vv

 

Verandering en structuur in het historisch proces. De verbinding tussen abstracte theorien en empirische gegevens

Het begrip maatschappelijke verandering werd in de 19e eeuw door sociale wetenschappers aan de orde gesteld toen men geconfronteerd werd met revolutionaire wijzigingen in maatschappij-structuren. Men zocht verklaringen voor de industriele revolutie en de belangrijke maatschappelijke veranderingen in veel landen als gevolg van de Franse Revolutie. . Bij het item over subjectieve interpretaties van het moderniseringsproces heb ik de uitgangspunten van 19e eeuwse theorien behandeld. In de meer recente samenleving werd men zich ervan bewust, dat statische maatschappijen niet bestaan, dat er voortdurend sociale, politieke, economische en culturele veranderingen optreden. Bieleman heeft dit ook geconstateerd waar het de oude pre-industriele plattelandsbeschaving betreft waar toch een bepaalde dynamiek in zat. Het initiatief voor deze veranderingen kan uitgaan van de overheid (bijvoorbeeld door wetgeving) van burgers, georganiseerd in sociale bewegingen, zoals vakbonden, van overdracht van cultuur door migratie, oorlog en bv kolonialisme, maar het kan ook een gevolg zijn van technologische veranderingen. Veranderingen kunnen echter ook optreden door zaken als droogte, hongersnoden, en economische veranderingen. In navolging van Knippenberg c.s onderscheid ik vier aspecten van veranderingsprocessen in samenlevingen. (1) Zij onderscheiden deelprocessen en voorwaarden van infra-structurele, economische, politieke en sociaal-culturele aard. Hoewel deze processen sterk met elkaar verweven zijn, kun je ze analytisch van elkaar onderscheiden. De manier waarop Knippenberg en De Pater modernisering definieren is tevens in mijn ogen een goed uitgangspunt om een verbinding te leggen tussen de verschillende theorien over verandering in samenlevingen en de concrete gebeurtenissen. Deze gebeurtenissen kunnen in de definiering van Knippenberg en De Pater in een context worden geplaatst, zij onderscheiden verschillende indicatoren die volgens hen bepalend zijn voor bepaalde aspecten van het veranderingsproces. Terwijl tegelijkertijd de aspecten van modernisering die zij onderscheiden ook aansluiten op de verschillende teorien, omdat dit in feite verklaringsmodellen zijn over de onderlinge verhouding tussen die verschillende aspecten. De aspecten zijn zoals gezegd veranderingen op infra-structureel gebied, economische veranderingen, politieke en bestuurlijke veranderingen en sociaal-culturele veranderingen.

Ten eerste veranderingen op infra-structureel gebied. Voortdurend heeft de mens ingegrepen in zijn natuurlijke omgeving, kanalen, wegen aangelegd en woeste gronden ontgonnen. Er werden transport en communicatiestelsels ontwikkeld zoals land en waterwegen en later spoorwegen, in de 19e eeuw telefoon en telegraafverbindingen. Verder waren er inpolderingen. Hierdoor werd de uitwisseling van goederen, diensten, kapitaal, informatie en mensen (migratie) mogelijk. Zij vormen de materiele voorwaarden voor economische, politieke en sociaal-culturele veranderingen, de horizon van veel mensen werd steeds ruimer. Een technologische vinding op het gebied van transport- bijvoorbeeld het koggeschip in de middeleeuwen- had belangrijke economische gevolgen: grotere hoeveelheden duurzaam houdbare goederen konden in kortere tijd over grotere afstanden worden vervoerd. In deze tijd zien we het handelsverbond van de Hanze ontstaan en de opkomst van kuststeden in de middeleeuwen in Noord-West Europa. Maar we kunnen dit wel relativeren. Of de ontwikkeling van de Hanze uitsluitend te danken is aan technologische ontwikkelingenn is de vraag. Andere aspecten kunnen ook de technologische ontwikkelingen bepalen, dus je kunt zeggen dat er sprake is van wederzijdse beinvloeding. Sociaal-culturele, politieke-bestuurlijke en economische factoren kunnen omgekeerd weer bepalen, welke technologische innovaties op grote schaal worden toegepast en wanneer.

Ten tweede kan gewezen worden op economische veranderingen. Wat dit betreft kan een nagenoeg continue ontwikkelingslijn worden geschetst van het ontstaan van middeleeuwse jaarmarkten tot de industriele revolutie. Er is een voortdurende expansie van markten. De orientatie verschuift van sterk lokale naar boven lokale en later nationale en internationale markten. Tot aan het einde van de 19e eeuw was Nederland een overwegend agrarisch land. Landbouw en veeteelt waren naast het delven van grondstoffen zoals turf de voornaamste middelen van bestaan. OOk zijn er dus in economisch opzicht ook voor de industriele revolutie belangrijke economische veranderingen opgetreden. De uitbreiding van jaarmarkten, het ontstaan van weekmarkten, het handelskapitalisme in de 17e eeuw, afname van gemengde bedrijven waar zowel veelteelt als akkerbouw bedreven werd, ontstaan van steden, toenemende specialisatie van landbouwgebieden

Ten derde politiek-bestuurlijke veranderingen. Reeds in de 16e eeuw met de komst van Karel V komt een proces van staatsvorming op gang, dat grote gevolgen had voor tot dan toe bestuurlijk zelfstandige gebieden. Maar pas in de 19e eeuw ontstaat de 'maatschappelijke' staat. Dit heeft betrekking op het toenemend belang van de nationale overheid ten opzichte van lokale overheden en elites. Een proces van wederzijdse doordringing van staat en maatschappij. De staat penetreert via wetten en verplichtingen voorde burgers (bijvoorbeeld belastingheffing, dienstplicht en leerplicht) tot in alle uithoeken van het territorium. Daarnaast is er een toenemende betrokkenheid van de burgers bij een uitbreiding van hun rechten in, en een groeiende identificatie met de nationale staat. Staat en natie gaan meer en meer samenvallen. Nationale symbolen krijgen emotionele betekenissen die ze voorheen niet of minder hadden. (vorstenhuis, vlag, volkslied)

Ten vierde sociaal culturele veranderingen. Belangrijk hierbij is de vraag naar het 'sociaal gemobiliseerde deel' van de bevolking. Wie zijn de dragers van veranderingen? Bv wie lezen boeken en kranten en welke?. Wat is hun invloed? In de negentiende eeuw bijvoorbeeld kan men de opkomst van het socialisme en liberalisme onderscheiden en in de 16e en 17e eeuw een nieuwe godsdienst: het tijdperk van de reformatie.
In de loop van de 19e eeuw leidt de toenemende participatie in een soort overall Nederlandse cultuur tot een afbraak van plaatselijke en regionale culturen. Dit heeft in de 20e eeuw tot culturele homogenisering geleid. Het standaard nederlands verdringt gedeeltelijk de dialecten en andere landstalen en de mondeling overgeleverde cultuur van volksverhalen gewoonten en feesten wordt minder belangrijk of verdwijnt zelfs geheel waarbij nationale lectuur en literatuur steeds belangrijker worden. Opgemerkt moet echter worden dat verschillende aspecten van regionale culturen een taai leven leiden. Allerlei plaatselijke gewoonten kan nieuw leven worden ingeblazen, terwijl in verschillende gebieden dialecten zich weten te handhaven. In sommige streken is dat het geval in andere weer niet. Tot de cultuur rekenen Knippenberg en De Pater ook de mentaliteit van de mensen, een geheel van emoties, beelden en houdingen. Hiermee verbonden is de discussie over bij wie, wanneer en hoe het gevoel ontstond Nederlander te zijn, dus het ontstaan van het nationalisme, ten koste of als aanvulling op het gevoel van verbondenheid met de eigen streek. Over het ontstaan van nationalisme zijn vele studies verschenen en is veel gediscussieerd.

Een belangrijk aspect van de culturele eenwording van Nederland is het onderwijs, zoals dat in de loop der eeuwen georganiseerd werd. Voor de 19e eeuw was dit grotendeels particulier initiatief, vaak vanuit kerkelijke instellingen, pas in de loop van de 19e eeuw wordt het onderwijs vanuit de centrale staat steeds beter georganiseerd. Het onderwijs heeft een grote invloed gehad op de culturele homogenisering.

(1) Hans Knippenberg en Ben de Pater - De Eenwording van Nederland. Schaalvergroting en integratie sinds 1800. SUN Nijmegen Zesde druk 2002.

 

samenstelling tekst en lay out pagina: Piet van der Lende