. Hierboven werden verschillende namen genoemd van personen en gezinnen, die van de ramp hadden te lijden.

De schade was groot. Er zijn grote hoeveelheden turf weggespoeld, en de veenbazen werden niet alleen daardoor getroffen, maar ook door het wegspoelen van gereedschap, turfbakken en turfmakerswoningen. Verder verdronken er grote hoeveelheden vee. In Lemsterland wel 200 koeien en evenveel schapen en varkens. (3)

in een brief van 7 februari schrijft het grietenijbestuur van Lemsterland aan Gedeputeerde Staten dat de toestand onder de bevolking nijpend is. De mensen die alles kwijt zijn werden in kerken en andere gebouwen ondergebracht. Uit de gemeentelijke fondsen kon de armoede niet genoeg bestreden worden, terwijl zich in de kerk van Echten 63 personen bevonden, in de dorpsschool in De Lemmer 31 en in Oosterzee 12 personen.

Uit een andere brief blijkt, dat in De Lemmer 30 woningen niet meer bewoonbaar waren en dat de schade aan weggedreven turf fl 200.000,- bedroeg. Uit een informatie, ingesteld door de koning, blijkt dat 500 mensen in deze grietenij alles kwijtgeraakt zijn.

Aan een in Sneek en Lemmer ingestelde commissie worden voorzieningen gevraagd; in een brief van 23 april schrijft men aan de commissie, dat er vooral behoefte is aan tenten en woningen voor de turfmakers. De veenbazen, die daar doorgaans eigenaar van zijn, kunnen niet voorzien in de wederopbouw omdat zij daarvoor de financiele middelen niet hebben. Zeven huishoudingen van in totaal 46 personen hebben nog geen onderdak. Om de dijken weer in orde te krijgen hebben 2000 arbeiders eraan gewerkt. maar dit leidde tot vechterijen en op het laatst moesten er soldaten aan te pas komen om de rest af te maken. Het werk moest voor de winter klaarkomen en het schijnt, dat er toen werd aangepakt, want op 11 september gaan de soldaten tezamen met een grote hoeveelheid werkvolk weer weg.

De watervloed had daarna nog een desastreuze nasleep. Het jaar daarop brak een geelkoorts epidemie uit.

Veel financiele verlichting gaf de overheid de slachtoffers echter niet. De steun bleef beperkt tot tijdelijke huisvesting en wat geld uit de opbrengst van een boek dat over de ramp werd geschreven.

De conclusie kan zijn dat de watersnood een geweldige verarming van de bevolking met zich meebracht voor verschillende boerenfamilies die tot de categorie van de land- en veenarbeiders gingen behoren. Bovendien blijkt bij de aanleg van de nieuwe dijk sprake te zijn van stakingen en vechtpartijen. Zie hiervoor ook de artikelen over stakingen voor 1870.

(1) A.E. Klijnsma, aw, blz 45.
(2) A.E. Klijnsma, Lemsterland, blz 46
(3) A.E. Klijnsma blz 45

Bij het artikel is gebruik gemaakt van de volgende literatuur:

A.E. Klijnsma-Lemsterlan, in kuijerke troch it forline. Fryske Akademy Leeuwarden, Sudwesthoeke rige nr 12. 1975

Fokke van Lute (Fokke MIddendorp)-Her en der deur et oolde Wolvege. Oosterwolde 1980. Stichting Stellingwarver Schrieversronte.

 

samenstelling tekst en lay out pagina: Piet van der Lende